HOOFDSTUK IX.

Met loomen, langzamen tred ging de trek het Noorden in. ’t Was geen

wonder, dat het langzaam ging. Men moest het vee ontzien, en telkens

moesten de achterblijvers worden ingewacht. Maar eindelijk, eindelijk

was het eerste doel van den tocht bereikt, en den top van een hoogen

heuvel beklimmend, zagen de Boeren in de verte de blauwe golven blinken

van den breeden stroom.

„De groote rivier!” juichten de zwervers, „de groote rivier!”

Het was de Groote- of de Oranje-rivier, de koninklijke stroom, die nu

eens zich langzaam tusschen bloemrijke oevers heen slingert, om

plotseling met klaterend geweld van steile hoogten neer te donderen,

die vele mijlen ver zich tusschen nauwe, steile rotswanden doorwringt,

om dan weer in majestueuze breedte de vlakke prairiën te besproeien, en

die, in het Blauwe Gebergte ontspringend, na een grilligen tocht dwars

door Zuid-Afrika zijn wateren in den Atlantischen Oceaan ontlast.

De Voortrekkers hieven het hoofd moedig op, toen zij het geruisch van

zijn golven hoorden. Er was reden voor, want in het brein van den

slokkerigsten Engelschman was het niet opgekomen, om het gezag van zijn

land tot over de Oranje-rivier uit te stippelen.

Doch een nieuwe teleurstelling wachtte hen. De rivier was door zware

regens hooggezwollen, en nergens was een ondiepte, een drift noch pont

of veerschuit te ontdekken.

Maar de Trekkers waren praktische menschen, die niet licht bij de

pakken gingen neerzitten, en al hadden ze geen vleugels, om over den

breeden stroom te komen, zij hadden een ijzeren wil, en moesten naar

den overkant.

Ze kwamen er ook.

Langs den zanderigen oever stonden heele bosschen wilgeboomen, waarop

de oogen der Boeren vielen, en de landelijke stilte van den omtrek werd

verbroken, dagen lang, door het kappen van den bijl, het knarsen der

zaag en het luid geklop van den hamer. Spoedig dreven ruwe houtvlotten

in het water, en de zware, groote wagens, van hun inhoud ontlast,

werden het eerst aan deze primitieve ponten toevertrouwd. Daarna

volgden have en goed, terwijl de Boeren het kostbaarste, wat zij

bezaten: hun vrouwen en kinderen, het laatste overbrachten [7].

De moeielijke overtocht werd zonder ongelukken volbracht, terwijl de

vrouwen, met hun kinderen neergehurkt op de houtvlotten, zongen:

„Komt, treèn wij dan gemoedigd voort,

In vast vertrouwen op Zijn woord;

Hoe moeilijk ons de weg ook schijn’,

Het eind zal zeker zalig zijn!”

Nu waren de Boeren vrij! Het gehate Engelsche juk was hen van de

schouders gegleden, en zij vormden een zelfstandig volk: het volk der

vrije Boeren. Vol geestdrift hadden de jonge Boeren geroepen: „Leve de

vrijheid! Weg met Engeland!” maar de vrome de Jong had gezegd:

„Eben-Haëzer: tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen!”

De Boeren betrokken bij de Oranje-rivier groote lagers van dertig tot

honderd ossenwagens, en waar anders niets werd gehoord dan het eentonig

lied van een alleen wonenden kaffer, het gebrul van een wild dier en

het gekras van een roofvogel hoog in de lucht, klonk thans scherts en

gelach. Vrienden, die elkander in geen tien jaar hadden gezien, drukten

elkander aan de Oranje-rivier de hand, en nieuwe vriendschapsbanden

werden geknoopt!

De jonge Boeren organiseerden groote schietwedstrijden, terwijl de

ouden, met de pijp in den mond, in ernstige gesprekken door de

legerplaats wandelden.

Zoo’n wedstrijd zullen wij heden bijwonen.

Van de scheidsrechters kennen wij er maar één: den sterken, gespierden

Teunis Smit.

Er staan een veertigtal jonge Boeren met het geweer in de hand gereed,

om deel te nemen aan den wedstrijd. Bij een der groepen, die druk staan

te praten, herkennen wij Dirk Kloppers, Tijs de Jong en Kees Bouwer.

Het is zwart van toeschouwers. Hier en daar loopt een breedgeschouderde

olifantenjager met verweerde gelaatstrekken door de menigte heen, die

eerbiedig wordt gegroet, en over en weer vliegen schertswoorden, die

met vroolijk gelach worden aanvaard. Er heerscht ongedwongenheid zonder

bandeloosheid; vloeken hoort men niet; ’t is een volksfeest in den

goeden zin van het woord.

Eerst wordt, op flinken afstand, een ronde schijf tegen een boom

gespijkerd. Die schijf vormt het wit.

Niet één van de veertig schutters mist het doel. Nu wordt op de schijf

een cirkel geteekend, niet grooter dan een rijksdaalder. Die cirkel is

thans het mikpunt.

Kees Bouwer, die in den regel een grooten mond heeft, waar het een

ander geldt, is blijkbaar zenuwachtig, en raakt de schijf twee

centimeters boven het wit. Met een luidschallend gelach wordt het misse

schot begroet.

