Palanders woede.
Toen de dag aanbrak, landde de boot aan den noordelijken oever van
het meer. Daar was geen spoor van inlanders meer te vinden. Kolonel
Everest en zijne makkers, die er reeds op voorbereid waren om hier
den strijd te hernieuwen, trokken de patronen van hunne buksen, en de
Queen and Tzar liet het anker vallen in eene kleine kreek tusschen twee
uitstekende rotsen. De Boschjesman, John Murray en een der matrozen
liepen den omtrek af om te jagen. De streek was vrij woest; er was
geen spoor van Makololo's, maar gelukkig voor de hongerige reizigers
ontbrak het niet aan wild. Tusschen het lange gras van de weilanden
en onder het kreupelhout graasden kudden antilopen. De oevers van
het meer werden bovendien bezocht door een groot aantal watervogels,
die tot de eenden behoorden. De jagers kwamen met een grooten voorraad
van die dieren te huis. De kolonel en zijne makkers konden dus hunne
krachten herstellen met dit heerlijke wild, waaraan zij geen gebrek
meer zouden hebben.
In den morgen van den 5den Maart werd het kamp op den oever van het
meer bij een klein riviertje, in de schaduw van eenige groote wilgen
opgeslagen. De plaats waar men met den gids had afgesproken weder bij
elkander te komen, was juist aan dien noordelijken oever van het meer
bij die kleine baai. Kolonel Everest en Mathieu Strux moesten daar
hunne ambtgenooten afwachten en het was waarschijnlijk dat deze hun
terugtocht onder betere omstandigheden en bij gevolg sneller zouden
afleggen. Het waren dus eenige dagen van gedwongen rust, waarover
niemand zich na zooveel vermoeienis beklaagde. Nikolaas Palander
maakte daarvan gebruik om de uitkomst van de laatste driehoeksmeting
te berekenen. Mokum en John Murray rustten uit door als een paar
hartstochtelijke jagers de wildrijke, vruchtbare en goed besproeide
streek af te loopen, die Murray gaarne voor het Engelsche gouvernement
had willen aankoopen.
Drie dagen daarna, der 8sten Maart, gaven eenige geweerschoten de
aankomst van de beide jeugdige astronomen te kennen. Emery, Zorn,
de twee matrozen en de Boschjesman kwamen in volmaakte gezondheid
terug. Zij brachten den theodoliet, het eenige instrument, dat der
Engelsch-Russische commissie nog over was gebleven, behouden mede
terug. Men kan begrijpen hoe de beide geleerden en hunne makkers
ontvangen werden. Men was niet spaarzaam met gelukwenschen. In eenige
woorden vertelden zij hunne reis. De heenreis was moeielijk geweest;
gedurende twee dagen waren zij verdwaald geweest in de bosschen, die
zij door moesten voor zij den berg bereikten. Daar zij geen enkel
richtsnoer hadden, en alléén op de vrij onzekere aanwijzingen van
het kompas voorttrokken, zouden zij den Volquiria nimmer bereikt
hebben zonder de schranderheid van hun gids. Deze was altijd en
overal schrander en trouw geweest. Het beklimmen van den berg was
eene moeielijke zaak. Vandaar de vertraging, die den jongen lieden
even onaangenaam was als hunnen ambtgenooten op den Scorzef. Eindelijk
hadden zij den top van den Volquiria bereikt. De electrieke lantaarn
werd den 4den Maart geplaatst, en in den volgenden nacht schitterde
het licht, door een krachtigen spiegel teruggekaatst, voor het eerst
op den bergtop. De astronomen op den Scorzef zagen het dus bijna even
snel als het verscheen.
Van hun kant hadden Zorn en Emery het groote vuur op den Scorzef
gemakkelijk kunnen zien. Zij hadden er door middel van den theodoliet
de richting van bepaald, en op die wijze de meting van den driehoek
geëindigd, waarvan de Volquiria de top was.
