De geheele equipage was weldra met de geschiedenis van Jenny Halliburtt
bekend. Crockston vertelde haar nu zonder terughouding. Hij was op
bevel van den kapitein van de strafoefening verschoond geworden en
zoodra hij in vrijheid was, ging hij naar het ruim, nam er een klein
valies uit en bracht het aan juffrouw Jenny. Het jonge meisje kon
toen hare eigene kleederen weder aannemen, maar vertoonde zich niet
op het dek.
De stuurman zag weldra in dat Crockston hoegenaamd geen verstand van
de zeevaart had en hij werd van alle dienst ontslagen.
Intusschen stoomde de Dolfijn snel den Oceaan over. Den dag nadat de
identiteit van mejuffrouw Halliburtt ontdekt was, liep James Playfair
met rassche schreden het dek op en neder. Hij had geene enkele poging
aangewend om het jonge meisje weder te zien en hun gesprek weder op
te vatten.
Gedurende die wandeling kwam Crockston hem telkens tegen en keek hem
steelsgewijs met een genoeglijken grijns aan. Hij wilde blijkbaar
gaarne met den kapitein spreken en begon hem eindelijk zoo indringend
aan te kijken dat Playfair er ongeduldig onder werd.
»Wat wil je nu weer?" vroeg hij, den Amerikaan aansprekende, »je
draait om me heen als een zwemmer om een drijfton!"
»Neem me niet kwalijk, kapitein," antwoordde Crockston; »dat komt
omdat ik u iets te zeggen heb."
»Zeg het dan!"
»Dat is gemakkelijk; 't is niets anders dan dat u in den grond een
goed mensch zijt."
»Waarom in den grond?"
»Nu, in den grond en boven op ook."
»'k Heb je complimenten niet noodig."
»'t Zijn geen complimenten. Daar wacht ik mee totdat u alles gedaan
hebt."
»Wat alles?"
»Dat is duidelijk. U hebt ons aan boord genomen. Goed. U hebt
uw hut aan juffrouw Halliburtt gegeven. Mooi. U hebt me de
straf kwijtgescholden. Zoo goed als het kan. U brengt ons naar
Charleston. Overheerlijk. Maar dat is niet alles."
»Niet alles!" herhaalde de kapitein, verbaasd over de aanmatiging
van den man.
»Neen, zeker niet," hernam Crockston; »haar vader zit daar gevangen."
»Nu, wat zou dat?"
»U moet hem bevrijden."
»Den vader van juffrouw Halliburtt bevrijden!"
»Natuurlijk. Hij is een achtenswaardig man, een moedig burger. Hij
is waard dat men iets om hem waagt."
»Meester Crockston," antwoordde James Playfair, de wenkbrauwen
fronsende; »je schijnt mij een eerste grappenmaker, maar onthoud
voortaan dat 'k geen gekheid versta."
»U vergist u, kapitein. 'k Vertel geen grappen. 'k Spreek in ernst. Wat
ik u voorstel, schijnt u op het eerste gezicht ongerijmd, maar na
eenig nadenken zult u zelf inzien dat u niet minder doen kunt."
»Dan dien meneer Halliburtt bevrijden?"
»Zeker. U moet zijn in vrijheidstelling aan generaal Beauregard vragen,
die u haar niet weigeren zal."
»En als hij toch weigert?"
»Dan moeten we andere middelen te baat nemen," zei Crockston dood
bedaard, »dan moeten we den gevangene voor den neus der Zuidelijken
weg halen."
»En 'k zou niet alleen door de vloot der Noordelijken heendringen en
de blokkade van Charleston verbreken, maar bovendien nog maken dat
'k weer in zee kwam onder het kanon der forten, enkel om een meneer
te helpen dien 'k niet ken, een papierkladder die zijn inkt vergiet
in plaats van zijn bloed!"
»O, een kanonschot meer of minder!" antwoordde Crockston.
»Meester Crockston, als je me weer over die zaak begint, laat ik je in
het vooronder opsluiten om je te leeren je tong in bedwang te houden."
Met die woorden zond de kapitein den Amerikaan weg, die onder het
heengaan mompelde:
»Nu, dat gaat niet kwaad; het balletje is opgeworpen. 't Zal wel gaan!"
