HOOFDSTUK VI.

Met gelijkmatigen, bedachtzamen tred trekken de ossen de wagens, en het

getrappel hunner pooten en de wieling der zware raderen in het droge,

mulle zand jaagt dichte stofwolken omhoog. De weg loopt door een

golvende vlakte, over heuvelen en door dalen. Bij het stijgen van den

weg de heuvelen op, voelen de ossen den slag der zweep, die hen tot

krachtiger inspanning aanspoort, en de heuvelen afdalend, wordt de

ijzeren remketting, om het achterwiel geworpen, om de al te snelle

vaart te stuiten.

Men had reeds een viertal uren gereden, en brandend straalde de zon van

den wolkenloozen hemel, toen in de verte, door een krans van groen

geboomte omlijst, een eenvoudige boerenwoning zichtbaar werd.

Gert Kloppers, die, om eenigszins beschut te zijn tegen de brandende

hitte, met Willem onder de huif van den ossenwagen had plaats genomen

naast zijn vrouw, Mieke en Hannie, zeide vergenoegd, terwijl hij met

den zweepstok in de richting dier woning wees: „Dáár zullen wij

schaften.” Want hij kende den bewoner dier hoeve, en voor hij met zijn

ossenwagens de breede oprijlaan had ingeslagen, kwam de boer met zijn

vrouw de Trekkers reeds tegemoet.

Met de gulle gastvrijheid, die onder de Afrikaansche Boeren heerscht,

en die zoo weldadig aandoet, daar zij zoo hartelijk is gemeend, werd de

familie Kloppers naar binnen geleid en op het beste onthaald. Terwijl

werden de wagens door de Hottentotten uitgespannen, en de dorstige

ossen aan den vijver gedrenkt en gevoederd. Onder gezelligen kout

bracht de familie nu het heetste gedeelte van den dag bij hunne

kennissen door, maar toen de hitte eenigszins verminderde, liet

Kloppers weer inspannen, en vergezeld van de innigste zegenwenschen

zijner vrienden, verliet hij met de zijnen het gastvrije dak. Men trok

voort tot het donker begon te worden, en midden in het veld werden bij

een beek, die nog volop water had, en in de nabijheid van eenige

populieren, die als eenzame, vergeten schildwachten op hun post schenen

te staan, de wagens uitgespannen. „Europa” en „Afrika” werden op een

wagenlengte afstand evenwijdig van elkander opgesteld, terwijl „Azië”

er van achter tegen aan kwam te staan. Zoo werd er een vierkant

gevormd, dat aan drie zijden door de ossenwagens ommuurd, slechts één

open zijde had. In deze ruimte werd snel een tent opgeslagen, die voor

Kloppers, Floor en Willem was bestemd, terwijl de Hottentotten hun

slaapplaats onder de wagens zouden zoeken. Inmiddels had Mieke met

rappe handen drie ijzeren staken in den grond gestoken, die van boven

samenliepen. Aan dezen driebeenigen standaard bevestigde zij een korte,

uit ijzeren schakels bestaande ketting, en hing den waterketel over het

vuur, dat Willem reeds had aangemaakt. De kleptafels en de noodige

veldstoeltjes werden uit den wagen genomen, en bij het schijnsel van

het vroolijk knappende vuur werd het eenvoudig avondeten, waarbij het

vleesch een belangrijke plaats innam, gereed gemaakt. Inmiddels was de

koffie gezet, en van goeder harte en met uitstekenden eetlust schikte

de familie aan. De avondmaaltijd verliep zoo geregeld en ordelijk,

alsof men nog in de vroegere woning was. De Statenbijbel werd door

Floor uit den wagen gehaald, en Kloppers las er een hoofdstuk uit voor

bij het licht eener vetkaars, die op de tafel was geplaatst. Nadat nu

de huisvader het avondgebed had uitgesproken, en er gemeenschappelijk

een psalmvers was gezongen, begaven zich allen welgemoed ter ruste. De

slaapstede voor de huisvrouw, Mieke en Hannie bevond zich in „Europa”,

en geen half uur later waren allen reeds in een gezonden, verkwikkenden

slaap gevallen.

Nu werd niets meer gehoord dan een zacht geruisch in de toppen der

populieren; vredige stilte lag over de wijde prairiën, en glanzend ging

de maan achter de heuvelen op.