»En kent gij de breedte van dien bergtop!" vroeg de kolonel aan
William Emery.
»Nauwkeurig, kolonel, door het juiste meten van eenige sterrehoogten,"
antwoordde de jonge astronoom.
»En waar ligt die bergtop?..."
»Op 19° 37' 35'' 337, dus met eene nauwkeurigheid van duizendste
deelen eener seconde," antwoordde Emery.
»Welnu, mijne heeren," hernam de kolonel, »onze taak is om zoo te
zeggen geëindigd. Wij hebben een gedeelte van een meridiaan van meer
dan acht graden door middel van drie en zestig driehoeken gemeten, en
wanneer wij ons werk hebben nagerekend, zullen wij juist weten hoe lang
een graad en bij gevolg een meter op dit gedeelte van de aarde is."
»Hoera, hoera!" riepen de Engelschen en Russen eenstemmig.
»Nu rest ons alléén nog," voegde de kolonel Everest er bij, »den
Indischen Oceaan te bereiken, door de Zambese af te stoomen. Is dit
uw oordeel ook niet, mijnheer Strux?"
»Ja, kolonel," antwoordde de astronoom van Pulkowa, »maar ik geloof
dat wij ons werk meetkunstig moeten narekenen. Ik stel u dus voor de
rij van driehoeken naar het oosten te verlengen, tot dat wij eene
plaats hebben gevonden waar wij eene nieuwe basis kunnen meten. De
overeenkomst die er bestaat tusschen de lengte van die basis, welke
verkregen is door de berekening en de rechtstreeksche meting op den
grond, moet ons alléén den graad van zekerheid aan de hand geven,
waarmede wij onze geodesische waarnemingen hebben volbracht."
Het voorstel van Mathieu Strux werd zonder discussie aangenomen. Deze
contrôle op de reeks van driehoeksmetingen sedert de eerste basis
gemeten was, scheen noodzakelijk. Men kwam dus overeen dat men in
oostelijke richting eene rij nevendriehoeken meten zou tot daar waar
één van de zijden van een driehoek rechtstreeks kon gemeten worden,
door middel van de platina-linialen. De stoomboot moest de astronomen
beneden den beroemden Victoria-waterval opwachten.
Toen alles aldus geregeld was, ging de kleine troep, onder aanvoering
van den Boschjesman, behalve vier matrozen die zich op de Queen
and Tzar inscheepten, met het opgaan der zon op den 6den Maart op
weg. Westwaarts waren de stations gekozen, hoeken gemeten, en men kon
in deze streek, die zoo geschikt was voor het plaatsen van signalen,
verwachten, dat men gemakkelijk eene rij driehoeken meten kon. De
Boschjesman had zeer behendig een quagga gevangen, een soort van wild
paard met bruine en witte manen, met rossen en gestreepten rug, en
goedschiks of kwaadschiks maakte hij er een lastdier van, dat bestemd
was om de bagage van de karavaan te dragen, namelijk den theodoliet,
de linialen en de schragen om de basis te meten, al hetwelk met de
stoomboot gered was.
De reis werd vrij snel volbracht. Het werk hield de astronomen niet
lang bezig. Voor de nevendriehoeken, die niet zeer groot waren,
vond men in dit heuvelachtig land gemakkelijk hoekpunten. Het weer
was gunstig en het was onnoodig om 's nachts waarnemingen te doen. De
reizigers konden bijna voortdurend werken in de schaduw van de groote
boomen, die in deze streek groeiden. Bovendien was de warmte draaglijk,
en door den invloed der vochtigheid, die door beken en vijvers in
de atmosfeer onderhouden werd, rezen dampen uit den grond op, die de
hitte der zonnestralen eenigszins temperden.
De jacht voorzag in alle behoeften der kleine karavaan. Er was geen
sprake meer van inlanders. Het was waarschijnlijk dat de roofzieke
benden verder ten zuiden van het meer Ngami plunderden.
