HOOFDSTUK III.

Wij keeren terug tot het gesprek tusschen Gert Kloppers en zijn gast,

Teunis Smit.

Door de vele jachtpartijen, die hij mede maakt, en zijn aanhoudende

zwerftochten in de Kolonie (Kaapkolonie) en de Kafferlanden, is

laatstgenoemde een uitnemende vraagbaak, en van de plannen der wijd en

zijd verspreide Boeren uitstekend op de hoogte.

„Nu,” vraagt Kloppers, „welk nieuws brengt ge?”

„Dat ik verleden jaar met Piet en Jacobus Uijs en andere Boeren een

verkenningstocht heb gemaakt naar het Oosten, naar Natal, heb ik u

reeds verteld.”

„Ik weet het. Gijlieden gingt met een trein van veertien ossenwagens.”

„Wij drongen toen door tot aan de zeehaven van Natal.”

„Welken weg hadt ge genomen?”

„Wij hielden voortdurend den oostelijken, dus dezen kant van het

Drakengebergte.”

„Ge hadt gelijk; een tocht met ossenwagens over het gebergte is

gevaarlijk.”

„Gevaarlijker dan een leeuwenjacht, dat verzeker ik je.”

„Ge zijt dus wekenlang door Kafferlanden getrokken?”

„Zoo is het. Ik had er schik van op onze heenreis; wild volop, maar bij

de terugreis konden wij ons plezier wel op.”

„Ge hoordet zeker van den inval der Kaffers in onze Kolonie?”

„Boodschappers deelden ons mede, dat zij alles te vuur en te zwaard

verwoestten. Toen haastten wij ons om mee te vechten.”

„Wat is nu jullie oordeel over Natal? Is het een geschikt land voor

ons, Boeren?”

„Om de waarheid te zeggen, onze commissie is niet eenstemmig in haar

oordeel.”

„Zijn er de Engelschen niet vroeger geweest, om den boel op te nemen?”

„Ja, eenige commissarissen der Engelsche regeering.”

„Waren het kolonisten, boeren?”

„Neen, officieren en geleerde lui!”

„Zulke menschen kunnen ze ook wel thuis laten. Hoe zullen die nu de

geschiktheid van den grond beoordeelen!”

„’t Zijn menschen van de theorie, neef Gert, menschen van niks! In den

kop van mijn klepper zit meer praktisch verstand dan in hunne hersens.

Zij weten ’t niet, en kunnen ’t niet weten, welke soort grond de

kolonisten noodig hebben voor hun vee.”

„Hunne rapporten waren zeker rooskleurig genoeg?”

„Dat zal waar zijn, maar als de Boeren het daarop aandoen, dan zou de

rekening wel eens verkeerd kunnen uitkomen.”

„Gij ziet dus weinig heil in Natal?”

„Dat zeg ik niet. Het is werkelijk een goed land, maar als men op de

Engelsche rapporten afgaat, dan begint men met overspannen

verwachtingen er heen te trekken, en dat noem ik een slecht begin. Een

ding is echter waar: Natal heeft een schoone baai. Als de Boeren zich

daar vestigden, dan hadden zij een uitweg naar zee. Wij hebben die baai

maar voor ’t vatten. Ik wed, dat we ze voor een bagatel van de Kaffers

kunnen overnemen.”

Gert Kloppers klopte bedachtzaam zijn pijp uit.

„De zaak is gevaarlijk, Neef Teunis.”

„Zoo? Waarom? De baai is ruim en diep: ’t zou een mooie zeehaven

worden.”

„Ze is me tè diep; onze vrijheid zal er in verdrinken!”

„Zijt ge bang, dat de Engelschen de baai zullen inpalmen?”

„Ja, want de Engelschen zijn tot vele dingen in staat.”

„Vertrouwen doe ik ze ook niet. Zoo gaat thans het gerucht, dat het

gouvernement verklaard zou hebben: De Boeren blijven Engelsche

onderdanen, al trekken ze naar ’t eindje der wereld.”

„Werkelijk?”

Er kwam een dreigende wolk op het breede voorhoofd van Gert Kloppers,

toen hij deze vraag deed.

„’t Is mij voor de vaste waarheid verteld.”

„Och kom, die snuggere Engelsche wettenmakers zouden zich toch

grenzenloos belachelijk maken met zoo’n verordening.”

Kloppers lachte, toen hij dit zeide, en de wolk verdween van zijn

voorhoofd.

„Zijn de Boeren eenstemmig in de richting, die ze op hun tocht willen

nemen?”

„Wel in de richting, doch de ééne partij wil vérder trekken dan de

andere.

„De Trek zal gaan over de Vischrivier het noorden in. We trekken dan

door het land der Kaffers tot over de Oranje-rivier. Daar willen

sommigen zich vestigen—”

„Maar ik niet!”

„Aangezien er voor het vee uitstekende weiden te vinden zijn. Doch

anderen meenen, dat ze dan nog te dichtbij de Engelschen zitten—”

„Dat meen ik ook!”

„En willen daarom doortrekken, al verder het noorden in, tot over de

Vaalrivier.”

