HOOFDSTUK IV.

Het gesprek, dat wij bij Kloppers hebben beluisterd, had op Dinsdag

plaats, en thans is het twee dagen later: Donderdag.

Niemand van Kloppers’ huisgezin twijfelt er meer aan, dat de oude vader

het eerst zal vertrekken, namelijk naar dat land, van waar geen

terugkeeren mogelijk is.

Hij is nog minder geworden en ligt te bed. De levensvlam is tot een

klein, dobberend lichtje ingekrompen, en de minste windvlaag kan haar

uitblusschen.

„Gert!” roept de oude man met bevende stem.

De geroepene komt onmiddellijk.

„Is Dirk thuis?”

„Hij is in den stal, en voedert de paarden.”

„Roep hem!”

Dirk verschijnt: een krachtvolle jongeling, met den blos der gezondheid

op de wangen. Levenslust tintelt in zijn oogen en tintelt tot in de

toppen van zijn vingers. Waarlijk, het verschil is groot tusschen den

jongen Dirk en zijn grootvader!

„Is de Vos op stal?” vraagt de oude man. „Ja? Goed, rijd dan zoo snel

als ge kunt naar mijn kinderen, en naar ouderling de Jong, en zeg hen,

dat ik nog gaarne afscheid van hen zou nemen voor dat ik sterf!”

„Moet ik den vos nemen, Grootvader?” vraagt Dirk op bescheiden toon;

„de jonge Hannibal loopt harder.”

„Zóó, begint de Vos ook al af te takelen? Ach, alles raakt oud en

versleten! Neem Hannibal dan maar!”

Dirk maakte zich snel gereed voor de reis, want de familie woonde uren

ver uit elkander, en hij moest zich haasten, om hen voor den avond

allen te bereiken. Voor den anderen morgen kon hij zelf in geen geval

terug zijn, al reed hij den heelen nacht door.

De oude Kloppers had zes dochters, die allen gehuwd waren, en slechts

éénen zoon: Gert. Toen zij de treurige tijding en den laatsten wensch

van hun vader door Dirk vernamen, spoedden zij zich, om daaraan te

voldoen, en in den loop van den volgenden dag kwamen zij allen met

hunne echtgenooten.

Maar ouderling de Jong verscheen niet, omdat hij bij Dirk’s komst

afwezig was geweest.

Zij kwamen allen te paard, want in de Kolonie kunnen de vrouwen bijna

even goed te paard rijden als de mannen.

De drie dochters van Gert Kloppers waren ook gekomen, met hunne

echtgenooten, doch daar zij niet ver af woonden, hadden zij den

ossenwagen ingespannen, opdat hunne kleine kinderen ook mede konden.

Zoo was de oude Kloppers dan door zijn kinderen, kleinkinderen en

achterkleinkinderen omringd, en het scheen, dat die komst nog eens de

afnemende levensgeesten zou doen opflikkeren.

Met de hulp van Gert liet hij zich in den ouden leuningstoel plaatsen,

en drukte er herhaaldelijk zijn blijdschap over uit, dat hij hen nog

eens mocht ontmoeten. Hij begroette hen allen, en met een bewogen hart

drukten zij zijn vermagerde hand. Zijn kleinkinderen hief Gert omhoog,

en zij sloegen hunne mollige armpjes om den hals van Overgrootvader, en

kusten hem met hunne rozemondjes.

„Nu wil ik ook nog eens naar buiten,” zeide de oude man.

Het was, alsof er een zonnestraal door de wolken brak: zoo verblijdde

dit woord zijn kinderen. Zij hoopten op nieuw, dat Vader nog wel een

beetje op zou fleuren, maar het was een bedriegelijke hoop.

Tusschen Gert en een zijner schoonzoons in ging de grijsaard naar den

tuin, en allen volgden hem. Zij verwonderden er zich over, dat Vader

nog zooveel krachten had, en opnieuw schepten zij moed.

Hij koesterde zich in de stralen der middagzon, en plotseling riep hij

uit: „O Zonne der Gerechtigheid, verkwik mijn ziel, zooals de aardsche

zon mijn lichaam verkwikt!”

In het midden van den tuin, bij een perzikenboom, bleef hij staan.

„Dit is de laatste boom, kinderen, dien ik heb gepoot.”

Zoo hield hij nog op verschillende plaatsen stil, en met verrassende

nauwkeurigheid wist hij de voorwerpen aan te wijzen, waaraan oude,

lieve herinneringen verbonden waren.

Aan het einde van den tuin wendde hij zijn blinde oogen naar de

richting, waar het kleine kerkhof lag, en scheen in gepeinzen te

verzinken. Hij zeide geen woord, maar allen begrepen het, waaraan hij

dacht.

Hij leunde al zwaarder op de schouders zijner kinderen, want zijn

krachten waren uitgeput. Met groote moeite bracht men hem in huis naar

bed.

Toen hij zich weer eenigszins had hersteld, vraagde hij: „Zijn ze allen

hier?”

„Ja,” zeide Gert, die diep ontroerd vlak bij de sponde zat.

„Steun dan mijn rug!”

Gert steunde den rug van zijn vader met zijn sterken arm.

