Op de kampanje van den Dolfijn gezeten, wachtte Jenny met angstig
ongeduld de terugkomst van den kapitein af. Toen hij eindelijk kwam,
kon zij geen woord uitbrengen; maar hare oogen vroegen James Playfair
meer dan hare lippen hadden kunnen uitspreken.
Playfair, door Crockston geholpen, vertelde haar niets anders dan
de omstandigheden waaronder de heer Halliburtt gevangen genomen
was. Hij zeide dat hij generaal Beauregard voorzichtig over zijne
krijgsgevangenen uitgehoord had, maar dat hij gemerkt had dat de
generaal hem niet gunstig gezind was en daarom eerst de omstandigheden
eens wilde afwachten.
»De heer Halliburtt is niet vrij op zijn woord van eer, en daarom zal
zijn vlucht niet zonder moeite gaan; maar we zullen die bewerken en
'k zweer u, juffrouw Jenny, dat de Dolfijn de reede van Charlestown
niet zal verlaten zonder uw vader aan boord te hebben."
»Dank, dank, kapitein, uit den grond van mijn hart!"
Op die woorden voelde James zijn hart in zijne borst opspringen. Hij
naderde het jonge meisje, met vochtig oog en haperende stem; wellicht
zou de bekentenis van hetgeen hij niet meer verbergen kon over zijne
lippen gekomen zijn, indien Crockston niet tusschen beiden was gekomen.
»Heb je een plan, Crockston?" vroeg Jenny, toen hij zich bij hen
voegde.
»'k Heb altijd een plan," antwoordde de Amerikaan, »dat is eene
specialiteit van me."
»Een goed plan?" vroeg James.
»Uitmuntend; al de ministers van Washington samen zouden er geen beter
kunnen bedenken; het is zoo goed of mijnheer al hier aan boord is."
»Zeg op dan, Crockston; we luisteren."
»U, kapitein, gaat naar generaal Beauregard en vraagt hem een gunst
die hij u niet weigeren zal. U zult hem zeggen dat u een slecht sujet
aan boord hebt, een schelm die u hindert, die de equipage onder weg
tot opstand heeft opgestookt, enfin een kerel die niets deugt; u moet
hem vragen of u dien kerel in de citadel moogt doen opsluiten onder
voorwaarde dat u hem bij uw vertrek weer meeneemt om hem in Engeland
aan de justitie over te leveren."
»Dat zal Beauregard me gaarne toestaan," zei James, half glimlachende,
»maar, er ontbreekt iets bij de uitvoering van dat plan."
»Wat dan?"
»Het slechte sujet, de schelm."
»Hij staat voor u, met uw verlof," kapitein.
»O, die brave trouwe Crockston!" riep Jenny, de ruwe hand van den
Amerikaan in hare fijne handjes drukkende.
»'k Begrijp je, Crockston," sprak James; »een ding spijt me maar,
en dat is dat 'k niet in uw plaats kan gaan."
»Ieder zijn rol," antwoordde Crockston; »u zoudt de uwe niet volhouden
als u in mijn plaats waart. Later krijgt u genoeg te doen met de
reede uit te komen onder het kanon van Noordelijken en Zuidelijken;
en daarmee zou ik weer verlegen zitten."
»Nu Crockston, en dan?"
»Nu, als 'k eens in de citadel ben--'k ben er in bekend--zal 'k wel
weten wat me te doen staat. U gaat intusschen met laden voort."
»O, dat is bijzaak," zei de kapitein.
»In 't geheel niet. Wat zou oom Vincent wel zeggen? We zullen de zaken
van het hart en die van den handel hand aan hand laten gaan. Dat zal
alle achterdocht voorkomen, Maar we moeten ons haasten. Kunt u in
zes dagen klaar zijn?"
»Ja."
»Nu dan, laat de Dolfijn dan op den 22sten reisvaardig zijn. Op den
avond van dien 22sten let wel op, moet u een sloep, met uwe beste
matrozen bemand, naar White Point, aan het uiterste punt van de stad
zenden; laat daar tot negen uur wachten en u zult den heer Halliburtt
met uw onderdanigen dienaar zien verschijnen."
»Maar hoe zal je 't aanleggen om den heer Halliburtt te redden en
zelf te ontsnappen?"
»Dat is mijn zaak."
»Goede Crockston," zei Jenny nu; »je gaat dus je leven in gevaar
brengen om mijn vader te redden?"
»Maak u niet ongerust, juffrouw Jenny: 'k breng niets in gevaar,
geloof me."
»En wanneer moet ik je laten opsluiten?" vroeg James.
»Van daag nog. U begrijpt, ik démoraliseer uw equipage; er is geen
tijd te verliezen."
»Wil je goudgeld hebben! Dat kan je in de citadel te pas komen."
