Op zekeren morgen, nadat men weer eenige dagen was voortgetrokken,
bleven de ossenwagens uitgespannen staan. Met algemeen goedvinden was
besloten, den Trek eenige dagen te staken. Daardoor bleef men in
verbinding met de Emigranten-Boeren, die de Kolonie later hadden
verlaten, dat met het oog op de gevaren, die van de zijde der Kaffers
te duchten waren, een verstandige maatregel was.
De wagens bleven dus uitgespannen, en de Boeren, die hartstochtelijke
jagers zijn, begaven zich op de antilopenjacht. Het vleesch der gedoode
antilopen plegen de jagers bij lange reepen in de zon te droogen te
hangen. Het gedroogde vleesch wordt biltong genoemd, en levert een taai
maar krachtig voedsel.
Willem, die nu tien jaar was, had waarlijk ook al een geweer, en het
hinderde hem niet, dat de klepper, waarop hij zat, reeds oud en stijf
begon te worden. Aan de zijde van Dirk trok hij met de andere Boeren
vroolijk mede ter jacht, en elken kwinkslag, die op hem werd afgegeven,
gaf de kleine kerel met woeker terug.
Maar Gert Kloppers was in de legerplaats gebleven. Er was aan de
ossenwagens zooveel na te zien en te kalefateren, dat er werk genoeg
aan den winkel was. En al was er geen onraad te vreezen, hij hield het
toch voor raadzaam, dat er ten minste één mannelijke verdediger in het
lager was.
De jagers waren nu vertrokken, en terwijl Gert Kloppers een voorwiel
van den achtersten wagen nazag, leunde Floor tegen den voorsten
ossenwagen. Hij tuurde zwijgend naar den blauwen hemel, waar een paar
grijze wolken voorbij dreven, terwijl hun schaduw langzaam over de
onmetelijke velden gleed.
Er lag een trek van bitter verdriet op zijn gelaat. Meer dan hij ’t
zeggen kon, hinderde ’t hem, dat zelfs de kleine Willem reeds met
vaardigheid het geweer, dat machtig wapen in de hand van den Boer, kon
hanteeren, terwijl hij er niet de minste geschiktheid voor bezat.
Wèl had hij zich een groote bekwaamheid eigen gemaakt in het werpen van
zijn strijdbijl, maar wat baatte dat?
Twintig maal had hij klaar gestaan, om een wild dier het scherpe staal
naar den kop te slingeren, maar elken keer was de buit hem ontsnapt,
voor het onder het bereik van zijn bijlworp kwam.
Hij was nutteloos; dàt voelde hij. Hij wilde nuttig zijn, en hij kon
het niet, en hij schaamde zich over iets, dat hij toch niet verhelpen
kon.
En juist, terwijl hij zich in deze zelfpijnigingen verdiepte, richtte
zijn moeder, die in de schaduw van den wagen gezeten, bezig was met
kleeren verstellen, zich tot hem met de woorden: „Zoo Floor, staat gij
daar weer te suffen? Waarom ben je niet meegegaan op de jacht?”
„Ge weet het: ik kan niet schieten.”
„Ja, de kleine Willem beschaamt je,” zeide de moeder.
„Kan ik dat helpen?” antwoordde hij op stroeven toon.
„Gij zijt een hals, een tobbert,” vervolgde vrouw Kloppers. „Een Boer,
die geen geweer kan hanteeren, is een oneer voor de familie.”
Zij bedoelde dat zoo erg niet, maar zij was van morgen door allerlei
kleine wederwaardigheden ontstemd geraakt, en zij woog haar woorden
niet.
Maar bij Floor, die in een hoogst prikkelbaren toestand verkeerde, viel
dit woord als een snijdend zwaard in de ziel.
„Een oneer?” riep hij met schorre stem, „een oneer?”
Hij was zoo wit geworden als een gekalkte muur, en hij beet op zijn
lippen, dat het bloed er uit sprong.