„Laten wij bidden!”

De stervende grijsaard ging voor in het gebed. Hij bad voor zich

zelven, voor zijn kinderen, voor heel zijn geslacht. Het was een

roerend, aangrijpend gebed, en aller oogen vulden zich met tranen.

Voorts gedacht hij zijn volk, dat hij lief had gehad met de gansche

liefde zijner trouwe ziel. Hij gedacht den uittocht, dien dit volk

voornemens was te doen, en hij riep de barmhartigheden des Heeren in,

waar dit volk had gezondigd.

Hij gedacht ook de vijanden van zijn volk en bad voor hen. Hij smeekte

om den bloei van Christus’ Kerk op aarde, en bad voor zich zelven om

een ruimen ingang in het Zion, dat daarboven is.

„Daar hoop ik u allen, allen te ontmoeten,” zeide de stervende, toen

hij zijn gebed, met stamelende klanken uitgesproken, had geëindigd.

„Wij willen nu afscheid nemen, en God geve om Christus’ wil, tot een

zalig wederzien!”

Eén voor één gaven zijn kinderen en kleinkinderen hem nu de hand; ook

kusten zij hem. Zij spraken weinig, want hun gemoed was te vol.

Hij streelde nog de blonde lokken van de kleine Hannie, en fluisterde:

„Lief bloemke!”

Ook vermaande hij hen allen ernstiglijk, om te wandelen in de wegen des

Heeren, en zich door Christus met God te laten verzoenen.

„Leg mij nu goed, Gert!” sprak hij, „want ik ben moede.”

Hij was moede geworden, de pelgrim. Hij had een langen, langen tocht

gemaakt, en nu verlangde hij naar rust.

Hij was vermoeid geworden van de lange reis door de woestijn dezes

levens, en zijn hart ging verlangend uit naar Kanaän.

Hij viel in een zachte, lange sluimering, en op een wenk van Gert

begaven zich al de anderen in een aangrenzend vertrek.

Het was avond geworden; het werd nacht.

Niemand van de volwassenen begaf zich ter ruste, want allen verkeerden

in angstige spanning over den slag, die niet te keeren was. Maar Gert

alleen was bij zijn vader.

Daar sloeg de kettinghond luid aan, en de grijsaard werd wakker.

Onmiddellijk daarop hoorde men den snellen hoefslag van een paard op de

werf.

„De Jong,” stamelde de stervende, die tot het laatste toe bij zijn

volle bewustzijn bleef.

Gert ging naar de buitendeur, en drukte zwijgend de hand van den besten

vriend zijns vaders.

„Leeft uw vader nog?” fluisterde De Jong.

Gert maakte een toestemmend gebaar.

Behoedzaam naderde de Jong het bed, maar het flauwe schijnsel der

vetkaars, die op de tafel stond, gaf slechts een sober licht.

„Is het vrede, vader Kloppers?”

„Vrede!” antwoordde de stervende. „Een arm zondaar en een rijke

Christus, hoe passen zij bij elkander!”

Na een kleine pauze ging hij voort! „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde

uit het geloof, hebben vrede met God door onzen Heere Jezus Christus.”

Er volgde een grootere pauze, waarna hij zeide: „De Heere is

vriendelijk en goed, Die het zoo heeft bestuurd, dat wij elkander nog

ééns ontmoeten aan deze zijde des grafs.

„Geef mij de hand, lieve Broeder—! Tot weerziens in het Vaderhuis—!”

„Tot weerziens!” antwoordde de Jong. „Gij zijt voor mij en de mijnen

een vader geweest—God de Almachtige moge u daarvoor zegenen in zijn

Koninkrijk!”

Zijn stem beefde, toen hij dit zeide, en er waren tranen in zijn oogen,

want hij had den ouden Kloppers lief.

Na een wijle klaagde de stervende: „Ik ben zoo moede, ik verlang naar

huis.”

Al meer afgebroken werden de klanken, die hij uitbracht, en dit was het

laatste woord, dat verstaan kon worden.

Gert hield de hand van zijn vader in de zijne.

Geen woord kwam er over zijn lippen, want hij was zeer bedroefd.

De sterren tintelden aan den diep blauwen hemel, maar aan den

oostelijken horizon vertoonde zich al een gouden lichtstreep, die de

sterren deed verbleeken.

De levenslamp van den stervende teerde op den laatsten druppel olie, en

over dat ingevallen gelaat hing reeds de wolke des doods.

De familieleden waren weer binnengekomen in het vertrek, waar de

stervende lag.

Ouderling de Jong knielde met hen neder, en riep tot Hem, Die uwe en

mijne stervenssponde, lezer, zacht kan spreiden!

Daar buiten geurden de rozen, en de narcissen bewogen zich in den

morgenwind....

De grijze kraanvogel schudde den dauw van zijn vleugelen, en de zon, de

schitterende fontein des aardschen levens, klom door de glanzende

poorten van den dageraad opwaarts, de bergen van Afrika kroonend met

haar vlammende stralen....

Maar in de woning van Gert Kloppers was rouw en smart, want de oude

Dirk Kloppers was niet meer!

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 8 / 40 题