Met loomen, langzamen tred ging de trek het Noorden in. ’t Was geen
wonder, dat het langzaam ging. Men moest het vee ontzien, en telkens
moesten de achterblijvers worden ingewacht. Maar eindelijk, eindelijk
was het eerste doel van den tocht bereikt, en den top van een hoogen
heuvel beklimmend, zagen de Boeren in de verte de blauwe golven blinken
van den breeden stroom.
„De groote rivier!” juichten de zwervers, „de groote rivier!”
Het was de Groote- of de Oranje-rivier, de koninklijke stroom, die nu
eens zich langzaam tusschen bloemrijke oevers heen slingert, om
plotseling met klaterend geweld van steile hoogten neer te donderen,
die vele mijlen ver zich tusschen nauwe, steile rotswanden doorwringt,
om dan weer in majestueuze breedte de vlakke prairiën te besproeien, en
die, in het Blauwe Gebergte ontspringend, na een grilligen tocht dwars
door Zuid-Afrika zijn wateren in den Atlantischen Oceaan ontlast.
De Voortrekkers hieven het hoofd moedig op, toen zij het geruisch van
zijn golven hoorden. Er was reden voor, want in het brein van den
slokkerigsten Engelschman was het niet opgekomen, om het gezag van zijn
land tot over de Oranje-rivier uit te stippelen.
Doch een nieuwe teleurstelling wachtte hen. De rivier was door zware
regens hooggezwollen, en nergens was een ondiepte, een drift noch pont
of veerschuit te ontdekken.
Maar de Trekkers waren praktische menschen, die niet licht bij de
pakken gingen neerzitten, en al hadden ze geen vleugels, om over den
breeden stroom te komen, zij hadden een ijzeren wil, en moesten naar
den overkant.
Ze kwamen er ook.
Langs den zanderigen oever stonden heele bosschen wilgeboomen, waarop
de oogen der Boeren vielen, en de landelijke stilte van den omtrek werd
verbroken, dagen lang, door het kappen van den bijl, het knarsen der
zaag en het luid geklop van den hamer. Spoedig dreven ruwe houtvlotten
in het water, en de zware, groote wagens, van hun inhoud ontlast,
werden het eerst aan deze primitieve ponten toevertrouwd. Daarna
volgden have en goed, terwijl de Boeren het kostbaarste, wat zij
bezaten: hun vrouwen en kinderen, het laatste overbrachten [7].
De moeielijke overtocht werd zonder ongelukken volbracht, terwijl de
vrouwen, met hun kinderen neergehurkt op de houtvlotten, zongen:
„Komt, treèn wij dan gemoedigd voort,
In vast vertrouwen op Zijn woord;
Hoe moeilijk ons de weg ook schijn’,
Het eind zal zeker zalig zijn!”
Nu waren de Boeren vrij! Het gehate Engelsche juk was hen van de
schouders gegleden, en zij vormden een zelfstandig volk: het volk der
vrije Boeren. Vol geestdrift hadden de jonge Boeren geroepen: „Leve de
vrijheid! Weg met Engeland!” maar de vrome de Jong had gezegd:
„Eben-Haëzer: tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen!”
De Boeren betrokken bij de Oranje-rivier groote lagers van dertig tot
honderd ossenwagens, en waar anders niets werd gehoord dan het eentonig
lied van een alleen wonenden kaffer, het gebrul van een wild dier en
het gekras van een roofvogel hoog in de lucht, klonk thans scherts en
gelach. Vrienden, die elkander in geen tien jaar hadden gezien, drukten
elkander aan de Oranje-rivier de hand, en nieuwe vriendschapsbanden
werden geknoopt!
De jonge Boeren organiseerden groote schietwedstrijden, terwijl de
ouden, met de pijp in den mond, in ernstige gesprekken door de
legerplaats wandelden.
Zoo’n wedstrijd zullen wij heden bijwonen.
Van de scheidsrechters kennen wij er maar één: den sterken, gespierden
Teunis Smit.
Er staan een veertigtal jonge Boeren met het geweer in de hand gereed,
om deel te nemen aan den wedstrijd. Bij een der groepen, die druk staan
te praten, herkennen wij Dirk Kloppers, Tijs de Jong en Kees Bouwer.
Het is zwart van toeschouwers. Hier en daar loopt een breedgeschouderde
olifantenjager met verweerde gelaatstrekken door de menigte heen, die
eerbiedig wordt gegroet, en over en weer vliegen schertswoorden, die
met vroolijk gelach worden aanvaard. Er heerscht ongedwongenheid zonder
bandeloosheid; vloeken hoort men niet; ’t is een volksfeest in den
goeden zin van het woord.
Eerst wordt, op flinken afstand, een ronde schijf tegen een boom
gespijkerd. Die schijf vormt het wit.
Niet één van de veertig schutters mist het doel. Nu wordt op de schijf
een cirkel geteekend, niet grooter dan een rijksdaalder. Die cirkel is
thans het mikpunt.
Kees Bouwer, die in den regel een grooten mond heeft, waar het een
ander geldt, is blijkbaar zenuwachtig, en raakt de schijf twee
centimeters boven het wit. Met een luidschallend gelach wordt het misse
schot begroet.
Tijs de Jong raakt den cirkel in het middenpunt, maar Dirk Kloppers
geeft hem geen kamp, want zijn kogel klettert op het lood, dat Tijs
heeft afgeschoten.