Tijs de Jong raakt den cirkel in het middenpunt, maar Dirk Kloppers

geeft hem geen kamp, want zijn kogel klettert op het lood, dat Tijs

heeft afgeschoten.

Van de veertig schutters vallen er drie af.

Nu wordt er een leege flesch opgehangen in den boom; daarvoor een plank

met eene opening ter grootte van een gulden.

„Vijftien pas achteruit,” roept Teunis Smit, „en opgepast!”

Nu wordt het meenens; er komt beweging onder de toeschouwers.

Dertig kogels fluiten door de opening heen, en schieten de telkens op

nieuw vervangen flesch stuk.

Onder de gelukkigen, die raak schoten, behooren Dirk en Tijs.

Er wordt een nieuwe plank genomen, met een opening, niet grooter dan de

dikte van den kogel.

„Nou ben je verloren, Tijs,” zegt Kees Bouwer sarrend.

Tijs kijkt hem aan met een verachtelijken blik.

„Kees,” zegt een der omstanders.

„Wat moet je?” zegt Kees.

„Heb je niet een schaar?” zegt de omstander.

„Waarvoor?” zegt Kees.

„Om een stuk van je tong af te knippen, want ze is te lang voor een

fatsoenlijk mensch!”

Kees Bouwer zegt geen woord meer.

Tijs is het eerst aan de beurt om te schieten.

Met strak gespannen gelaat volgt de menigte elk zijner bewegingen.

Er wordt geen woord meer gesproken; er wordt slechts gefluisterd.

Daar gaat het schot....

Met een lang aanhoudend, vroolijk hoera wordt het meesterschot

begroet—de flesch is stuk geschoten.

„Dat doet geen mensch hem na dan Teunis Smit,” roept een dikke veerman,

die ergens aan de rivier woonachtig is; „geen mensch behalve Teunis

Smit. Tijs de Jong is koning vandaag!”

Dat scheen waarheid te worden, want de acht en twintig volgenden

misten, ’t Scheelde bij velen niet meer dan een paar strepen, maar het

schot was toch mis. ’t Was ook haast niet te doen: op zoo’n afstand

door die kleine opening heen te schieten.

Dirk kwam het laatst aan de beurt.

Hij legde het geweer aan.

Daar kwam een wesp aangevlogen, en zette zich op zijn hand.

Onmiddellijk daarop voelde hij een stekende pijn.

Tijs zag het. „Dirk,” zeide hij, „de wesp heeft je gestoken. De kamp is

niet gelijk; schiet niet!”

Dirk liet den loop van het geweer zakken.

„Zoo,” riep de dikke veerman, „durf je niet? Ik had het wel gedacht.”

„Houd je mond, dikbuik,” riep Tijs met toornige stem; „moei je met je

eigen zaken!”

Maar Dirk kon de aantijging van den veerman niet verkroppen. Hij zette

de tanden vast op elkander, en legde het geweer ten tweeden male aan.

Wel was zijn gelaat een tint bleeker dan gewoonlijk, maar onbewegelijk

lag de loop van het geweer in zijn sterke hand.

De spanning onder de toeschouwers had thans haar hoogtepunt bereikt;

zelfs het gefluister verstomde.

Dirk brandde los ... de flesch vloog in duizend scherven....

Er volgde een oorverdoovend gejuich. Men zwaaide met de geweren, met de

hoeden, met de petten, en de jonge Boeren brachten een geestdriftig

hoera uit voor Dirk Kloppers en Tijs de Jong.

Maar Teunis Smit riep: „Vooruit, overdoen! Wie het eerste mis schiet,

is overwonnen.”

Hij wachtte een paar minuten, doch noch Dirk noch Tijs, die met

elkander stonden te fluisteren, schenen het gehoord te hebben.

„Nu, zijn de heeren van plan, om van de week nog te beginnen?”

schreeuwde de leeuwenjager.

„Neen,” zeide Dirk, „van de week komt er zèker niets van.”

Hij reikte Tijs de hand, en hand aan hand wandelden zij te samen naar

de scheidsrechters toe.

„De strijd is niet beslist: nu hebben we geen schutterskoning vandaag,”

zeide Teunis Smit gemelijk.

„Ge hebt er dezen keer twee,” antwoordde Tijs lachend: „dat is goed

voor de verandering.”

De toeschouwers vonden het blijkbaar ook, maar de dikke veerman zeide

spottend: „Een mooie wedstrijd hier! Een mooie boel,” en na een poosje

ging hij wrevelig en mopperend heen.

Twee jonge menschen slopen hem achterna.

Hij was misschien een vijftal minuten weg, toen hem plotseling de stok

onder de hand werd weggestooten.

Hij keerde zich om, en zag een blauw rookwolkje.

„Ik wil wedden, dat die lange slungel van Kloppers dat heeft gedaan,”

zeide hij.

Maar die weddenschap zou hij verloren hebben, want Tijs de Jong had het

gedaan.

Het volgende oogenblik werd hem de steenen pijp van tusschen de tanden

weggeschoten.

„En dat heeft me Tijs de Jong geflikt, die rekel,” liet hij er op

volgen. Ook dat was niet waar, want het laatste schot was van Dirk

Kloppers.

„O dat nare Boerenras,” riep hij, de vuist ballend; „die

ellendelingen!”

Toen zette hij het op een loopen, zoo hard als zijn korte beenen het

toelieten, en holde naar zijn woning.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 13 / 40 题