Wij zijn nu in het begin van het gedenkwaardige jaar 1836;
gedenkwaardig door den glorieuzen Uittocht der Boeren uit de
Kaapkolonie, en ’t is bij Gert Kloppers aan alles te merken, dat de
Trek spoedig zal beginnen.
De smid is uit de stad gekomen, en heeft de ossenwagens: „Afrika”,
„Azië” en „Europa” nagezien. Zoo had de jonge Dirk ze namelijk met een
grove teerkwast gemerkt; achter op het grauwgeverfde hek of achterbord
der wagens.
De smid had gezegd: „Afrika is het stevigste; Europa kan er mee door,
maar Azië wordt gebrekkig.” Aan Azië had hij dan ook een heele karrewei
gehad, maar nu is alles op orde gebracht, en buitengewone gevallen
uitgezonderd, zijn alle drie de wagens thans in staat, een reis van
honderden mijlen over een heuvelachtig terrein af te leggen.
In Kloppers’ woonvertrek begint het er zeer ongezellig uit te zien. Het
kabinet, de stoelen en de groote tafel zijn verdwenen. Er staan slechts
eene kleine kleptafel met eenige veldstoeltjes, die samengevouwen
kunnen worden.
Ook langs de witgekalkte muren wordt het kaal. De oude klok en de
gekleurde, oud-testamentische tafereelen voorstellende en achter glas
gezette schilderijen zoekt uw oog te vergeefs.
In de andere vertrekken, in het achterhuis, op zolder, overal is het
leeg geworden.
Een rondreizend uitdrager heeft de meeste meubelen voor een spotprijs
gekocht.
Wat zal men doen? Men kan ze toch niet meenemen?
De boerderij met het goed onderhouden woonhuis en de stevige schuur
zijn eveneens voor een spotprijs overgedaan, en een Engelsche kolonist
is de kooper geworden.
„Vooruit maar!” had Kloppers gezegd, maar het was hem toch aan het hart
gegaan, dat een vreemdeling de vruchten ging oogsten van zijnen arbeid.
De drie ossenwagens zijn uit de schuur gehaald, en staan thans op de
werf, vlak naast het huis.
Men begint ze zachtjes aan te laden. In het achterste gedeelte van
„Europa” wordt een houten raam, overspannen met een vlechtwerk van
leeren riemen, geplaatst, om voor slaapgelegenheid te dienen, en
„Afrika” wordt als de stevigste wagen voor de zware
landbouwgereedschappen: een eg, een ploeg, enz. bestemd. Twee balen
kruit en een groote hoeveelheid lood vinden daar eveneens hun plaats.
Lichtere voorwerpen, zooals hamers, beitels, zagen, spijkers, zeisen,
spaden, touw (van het dunste bindgaren tot het zwaarste kabeltouw), het
meeste door Gert en Dirk op hun jongste reis naar de stad expres voor
den Trek gekocht, dit alles vindt in „Azië” zijn bestemming.
Vrouw Kloppers is op die reis ook mede geweest, en heeft een flinken
voorraad kruidenierswaren, waaronder eenige balen koffie en suiker,
opgedaan, terwijl zij bij den apotheker een grooten schat van
medicijnen insloeg, waarbij vooral de Haarlemmerolie niet was vergeten.
De uitrusting voor zoo’n grooten tocht is trouwens een ernstige zaak,
die het grootste overleg vereischt. De ossenwagen, waarmede de Boer
gaat trekken, is voor hem, wat het schip is voor den landverhuizer. De
ossenwagen is zijn schip, waarmede hij zwerft door de ongemeten velden
van Zuid-Afrika, ver van alle beschaafde streken!
De Boer maakt zich voor zoo’n Trek op zijn gemak gereed. Moet het, dan
kan hij vlug zijn, maar anders werkt hij liever bedaard, kalm, zonder
overhaasting.
„Deze bank kan ook nog wel mee, Dirk; hier, aan den buitenkant van
Azië.”
