De Dolfijn had eene goede equipage; hij stoomde snel vooruit
en beantwoordde aan de verwachting van zijn bouwmeester en zijn
kapitein. Zij kregen geen enkel schip in het gezicht; de groote weg
van den Oceaan was vrij; ook zou geen schip der Noordelijken het recht
gehad hebben den Dolfijn onder de Engelsche vlag aan te tasten. Hem
volgen, dat was iets anders. Hem beletten de blokkaden te breken,
tot hunne dienst; maar James Playfair had alles aan de snelheid van
zijn stoomschip opgeofferd omdat hij niet achterhaald wilde worden.
Intusschen hield men goede wacht aan boord. Ondanks de koude was er
altijd een man in de mast, om het minste zeil aan den horizon aan
te geven. Toen de avond kwam, beval James Playfair zijn stuurman de
grootste zorgvuldigheid aan.
»Laat niet te lang denzelfden matroos op den uitkijk;" zeide hij;
»hij zou door de kou bevangen kunnen worden en in zulk een toestand
kijkt men niet scherp."
»Heel goed, kapitein."
»Gebruik er Crockston toe; de pikbroek zegt dat hij scherp ziet;
stel hem op de proef. Geef hem de vroege wacht, dan kan hij door den
ochtendnevel heen zien. Laat me waarschuwen als er iets bijzonders
voorvalt."
James Playfair ging daarop in zijne kajuit. De stuurman liet Crockston
bij zich komen en bracht hem de bevelen des kapiteins over.
»Morgen, om zes uur," zeide hij, »moet je in den fokkemast op den
uitkijk."
Bij wijze van antwoord liet Crockston een toestemmend gebrom
hooren. Maar nauwelijks had de stuurman hem den rug toegekeerd,
of de matroos begon te mompelen:
»Wat duivel bedoelt hij met die fokkemast?"
Op dat oogenblik kwam zijn neef op de voorplecht bij hem.
»Nu! mijn trouwe Crockston?" vroeg hij.
»Nu! 't zal wel gaan! 't zal wel gaan!" antwoordde de matroos met een
gedwongen glimlach. »Er is maar een ding dat me hindert. Dat duivelsche
schip schudt zijn vlooien af als een hond die pas uit het water komt;
'k ben er misselijk van."
»Arme vriend!" zeide de kajuitsjongen, terwijl hij Crockston dankbaar
aankeek.
»Dat ik op mijne jaren nog zeeziek moet worden! Wat ben ik een
meisje! maar 't zal wel gaan, 't zal wel gaan! Dan zijn er ook nog
fokkemasten die me in 't nauw brengen...."
»Goede Crockston en voor mij...."
»Voor u en voor hem," antwoordde Crockston. »Maar geen woord daarover,
John, vertrouw op God; hij zal ons niet verlaten."
Den volgenden morgen om zes uur wilde Crockston zich naar zijn post
begeven; hij kwam op het dek en de stuurman beval hem naar boven te
gaan en goed wacht te houden.
Bij die woorden scheen de matroos een oogenblik niet te weten wat
hij doen zou; maar eindelijk besluitende, begaf hij zich naar den
achtersteven.
»Nu, waar ga je heen?" riep de stuurman.
»Waar je me stuurt," antwoordde Crockston.
»Ik zeg je in den fokkemast te gaan."
»Ik ga al," antwoordde de matroos op onverstoorbaren toon steeds naar
de kampanje loopende.
»Hou je me voor den gek?" riep de stuurman ongeduldig. »Ga je de
fokkera op den bezaanmast zoeken? Waar heb je gevaren, stommerik! Naar
den fokkemast, stommerik, naar den fokkemast!"
De matrozen die op het dek stonden, konden hun schaterlach niet
inhouden op het zien van het verlegen gezicht van Crockston die weder
naar de voorplecht kwam.
»Zoo," zeide hij, den mast bekijkende, welks geheel onzichtbare top
zich in den ochtendnevel verloor; »zoo, moet ik daar ingaan?"
»Ja," antwoordde de stuurman, »en haast je wat! Voor den d... de
Amerikaan zou zijn boegspriet in ons want kunnen steken, voor dat
die luiaard op zijn post is. Ga je?"
