De giek vloog vooruit, de mist werd dikker en het kostte James moeite
de richting waar te nemen, die hij wist dat men volgen moest. Crockston
zat voor in de giek, de kapitein en de heer Halliburtt waren achter in.
Toen de giek de open reede had bereikt, begon Crockston te spreken,
begrijpende dat de heer Halliburtt van ongeduld brandde om iets van
hem te hooren.
»Neen, mijnheer," zeide hij, »de cipier zit in mijne plaats in mijn
hok, waar ik hem twee vuistslagen heb toegediend, een op zijn nek en
een op zijn maag, bij wijze van slaapdrank; en dat wel op het oogenblik
toen hij mij mijn avondeten bracht. Dat heet nu dankbaarheid! 'k Heb
zijn kleeren aangetrokken en zijn sleutels genomen; 'k ben u gaan halen
en heb u voor den neus van de soldaten uit de citadel weggehaald."
»Maar mijne dochter?" vroeg de heer Halliburtt.
»Aan boord van het schip dat ons naar Engeland zal brengen."
»Mijne dochter dáár!" riep de Amerikaan, van zijne bank opspringende.
»Stil," antwoordde Crockston. »Nog eenige minuten en we zijn gered."
De giek vloog nog altijd in de dikke duisternis voort. James kon de
lantaarns van den Dolfijn niet onderscheiden en de roeiers konden
het einde hunner riemen zelfs niet zien.
»Wij moeten meer dan drie kwartier geroeid hebben," sprak de kapitein;
»zie je niets, Crockston?"
»Niets, en 'k heb toch goede oogen. Maar, we zullen er wel komen;
daar ginds vermoeden ze niets..."
Hij had nog niet uitgesproken toen een vuurpijl door de duisternis
heendrong en zich hoog in de lucht verhief.
»Dat is een sein!" riep de kapitein.
»Duivelsch! Dat moet uit de citadel komen."
Daar vloog een tweede vuurpijl, toen een derde, en bijna onmiddellijk
daarop werd het sein op een kwartier afstands voor de giek uit
beantwoord.
»Dat komt uit het fort Sumter," riep Crockston, »en 't is het signaal
van ontvluchting. Roei wat je kunt! Alles is ontdekt!"
»Flink vooruit, vrienden!" riep James. »Die vuurpijlen hebben me mijn
weg verlicht. De Dolfijn is geen honderd el meer van ons af. Hoor! daar
luidt de bel aan boord."
»Vooruit! vooruit! Twintig pond voor jelui als we er over vijf
minuten zijn!"
De giek vloog sneller dan ooit. Alle harten klopten. Daar bulderde
een kanonschot in de richting der stad, op twintig vamen van de
giek. Crockston hoorde meer een snel voorbijgaand lichaam dat veel
op een kogel geleek, dan dat hij het zag.
Op dat oogenblik luidde de bel uit alle macht aan boord; men naderde,
nog eenige riemslagen en de giek stiet aan; nog eenige seconden en
Jenny viel in de armen van haren vader.
Onmiddellijk werd de giek opgeheschen en James snelde naar de kampanje.
»Stuurman, hebben we stoom genoeg op?"
»Ja kapitein."
»Laat het ankertouw kappen en dan zoo schielijk mogelijk vooruit!"
Een oogenblik later stuwden de beide machines de boot naar het
hoofdkanaal en verwijderden haar van het fort Sumter.
»Stuurman," sprak de kapitein, »we kunnen er niet aan denken het
kanaal van Sullivan door te gaan; want we zouden aanstonds onder
het vuur der Geconfedereerden raken; laat ons zoo veel mogelijk den
rechterkant der reede houden, en ons met de kogels der Noordelijke
vernoegen. Heb je een vertrouwd man aan 't roer?"
»Ja, kapitein."
»Laat de lantaarns en de vuren uitdooven, het licht dat van de
machines weerkaatst is al te veel, veel te veel; maar daar is niets
aan te doen."
Gedurende dat gesprek was de Dolfijn snel vooruit gegaan; maar toen
hij zwenken moest om aan den rechterkant van de reede te komen, moest
hij eene engte door die hem een oogenblik in de nabijheid van het fort
Sumter bracht, en hij was er ruim vijf minuten van verwijderd, toen op
eens al de schietgaten van het fort in lichten gloed stonden en een zee
van vuur met eene vreeselijke ontploffing voor den Dolfijn heenging.