En voor de moeder er aan dacht, om hem terug te roepen en te kalmeeren,
verliet hij met haastige schreden de legerplaats, niet in staat den
storm te bezweren, die in zijn binnenste woedde.
Nu hij zich verwijderd had begreep de moeder eerst, dat zij haar kind
had gegriefd, en ware niet een buurvrouw tusschenbeide gekomen, die
hare oogenblikkelijke hulp van noode had, dan zou zij Floor nog zeker
zijn nagegaan.
Maar nu troostte zij zich met de gedachte, hem bij zijn thuiskomst wel
te spreken, er niet aan denkend, dat er voor die thuiskomst nog veel
kon gebeuren!
Het zal een paar uur later zijn geweest, dat de kleine Hannie op
eenigen afstand van het lager op een heuveltje zat te spelen. Zij zat
met den rug naar de ossenwagens, terwijl vrouw Kloppers nog altijd bij
den voorsten wagen zat, ijverig bezig aan haar huiselijk werk.
Rechts van het kind, op zeer korten afstand, was een klein bosch,
terwijl op den achtergrond, vóór het kind, eenig kreupelhout groeide.
Vrouw Kloppers hield, nu en dan van haar werk opziende, de kleine
Hannie in het oog, doch wie beschrijft haar schrik, toen zij, weer in
de richting van haar kind starende, op den achtergrond, tusschen de
groene bladeren van het kreupelhout, de gele manen zag schemeren van
een leeuw.
Zonder twijfel werd het roofdier door den honger gekweld, want anders
waagt zich de leeuw gewoonlijk niet op klaarlichten dag in de nabijheid
van ossenwagens.
Hij sloop voorzichtig als een kat uit het kreupelhout, en vrouw
Kloppers zag het duidelijk, dat het een leeuw van de grootste soort
was.
Onmiddellijk echter legde hij zich plat op den grond, en de wijze,
waarop hij met den staart zijn zijde zwiepte, wees duidelijk aan, dat
hij een prooi had ontdekt.
En die prooi was de kleine Hannie!
De kleine speelde met haar pop, en had niet het flauwste besef van het
vreeselijke gevaar, dat haar bedreigde.
Zij wendde het blonde hoofdje om, en lachte tegen haar moeder.
„Zie eens, Moeke,” riep ze, „wat past dat jurkje mooi!”
Nu keek de kleine weer recht vooruit, naar het kreupelhout. Zij moest
den leeuw zien; zij zàg hem werkelijk. Maar het onthutste haar niet;
argeloos speelde zij door.
In de verte, links van de kleine, kwam Gert Kloppers van eene korte
wandeling terug, en op een verhevendheid komende, zag hij duidelijk het
bruine, strooien hoedje van zijn kind.
Maar even duidelijk zag hij den grooten leeuw als een kat op den loer
liggen.
Kloppers was zonder geweer; niets dan een mes had hij bij zich.
Hij blikte naar den voorsten ossenwagen, en zag, hoe zijn vrouw er in
tastte met hare handen.
Hij zag haar een geweer grijpen, en tegen den grond werpen. En nòg één
.... en nog één .... alle drie wierp ze tegen den grond. Hij begreep
het, en zijn hart bonsde zoo hevig, dat hij het kon hooren kloppen.
Er bevonden zich namelijk vier geweren in den ossenwagen. Drie daarvan
waren gisteren afgeschoten, en het was verzuimd geworden, ze weer te
laden. Het vierde geweer, het kleinste, was geladen, maar zelfs de
knapste schutter der kolonie—zelfs Teunis Smit niet!—kon met dat geweer
een leeuw vellen.
Dat alles wist de vader der kleine Hannie.
Nu zag hij, dat zijn vrouw het vierde geweer nam en aanlegde.
„Mik goed, Hanneke!” zeide hij. „Schiet het monster het rechteroog
uit!”
Hij zeide dit werktuigelijk, binnensmonds, want hij was te ver van zijn
vrouw vandaan, om haar te kunnen beroepen. En al hàd hij haar kunnen
beroepen, dan zou hij het toch niet hebben gedaan, uit vrees, het
onheil te verhaasten, dat oogenschijnlijk niet te keeren was.