Van de veertig schutters vallen er drie af.
Nu wordt er een leege flesch opgehangen in den boom; daarvoor een plank
met eene opening ter grootte van een gulden.
„Vijftien pas achteruit,” roept Teunis Smit, „en opgepast!”
Nu wordt het meenens; er komt beweging onder de toeschouwers.
Dertig kogels fluiten door de opening heen, en schieten de telkens op
nieuw vervangen flesch stuk.
Onder de gelukkigen, die raak schoten, behooren Dirk en Tijs.
Er wordt een nieuwe plank genomen, met een opening, niet grooter dan de
dikte van den kogel.
„Nou ben je verloren, Tijs,” zegt Kees Bouwer sarrend.
Tijs kijkt hem aan met een verachtelijken blik.
„Kees,” zegt een der omstanders.
„Wat moet je?” zegt Kees.
„Heb je niet een schaar?” zegt de omstander.
„Waarvoor?” zegt Kees.
„Om een stuk van je tong af te knippen, want ze is te lang voor een
fatsoenlijk mensch!”
Kees Bouwer zegt geen woord meer.
Tijs is het eerst aan de beurt om te schieten.
Met strak gespannen gelaat volgt de menigte elk zijner bewegingen.
Er wordt geen woord meer gesproken; er wordt slechts gefluisterd.
Daar gaat het schot....
Met een lang aanhoudend, vroolijk hoera wordt het meesterschot
begroet—de flesch is stuk geschoten.
„Dat doet geen mensch hem na dan Teunis Smit,” roept een dikke veerman,
die ergens aan de rivier woonachtig is; „geen mensch behalve Teunis
Smit. Tijs de Jong is koning vandaag!”
Dat scheen waarheid te worden, want de acht en twintig volgenden
misten, ’t Scheelde bij velen niet meer dan een paar strepen, maar het
schot was toch mis. ’t Was ook haast niet te doen: op zoo’n afstand
door die kleine opening heen te schieten.
Dirk kwam het laatst aan de beurt.
Hij legde het geweer aan.
Daar kwam een wesp aangevlogen, en zette zich op zijn hand.
Onmiddellijk daarop voelde hij een stekende pijn.
Tijs zag het. „Dirk,” zeide hij, „de wesp heeft je gestoken. De kamp is
niet gelijk; schiet niet!”
Dirk liet den loop van het geweer zakken.
„Zoo,” riep de dikke veerman, „durf je niet? Ik had het wel gedacht.”
„Houd je mond, dikbuik,” riep Tijs met toornige stem; „moei je met je
eigen zaken!”
Maar Dirk kon de aantijging van den veerman niet verkroppen. Hij zette
de tanden vast op elkander, en legde het geweer ten tweeden male aan.
Wel was zijn gelaat een tint bleeker dan gewoonlijk, maar onbewegelijk
lag de loop van het geweer in zijn sterke hand.
De spanning onder de toeschouwers had thans haar hoogtepunt bereikt;
zelfs het gefluister verstomde.
Dirk brandde los ... de flesch vloog in duizend scherven....
Er volgde een oorverdoovend gejuich. Men zwaaide met de geweren, met de
hoeden, met de petten, en de jonge Boeren brachten een geestdriftig
hoera uit voor Dirk Kloppers en Tijs de Jong.
Maar Teunis Smit riep: „Vooruit, overdoen! Wie het eerste mis schiet,
is overwonnen.”
Hij wachtte een paar minuten, doch noch Dirk noch Tijs, die met
elkander stonden te fluisteren, schenen het gehoord te hebben.
„Nu, zijn de heeren van plan, om van de week nog te beginnen?”
schreeuwde de leeuwenjager.
„Neen,” zeide Dirk, „van de week komt er zèker niets van.”
Hij reikte Tijs de hand, en hand aan hand wandelden zij te samen naar
de scheidsrechters toe.
„De strijd is niet beslist: nu hebben we geen schutterskoning vandaag,”
zeide Teunis Smit gemelijk.
„Ge hebt er dezen keer twee,” antwoordde Tijs lachend: „dat is goed
voor de verandering.”
De toeschouwers vonden het blijkbaar ook, maar de dikke veerman zeide
spottend: „Een mooie wedstrijd hier! Een mooie boel,” en na een poosje
ging hij wrevelig en mopperend heen.
Twee jonge menschen slopen hem achterna.
Hij was misschien een vijftal minuten weg, toen hem plotseling de stok
onder de hand werd weggestooten.
Hij keerde zich om, en zag een blauw rookwolkje.
„Ik wil wedden, dat die lange slungel van Kloppers dat heeft gedaan,”
zeide hij.
Maar die weddenschap zou hij verloren hebben, want Tijs de Jong had het
gedaan.
Het volgende oogenblik werd hem de steenen pijp van tusschen de tanden
weggeschoten.
„En dat heeft me Tijs de Jong geflikt, die rekel,” liet hij er op
volgen. Ook dat was niet waar, want het laatste schot was van Dirk
Kloppers.
„O dat nare Boerenras,” riep hij, de vuist ballend; „die
ellendelingen!”
Toen zette hij het op een loopen, zoo hard als zijn korte beenen het
toelieten, en holde naar zijn woning.