Mathieu Strux en de kolonel hadden geen enkel oneenig woord meer met
elkander. Het scheen dat hun persoonlijke naijver vergeten was. Er
bestond dan ook in wezenlijkheid geen vijandschap tusschen de beide
geleerden, maar meer moest men ook niet van hen vergen.
Gedurende eenentwintig dagen, van 6 tot 27 Maart viel er geen enkel
meldenswaardig voorval voor. Vóór alles zocht men eene goede plaats
voor eene basis, doch het land was er niet geschikt voor. Hiervoor
was eene vrij groote uitgestrektheid van vlak en horizontaal terrein
over eene breedte van verscheidene kilometers noodig, en de heuveltjes
en hoogten, die voor het plaatsen van seinpalen zoo gunstig waren,
verhinderden de rechtstreeksche meting eener basis. Men trok dus
altijd noordoostwaarts, terwijl men soms den rechter oever van de
Chobé, een van de voornaamste zijtakken der boven-Zambese volgde,
zoodat Maketo, de voornaamste stad der Makololo's, vermeden werd.
Zonder twijfel kon men verwachten dat de terugtocht aldus onder
gunstige omstandigheden plaats hebben, dat de natuur den astronomen
geen hinderpalen of wezenlijke moeilijkheden meer in den weg leggen en
dat de tijd van beproevingen nu niet weder beginnen zou. De kolonel
en zijne makkers trokken inderdaad door eene betrekkelijk bekende
streek en zij moesten weldra de dorpen en vlekken aan de Zambese
bereiken, die dokter Livingstone vroeger bezocht had. Zij dachten dus,
en met reden, dat het moeilijkste gedeelte van hunne taak vervuld
was. Misschien bedrogen zij zich niet, en toch dreigde een voorval,
dat de ergste gevolgen na zich had kunnen slepen, de uitkomsten der
onderneming onherstelbaar te vernietigen.
Het was Nikolaas Palander, die de held of liever bijna het slachtoffer
van dit voorval was geworden.
Men weet dat de onversaagde, maar onnadenkende cijferaar in zijne
berekeningen verdiept, dikwijls van zijne makkers afdwaalde. In een
vlak land leverde deze gewoonte geen enkel gevaar op. Men was den
afwezige spoedig genoeg op het spoor. Maar in eene boschrijke streek
konde de afgetrokkenheid van Palander zeer ernstige gevolgen na zich
slepen. Ook hadden Mathieu Strux en de Boschjesman hem duizenden keeren
daartegen gewaarschuwd. Nikolaas beloofde er om te denken hoewel hij
zich uitermate verwonderde over die buitensporige voorzichtigheid. De
waardige man bemerkte zijne afgetrokkenheid niet eens!
Op den genoemden dag, 27 Maart, hadden Strux en de Boschjesman Nikolaas
Palander reeds sedert verscheidene uren gemist. De kleine karavaan trok
door een dicht kreupelhout, van lage en dikgebladerde boomen, waardoor
het uitzicht zeer belemmerd werd. Men moest dus dicht bij elkander
blijven, want het zou moeilijk geweest zijn het spoor van iemand,
die verdwaald was, terug te vinden. Maar Palander die niets zag en
nergens op paste, was met het potlood in de ééne en de registers in
de andere hand links van de karavaan afgedwaald, en weldra verdwenen.
Men oordeele over de ongerustheid van Mathieu Strux en zijne makkers,
toen zij tegen vier uren na den middag Palander niet zagen. De
herinnering aan de krokodillen was nog levendig in hun geest en de
afgetrokken cijferaar was waarschijnlijk de eenige van allen, die dit
vergeten had! De reizigers verkeerden dus in grooten angst, en wilden
niet voorttrekken voordat Nikolaas Palander weer bij hen was. Men
riep, maar te vergeefs. De Boschjesman en de matrozen onderzochten
dus het bosch in een vrij grooten omtrek, zochten onder de struiken,
liepen door het hooge gras en schoten van tijd tot tijd hunne geweren
af. Niets! Nikolaas Palander verscheen niet.