»Goud, om een cipier om te koopen? Volstrekt niet; dat is veel te duur
en ook te dom. Als het daaraan toe komt, houdt de cipier het geld en
den gevangene er bij. Maar een dollar of wat kan geen kwaad. Men moet
kunnen drinken des noods."
»En den cipier een roes laten drinken?"
»Neen; dat zou alles bederven: laat me maar begaan; 'k heb een
plannetje."
»Ziedaar, mijn brave Crockston; tien dollars."
»Dat is te veel; maar ik zal u teruggeven wat ik overhoud."
»Ben je dus klaar?"
»Klaar om een volmaakte schelm te zijn."
»Op weg dan."
»Crockston," zei Jenny, »je bent de beste mensch die er leeft."
»Dat zou me niets verwonderen," antwoordde de Amerikaan met een
koddigen lach; »maar à propos, kapitein, nog ééne recommandatie
van belang."
»En die is?"
»Als de generaal u voorstelde den schelm op te hangen--u weet die
militairen maken er korte metten mee--zult u hem verzoeken of u
daarover nog eens moogt denken."
Dien zelfden dag werd Crockston, tot groote verbazing der equipage,
die niet in het geheim was, zwaar geboeid tusschen tien matrozen aan
wal gebracht, en een half uur later was hij, op verzoek van kapitein
James Playfair, ondanks al den weerstand dien hij bood, in de citadel
van Charlestown opgesloten.
Dien dag en de daarop volgende dagen werd er ijverig met het
laden van den Dolfijn voortgegaan. De bevolking van Charlestown
hielp dienstvaardig mede; de bemanning van den Dolfijn was bij de
Zuidelijken zeer gezien, maar Playfair gaf zijn volk geen tijd om
de beleefdheden der Amerikanen aan te nemen; hij zat hen altijd op
de hielen en zette hen met een koortsachtigen ijver tot spoed aan,
waarvan de matrozen de reden niet vermoedden.
Drie dagen later begonnen zich de eerste balen katoen in het ruim
van het schip op te stapelen. Hoewel James er zich thans weinig om
bekommerde, deed het huis Playfair en Co. prachtige zaken, wijl het
voor een spotprijs al dat katoen machtig werd dat in de magazijnen
van Charlestown tot last was.
Van Crockston hadden zij inmiddels niets vernomen. Jenny was aan de
hevigste onrust ten prooi, en James sprak haar telkens bemoedigend toe.
»'k Heb alle vertrouwen op Crockston," zeide hij, »en u juffrouw Jenny,
die hem nog beter kent dan ik, moet nog veel geruster zijn. Over drie
dagen zal uw vader u hier aan zijn hart drukken, geloof me."
»O, mijnheer Playfair! hoe zal ik u ooit uwe opofferingen vergelden!"
»Dat zal ik u zeggen als we in Engelsch water zijn," antwoordde James.
Jenny keek hem aan, sloeg toen de oogen neder en ging naar hare hut.
Playfair had gehoopt dat Jenny niets van den vreeselijken toestand
zou vernemen waarin haar vader zich bevond; doch juist op den
laatsten dag vernam zij alles door de onvoorzichtigheid van een
der matrozen. Den vorigen dag was er een bode van het kabinet te
Richmond in de belegerde stad gekomen en had de bekrachtiging van het
doodvonnis van Jonathan Halliburtt medegebracht. Den volgenden dag
zou de ongelukkige doodgeschoten worden. De tijding dier aanstaande
executie verspreidde zich weldra door de stad en een der matrozen
bracht haar op den Dolfijn over. Zonder te vermoeden dat Jenny in
de nabijheid was, vertelde hij aan den kapitein wat hij gehoord had
en met een vreeselijken gil viel Jenny op het dek neder. James droeg
haar in zijne hut en deed al wat hij kon om haar in het leven terug te
roepen. Toen zij eindelijk de oogen weder opende, zag zij den jongen
man met den vinger op den mond voor zich staan, om haar de diepste
stilte aan te bevelen. Zij had de kracht om te gehoorzamen en James
fluisterde haar toe:
»Jenny, over twee uren zal uw vader veilig hier aan boord zijn,
of ik ben bezweken bij de poging om hem te redden."
Daarop de hut verlatende, zeide hij:
»Wij moeten hem nu uit het fort oplichten, 't mag kosten wat het wil."
Het uur van handelen was gekomen; de lading was binnen. Over twee
uren kon de Dolfijn vertrekken. De kapitein had zijn schip op de open
reede gebracht, hij zou van den vloed gebruik maken die om negen uur
's avonds inviel.
Toen James het jonge meisje verliet, sloeg het zeven uur en hij
maakte zich gereed om van boord te gaan. Tot nog toe was het geheim
zorgvuldig tusschen hem, Crockston en Jenny bewaard gebleven. Maar
nu achtte hij het noodig den stuurman in te lichten.
