Met gelijkmatigen, bedachtzamen tred trekken de ossen de wagens, en het
getrappel hunner pooten en de wieling der zware raderen in het droge,
mulle zand jaagt dichte stofwolken omhoog. De weg loopt door een
golvende vlakte, over heuvelen en door dalen. Bij het stijgen van den
weg de heuvelen op, voelen de ossen den slag der zweep, die hen tot
krachtiger inspanning aanspoort, en de heuvelen afdalend, wordt de
ijzeren remketting, om het achterwiel geworpen, om de al te snelle
vaart te stuiten.
Men had reeds een viertal uren gereden, en brandend straalde de zon van
den wolkenloozen hemel, toen in de verte, door een krans van groen
geboomte omlijst, een eenvoudige boerenwoning zichtbaar werd.
Gert Kloppers, die, om eenigszins beschut te zijn tegen de brandende
hitte, met Willem onder de huif van den ossenwagen had plaats genomen
naast zijn vrouw, Mieke en Hannie, zeide vergenoegd, terwijl hij met
den zweepstok in de richting dier woning wees: „Dáár zullen wij
schaften.” Want hij kende den bewoner dier hoeve, en voor hij met zijn
ossenwagens de breede oprijlaan had ingeslagen, kwam de boer met zijn
vrouw de Trekkers reeds tegemoet.
Met de gulle gastvrijheid, die onder de Afrikaansche Boeren heerscht,
en die zoo weldadig aandoet, daar zij zoo hartelijk is gemeend, werd de
familie Kloppers naar binnen geleid en op het beste onthaald. Terwijl
werden de wagens door de Hottentotten uitgespannen, en de dorstige
ossen aan den vijver gedrenkt en gevoederd. Onder gezelligen kout
bracht de familie nu het heetste gedeelte van den dag bij hunne
kennissen door, maar toen de hitte eenigszins verminderde, liet
Kloppers weer inspannen, en vergezeld van de innigste zegenwenschen
zijner vrienden, verliet hij met de zijnen het gastvrije dak. Men trok
voort tot het donker begon te worden, en midden in het veld werden bij
een beek, die nog volop water had, en in de nabijheid van eenige
populieren, die als eenzame, vergeten schildwachten op hun post schenen
te staan, de wagens uitgespannen. „Europa” en „Afrika” werden op een
wagenlengte afstand evenwijdig van elkander opgesteld, terwijl „Azië”
er van achter tegen aan kwam te staan. Zoo werd er een vierkant
gevormd, dat aan drie zijden door de ossenwagens ommuurd, slechts één
open zijde had. In deze ruimte werd snel een tent opgeslagen, die voor
Kloppers, Floor en Willem was bestemd, terwijl de Hottentotten hun
slaapplaats onder de wagens zouden zoeken. Inmiddels had Mieke met
rappe handen drie ijzeren staken in den grond gestoken, die van boven
samenliepen. Aan dezen driebeenigen standaard bevestigde zij een korte,
uit ijzeren schakels bestaande ketting, en hing den waterketel over het
vuur, dat Willem reeds had aangemaakt. De kleptafels en de noodige
veldstoeltjes werden uit den wagen genomen, en bij het schijnsel van
het vroolijk knappende vuur werd het eenvoudig avondeten, waarbij het
vleesch een belangrijke plaats innam, gereed gemaakt. Inmiddels was de
koffie gezet, en van goeder harte en met uitstekenden eetlust schikte
de familie aan. De avondmaaltijd verliep zoo geregeld en ordelijk,
alsof men nog in de vroegere woning was. De Statenbijbel werd door
Floor uit den wagen gehaald, en Kloppers las er een hoofdstuk uit voor
bij het licht eener vetkaars, die op de tafel was geplaatst. Nadat nu
de huisvader het avondgebed had uitgesproken, en er gemeenschappelijk
een psalmvers was gezongen, begaven zich allen welgemoed ter ruste. De
slaapstede voor de huisvrouw, Mieke en Hannie bevond zich in „Europa”,
en geen half uur later waren allen reeds in een gezonden, verkwikkenden
slaap gevallen.
Nu werd niets meer gehoord dan een zacht geruisch in de toppen der
populieren; vredige stilte lag over de wijde prairiën, en glanzend ging
de maan achter de heuvelen op.