Zij waren allen zeer ongerust, maar men moet er bijvoegen dat Mathieu
Strux niet alleen ongerust, maar ook zeer boos was op zijn onhandigen
ambtgenoot. Het was de tweede maal dat zulk eene gebeurtenis door
de schuld van Palander plaats had, en indien de kolonel hem er een
verwijt van had gemaakt, zou Mathieu Strux zeker niet geweten hebben
wat hij moest antwoorden.
In deze omstandigheden kon men dus slechts één besluit nemen, namelijk
om in het bosch eene legerplaats op te slaan, en een zeer nauwkeurig
onderzoek in te stellen om den rekenaar op te sporen.
De kolonel en zijne makkers maakten zich gereed zich neer te slaan bij
eene groote open plek, toen een kreet, die niets menschelijks had,
op eenige honderden passen links af uit het bosch weerklonk. Bijna
op hetzelfde oogenblik verscheen Palander. Hij liep zoo snel als hij
kon, blootshoofds, met te berge gerezen haren en verscheurde kleeren,
terwijl de lompen hem om het lichaam sloegen.
De ongelukkige kwam bij zijne makkers, die hem met vragen
bestormden. Maar de arme man kon niet spreken; hij had de oogen
wijd opengespalkt, zijne oogappels waren buitensporig verwijd, en
de neusvleugels dichtgedrukt, zoodat hij bijna geen adem kon halen,
en slechts kort en gejaagd hijgde. Hij wilde antwoorden maar kon niet.
Wat was er toch gebeurd? Waarom was Palander zoo ontsteld, waarom
was hij in zulk een spanning? Men kon er zich geen denkbeeld van maken.
Eindelijk kwamen deze bijna onverstaanbare woorden uit zijn keel. »De
registers! de registers!"
Bij die woorden liep den astronomen eene rilling over het lichaam;
zij hadden het begrepen! De beide registers, waarop de uitkomst van
alle geodesische opnamen stond opgeteekend, die registers, van welke de
rekenaar nimmer scheidde, zelfs niet des nachts, die registers waren
weg! Die registers droeg Nikolaas Palander! Had hij ze verloren? Had
men ze gestolen? Dat deed er niets toe, zij waren weg; alles moest
worden overgedaan, en men kon weder van voren af aan beginnen!
Terwijl zijne verslagen makkers elkander stilzwijgend aankeken, barstte
Mathieu Strux in woede uit. Hij kon zich niet bedwingen. Wat voer
hij tegen den ongelukkige uit! Met welke scheldnamen overlaadde hij
hem! Hij ontzag zich niet hem met den toorn van de Russische regeering
te bedreigen, er bijvoegende dat als hij onder de knoetslagen niet
bezweek, hij zeker naar Siberië zou gezonden worden!
Op dit alles antwoordde Nikolaas Palander slechts door een
hoofdschudden. Hij scheen in al die straffen te berusten, en te willen
zeggen dat hij ze verdiende, dat zij zelfs nog te zacht voor hem waren!
»Maar wie heeft ze dan toch gestolen?" vroeg de kolonel. »Wat doet
het er toe!" riep Mathieu Strux buiten zich zelven. »Waarom heeft die
ellendeling zich verwijderd? Waarom is hij niet bij ons gebleven na
al het waarschuwen dat wij hem reeds gedaan hebben?"
»Ja," antwoordde Murray, »maar wij moeten toch weten of hij ze
verloren dan of men ze hem ontstolen heeft. Heeft men u beroofd,
mijnheer Palander?" vroeg de Engelschman, terwijl hij zich naar den
armen man wendde, die van afmatting op den grond was gevallen. »Heeft
men u bestolen?"
Nikolaas Palander knikte bevestigend.