Er worden een paar lange, stevige spijkers in den buitenkant geslagen,
en daar hangt de zitbank al. Tien jaar lang heeft zij vóór het huis
gestaan, in de schaduw van een paar linden, en de familie Kloppers
heeft er menigen zomeravond op gezeten.
„De mand met kippen kunnen we hier onder Afrika hangen.”
„En de kooi met kalkoenen achter Europa,” antwoordt Dirk.
„Zoo, geef me nu die kast met kleeren aan; ’t is een goede zitbank in
den wagen. En dat stapeltje boeken. De rol tentlinnen kan ik hier ook
nog wel bergen.”
Bij al die rangschikkingen (beuzelingen, zou een oppervlakkige zeggen)
toont Dirk zich schrander en gevat: hij is de rechterhand zijns vaders.
„In Dirk zit een echte Voortrekker,” zegt Gert Kloppers met een
tevreden glimlach tot zijn vrouw.
Floor gaat zijn eigen gang, stil en in zich zelven gekeerd. Hij helpt
wel mee aan de uitrusting, doch hij mist het vernuft van Dirk.
Maar hij heeft zijn bijl geslepen, zoodat hij zoo scherp is als een
vlijm.
„Als de Kaffers ons aanvallen,” zegt hij, terwijl er een dreigende
flikkering komt in zijn grijze oogen, „dan hoop ik er bij te zijn.”
De kleine Willem is met het oog op de avontuurlijke toekomst, die hem
tegenlacht, vol moed, en helpt op zijn manier de wagens mede laden.
„Willem, waar zit je?” roept zijn vader.
„Hier in Achter-Azië,” roept hij vroolijk, terwijl hij, in den
ossenwagen zittend, de huif oplicht, en met zijn schelmsche oogen naar
buiten gluurt.
Op zekeren dag, toen de uitrusting zoo goed als geregeld en afgeloopen
was, zeide Gert Kloppers: „Dirk, van namiddag vertrekt gij met het vee.
Tien onzer Hottentotten gaan als drijvers mee. Gij houdt den grooten
weg, altijd maar door naar het noorden, tot gij de Vischrivier bereikt.
Ik denk, dat gij gras genoeg zult vinden voor het vee.”
„In overvloed, naar mij is verteld.”
„En water zal er ook wel te vinden zijn, om het vee te drenken.”
Dirk knikte toestemmend.
„De Vischrivier moet gij, als de stand van het water het toelaat, zoo
gauw mogelijk passeeren. Aan den overkant gekomen, zet gij den tocht
langzaam voort, de richting steeds noordwaarts houdend op de
Oranjerivier aan.
„Morgen vroeg denk ik met de ossenwagens te vertrekken, en u met het
vee aan den overkant der Vischrivier in te halen.”
Met den moed, die de jeugd bezielt, maakte Dirk zich snel voor de reis
gereed. Hij nam van de familie een kort afscheid, hing het geladen
geweer over den schouder, en wierp zich in het zadel, op den zwarten
Hannibal.
Nu draafde hij, met de hand nog eens groetend, naar de kudde, die in de
verte graasde.
Het was een groote kudde: wel drie duizend schapen en twee honderd
beesten, de geiten niet meegeteld, en daar zij verspreid liepen,
besloeg de kudde een groote oppervlakte.
Dirk wendde zich tot de Hottentotten, en gaf hun de noodzakelijke
bevelen. De herdershonden, die rondom de kudde heen zwierven, keken hem
aan met hun schrandere oogen, en schenen den baas eveneens te
begrijpen.
Toen riep de jonge Boer: „Vooruit!”
De Hottentotten klapten met hun korte zweepen, de honden blaften, de
runderen loeiden—„vooruit!”
Langzaam, als een reusachtige schildpad, scheen de kudde voort te
kruipen. Nog langen tijd stonden Kloppers en zijn vrouw de kudde na te
oogen, totdat zij achter de eerste rij heuvelen verdween.
Toen ging het echtpaar naar binnen, om alle hoeken en kasten nog eens
zorgvuldig na te zien, en het was laat, toen men ter ruste ging.
Het was voor Kloppers een onrustige nacht, deze laatste nacht in een
huis, dat niet meer het zijne was.