De trouwe Sultan lag, terwijl hij den breeden kop op de voorpooten liet
rusten, voor de tent van zijn baas de wacht te houden. Twee keeren
spitste hij de ooren, terwijl hij een dof gebrom liet hooren: den
eersten keer, toen het gekras van een roofvogel de nachtelijke stilte
verbrak, en den tweeden keer, toen een dorstig hert naar de beek
spoedde, om zich te laven aan het frissche, heldere water. Maar anders
verbrak niets de stilte van den nacht, en de gouden tinten van den
dageraad werden reeds zichtbaar aan den oostelijken horizon, en de haan
in de kippenmand had reeds herhaalde malen zijn krachtigen morgengroet
laten hooren, voor de familie Kloppers het merkte. Eindelijk werd de
huisvader toch wakker, en met den uitroep: „Jongens, er uit! ’t Is meer
dan tijd,” sprong hij van den harden kafzak overeind.
’t Had heel wat in, voor dat Floor zijn zinnen goed bij elkander had,
maar Willem was onmiddellijk klaar wakker. „Ik zal de Hottentotten wel
wekken,” riep hij, maar hoe hard hij ook schreeuwde, hij kon ze niet
wakker krijgen. Doch toen hij hen in de dikke ooren kneep, waren ze
gauw wakker. Er ging echter nog heel wat tijd over heen voor de ossen
en paarden, die los liepen te grazen, waren gevangen, maar eindelijk
was men toch klaar gekomen, en nadat het ontbijt was gebruikt, werd de
legerplaats snel opgebroken.
Willem liep met Sultan vooruit, en op een der hoogste heuvelen, hier
„bulten” of „kopjes” genoemd, klauterend, zag hij in de verte, in
wolken van stof gehuld, een langen trein ossenwagens zich voortbewegen.
Hij deelde het nieuws aan zijn vader mede, die, de leidsels met de
lange zweep aan zijn vrouw overhandigend, mede den heuvel beklom. Hij
tuurde een poosje naar den langen trein, en toen, terwijl er een glans
van genoegen op zijn gebruinde trekken kwam, zeide hij: „Kijk Willem,
zij rijden daar langs een zijweg op den grooten weg aan, dien wij
moeten passeeren.” „Ziet ge dien zwarten vooros wel,” ging hij na een
pauze voort, toen de wagens dicht bij kwamen, „dien zwarte daar voor
den voorsten wagen? Dat is een os van ouderling de Jong.”
„Dan zal hij er zelf ook wel bij zijn,” meende Willem.
„Dat zou ik denken,” antwoordde Kloppers op vroolijken toon. „Kijk,
daar springt hij uit den wagen; hij herkent ons; hij zwaait met de
zweep.”
Vader en zoon beantwoordden dien groet, door herhaaldelijk met hunne
groote, breedgerande hoeden te wuiven, en met een opgeruimd hart keerde
Kloppers naar zijn ossenwagens terug. Het duurde nu niet lang meer, of
hij had het punt bereikt, waar de zijweg in den grooten weg inboog, en
hier liet hij de wagens stoppen, om den anderen trein in te wachten,
die reeds dicht bij was.
Met statigen stap en heel deftig schreden twee reusachtige
struisvogels, die door de Jong waren getemd voorop, en het maakte wel
den indruk, alsof zij de herauten waren van het achttal ossenwagens,
die achter hen aan kwamen hotsen.
Met ongeveinsde hartelijkheid en blijdschap had de wederzijdsche
begroeting plaats. In den wagenstoet van de Jong bevonden zich nog vier
andere huisgezinnen, waarvan er slechts twee aan de familie Kloppers
persoonlijk bekend waren, maar dat verhinderde niet, dat de
vriendschapsband met allen even spoedig als onverbreekbaar gesloten
werd, men trok toch dezelfde gevaren en dezelfde toekomst tegemoet!
Bij één dier gezinnen was een moeder, die een zuigeling van drie
maanden op haar armen droeg, en het oog van Kloppers werd vochtig bij
dat gezicht. Ja, wij spreken van de helden van Zuid-Afrika, maar de
Afrikaansche heldinnen—hoe zouden wij hen kunnen vergeten! De
strijdbare mannen, die bij Bronkhorstspruit en bij den Ingogo, bij Lang
Nek en op den Amajuba, bij Doornkop en Krugersdorp de Engelsche vlag
hebben neergehaald—zijn zij niet geboren uit den schoot dezer vrouwen?
Het bleek, dat de Jong en zijn reisgenooten even als Kloppers hun vee
reeds hadden vooruitgezonden naar de Vischrivier, en verlangend, om den
stroom nog heden te bereiken, werd de tocht met Kloppers’ ossenwagens
aan de spits onmiddellijk hervat. Toen het echter te heet werd om
verder voort te trekken, werd er geschaft in de nabijheid van een
vijver, die wel was uitgedroogd, doch welks bodem nog vochtig was. In
dien bodem werden wijde, diepe kuilen gegraven, waarin zich na eenig
wachten water verzamelde. Maar het was morsig, drabbig water, dat den
dorst der ossen eerder prikkelde dan leschte, terwijl het veld, zoover
het oog reikte, was verbrand door de hitte en droogte. Ook was er op
die gansche, eindelooze, golvende vlakte boom noch struik te bekennen,
die schaduw bood, en in kleine groepen vleiden de Trekkers zich onder
de wagens neer. Nu verorberden zij hun sober, eenvoudig maal, en
spoedig werden de dorstige, hongerige ossen weer ingespannen, want
Kloppers hoopte nog voor het vallen van den avond de rivier te
bereiken.