Meteen trok hij echter het scherpe mes uit de schede.
Vrouw Kloppers scheen echter te aarzelen, om af te drukken. Ook dat
begreep haar man.
Het kind was namelijk opgerezen, en stond juist in de richting, die de
kogel moest nemen.
Maar het kind ging weer zitten, en onmiddellijk daarop zag Kloppers den
vuurstraal glippen uit den loop van het geweer.
Zoo dicht over het hoofd van het kind floot de kogel heen, dat de veer
op het hoedje werd geraakt.
Nu snelden de moeder van den eenen en de vader van den anderen kant hun
kind ter hulpe, maar sneller dan de ouders was de leeuw, die razend van
pijn en woede den vreeselijken sprong deed.
Doch hij miste zijn prooi—drie passen vóór het kind kwam hij op den
grond terecht. En in dit ondeelbaar oogenblik, vóór hij den sterken
klauw tot den doodelijken slag kon uithalen, suisde rechts uit het
bosch een bijl door de lucht.
Met zoo’n vreeselijke kracht was het wapen geslingerd, dat de bovenkop
van het roofdier letterlijk gespleten werd.
Thans kwam Floor, die reeds lang vóór zijn moeder den leeuw had
opgemerkt, uit het boschje te voorschijn, en begaf zich kalm, alsof er
niets was gebeurd, naar den leeuw. Maar een scherp opmerker had wel
kunnen zien, hoe die trek van verdriet uit zijn gelaat was weggewischt,
en heel zijn houding toonde mannelijke kracht.
De moeder was nu ook genaderd, maar haar eerste gang gold niet haar
Hannie.
„Floor,” riep zij, „mijn jongen!”
Zij nam zijn gebruinde wangen tusschen haar handen en zag hem aan.
Zij zag hem aan met de onuitsprekelijke liefde eener moeder.
Voor dien blik was hij niet bestand. Zijn stugheid smolt als ijs voor
de middagzon.
Zij streelde hem het blonde haar en liefkoosde hem.
Zij kuste hem op de oogen en op den mond. En met eene stem, die beefde
van ontroering en teederheid, fluisterde zij: „Floor, mijn lieveling!
Mijn trots en mijn vreugde!”
Toen kon de jonge Boer zich niet meer goed houden, en de armen om haren
hals slaande, weende hij.
Kloppers had inmiddels de kleine Hannie op den arm genomen, en toen de
familie zich eenigszins had hersteld van hunne ontroering, bezichtigden
zij te samen het gedoode roofdier.
„Het oog is er uit geschoten,” riep Floor.
„Het rechter?” vraagde zijn vader.
„Neen, het linker.”
„Het linker is me ook goed,” hernam Kloppers op vroolijken toon, en
terwijl hij zijn vrouw op den schouder klopte, voegde hij er schertsend
aan toe: „Ja, mijn Hanneke behoort nog tot het oude, onvervalschte ras
der scherpschutters.”
Maar op zeer ernstigen toon liet hij er op volgen: „Wat zullen wij den
Heere vergelden voor al Zijne weldaden, aan ons bewezen!
„Wie bestuurde de hand mijner vrouw, dat haar kogel het oog raakte van
den leeuw, zoodat hij miste in zijn sprong?
„Wie bestuurde den gang van Floor, dat hij in de nabijheid was? En wie
gaf hem de kracht en de vaardigheid, om den leeuw met één bijlworp te
dooden?”
En samen nederknielend, dankten zij God.
De kleine Hannie deed het ook, maar op hare manier: in kinderlijken
eenvoud. Zij vouwde haar handjes, deed haar blauwe kijkers vaster dicht
dan gewoonlijk en zeide: „Heere, ik dank u, dat dat ondeugende beest
dood is. Ik was ijselijk verschrokken. Laat dat ondeugende beest als ’t
u belieft nooit meer levend worden, Amen.”