Toen James Playfair zoo veel afschuw van de abolitionnisten te kennen
gegeven had, was hij verder gegaan dan hij inwendig meende. Hij
was geen voorstander van de slavernij; maar hij ontkende dat de
slavenquaestie de hoofdoorzaak van den burgeroorlog was. Beweerde
hij dan dat de Zuidelijke Staten--acht van de zes en dertig--het
recht hadden zich af te scheiden, omdat zij zich uit vrijen wil
hadden aangesloten? Dat ook niet eens. Hij had een afkeer van de
Noordelijken. Dat was alles. Hij beschouwde hen als afgevallen
Engelschen die goed gevonden hadden te doen wat hij nu in de
Zuidelijken goedkeurde. Maar bovenal was die Amerikaansche oorlog
hem persoonlijk hinderlijk en hij was kwaad op degenen die dien
oorlog maakten.
Intusschen kwelden hem de insinuaties van Crockston geweldig; hij
schudde ze wel van zich af, maar zij drongen zich telkens weder aan
hem op en toen hij Jenny den volgenden dag op het dek zag, durfde
hij haar niet aanzien.
En dat was wezenlijk jammer, want dat jonge meisje met die blonde
lokken, met die verstandige zachte oogen, verdiende wel een blik van
een jongen man van dertig jaren; maar James was in haar bijzijn niet op
zijn gemak; hij gevoelde dat zij eene sterke, edelmoedige ziel bezat,
in de school des ongeluks gevormd; hij begreep dat zijn zwijgen
gelijk stond met de weigering van haar liefsten wensch. Bovendien
zocht Jenny Halliburtt, nadat zij er ten laatste toe gekomen was hare
hut te verlaten, het bijzijn van James evenmin als zij hem vermeed,
en in den eersten tijd spraken zij elkander weinig of niet.
De trouwe Crockston gaf echter den moed niet op om zijn doel te
bereiken. Hij had zich eenmaal in het hoofd gesteld, den kapitein
ter bevrijding van den heer Halliburtt te gebruiken en met dezen naar
Engeland terug te keeren. Dat was zijn doel, terwijl het jonge meisje
geen ander doel had dan de gevangenschap haars vaders te gaan deelen.
Toen Crockston nu zag dat er niet de minste toenadering ontstond
tusschen het jonge meisje en den kapitein, begon hij met de zaak
verlegen te worden.
»Ik zal ze overrompelen," dacht hij.
En den morgen van den vierden dag trad hij in de hut van Jenny
Halliburtt en wreef zich met het vergenoegdste gelaat in de handen.
»Goede tijding!" riep hij; »goede tijding! U raadt nooit wat de
kapitein me voorgesteld heeft. Dat is eerst een braaf mensch!"
»Heeft hij u voorgesteld..." riep Jenny, wier hart hevig begon
te kloppen.
»Den heer Halliburtt te bevrijden, hem aan de Zuidelijken te ontkapen
en hem mede naar Engeland te nemen."
»Is dat waar?" riep Jenny.
»Zoo als ik u zeg, juffrouw. Wat is die James Playfair een moedige
kerel! Zoo zijn nu die Engelschen; ze deugen niets of ze zijn
volmaakt. Ja, ja! hij kan op mijne dankbaarheid rekenen; 'k wil me
voor hem tot moes laten hakken, als het hem pleizier kan doen."
De blijdschap van Jenny op het hooren van die woorden kende geene
grenzen. Haar vader bevrijden! Zij zou nooit aan zulk een plan hebben
durven denken? En voor haar ging de kapitein van den Dolfijn zijn
schip en zijn volk wagen!
»Zoo is hij nu," voegde Crockston er bij en, »juffrouw Jenny, hij
verdient wel dat u hem bedankt."
»Meer dan dat," riep het jonge meisje; »een eeuwige vriendschap!"
En onmiddellijk verliet zij hare hut om voor James Playfair haar
dankbaar gevoel uit te storten.
»Dat gaat goed," mompelde de Amerikaan; »'t zal gaan!"
James Playfair wandelde op de kampanje en was, zoo als men denken kan,
zeer verwonderd, om niet te zeggen stom van verbazing, toen hij het
jonge meisje op zich zag toekomen en hem onder tranen van dankbaarheid
de hand reiken, zeggende:
»Heb dank, mijnheer, heb dank voor uw opoffering, die 'k nooit van
een vreemde gewacht zou hebben."
»Juffrouw," antwoordde de kapitein, als iemand die niets begreep en
niet kon begrijpen, »'k weet niet...."
»En u gaat om mijnentwil gevaren trotseeren, misschien uwe belangen
benadeelen. U die reeds zoo veel gedaan hebt met me een gastvrijheid
aan boord van uw schip te bewijzen waarop ik volstrekt geen recht
heb...."
»Vergeef me, juffrouw Halliburtt," antwoordde James Playfair, »maar 'k
betuig u dat 'k u volstrekt niet begrijp. 'k Heb me jegens u gedragen
zoo als ieder wel opgevoed man zich jegens eene vrouw gedragen zou
hebben; en mijn gedrag verdient noch zoo veel dankbaarheid, noch zoo
veel dankbetuiging."