»Ik ben tot uw orders," was alles wat deze zeide toen hij het geheim
wist. »Om negen uur?"
»Ja, laat de vuren aanleggen en aanstonds ferm aanstoken."
»Het is dadelijk klaar, kapitein."
Nadat de laatste toebereidselen gemaakt waren, voegde James er bij:
»En nu, stuurman, laat aanstonds de giek neder; beman haar met zes
van onze flinkste roeiers; ik ga onmiddellijk naar White Point. 'k
Beveel juffrouw Halliburtt aan uwe zorg aan; God bescherme ons."
Na nog een laatst vaarwel aan Jenny, ging James in de giek en zag
onmiddellijk daarop de dikke rookwolken zich in den avondnevel
verliezen.
Het was stik donker en er was volstrekt geen wind. Hier en daar
trilde er een flauw lichtje in den mist. James had zich aan het roer
geplaatst en stuurde met vaste hand naar White Point. Het was een tocht
van bijna een uur; James had dien dag nauwkeurig zijne waarnemingen
gedaan, zoodat hij recht op de Punt van Charlestown kon afgaan.
Het sloeg acht uur toen de giek tegen de schoeiing van White Point
aanstiet.
James moest nog een uur wachten eer het oogenblik, door Crockston
aangegeven, daar zou zijn. De kade was geheel verlaten. Slechts een
schildwacht liep op twintig passen afstands heen en weder. James
Playfair telde als het ware de minuten; de tijd ging vreeselijk
langzaam voor hem voorbij.
Om half negen hoorde hij voetstappen; hij liet zijne mannen, gereed
om de handen aan het werk te slaan, in de giek achter en ging zelf
aan wal. Maar toen hij twee passen gedaan had, ontmoette hij eene
patrouille van twintig man. James trok zijn revolver, gereed om dien
des noods te gebruiken. Maar hoe kon hij de soldaten beletten tot
aan den rand der kade door te loopen?
De aanvoerder der patrouille, de giek ziende, vroeg aan James:
»Wat is dat voor een vaartuig?"
»De giek van den Dolfijn," antwoordde de kapitein.
»En gij zijt?"
»Kapitein Playfair zelf."
»'k Dacht, dat gij reeds in het kanaal waart."
»'k Zou ook reeds vertrokken zijn, maar..."
»Maar?" vroeg de aanvoerder, aanhoudende..
».... Een van mijne matrozen is in de citadel opgesloten en dien had
'k bijna vergeten; gelukkig heb 'k op het laatste oogenblik nog aan
hem gedacht en nu heb 'k om hem gezonden."
»O, die schelm dien ge mede naar Engeland wilt nemen? We zouden hem
hier anders ook wel opgehangen hebben," zeide de luitenant schertsend.
»Dat begrijp ik," antwoordde Playfair, »maar 't is beter dat alles
naar den regel gebeurt."
»Nu, goede reis, kapitein; vertrouw de batterijen van het eiland
Morris niet te veel."
»Wees gerust, 'k ben er zonder hinder doorgekomen en hoop 't nu weder
te doen!"
Daarop vervolgde de patrouille haren weg en de kade was weder even
stil als te voren.
Op dat oogenblik sloeg het negen uur. James voelde zijn hart kloppen
alsof het barsten zou. Daar klonk een gefluit; James beantwoordde
het sein; daarop luisterde hij scherp toe en beval zijnen matrozen
de diepste stilte aan. Daar zag hij een man in een wijden mantel
gewikkeld; James liep op hem toe.
»De heer Halliburtt?"
»Die ben ik," antwoordde de man.
»Goddank!" riep James, »Oogenblikkelijk in de giek! Waar is Crockston?"
»Crockston!" antwoordde de heer Halliburtt verbaasd. »Wat bedoelt gij?"
»De man die u bevrijd heeft, die u hier heen heeft geleid, is uw
bediende Crockston."
»Neen, dat is de cipier," betuigde de heer Halliburtt.
»De cipier!" herhaalde James; hij begreep er niets van, en duizend
angsten beknelden hem de borst.
»Wel ja, de cipier!" riep eene bekende stem: »de cipier ligt in mijn
hok te ronken."
»Crockston, ben jij 't, ben jij daar!" riep de heer Halliburtt.
»Mijnheer, geen nuttelooze woorden nu; we zullen u alles ophelderen;
maar uw leven hangt aan een zijden draadje. In de giek, in de giek!"
De drie mannen namen in de giek plaats.
»Vooruit!" beval de kapitein.
Zes paar riemen stelden zich te gelijk in beweging en de giek schoot
als een visch over het donkere water van de haven van Charlestown.