Hoeveel droeve gedachten, zorgen, bezwaren bestormden zijn ziel!
Eindelijk viel hij in slaap, maar in zijn droomen zag hij de van bloed
druipende assegaaien der Kaffers en de verminkte lichamen van
Afrikaansche Boeren....
Met schrik werd hij wakker en stond op. Hij nam de tondeldoos en sloeg
vuur: het was nog nacht.
Hij kleedde zich aan, en behoedzaam de buitendeur openende, opdat
niemand gewekt zou worden, ging hij naar buiten.
Heldere sterrenglans, veel helderder dan die aan den Noord-Europeeschen
hemel schittert, fonkelde aan het azuren gewelf, en wierp over het
landschap een zacht, schemerend licht. Het was stil, stiller nog dan
gewoonlijk, want geen rund liet zich meer hooren in de kraal.
Slechts de nachtwind fluisterde zijn geheimzinnige accoorden in de
toppen der linden vóór het huis.
Langzaam, in weemoedige gedachten verzonken, wandelde Kloppers rondom
de eenzame woning, toen door den tuin, die met zijn veelkleurige
bloemen in het zachte licht van den sterrenglans een wondervollen
indruk maakte, vervolgens door den boomgaard, waar een vogelke slaperig
van tak op tak sprong, totdat hij bij de drie machtige gomboomen kwam,
welker donkere kronen hoog en zwijgend boven de toppen der andere
boomen uitkwamen. In zijn gedachten zag hij nòg de Boeren aan de ruw
getimmerde houten tafels zitten, en in zijn ooren klonk ernstig en
waarschuwend het woord zijn vaders: „Kinderen, weest eendrachtig!”
Door het struikgewas slingerde een klein, smal voetpad, dat hij
insloeg, en een haas, die door den stap van den wandelaar uit zijn
leger werd opgeschrikt, verdween pijlsnel in het kreupelhout, dat zich
ritselend achter hem sloot.
Bij den ons welbekenden cypressenboom bleef Kloppers staan, en aan een
plotselinge ingeving gevolg gevend, knielde hij neder: tusschen den
grafheuvel zijns vaders, waaruit de eerste teedere groene grasscheutjes
omhoog sproten, en de drie kleine grafheuvels zijner kinderen,
waarboven lange grashalmen en geurige bloemen zich wiegden in den
nachtwind. En hier in de eenzaamheid, door niemand bespied dan door het
oog van zijn God, gaf het geprangde hart van den sterken man zich lucht
in een stroom van tranen....
Klagend klonk het geroep eener boschduif uit de verte, en klagend
bewoog zich het gebladerte van den cypressenboom....
Maar verwonderd keerde Kloppers het hoofd om, toen hij den druk eener
welbekende hand op zijn schouder voelde, en oprijzende stond hij voor
zijn vrouw. Zij plukte—tot een aandenken—een takje van den
cypressenboom, en nadat beiden afscheid hadden genomen van hunne
beminden, die voor hen leefden al waren zij dood, keerden zij in kalmer
gemoedsstemming langs hetzelfde voetpad naar de woning terug.
De man begaf zich naar de schuur, waar de Hottentottenknechten sliepen,
riep hen met luide stem wakker en gelastte hen, om de trekossen, die in
de nabijheid graasden, onmiddellijk voor de wagens te spannen.
Inmiddels ging de vrouw de woning binnen, en nadat zij het ontbijt had
gereed gemaakt, wekte zij de kinderen. De morgenschemering begon reeds
door te breken, toen allen zich om de kleine tafel hadden geschaard, om
het laatste ontbijt te gebruiken onder een dak, waar zooveel huiselijk
geluk was gesmaakt, maar ook zooveel leed was doorworsteld.
Niemand sprak een woord; zelfs de luidruchtige Willem scheen gedrukt.
Slaapdronken leunde de kleine Hannie tegen den schouder van haar
moeder, en de vroolijke Mieke, voor wier zonnigen glimlach zoo dikwijls
de schaduwen op het gelaat harer ouders waren weggevlucht, had tranen
in de oogen.