„Dat lijkt me beter. Hoe groot schat gij de onderlinge afstanden, Neef

Teunis?”

Smit haalde een op linnen geplakte, saamgevouwen kaart uit zijn zak, en

spreidde ze op de tafel uit.

„Neem aan, dat hier, waar ik den vinger zet, van deze hoeve af

gerekend, het naaste punt is der Vischrivier. Dan zou de ossenwagen in

het allergunstigste geval van dat punt der Vischrivier af veertien

dagen werk hebben, om den oever der Oranjerivier te bereiken.”

„In het allergunstigste geval, dat nooit gebeurt.”

„Zoo is ’t. De beken kunnen door een wolkbreuk tot rivieren aanzwellen,

en den trek stremmen. Wegen zijn daar trouwens niet.”

„En de wilde Kafferstammen, door wier gebied wij komen, kunnen ons den

doortocht beletten.”

„’t Zou een wonder zijn, als het niet gebeurde.”

Terwijl de mannen in hun gesprek waren verdiept, zat de vrouw des

huizes met vaardige vingeren de naainaald te hanteeren. Zij werkte

reeds met grooten ijver vooruit, tegen dat de Trek zou beginnen, opdat

het huisgezin van het noodige ondergoed voorzien zou zijn op den

zwerftocht door de groote wildernissen, die maanden maar ook jaren kon

duren!

In het achterhuis was Mieke bezig met karnen, en het eentonig gestamp

der karnschijf in de melk werd slechts afgebroken door het regelmatig

getrap der paarden op den dorschvloer, die het rijpe koren uit de aren

trapten.

Glimlachend wendde Smit zich thans tot vrouw Kloppers, terwijl hij

zeide: „Zijt gij niet bang, om den grooten tocht te ondernemen?”

„Bang?” zeide zij, terwijl zij den vrager aankeek met haar helderen

blik, „bang? Waarvoor zou ik bang zijn? Wij zijn overal in Gods hand,

en Hij kan ons even goed bewaren onder de woeste Kafferstammen als hier

in de Kolonie, waar het trouwens ook alles behalve rustig is.”

„Dat weet ik,” antwoordde de jager ernstiger. „Ik kan het mij niet

anders verklaren dan dat het Gods hand is geweest, die mij meer dan

ééns uit de klauwen van een wild roofdier heeft gered.”

„Maar er is zooveel,” ging vrouw Kloppers voort, „waar men aan kan

hangen, dat ons aan het hart is gegroeid, en waarvan wij moeten

scheiden, als wij gaan trekken.”

Toen zij deze woorden sprak, ging er een schaduw over haar vriendelijk

gelaat, want zij dacht aan den steenen muur van het kleine kerkhof met

zijn drie kleine grafheuvelen.

Na een kleine pauze zette zij het gesprek op bedaarder toon voort en

zeide: „En dan zal er zooveel huisraad moeten worden opgeruimd, dat

niet kan worden mee genomen. Het meest gaat mij dat eikenhouten kabinet

aan het hart,” en zij wees met den vinger naar den muur, waar een hoog

en keurig onderhouden kabinet stond.

„Het is een erfstuk van mijn moeder; zij ging er mee in haar

huishouden.—Dan ziet ge hier nog deze twee oude, met leer overtrokken

leuningstoelen, waar ik steeds zoo zuinig op ben geweest, daar er

zooveel herinneringen aan verbonden zijn.”

In één dezer leuningstoelen zat thans de oude Dirk Kloppers, en op

vroolijker toon voegde de vrouw des huizes er aan toe: „Grootvaders

stoel moet toch in elk geval mee, niet waar, man?”

„Dat spreekt van zelf,” antwoordde Gert Kloppers; „wij zoeken het beste

hoekje uit in den ossenwagen, en daar zetten wij Vader in zijn

leuningstoel.”

De oude Dirk Kloppers had dit alles aangehoord, maar hij schudde het

grijze hoofd en zeide: „Neen kinderen, ik ga niet mee; ik trek naar een

ander land.”

Zoo had hij reeds meer gesproken de laatste dagen. Voor dien tijd had

hij nog altijd vastgehouden aan de hoop, dat hij als de laatste van een

vorig geslacht den tocht zou mede maken, maar die hoop scheen hij nu te

hebben opgegeven. Hij sprak wel van trekken, maar niet naar de

Vaalrivier; hij sprak van een trekken naar dat land, van waar nog nooit

een sterfelijk mensch is teruggekeerd.

Wanneer het nu echter gebeurt, dat een onzer liefste betrekkingen tot

ons gaat spreken van het naderend scheiden, dan ontroeren wij, en

eerbiedige huivering sluit ons den mond.

Zoo ging het ook in Kloppers’ woning.

Niemand sprak in de eerste oogenblikken een woord, en duidelijker dan

zooeven was het eentonig gestamp der karnschijf en het regelmatig

getrap op den dorschvloer verneembaar.

Gert Kloppers verbrak het eerst de stilte, door zich tot zijn gast te

wenden met de vraag: „Hebben Karel Trichard en Hans van Rendsberg den

Trek reeds aanvaard naar de Vaalrivier?”