»Mijnheer Playfair," hernam Jenny, »u behoeft niet langer te veinzen;
Crockston heeft me alles gezegd."
»Heeft Crockston u alles gezegd? Dan begrijp ik nog veel minder waarom
u uit uw hut gekomen zijt om me iets te zeggen dat...."
Al sprekende werd de jonge kapitein vrij verlegen met zijne houding;
hij herinnerde zich de minachtende wijze waarop hij het voorstel van
den Amerikaan had aangehoord; maar gelukkig voor hem gunde Jenny hem
den tijd niet zich duidelijker te verklaren en viel hem in de rede,
zeggende:
»Mijnheer Playfair, toen 'k bij u aan boord kwam, had ik geen ander
plan dan naar Charleston te gaan, en daar zouden de Zuidelijken,
ondanks al hunne wreedheid, een arm meisje niet belet hebben de
gevangenschap met haren vader te deelen. 'k Zou nooit een onmogelijke
terugkomst gehoopt hebben; maar nu u zoo edelmoedig zijt mijn gevangen
vader te willen bevrijden; wijl u alles wagen wilt om hem te redden,
houd u nu overtuigd van mijn innige dankbaarheid en laat me u de
hand drukken."
James wist niet wat hij zeggen zou; hij beet zich op de lippen; hij
durfde de hand niet aannemen die het jonge meisje hem aanbood. Hij
begreep dat Crockston hem »er in had laten loopen," om hem het
terugtreden onmogelijk te maken. En toch kwam het niet in zijn hoofd op
eenig gevaar te trotseeren tot bevrijding van den heer Halliburtt. Maar
hoe zou hij de hoop van het arme meisje teleurstellen? Hoe kon hij
die hand afwijzen die zij hem zoo vriendschappelijk aanbood? Hoe zou
hij die tranen van dankbaarheid die haar uit de oogen sprongen in
tranen van droefheid doen veranderen?
De jonge man deed zijn best om een ontwijkend antwoord te geven,
zijne vrijheid van handelen te behouden en zich tot niets te verbinden.
»Juffrouw Halliburtt," zeide hij, »houd u overtuigd dat ik alles
doen wil om..." En hij nam het handje van Jenny aan; maar bij de
zachte drukking van dat handje voelde hij dat zijn hart smolt en dat
zijn hoofd in de war raakte; hij kon geene woorden vinden om zijne
gedachten uit te drukken; hij mompelde niets beteekenende woorden.
»Juffrouw Halliburtt... om... u.."
Crockston die hen van achter een mast gadesloeg, wreef zich in de
handen en riep grinnekend:
»Het gaat, het gaat, het gaat!"
Hoe James Playfair zich uit de verlegenheid zou gered hebben? Dat
weet niemand; maar gelukkig voor hem, zoo niet voor den Dolfijn,
liet de stem van den wachthebbenden matroos zich hooren:
»Een zeil!"
James Playfair liet onmiddellijk het jonge meisje staan en begaf zich
in het want van den fokkemast.
Toen die roepstem: »een zeil" uit de ra klonk, had de Dolfijn reeds
drie vijfden van de reis afgelegd. In de fokkera gekomen, ontdekte
kapitein Playfair weldra een groot fregat der Noordelijken, dat met
volle stoomkracht op den Dolfijn afkwam en hem den pas scheen te
willen afsnijden.
De kapitein onderzocht het vreemde schip met de meeste nauwkeurigheid,
kwam daarna weder op het dek terug en liet den eersten stuurman roepen.
»Wat dunkt je van dat schip?" vroeg hij.
»'k Houd het er voor, kapitein, dat het een schip van de Noordelijken
is, dat onze bedoeling vermoedt."
»Ja, we behoeven geen oogenblik aan zijne nationaliteit te twijfelen,"
antwoordde James. »Zie maar."
Op dat oogenblik vertoonde de met sterren bezaaide vlag der Noordelijke
Unie zich op de korvet en deze liet op het uitsteken harer vlag een
kanonschot volgen.
»Een uitnoodiging om de onze te laten zien," sprak de stuurman. »Welnu,
dat kunnen we doen; we behoeven er ons niet voor te schamen."
»Waartoe?" antwoordde James Playfair: »onze vlag zou ons weinig
beschermen en den lust van die lieden om ons een bezoek te brengen
niet doen vergaan. Neen, we zullen ze vooruit zien te komen."