»Te vroeg, lomperds!" riep James Playfair, schaterend van
lachen. »Stoken, stoken, machinist; we moeten tusschen twee ladingen
door komen."
De stokers zetten nieuwen gloed aan de vuren bij en de Dolfijn
sidderde over al zijne leden onder de kracht der machine, alsof hij
op het punt was van uit elkander te springen.
Op dat oogenblik deed zich eene tweede ontploffing hooren en een
nieuwe hagel van kogels floot achter de boot.
»Te laat! domooren!" riep de kapitein, nu brullend lachende.
»Dat is er een voorbij. Nog eenige minuten en we zijn van de
Geconfedereerden af," zei Crockston die op de kampanje gekomen was.
»Dus denk je dat we niets meer van het fort Sumter te vreezen
hebben?" vroeg James.
»Neen, niets; maar zoo veel te meer van het fort Moultrie, maar dat
kan ons maar een half uur in de knijp houden. Laat ze dus goed hun
tijd waarnemen en goed mikken, als ze ons raken willen."
»Mooi! De ligging van het fort Moultrie zal ons dus vergunnen recht
op het Hoofdkanaal af te gaan. Vuur dan! vuur!"
Op hetzelfde oogenblik, als of James Playfair inderdaad dat »vuur"
bevolen had, werd het fort door eene driedubbele lijn van vuur
verlicht; een vreeselijk geraas deed zich hooren, waarna er aan boord
een onrustbarend gekraak ontstond.
»Ze hebben geraakt," zei Crockston.
»Wat is er gebeurd, stuurman?" riep de kapitein.
»De spaak van de boegspriet ligt in zee."
»Hebben we gekwetsten?"
»Neen, kapitein."
»Nu dan, laat die spaak naar den duivel gaan. Recht het kanaal door
en op het eiland af."
»Afgedaan met die Zuidelijken!" riep Crockston; »als we toch een
kogel door het lijf moeten hebben, heb ik nog liever met de kogels
der Noordelijken te doen; die kan ik beter verteren!"
Inderdaad alle gevaar was nog niet geweken--en de kapitein bereidde
zich niet ten onrechte op een aanval in de kanalen van het eiland
Morris voor; want na verloop van een kwartier uurs werd de duisternis
afgewisseld door herhaalde flikkeringen van licht. Het regende kleine
bommen om den Dolfijn heen, die het water tot aan de verschansing
deden opspringen; sommige van die bommen raakten zelfs het schip,
doch veroorzaakten weinig letsel, en door de fel aangestookte vuren
voortgestuwd, ging de Dolfijn steeds vooruit.
Op dat oogenblik, kwamen de heer Halliburtt en Jenny, tegen de bevelen
des kapiteins in, op de kampanje; James wilde hen dwingen naar beneden
te gaan, maar Jenny verklaarde dat zij bij den kapitein wilde blijven.
De heer Halliburtt, die nu het edele gedrag zijns redders vernomen had,
drukte hem zonder een woord te spreken de hand.
De Dolfijn naderde nu met groote snelheid het ruime sop; hij had nog
slechts een uur te varen om in den Oceaan te zijn; mocht de ingang
van het kanaal vrij zijn, dan was hij gered. James Playfair kende al
de geheimen der wateren van Charlestown en hij stuurde zijn schip met
onvergelijkelijke zekerheid; reeds meende hij alle reden te hebben om
aan het wel gelukken van zijn waagstuk te gelooven, toen de matroos
op uitkijk riep:
»Een schip!"
»Een schip!" riep James.
»Ja, aan bakboordszij."
De mist die opgetrokken was, vergunde hun toen een groot fregat
te onderscheiden dat manoeuvreerde om den Dolfijn den weg af te
snijden. James Playfair moest het tot elken prijs in snelheid zien
te overtreffen en nogmaals eene vermeerdering van stoomkracht van
zijne machine vergen, of alles zou verloren zijn.
»Het roer aan stuurboordszij!" riep de kapitein.
Daarop snelde hij op de loopplank die over de machine geworpen was.