„Zij zijn al weken op reis; vermoedelijk hebben zij reeds den halven

weg tusschen de Vischrivier en de Oranjerivier achter den rug.”

„Hoe groot is het gezelschap?”

„Te samen een dertigtal huisgezinnen. Zij trekken over de Vaalrivier,

en vervolgens oostwaarts—”

„Dat wordt een heele reis!”

„Om den Indischen Oceaan te bereiken.”

„Den Indischen Oceaan!”

Gert Kloppers sloeg de handen van verbazing ineen, terwijl hij dezen

uitroep deed.

„Hoe groot is de afstand van de drift [5] der Vaalrivier, waar zij over

trekken, tot den Indischen Oceaan?”

„Vijfhonderd Engelsche mijlen.”

(Een Engelsche mijl is 20 minuten gaans.)

„’t Is een heele onderneming.”

„Trichard beschouwde het als een levensvoorwaarde der nieuwe

nederzetting, dat zij, van Engeland vrij, een zeehaven krijge.”

Kloppers knikte toestemmend.

„Zeer waarschijnlijk zal hij op de Delagoabaai aanhouden, maar die

zeehaven behoort aan de Portugeezen.”

„Dat hindert niet; de Portugeezen zullen ons geen last veroorzaken.”

„’t Zal kracht kosten er te komen, Neef Gert.”

„Ik ken Trichard en van Rendsberg; zij hebben een harden kop, die tegen

een stootje kan. Zij zullen doortrekken, tot zij hun doel hebben

bereikt!”

„Of er dood bij neervallen! Het gevaar, door wilde Kafferstammen

vermoord te worden, is groot, maar het klimaat is nog gevaarlijker.

Voor dat Trichard de Baai bereikt, zal hij door lage, moerassige

streken moeten trekken, die in de brandende zon liggen te koken, en de

lucht door hun gassen verpesten. Geen blanke kan het er uithouden.

„Ik ben eens met een gezelschap in die streken op de krokodillenjacht

geweest, en kan bij ondervinding spreken.”

Karel Trichard en Hans van Rendsberg hebben er het leven bij

ingeschoten.

In Februari 1836 bereikten zij de Vaalrivier en trokken in een grooten

boog naar het noordoostelijk gedeelte van het tegenwoordige Transvaal,

Zoutpansberg, waar zij, na vele gevaren getrotseerd te hebben, behouden

aankwamen.

Terwijl Trichard hier nog eene wijle bleef vertoeven, trok van

Rendsberg met het kleiner deel van het gezelschap op de Delagoabaai

aan. Noch hij noch één der zijnen heeft die Baai bereikt! Zij vielen

allen—acht en veertig zielen!—onder de moordende spies der

Knopneus-Kaffers, slachtoffers van een al te goed vertrouwen!

Vriendschappelijk gezinde Kaffers brachten Trichard de tijding der

slachting, maar met onuitroeibare veerkracht liet deze dappere man in

Augustus (1836) de ossen weer voor de wagens spannen. Langzaam,

voorzichtig, den vinger aan den trekker van het geladen geweer, werd de

tocht voortgezet, die verscheidene maanden duurde.

Zonder groote ongevallen werden de lage, ongezonde streken bereikt, en

met nieuwen moed bezield, werden de ossen tot de uiterste

krachtsinspanning aangespoord, om er snel door heen te komen. Toch

duurde de tocht veel langer dan men vermoedde, en met den koortsgloed

in de leden, krank en afgebeuld, bereikten de zwervers in Mei 1837 de

Delagoabaai.

Dáár lag de Oceaan!

Vol majesteit rolde hij zijn golven tegen het strand, en bespoelde hun

voeten!

Hoe laafde zich het oog van den moedigen Trichard op dat gezicht!

Nieuwe, hoopvolle plannen makend, keerde hij terug naar zijn

ossenwagens, doch zijn werk hier op aarde was afgeloopen.

Reeds was hij door den dood geteekend, en stervend heeft hij zijn volk

den eenigen uitweg naar zee gewezen.

Op een eenzaam kerkhof bij de Delagoabaai rust hij—als een herder

tusschen zijne schapen—in het midden zijner tochtgenooten, die hier

bezweken.

Geen marmer dekt zijn gebeente, maar een eerezuil heeft God hem

opgericht in de harten van vele Afrikaansche Boeren. De naam zijner

familie is nog ten huidigen dage in de Transvaal met eere bekend, en

het is een Trichard geweest, die de Transvaalsche artillerie in den

strijd bij Krugersdorp in het vuur bracht.

Thans, na zestig jaren, ratelt over stevige dammen en sterke bruggen de

spoortrein dwars door de Transvaal; het snuivend stoomros suist over de

vlakten, waar éénmaal de vermoeide ossen van Karel Trichard den wagen

hebben voortgesleept, en over de Delagoabaai reikt het oude Holland aan

het jonge Transvaal de broederhand.

Zóó was Gods bestel, en zóó is het geschied!

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 7 / 40 题