Nu nam Kloppers den ouden, van koperbeslag voorzienen Statenbijbel, en
las met langzame, plechtige stem, die indrukwekkend klonk in de holle
ruimte van het leege vertrek, Psalm 121: „Ik hef mijne oogen op naar de
bergen, van waar mijne hulpe komen zal.... De Heere zal uwen uitgang en
uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid....”
En hoor, nu zingen zij gemeenschappelijk het welbekende, zoo roerend
schoone psalmlied:
„Maak Uwe weldaan wonderbaar,
Gij, Die Uw kindren wilt behoeden
Voor ’s vijands macht en vreeslijk woeden,
En hen beschermt in ’t grootst gevaar.
Wil mij Uw bijstand niet onttrekken;
Uw zorg bewaak’ mij van omhoog;
Bewaar m’ als d’ appel van het oog;
Wil mij met Uwe vleuglen dekken!”
Na dezen psalm gezongen te hebben, knielen allen neder, en de huisvader
stort in het gebed zijne ziel uit voor God. Hij roept, hij smeekt, hij
worstelt met God, Zijn God en getrouwen Vader in Jezus Christus, en
zijn bedroefde ziel wordt wonderlijk verkwikt door de wateren der
eeuwige Fontein.
Nadat het Amen is uitgesproken, staan allen op, en wat er aan meubelen
nog in huis voorhanden is, wordt door vaardige handen snel naar de
wagens gebracht. De Bijbel volgt als het kostbaarste kleinood het
laatst en ontvangt een eereplaats, daar de geloovige Boer zonder dat
boek niet voort kan, en het gebruikt als het onfeilbare kompas op de
golvende, woelige levenszee.
Terwijl de ossen voor de wagens zijn gespannen, worden de paarden uit
den stal gehaald en door eenige Hottentotten vooruitgeleid, vergezeld
door Sultan den kettinghond, die, van den lastigen ijzeren band
bevrijd, met luid en vroolijk geblaf in groote sprongen de laan afrent.
Vrouw Kloppers gaat met Hannie op haar schoot en Mieke naast zich in
den voorsten wagen zitten, maar Willem versmaadt het om mee te rijden
en zal naast zijn vader loopen.
Gert Kloppers zal den voorsten ossenwagen: „Europa” mennen, Floor den
middelste: „Azië”, terwijl aan Daan de achterste wagen is toevertrouwd.
Kloppers neemt de leidsels uit de handen van den Hottentot over, die
zich op diens bevel thans bij het voorste juk ossen plaatst.
Nog één langen blik werpt de huisvader achterwaarts: over huis en hof,
over tuin en boomgaard; hij ziet den dauw op bloem en plant schitteren
en fonkelen in de stralen der morgenzon, die juichend opgaat, en nooit
heeft deze landelijke woning een lieflijker aanzien gehad dan in dit
oogenblik, nu ze voor altoos zal verlaten worden.
Maar deze lange blik is de láátste blik geweest, dien Kloppers
achterwaarts wierp. Hij voelt weer grond onder zijn voeten, want hij
trekt met zijn God. Het beekje, ritselend van de heuvelen, zingt zijn
zachte melodiën, maar hij hóórt het niet meer; de kronen der acacia’s
wuiven een weemoedig afscheid, maar hij mèrkt het niet meer.
De heldengeest zijner voorvaderen, de krachtvolle, ontembare wil der
oude voortrekkers is over hem vaardig geworden, en het verleden
vergetend, ligt voorwaarts zijn doel!
De leidsels neemt hij in de linkerhand, terwijl zijn rechter de zweep,
een rotting met een leeren slag van zes el lengte, omklemt.
„Is alles in orde?” vraagt hij.
„Alles is in orde,” antwoorden Floor en Daan.
De lange zweep steviger in de sterke vuist nemend, roept hij met luide,
moedige stem, die helder weerklinkt in de frissche morgenlucht: „Dan
trek!”
Knallend doorklieft de zweep de lucht; de acht juk ossen buigen den
sterken nek; de wagen zet zich hotsend in beweging; de Trek is
begonnen!