De trouwe Sultan lag, terwijl hij den breeden kop op de voorpooten liet

rusten, voor de tent van zijn baas de wacht te houden. Twee keeren

spitste hij de ooren, terwijl hij een dof gebrom liet hooren: den

eersten keer, toen het gekras van een roofvogel de nachtelijke stilte

verbrak, en den tweeden keer, toen een dorstig hert naar de beek

spoedde, om zich te laven aan het frissche, heldere water. Maar anders

verbrak niets de stilte van den nacht, en de gouden tinten van den

dageraad werden reeds zichtbaar aan den oostelijken horizon, en de haan

in de kippenmand had reeds herhaalde malen zijn krachtigen morgengroet

laten hooren, voor de familie Kloppers het merkte. Eindelijk werd de

huisvader toch wakker, en met den uitroep: „Jongens, er uit! ’t Is meer

dan tijd,” sprong hij van den harden kafzak overeind.

’t Had heel wat in, voor dat Floor zijn zinnen goed bij elkander had,

maar Willem was onmiddellijk klaar wakker. „Ik zal de Hottentotten wel

wekken,” riep hij, maar hoe hard hij ook schreeuwde, hij kon ze niet

wakker krijgen. Doch toen hij hen in de dikke ooren kneep, waren ze

gauw wakker. Er ging echter nog heel wat tijd over heen voor de ossen

en paarden, die los liepen te grazen, waren gevangen, maar eindelijk

was men toch klaar gekomen, en nadat het ontbijt was gebruikt, werd de

legerplaats snel opgebroken.

Willem liep met Sultan vooruit, en op een der hoogste heuvelen, hier

„bulten” of „kopjes” genoemd, klauterend, zag hij in de verte, in

wolken van stof gehuld, een langen trein ossenwagens zich voortbewegen.

Hij deelde het nieuws aan zijn vader mede, die, de leidsels met de

lange zweep aan zijn vrouw overhandigend, mede den heuvel beklom. Hij

tuurde een poosje naar den langen trein, en toen, terwijl er een glans

van genoegen op zijn gebruinde trekken kwam, zeide hij: „Kijk Willem,

zij rijden daar langs een zijweg op den grooten weg aan, dien wij

moeten passeeren.” „Ziet ge dien zwarten vooros wel,” ging hij na een

pauze voort, toen de wagens dicht bij kwamen, „dien zwarte daar voor

den voorsten wagen? Dat is een os van ouderling de Jong.”

„Dan zal hij er zelf ook wel bij zijn,” meende Willem.

„Dat zou ik denken,” antwoordde Kloppers op vroolijken toon. „Kijk,

daar springt hij uit den wagen; hij herkent ons; hij zwaait met de

zweep.”

Vader en zoon beantwoordden dien groet, door herhaaldelijk met hunne

groote, breedgerande hoeden te wuiven, en met een opgeruimd hart keerde

Kloppers naar zijn ossenwagens terug. Het duurde nu niet lang meer, of

hij had het punt bereikt, waar de zijweg in den grooten weg inboog, en

hier liet hij de wagens stoppen, om den anderen trein in te wachten,

die reeds dicht bij was.

Met statigen stap en heel deftig schreden twee reusachtige

struisvogels, die door de Jong waren getemd voorop, en het maakte wel

den indruk, alsof zij de herauten waren van het achttal ossenwagens,

die achter hen aan kwamen hotsen.

Met ongeveinsde hartelijkheid en blijdschap had de wederzijdsche

begroeting plaats. In den wagenstoet van de Jong bevonden zich nog vier

andere huisgezinnen, waarvan er slechts twee aan de familie Kloppers

persoonlijk bekend waren, maar dat verhinderde niet, dat de

vriendschapsband met allen even spoedig als onverbreekbaar gesloten

werd, men trok toch dezelfde gevaren en dezelfde toekomst tegemoet!

Bij één dier gezinnen was een moeder, die een zuigeling van drie

maanden op haar armen droeg, en het oog van Kloppers werd vochtig bij

dat gezicht. Ja, wij spreken van de helden van Zuid-Afrika, maar de

Afrikaansche heldinnen—hoe zouden wij hen kunnen vergeten! De

strijdbare mannen, die bij Bronkhorstspruit en bij den Ingogo, bij Lang

Nek en op den Amajuba, bij Doornkop en Krugersdorp de Engelsche vlag

hebben neergehaald—zijn zij niet geboren uit den schoot dezer vrouwen?

Het bleek, dat de Jong en zijn reisgenooten even als Kloppers hun vee

reeds hadden vooruitgezonden naar de Vischrivier, en verlangend, om den

stroom nog heden te bereiken, werd de tocht met Kloppers’ ossenwagens

aan de spits onmiddellijk hervat. Toen het echter te heet werd om

verder voort te trekken, werd er geschaft in de nabijheid van een

vijver, die wel was uitgedroogd, doch welks bodem nog vochtig was. In

dien bodem werden wijde, diepe kuilen gegraven, waarin zich na eenig

wachten water verzamelde. Maar het was morsig, drabbig water, dat den

dorst der ossen eerder prikkelde dan leschte, terwijl het veld, zoover

het oog reikte, was verbrand door de hitte en droogte. Ook was er op

die gansche, eindelooze, golvende vlakte boom noch struik te bekennen,

die schaduw bood, en in kleine groepen vleiden de Trekkers zich onder

de wagens neer. Nu verorberden zij hun sober, eenvoudig maal, en

spoedig werden de dorstige, hongerige ossen weer ingespannen, want

Kloppers hoopte nog voor het vallen van den avond de rivier te

bereiken.