Op zijn bevel werd een der schroeven vastgezet en met de nu
overblijvende, beschreef de Dolfijn den kortst mogelijken cirkel alsof
hij om zich zelven draaide. Op die wijze had hij eene ontmoeting met
het federale fregat vermeden en hij naderde even als dat den ingang
der baai, het was nu eene quaestie van snelheid geworden.
James Playfair begreep, dat dáárin alleen het behoud gelegen was. Het
fregat was den Dolfijn een heel eind vooruit; men zag het aan den
zwarten rook die uit zijne schoorsteenen opsteeg dat het al zijne
stoomkracht gebruikte. Maar James Playfair was de man niet om achter
te blijven.
»Wij hebben het maximum van drukking bereikt," antwoordde de
machinist op eene vraag van den kapitein; »de stoom vliegt uit alle
veiligheidskleppen."
»Stop de kleppen," beval de kapitein.
En zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, ofschoon het schip er
bij werd gewaagd.
En altoos sneller ging de Dolfijn vooruit; de slagen van den zuiger
volgden elkander met eene ontzettende snelheid op, de platen beefden
onder die herhaalde slagen; en het was een schouwspel dat zelfs de
moedigste harten deed sidderen.
»Zet aan de vuren! zet aan!" riep James.
»Onmogelijk," antwoordde de machinist; »de kleppen zijn hermetisch
gesloten; onze ovens zijn tot aan den rand toe vol."
»Het doet er niet toe! Stop er dan katoen in, in brandewijn gedoopt,
wij moeten er door en dat vervloekte fregat vooruit."
Op die woorden keken de onverschrokkenste matrozen elkander aan, doch
men aarzelde niet. Er werden eenige balen katoen in de stookkamer
geworpen. De bodem werd uit een vat brandewijn geslagen en dat
ontbrandbare vocht werd niet zonder gevaar in de gloeiende ovens
geworpen. De stokers konden elkander wegens het brullen der vlammen
niet verstaan. Weldra werden de platen der fornuizen wit gloeiend;
de zuigers gingen op en neer als die eener locomotief; de luchtmeters
wezen eene vreeselijke uitzetting aan, de boot vloog over de golven;
hare voegen kraakten; hare schoorsteenen braakten vlammen en rook uit;
de Dolfijn voer met eene ontzettende, eene dolle snelheid, maar hij
won op het fregat, hij stoomde het voorbij, hij bracht het op een
afstand en na verloop van tien minuten was hij het kanaal uit.
»Gered!" riep de kapitein.
»Gered!" riep al het scheepsvolk, in de handen klappende.
Reeds begon de vuurtoren van Charlestown in het zuidwesten te
verdwijnen, en men kon zich buiten gevaar achten, toen een bom uit
eene kanonneerboot die in den Oceaan kruiste, in de duisternis floot;
men kon gemakkelijk haren loop volgen, dank zij den brandenden zwerm
die eene streep van vuur achter liet.
Dat was een oogenblik van onbeschrijfelijken angst, en ieder beschouwde
met wijd open gespalkte oogen de kromme lijn die de bom beschreef;
men kon niets doen om haar te ontwijken en na eene halve minuut viel
zij met een vreeselijk geraas op de voorplecht van den Dolfijn neder.
De verschrikte matrozen weken allen achteruit en niemand durfde een
stap voorwaarts wagen, terwijl de zwerm al knappend voortbrandde.
Doch één enkele, moedig onder allen, liep op het werktuig der
vernieling toe. Het was Crockston; hij nam de bom in zijne krachtige
armen, terwijl er duizenden vonken uit den zwerm sprongen, en met
eene bovenmenschelijke inspanning wierp hij haar over boord.
De bom had nauwelijks de oppervlakte des waters bereikt, of zij
ontplofte met een oorverdoovend geraas.
»Hoera!" riep de geheele equipage, als met ééne stem, terwijl Crockston
zich in de handen wreef.
Eenigen tijd daarna doorkliefde de Dolfijn de wateren van den Oceaan;
de Amerikaansche kust verloor zich in de verte, en het vuur dat zij
op een afstand zagen, bewees dat de aanval tusschen de batterijen van
het eiland Morris en de forten van Charlestown algemeen geworden was.