De Dolfijn was bij zijne aankomst door eene tallooze menigte met
gejuich begroet. De inwoners van Charleston waren geene Europeesche
schepen meer gewoon. En toen zij nu hoorden waarom de Dolfijn de engte
van Sullivan doorgedrongen was, kwam er aan het juichen geen eind.
Zonder een oogenblik tijd te verliezen, stelde de kapitein zich in
betrekking tot den militairen kommandant, generaal Beauregard. Deze
ontving hem met groote blijdschap en weldra waren tallooze handen
aan het werk om het schip te lossen.
Eer Playfair van boord ging, had hij van Jenny de krachtigste
aanbevelingen ten behoeve van haren vader ontvangen.
»U kunt op me rekenen, juffrouw Jenny," had hij geantwoord; »'k
zal het onmogelijke doen om uw vader te bevrijden; 'k zal generaal
Beauregard zelf spreken en zonder hem ronduit de invrijheidstelling
van uw vader te vragen, zal ik wel te weten komen in welken toestand
hij verkeert en of hij op zijn woord van eer zich vrij bewegen kan."
»Mijn arme vader," antwoordde Jenny zuchtende. »Hij zal niet denken dat
zijn dochter zoo dicht bij hem is. Kon ik maar in zijne armen vliegen!"
»Geduld, juffrouw Jenny; weldra zult u uw vader omhelzen, hoop ik. 'k
Zal met den meesten ijver uw zaak behartigen, maar tevens bedachtzaam
en voorzichtig zijn."
Toen Playfair derhalve de zaken voor zijn Huis met het beste gevolg
had afgedaan, begon hij met den generaal een gesprek over de zaken
van den dag.
»En u gelooft dus nog aan het zegevieren van uw zaak?" vroeg hij.
»'k Twijfel er geen oogenblik aan. Al maakten de Noordelijken zich van
onze Staten meester, ze kunnen er toch nooit komen wonen. Al overwonnen
ze, dan zouden ze nog maar verlegen met hunne verovering zijn."
»En zijt u zeker van uw soldaten?" vroeg Playfair; »vreest u niet
dat Charleston een beleg zal moede worden dat de stad ten ondergang
sleept?"
»Neen; 'k vrees geen verraad, 'k zou de verraders onmiddellijk
laten ophangen en de stad zelf in brand steken, indien 'k de minste
unionistische beweging bespeurde. Jefferson Davis heeft me de stad
toevertrouwd en 'k zal haar bewaren."
»Hebt u ook gevangenen van de Noordelijken?"
»Ja wel, kapitein; want hier in Charleston is de scheuring het eerst
feitelijk uitgebarsten. De Noordelijken die hier waren, hebben nog
weerstand willen bieden, en die zijn hier gevangen gebleven nadat ze
verslagen waren."
»Zijn er veel?"
»Honderd ongeveer."
»Vrij in de stad?"
»Dat waren ze totdat ik een samenzweering onder hen ontdekt heb. Hun
aanvoerder had betrekkingen met de belegeraars zien aan te knoopen. 'k
Heb derhalve die gevaarlijke gasten moeten opsluiten, en verscheidene
van die Noordelijken krijgen een kogel door den kop."
»Wat! worden ze gefusilleerd?"
»Ja, en hun aanvoerder het eerst. Die is een gevaarlijk persoon in
eene belegerde stad. 'k Heb zijne in beslag genomen brieven naar
Richmond ópgezonden, en eer we acht dagen verder zijn, is zijn lot
onherroepelijk beslist."
»Hoe heet die man?" vroeg Playfair, op volmaakt onverschilligen toon.
»Jonathan Halliburtt, een woedende abolitionist."
»Die arme kerel!" antwoordde James, zijne aandoening verbergende;
»'k beklaag hem toch. En houdt u het voor zeker dat hij doodgeschoten
zal worden?"
»Zeer zeker. Maar wat is er tegen te doen. Oorlog is oorlog en men
moet zich verdedigen."