»En wie heeft u bestolen?" hernam Murray. »Zijn het inboorlingen,
zijn het Makololo's?"
Palander knikte ontkennend.
»Europeanen, blanken?" vervolgde Murray.
»Neen," antwoordde Palander met gesmoorde stem.
»Maar wie dan toch?" riep Strux, terwijl hij den ongelukkige de
gebalde vuist onder den neus duwde.
»Neen," zeide Nikolaas Palander, »geen inboorlingen .... geen blanken
.... maar bavianen!"
Als de gevolgen van dit voorval niet zoo ernstig geweest waren, zouden
de kolonel en zijne makkers zeker in lachen zijn uitgebarsten! Ja,
Nikolaas Palander was door apen bestolen!
De Boschjesman verzekerde, dat zulke feiten dikwijls voorkwamen. Voor
zoover hij wist waren reizigers dikwijls beroofd door chacma's,
hondskop-apen, die tot de bavianen behooren, en waarvan men in
de Afrikaansche bosschen geheele troepen aantreft. De cijferaar
was door die roofzuchtige dieren bestolen, evenwel niet zonder
hevige worsteling, zooals zijne verscheurde kleeren bewezen. Dit
verontschuldigde hem echter niet, want het zou niet gebeurd zijn, als
hij bij de karavaan was gebleven; de registers van de wetenschappelijke
commissie waren met dat al nu verloren, en 't was een onherstelbaar
verlies, dat zoovele gevaren, zooveel lijden en zooveel opofferingen
als ongedaan maakte.
»Het is dus zeker," zeide de kolonel, »dat het der moeite niet waard
is geweest, een deel van een meridiaan in de binnenlanden van Afrika
te meten, opdat een onhandig schepsel ...."
Hij eindigde evenwel niet. Waarom den ongelukkige nog harder gevallen,
dan hij het zich zelven reeds deed, en wien de vertoornde Strux zonder
ophouden de hatelijkste scheldnamen naar het hoofd wierp.
Men moest echter raad schaffen, en 't was de Boschjesman die wederom
raad wist, want alleen hij, wien dit verlies het minste trof, bewaarde
bij deze gelegenheid zijne koelbloedigheid. Het is dan ook zeker dat
de Europeanen zonder onderscheid als vernietigd waren.
»Mijne heeren," zeide de Boschjesman, »ik begrijp uw wanhoop, maar de
oogenblikken zijn kostbaar, en men moet ze niet verliezen. De registers
van mijnheer Palander zijn gestolen; hij is beroofd door bavianen,
welnu, laat ons zonder dralen de roovers vervolgen. Die dieren passen
bijzonder goed op de voorwerpen, die zij stelen. Bovendien kunnen
registers niet opgegeten worden, en als wij den roover terugvinden,
zullen wij ook de registers terugkrijgen!"
De raad was goed. Het was eenige hoop, die de Boschjesman liet
doorschemeren; men moest die niet laten varen. Nikolaas Palander
herleefde weder bij het voorstel. Hij werd een ander mensch; hij
ontdeed zich van een gedeelte zijner lompen, trok de jas van een
matroos aan, zette den hoed van een ander op, en verklaarde zich bereid
om zijne makkers naar het tooneel der misdaad te begeleiden. Dien
zelfden avond werd de weg volgens de aangegeven richting door
den rekenaar gewijzigd, en de karavaan trok rechtstreeks naar het
westen. Noch de nacht, noch de volgende dag bracht verbetering aan. Op
verscheidene plaatsen herkenden de Boschjesman en de gids aan sporen
op den grond en tegen de boomen den weg, dien de apen even te voren
gevolgd waren. Nikolaas Palander verzekerde dat hij met een tiental van
die dieren te maken had gehad. Men was er weldra zeker van ze op het
spoor te zijn, en ging dus met de uiterste omzichtigheid voorwaarts,
daarbij zorgdragende altijd verborgen te blijven, omdat die bavianen
slim, schrander en niet gemakkelijk te genaken zijn. De Boschjesman
meende in zijne nasporingen niet te zullen slagen, als men de chacma's
niet plotseling overviel.