Het was een zware, vermoeiende tocht. De hemel brandde van boven op het

hoofd der Boeren, en de grond brandde onder hun voet. De wind was gaan

liggen, en de ossen versmachtten van dorst. Met loomen tred sleepten

zij de wagens achter zich voort, door krachtige zweepslagen tot steeds

vernieuwde inspanning aangespoord, maar de Boeren begonnen de hoop

reeds op te geven, den stroom nog heden te bereiken, toen Sultan

plotseling met vroolijke sprongen vooruitsnelde, en Dirk op den zwarten

Hannibal van achter een heuvel zichtbaar werd.

„Daar komt Dirk al aan,” riep Kloppers op monteren toon; „die zal ’t

ons wel vertellen.”

De genoemde, die op een snellen draf was genaderd, sprong van het

paard, en groette zijn vader met een stevigen handdruk, maar zijn

moeder kuste hem.

„Hoe gaat het?” zeide zijn vader.

„Best,” zeide Dirk.

„En hoe gaat het met het vee?”

„Ons vee en dat van ouderling de Jong met dat van verscheidene andere

Emigranten-Boeren [6] graast rustig aan gene zijde der rivier, die

dicht in de nabijheid is. Ziet gij het geboomte in de verte? Daar is de

rivier; vooruit dus maar!”

Met nieuwen moed bezield, lieten de Boeren hunne lange zweepen knallen,

dat het een aard had, en voordat er een uur was verloopen, stond de

heele karavaan aan den glooienden oever der Vischrivier. Men was hier

bij een zoogenaamde „drift”: een bij lagen waterstand doorwaadbare

plaats.

Eerst werden nu de ossen gedrenkt, en in lange, lange teugen slurpte

het versmachte vee het kostelijk water. Toen plaatste Kloppers zich in

den ossenwagen bij het vrouwelijk personeel, terwijl Willem het wel zoo

aangenaam vond, met bloote voeten en opgestroopte broek, de kousen en

de harde leeren veldschoenen op het hoofd, door het water te ploeteren.

Maar op een diepe plaats zakte hij er tot de ooren toe in, zoodat hij

zich de moeite had kunnen sparen, de broek op te stroopen.

De voerman hield inmiddels de teugels van zijn ossen strak, en zonder

ongelukken werd de tegenovergestelde oever bereikt. Het was nog niet

volslagen donker, toen al de elf wagens reeds uitgespannen in twee

lange rijen aan den overkant der Vischrivier stonden; de tenten waren

in orde gebracht, en de ossen liepen langs de rivier in groene weiden

te grazen. Intusschen togen de vrouwen met bekwamen spoed aan het werk,

om voor hunne gezinnen het avondeten gereed te maken, en nadat allen

verzadigd waren, werd er gemeenschappelijk een psalmlied gezongen.

Toen begaf men zich ter ruste, doch niet allen. Bij het wachtvuur

zaten, de één op een veldstoel en de ander op een gevonden klipsteen,

Kloppers met zijn drie zonen, ouderling de Jong en nog een vijftal

jonge Boeren, wier flinke, vastberaden gelaatstrekken duidelijk

uitkwamen bij het schijnsel van het brandende vuur.

Uit de verte klonk het gehuil der groote, gevlekte hyena en de rauwe

kreet van den hongerigen panter, doch de Boeren zaten hier—midden in de

wildernis—even gerust hun pijp te rooken, alsof zij op een vergadering

te Kaapstad waren geweest.

In gezellige gesprekken snelde het ééne halve uur na het andere heen,

en door Kloppers en de Jong werd uit den schat hunner ervaring veel

medegedeeld, dat de jonge Boeren van nut kon zijn op den Trek. Doch bij

eene pauze in het gesprek kwam de jonge Willem plotseling met het

verzoek: „Oom Pieter, vertel ons nu eens iets uit de geschiedenis onzer

voorouders!”

„Goed,” zeide de Jong, „luistert dan!”

De pijpen werden op nieuw gestopt, en de aanwezigen schikten dichter

bijeen om het wachtvuur. Een der jonge Boeren wierp een paar verdorde

struiken op het vuur, zoodat de vlammen hoog uitsloegen, en daar het

koel begon te worden in de nachtlucht, verspreidde het brandende vuur

een aangename warmte.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 10 / 40 题