»Dan moeten we ons haasten," hernam de stuurman; »als 'k me niet
vergis, heb ik die korvet meer gezien, in den omtrek van Liverpool,
waar zij een oog kwam houden op de in aanbouw zijnde schepen. 'k
Mag geen Matthyssen heeten, als 'k niet »Iroquois" aan zijn spiegel
zie staan."
»En is hij een vlugge stoomer?"
»Een der beste van de noordelijke marine."
»En hoeveel stukken voert hij?"
»Acht!"
»Is 't anders niet!"
»Haal de schouders niet op, kapitein," antwoordde de stuurman op
ernstigen toon. »Onder die acht kanonnen zijn er twee op draaiende
affuiten, een zestigponder op de voorplecht en een honderdponder op
het dek; beiden getrokken kanonnen."
»Duivelsch!" zei James Playfair, »die kanonnen dragen een uur ver."
»Ja, en meer nog, kapitein."
»Nu, stuurman, of die kanonnen honderdponders of vierponders zijn;
of ze een uur ver dragen of een minuut, 't komt op 't zelfde neer
als men gauw genoeg uit den weg komt om hun kogels te ontsnappen. We
zullen dien Iroquois eens laten zien hoe men vooruitkomt als men er
naar gemaakt is. Laat goed aanstoken, stuurman!"
De stuurman bracht den machinist de bevelen des kapiteins over en
weldra kronkelde er een zwarte rook uit de schoorsteenen der boot.
Dat teeken scheen niet naar den smaak der korvet te zijn; want zij
zond den Dolfijn het sein om bij te draaien; doch James Playfair gaf
geen acht op het bevel en veranderde niet van koers.
»Nu zullen we eens zien wat die Iroquois beginnen zal; hij heeft nu
een mooie gelegenheid om zijn honderdponder te probeeren en te zien
hoe ver hij draagt. Laat al de stoomkracht gebruiken!"
»Nu," zei de stuurman, »'t zal niet lang duren of we krijgen een
saluutschot!"
Toen de kapitein op de kampanje kwam, zag hij Jenny Halliburtt bedaard
op den rand zitten.
»Juffrouw Halliburtt," zeide hij, »de korvet, die u daar ziet, zal
waarschijnlijk jacht op ons maken, en daar ze hare kanonnen gaat
gebruiken, bied ik u mijn arm om u naar uw hut te brengen."
»Ik dank u, kapitein," antwoordde het jonge meisje, terwijl ze James
aankeek, »maar 'k ben niet bang voor een kanonschot."
»Er kan toch gevaar bij zijn, ondanks den afstand."
»O, in Amerika worden wij meisjes aan alles gewend, en 'k verzeker
u dat 'k niet eens bukken zal voor de kogels van dien Iroquois."
»'k Moet uw dapperheid bewonderen, juffrouw Jenny."
»Nu, laat ons het daar voor houden, en sta me toe bij u te blijven."
»Ik kan u niets weigeren, juffrouw Halliburtt," antwoordde de kapitein,
de bedaardheid van het jonge meisje ziende.
Hij had nauwelijks die woorden uitgesproken, of men zag een witte
damp uit de schietgaten der korvet te voorschijn komen. Voor dat de
dreunende knal van het schot den Dolfijn had kunnen bereiken, snorde
een puntkogel, die met eene vreeselijke snelheid schroefsgewijs om
zijn as ronddraaide, op de boot toe. Hij was gemakkelijk te volgen
in zijn loop, die betrekkelijk bedaard mocht heeten, want de kogels
uit een getrokken kanon geschoten, vliegen minder snel dan die uit
gladde stukken.
Toen de kogel nog twintig vademen van den Dolfijn verwijderd was,
raakte hij een oogenblik de golven en liet op zijn doortocht eene
serie van kleine watervallen achter; daarna kreeg hij weder nieuwe
veerkracht, verhief zich in de lucht, vloog over den Dolfijn heen,
sneed in zijne vaart den stuurboordarm der fokkera af, viel twintig
vademen verder weder neer en verdween voor goed in de golven.
»Duivelsch!" riep James Playfair, »vooruit! vooruit! de tweede kogel
zal zich niet lang laten wachten!"
»O," zei de stuurman, »ze hebben in alle geval tijd noodig om te
laden."
»Dat is al heel interessant om te zien," sprak Crockston die, met de
armen over elkander, het tooneel gadesloeg. »En dat zijn nog al onze
vrienden die ons die kogels zenden!"
»Ben jij daar!" riep James Playfair, den Amerikaan van het hoofd tot
de voeten opnemende.
»Ja wel, kapitein," antwoordde Crockston onverstoorbaar; »'k kom eens
zien hoe die brave kerels schieten. Niet kwaad, dat moet ik zeggen."