Den volgenden morgen tegen acht uren, zag een der Russische matrozen,
die vooruit liep, zoo niet den dief dan toch een van de makkers van
den roover. Hij kwam voorzichtig naar de zijnen terug.
De Boschjesman liet halt houden. De Europeanen die besloten hadden hem
in alles te gehoorzamen, wachtten zijne bevelen af. De Boschjesman
verzocht hen op die plaats te blijven staan, en ging met Murray en
den gids naar de plek van het bosch, dat door den matroos bezocht
was, waarbij hij zorg droeg zich zooveel mogelijk achter boomen en
onder heesters te verschuilen. Weldra bespeurde men den baviaan en
bijna tegelijkertijd een tiental andere apen, die op de takken heen
en weder sprongen. De Boschjesman, die met zijne beide makkers achter
een boom ineen gedoken zat, nam ze met de uiterste nauwkeurigheid op.
Het was inderdaad, zooals Mokum gezegd had, een troep chacma's,
wier lichaam met groenachtig haar bedekt was. Zij hadden zwarte
ooren en een zwart gezicht, en zweepten met den langen staart
voortdurend langs den grond; het waren sterke beesten, die zelfs voor
verscheurende dieren te vreezen waren door hunne krachtige spieren,
groote tanden en scherpe nagels. Deze chacma's, die de eigenlijke
roovers onder het apengeslacht zijn, en de koren- en maïsvelden
voortdurend plunderen, zijn de schrik der Boeren, wier woningen zij
somwijlen zelfs verwoesten. De apen blaften en keften onder hun heen-
en weerspringen evenals honden waarop zij eenigszins geleken. Geen
hunner had de hen bespiedende jagers nog bemerkt.
Maar was nu de beroover van Palander bij die troep? Dit punt moest
eerst worden uitgemaakt; doch men behoefde niet meer te twijfelen, toen
de gids aan zijne makkers een der bavianen aanwees, die zich een stuk
van de kleederen van Nikolaas Palander om het lichaam geslagen had.
O, welke hoop verlevendigde weder het hart van John Murray;
hij twijfelde er niet aan of die groote aap bezat de gestolen
registers. Men moest zich dus ten koste van alles van dit dier meester
maken, en met de grootste omzichtigheid handelen. Eene enkele onhandige
beweging en de geheele troep zou zeker door het bosch vluchten zonder
dat het mogelijk was hem weder in te halen.
»Blijf hier," fluisterde Mokum tegen den gids. »Mijnheer Murray en ik
gaan weder naar de anderen terug om maatregelen te nemen om den troep
te omsingelen. Verlies echter die roovers vooral niet uit het oog!"
De gids bleef op den aangewezen post en de Boschjesman en Murray
zochten den kolonel weder op.
Het omsingelen van dien troep apen was inderdaad het eenige middel om
den dief in handen te krijgen. De Europeanen verdeelden zich in twee
afdeelingen; de eene, bestaande uit Mathieu Strux, William Emery,
Michel Zorn en de drie matrozen, moest den gids opzoeken en zich
in een halven cirkel om hem heen uitbreiden. De andere troep, die
gevormd werd door Mokum, John Murray, den kolonel, Nikolaas Palander
en de drie andere matrozen, wendde zich links ten einde om de dieren
heen te trekken en dus de apen in te sluiten.
Op voorschrift van den Boschjesman trok men slechts met de uiterste
omzichtigheid vooruit. Men hield de wapenen gereed, en men kwam
overeen dat de chacma met het stuk goed om het lijf het mikpunt voor
alle schoten zijn zou.