Het was een zware, vermoeiende tocht. De hemel brandde van boven op het
hoofd der Boeren, en de grond brandde onder hun voet. De wind was gaan
liggen, en de ossen versmachtten van dorst. Met loomen tred sleepten
zij de wagens achter zich voort, door krachtige zweepslagen tot steeds
vernieuwde inspanning aangespoord, maar de Boeren begonnen de hoop
reeds op te geven, den stroom nog heden te bereiken, toen Sultan
plotseling met vroolijke sprongen vooruitsnelde, en Dirk op den zwarten
Hannibal van achter een heuvel zichtbaar werd.
„Daar komt Dirk al aan,” riep Kloppers op monteren toon; „die zal ’t
ons wel vertellen.”
De genoemde, die op een snellen draf was genaderd, sprong van het
paard, en groette zijn vader met een stevigen handdruk, maar zijn
moeder kuste hem.
„Hoe gaat het?” zeide zijn vader.
„Best,” zeide Dirk.
„En hoe gaat het met het vee?”
„Ons vee en dat van ouderling de Jong met dat van verscheidene andere
Emigranten-Boeren [6] graast rustig aan gene zijde der rivier, die
dicht in de nabijheid is. Ziet gij het geboomte in de verte? Daar is de
rivier; vooruit dus maar!”
Met nieuwen moed bezield, lieten de Boeren hunne lange zweepen knallen,
dat het een aard had, en voordat er een uur was verloopen, stond de
heele karavaan aan den glooienden oever der Vischrivier. Men was hier
bij een zoogenaamde „drift”: een bij lagen waterstand doorwaadbare
plaats.
Eerst werden nu de ossen gedrenkt, en in lange, lange teugen slurpte
het versmachte vee het kostelijk water. Toen plaatste Kloppers zich in
den ossenwagen bij het vrouwelijk personeel, terwijl Willem het wel zoo
aangenaam vond, met bloote voeten en opgestroopte broek, de kousen en
de harde leeren veldschoenen op het hoofd, door het water te ploeteren.
Maar op een diepe plaats zakte hij er tot de ooren toe in, zoodat hij
zich de moeite had kunnen sparen, de broek op te stroopen.
De voerman hield inmiddels de teugels van zijn ossen strak, en zonder
ongelukken werd de tegenovergestelde oever bereikt. Het was nog niet
volslagen donker, toen al de elf wagens reeds uitgespannen in twee
lange rijen aan den overkant der Vischrivier stonden; de tenten waren
in orde gebracht, en de ossen liepen langs de rivier in groene weiden
te grazen. Intusschen togen de vrouwen met bekwamen spoed aan het werk,
om voor hunne gezinnen het avondeten gereed te maken, en nadat allen
verzadigd waren, werd er gemeenschappelijk een psalmlied gezongen.
Toen begaf men zich ter ruste, doch niet allen. Bij het wachtvuur
zaten, de één op een veldstoel en de ander op een gevonden klipsteen,
Kloppers met zijn drie zonen, ouderling de Jong en nog een vijftal
jonge Boeren, wier flinke, vastberaden gelaatstrekken duidelijk
uitkwamen bij het schijnsel van het brandende vuur.
Uit de verte klonk het gehuil der groote, gevlekte hyena en de rauwe
kreet van den hongerigen panter, doch de Boeren zaten hier—midden in de
wildernis—even gerust hun pijp te rooken, alsof zij op een vergadering
te Kaapstad waren geweest.
In gezellige gesprekken snelde het ééne halve uur na het andere heen,
en door Kloppers en de Jong werd uit den schat hunner ervaring veel
medegedeeld, dat de jonge Boeren van nut kon zijn op den Trek. Doch bij
eene pauze in het gesprek kwam de jonge Willem plotseling met het
verzoek: „Oom Pieter, vertel ons nu eens iets uit de geschiedenis onzer
voorouders!”
„Goed,” zeide de Jong, „luistert dan!”
De pijpen werden op nieuw gestopt, en de aanwezigen schikten dichter
bijeen om het wachtvuur. Een der jonge Boeren wierp een paar verdorde
struiken op het vuur, zoodat de vlammen hoog uitsloegen, en daar het
koel begon te worden in de nachtlucht, verspreidde het brandende vuur
een aangename warmte.