De kapitein wilde hem juist een scherp antwoord geven, toen een tweede
kogel aan stuurboordzijde in zee plofte.
»Mooi!" riep James Playfair! »we hebben al twee knoopen op dien
Iroquois gewonnen. Zij loopen als een drijfton, uw vrienden, hoor je,
baas Crockston!"
»'k Zeg niet van neen," antwoordde de Amerikaan, »en voor het eerst
in mijn leven doet het me pleizier."
Een derde kogel bleef ver achter bij de twee eerste en in minder dan
tien minuten was de Dolfijn buiten het bereik der korvet.
»Een mooi schip dat u kommandeert," zeide toen Jenny tot den kapitein.
»Ja, juffrouw Jenny, eer de dag om is, zal er van die korvet niets
meer te zien zijn."
En de uitkomst toonde dat Playfair gelijk had.
Dat voorval gaf aanleiding dat de kapitein het karakter van Jenny
Halliburtt weder uit een nieuw oogpunt begon te beschouwen. Bovendien
was het ijs nu gebroken, en de kapitein en zijne passagier waren
dikwijls en lang met elkander in gesprek. Hij vond haar een bedaard,
sterk, bedachtzaam, intelligent meisje, dat op Amerikaansche manier in
alles oprecht hare meening zeide, en hare opinie met eene overtuiging
wist te verdedigen die, zonder dat James het bemerkte, diep in zijn
hart doordrong. Zij had haar land lief en was eene hartstochtelijke
voorstandster van het groote denkbeeld der Unie; zij sprak over den
oorlog met een enthousiasme, zoo als bijna geene andere vrouw zou
hebben kunnen aan den dag leggen en meer dan eens was Playfair met zijn
antwoord verlegen. Overigens bekommerde de kapitein zich niet veel om
de politiek en hij zou wel in belangrijker zaken toegegeven hebben, dan
de quaestie over het gelijk of ongelijk der beide partijen in Amerika,
wanneer die hem op zulk eene aantrekkelijke wijze betwist geworden
waren. Hij gaf zich dus gemakkelijk gewonnen. Maar dat was niet alles
en weldra werd »de koopman" in zijne dierbaarste belangen aangetast.
»Ja, mijnheer Playfair," zeide Jenny op zekeren dag, »de dankbaarheid
mag geen inbreuk maken op mijn oprechtheid; integendeel. Ik houd u
voor bekwaam koopman, het huis Playfair is overal met eer bekend,
maar op dit oogenblik doet het iets tegen zijn principes en drijft
een handel zijner onwaardig."
»Hoe!" riep James, »zou het huis Playfair het recht niet hebben tot
zulk een onderneming?"
»Neen! Het verschaft wapenen aan ongelukkigen die in openbaren opstand
zijn tegen het wettig gezag van hun land."
»'k Wil niet met u twisten over het recht der Zuidelijken; 'k zal u
slechts één ding zeggen: 'k ben een koopman en denk aan de belangen
van ons huis. 'k Maak zaken waar ik kan."
»Dat is juist berispelijk, mijnheer James; zoo zijt u door opium
aan de Chineezen te verkoopen, dat hen verdierlijkt, even schuldig
als op dit oogenblik, nu u aan de Zuidelijken de middelen levert,
om een misdadigen oorlog vol te houden."
»Neen, dat is al te kras, juffrouw Jenny, 'k geef u dat volstrekt
niet toe..."
»Neen, 't is waar; en als u tot u zelven inkeert, als u de rol die u
spelen gaat goed zult begrijpen en de gevolgen waarvoor u in ieders
oog verantwoordelijk zijt, goed inziet, zult u mij hierin zoo goed
als in al het andere gelijk geven."
James Playfair stond verstomd. Hij liet het jonge meisje staan en
liep boos heen, want hij gevoelde zijne onmacht om te antwoorden;
daarna pruilde hij een half uur lang als een kind, en kwam eindelijk
bij het zonderlinge meisje terug, dat hem met zulk een lieven lach
hare meest logische argumenten voorhield.
Kortom, of James Playfair het wilde weten of niet, hij was niet meer
»naast God schipper van zijn schip."
Zoo schenen, tot groote blijdschap van Crockston, de zaken van den heer
Halliburtt op een goeden voet te staan. De kapitein scheen besloten
alles te ondernemen om den vader van juffrouw Jenny te bevrijden,
al had hij er den Dolfijn, zijne lading en de equipage aan moeten
wagen en er zich den vloek van zijn waardigen oom Vincent door op
den hals moeten halen.