Crockston begon zonder een woord te spreken onhandig te klimmen,
als iemand die niet wist hoe hij zijne armen en beenen gebruiken
moest; in plaats van zich vlug naar boven te werken, klampte hij zich
onbeweeglijk aan het want vast, met de wanhopige kracht van iemand
die door eene duizeling bevangen wordt. De stuurman, over zooveel
onhandigheid verbaasd, gevoelde dat hij driftig werd en beval hem
oogenblikkelijk naai beneden te komen.
»Die kerel is van zijn leven nooit matroos geweest," zeide hij tot
den bootsman.
»Ga zijn kist eens onderzoeken."
Inmiddels kwam Crockston weer naar beneden sukkelen; maar zijn voet
gleed uit, en daarop een loshangend touw aangrijpende, trok hij het
mede naar beneden en viel vrij onzacht op het dek.
»Stommeling? Zoetwatermatroos!" riep de stuurman, om hem te
troosten. »Wat kom je hier uitvoeren! Je hebt je voor een goed
matroos uitgegeven en je weet den bezaansmast niet van den fokkemast
te onderscheiden. We zullen je leeren!"
Crockston antwoordde niet, maar bleef staan in de houding van iemand
die zich op het ergste voorbereidt. Op dat oogenblik kwam de bootsman
van zijn onderzoek terug.
»Hier heb ik alles wat er in de kist van dien boer zit; een verdachte
portefeuille met brieven."
»Geef hier," beval de stuurman, »Brieven met het postmerk van de
Noordelijke Staten!"
»Halliburtt van Boston! Een Noordelijke! Ellendeling, je bent een
verrader! Je hebt je aan boord ingedrongen om ons te verraden! Maar
we zullen die zaak eens afmaken en je zult van het endje touw
proeven! Bootsman, laat den kapitein waarschuwen. Houd het oog op
dien kerel, jelui!"
Crockston sprak geen woord op die bedreiging. Zij hadden hem gebonden
en hij kon geen hand of voet verroeren.
Eenige minuten daarna verscheen de kapitein op het dek en kwam naar de
voorplecht. De stuurman gaf hem aanstonds van het voorgevallene kennis.
»Wat heb je te antwoorden?" vroeg James Playfair, die zijne drift
bijna niet meester was.
»Niets," antwoordde de man.
»Wat ben je aan boord komen doen?"
»Niets."
»En wat wacht je nu van me?"
»Niets."
»En wie ben je? Een Amerikaan, zooals die brieven schijnen te
bewijzen?"
Crockston antwoordde niet.
»Bootsman," zei James Playfair, »vijftig slagen om zijn tong los te
maken. Zou dat genoeg zijn, Crockston?"
»Dat zullen we zien," antwoordde de oom van John Stiggs, zonder een
spier te vertrekken.
Op dat bevel trokken twee matrozen Crockston de bovenkleederen van
het lijf; reeds hadden zij het geduchte straftuig in de hand en hieven
het in de hoogte, toen de kajuitsjongen John Stiggs bleek en ontsteld
kwam aanloopen.
»Kapitein!" riep hij.
»Aha, de neef!" zei James Playfair.
»Kapitein," hernam de kajuitsjongen, in de hevigste spanning, »ik
zal u zeggen wat Crockston niet zeggen wil. Ja, hij is een Amerikaan,
en ik ook; we zijn de vijanden der Zuidelijken; maar geen verraders,
aan boord gekomen om den Dolfijn te verraden en hem aan de noordelijke
schepen over te leveren."
»Wat ben je dan komen doen?" vroeg de kapitein streng, terwijl hij
den jongen nauwkeurig opnam.
Deze aarzelde een oogenblik alvorens te antwoorden; eindelijk zeide
hij met vrij vaste stem:
»Kapitein, ik zou u gaarne afzonderlijk spreken."