»Enfin; 't raakt me niet," antwoordde de kapitein, »en 'k ben al ver
weg als de executie plaats heeft."
»Hoe, zoo spoedig reeds?"
»Ja, generaal, zoodra 'k mijn lading katoen in heb, ga ik in zee. 'k
Ben te Charlestown gekomen, maar 'k moet er weer uit ook. De Dolfijn
is een goed schip; hij kan het tegen alle noordelijke schepen volhouden
in zijn vaart, maar hij kan geen honderdponders op een afstand houden,
en één kogel zou mijn geheelen handel bederven."
»Nu, 'k kan u geen raad geven. U handelt naar uw beroep en u hebt
gelijk. Bovendien is 't te Charlestown alles behalve aangenaam en een
reede waar het drie dagen van de vier bommen regent, is geen veilige
plaats voor een schip. Zeg me nog één ding. Hoeveel en wat voor soort
van noordelijke schepen kruisen er voor Charlestown?"
James Playfair beantwoordde de vragen van generaal Beauregard zoo
goed mogelijk, waarna hij zijn afscheid nam en in sombere stemming
naar den Dolfijn terugkeerde.
»Wat zal 'k aan Jenny zeggen," dacht hij, »moet ik haar met den
vreeselijken toestand waarin haar vader verkeert bekend maken? Of zou
'k haar de gevaren die hem dreigen verzwijgen? Het arme kind!"
Hij was nog geen vijftig passen van het huis des generaals verwijderd,
toen hij tegen Crockston aanliep. De wakkere Amerikaan had hem
opgewacht.
»Nu, kapitein?"
James Playfair keek Crockston strak aan en deze begreep dat hij hem
niets goeds te zeggen had.
»Hebt u Beauregard gezien, kapitein?"
»Ja."
»En hebt u hem over den heer Halliburtt gesproken?"
»Neen, hij heeft me over hem gesproken .... 'k kan wel alles zeggen,
Crockston."
»Alles, kapitein."
»Nu dan, Beauregard heeft me gezegd dat de heer Halliburtt over acht
dagen wordt doodgeschoten."
Ieder ander dan Crockston zou bij die tijding in woede uitgebarsten
zijn, of zich aan eene hopelooze smart overgegeven hebben; maar de
Amerikaan achtte niets onmogelijk; er kwam iets als een glimlach op
zijne lippen en hij zeide niets dan:
»Wel ja! Over zes dagen is hij aan boord van den Dolfijn en de Dolfijn
is over zeven dagen in volle zee."
»Ja, 'k begrijp je, Crockston; je bent een flinke kerel en in spijt
van mijn oom Vincent en de geheele lading zou 'k mijn schip in de
lucht laten springen voor juffrouw Jenny."
»Er moet niemand in de lucht springen; daar winnen alleen de visschen
bij. Maar we moeten mijnheer Halliburtt helpen."
»Dat zal moeilijk genoeg gaan; we moeten in verstandhouding komen
met een gevangene die sterk bewaakt wordt en hem aan een bijna
wonderbaarlijke vlucht helpen."
»O," riep Crockston. »Een gevangene is er altijd meer op uit te
vluchten dan zijn bewaker om hem achter slot te houden; ergo een
gevangene kan altijd ontvluchten; hij heeft alle kansen voor. Met
onze hulp moet de heer Halliburtt dus vrij komen."
»Je hebt gelijk, Crockston; maar wat zullen we doen! We moeten plan
maken en voorzorgen nemen."
»'k Zal er eens over nadenken."
»Maar als juffrouw Jenny hoort dat haar vader ter dood veroordeeld is
en dat het bevel van zijn terechtstelling ieder oogenblik komen kan..."
»Ze moet het niet hooren."
»Ja, 't zal beter zijn dat we er haar niets van zeggen."
»Waar zit de heer Halliburtt opgesloten?" vroeg Crockston.
»In de citadel," antwoordde Playfair.
»Perfekt; nu naar boord!"