Terwijl John Stiggs die vraag deed, bleef James Playfair hem nauwkeurig
bekijken. Het jonge en zachte gelaat van den kajuitsjongen, zijne
liefelijke stem, de fijnheid en blankheid zijner handen, nauwelijks
onder eene laag bister verborgen, zijne groote oogen, wier levendigheid
de zachtheid niet wegnam, dat alles deed een zonderling vermoeden
bij den kapitein opkomen. Toen John Stiggs zijn verzoek gedaan had,
keek Playfair Crockston strak aan, die de schouders ophaalde; daarop
richtte hij op den scheepsjongen een onderzoekenden blik, dien deze
niet kon uithouden, en hij zeide met een enkel woord:
»Ga mede."
John Stiggs volgde den kapitein naar de kampanje en daar, de deur
van zijne hut openende, zeide hij tot den kajuitsjongen wiens wangen
bleek waren van aandoening:
»Ga binnen, juffrouw."
John, aldus aangesproken, begon te glimlachen, te blozen, en
onwillekeurig liepen hem de tranen langs de wangen.
»Wees gerust, juffrouw," zeide James Playfair op zachten toon, »en
wees zoo goed mij te zeggen waaraan 'k de eer te danken heb u op mijn
schip te zien."
Het jonge meisje aarzelde een oogenblik eer zij antwoordde; eindelijk
door de stem des kapiteins gerustgesteld, besloot zij te spreken.
»Mijnheer," begon zij, »'k wilde naar mijn vader te Charleston gaan. De
stad is aan de landzijde ingesloten en aan den zeekant geblokkeerd;
'k wist niet hoe 'k er komen zou, toen 'k vernam dat de Dolfijn er
heen ging met het doel om de blokkade te verbreken, 'k Ben dus bij
u aan boord gekomen, en bid u mij te vergeven dat ik 't zonder uw
toestemming gedaan heb; u zoudt me die geweigerd hebben."
»Zeer zeker."
»'k Heb dus wel gedaan met er u niet om te vragen," hernam het jonge
meisje op vasten toon.
De kapitein kruiste zijne armen over elkander, liep de hut op en neer,
en kwam weder terug.
»Hoe is uw naam?" vroeg hij.
»Jenny Halliburtt."
»Maar moet ik dan niet uit de brieven die we Crockston ontnomen hebben,
begrijpen dat uw vader van Boston is?"
»Ja, mijnheer."
»En iemand uit het Noorden is in het hevigst van den oorlog in een
Zuidelijke stad?"
»Mijn vader is gevangen, mijnheer. Hij was te Charleston, toen de
eerste schoten van den burgeroorlog vielen, en toen de troepen der
Unie door de geconfedereerden uit het fort Sumter verjaagd werden. De
gevoelens van mijn vader stelden hem aan den haat der slavenhouders
bloot en tegen alle recht in werd hij op bevel van Beauregard gevangen
gezet. 'k Was toen in Engeland bij een tante die nu onlangs gestorven
is en, alleen op de wereld, zonder anderen steun dan Crockston, een
trouwen bediende van onze familie, wilde ik de gevangenschap van mijn
vader deelen."
»En wat was de heer Halliburtt?" vroeg James Playfair.
»Een eerlijk journalist," antwoordde Jenny fier, »een der geachtste
redakteurs van de Tribune; hij heeft de zaak van het noorden altoos
het moedigst verdedigd."
»Een abolitionnist!" riep de kapitein hevig, »een van die menschen
die, onder voorwendsel van de slavernij te willen afschaffen, hun
land met bloed en jammeren vervuld hebben!"
»Mijnheer," sprak Jenny, »u beleedigt mijn vader, u moest niet vergeten
dat niemand hem kan verdedigen dan ik."
Het bloed steeg den jongen man naar het aangezicht, toorn en schaamte
vervulden hem, hij was op het punt van het meisje zonder omslag te
antwoorden, maar hij bedwong zich en opende de deur zijner hut.
»Bootsman," riep hij.
De bootsman kwam toegeloopen.
»Deze hut is van nu af voor juffrouw Halliburtt," zeide hij; »laat
voor mij een gewone hut achter in de kampanje inrichten."
De bootsman keek den kajuitsjongen met dien damesnaam verbaasd aan,
doch op een wenk van den kapitein ging hij heen.
»En nu behoort deze hut aan u," sprak de jonge kapitein van den
Dolfijn, en ging heen.