Nikolaas Palander, wiens vurigen ijver men nauwelijks kon betoomen,
liep naast Mokum. Deze evenwel hield hem in het oog, uit vrees dat
zijne woede hem eenige dwaasheid zou doen begaan; en inderdaad,
de waardige astronoom was zich zelven geen meester meer. Het was
voor hem eene levensvraag. Na een half uur in een halven kring
te zijn voortgetrokken, terwijl men meermalen halt had gehouden,
oordeelde de Boschjesman dat het oogenblik gekomen was om de jacht
te beginnen. Zijne makkers, die op twintig schreden van elkander
afstonden, trokken zoo stil mogelijk voorwaarts. Geen woord werd
gesproken, geene beweging gemaakt, geen takje kraakte. Men zou gezegd
hebben dat het een troep roovers was, die voortslopen om reizigers
te overvallen.
Plotseling bleef de jager staan. Zijne makkers hielden ook halt, met
den vinger aan den haan van 't geweer, en gereed om aan te leggen. De
troep chacma's was in het gezicht; de dieren hadden iets gemerkt;
zij waren op hunne hoede. Een groote baviaan, juist de dief van
de registers, gaf duidelijke teekenen van ongerustheid. Nikolaas
Palander had zijn roover herkend; echter scheen deze de registers
niet bij zich te hebben; Palander zag ze ten minste niet.
»Hij ziet er als een schurk uit!" mompelde de geleerde. Die groote
aap scheen in zijn angst zijnen makkers teekens te geven. Eenige
wijfjes schoolden met hare jongen op den rug bij elkander; de
mannetjes sprongen om haar heen. De jagers naderden weder; ieder had
den dief herkend, en kon reeds met zekerheid mikken, toen door eene
onwillekeurige beweging het geweer van Palander afging.
»Vervloekt!" riep John Murray, terwijl hij zijne buks afschoot. Welk
eene uitwerking! Tien schoten knalden te gelijk. Drie apen vielen dood
op den grond. De anderen deden een vreeselijken sprong, en vlogen over
de hoofden der jagers heen. Een chacma was slechts achtergebleven; het
was de dief. In plaats van te vluchten, sprong hij op een vijgeboom,
klom er met de behendigheid van een acrobaat in en verdween tusschen
de takken.
»Dáár heeft hij de registers verborgen!" riep de Boschjesman, en
Mokum bedroog zich niet.
Het was echter te vreezen dat de aap zich redden zou, door van den
eenen boom op den anderen te springen; doch Mokum legde bedaard op
hem aan en schoot; de aap was in den poot gewond en tuimelde van tak
tot tak naar beneden. In een van zijne pooten hield hij de registers,
die hij uit eene holte van den boom te voorschijn had gehaald. Op dit
gezicht sprong Nikolaas Palander als geëlectriseerd op, wierp zich op
den aap, en een gevecht begon. Welk eene worsteling! De woede zette den
cijferaar aan; tusschen het geblaf van den aap hoorde men het gebrul
van den astronoom. Welk een wanluidend geschreeuw bij dien strijd;
men wist niet meer wie van beiden de aap of de astronoom was! Men
kon op den chacma niet mikken, uit vrees van Palander te kwetsen.
»Schiet! schiet op beiden!" schreeuwde Mathieu Strux buiten zich zelven
van woede, en de opgewonden Rus zou het gedaan hebben, als hij nog
een schot op zijn geweer had gehad. De strijd duurde voort. Palander,
die dan eens onder, dan weder boven was, trachtte zijn tegenstander te
worgen. Zijne schouders waren geheel bebloed, want de aap verscheurde
ze met zijne klauwen. Eindelijk maakte de Boschjesman met de bijl in
de hand van een gunstig oogenblik gebruik en doodde den aap met een
enkelen slag op den kop.
Nikolaas Palander lag in zwijm, en werd door zijne makkers opgenomen;
hij hield de beide registers, die hij heroverd had, tegen de borst
gedrukt. Het lichaam van den aap werd naar het kamp medegenomen en 's
avonds aten de astronomen met inbegrip van hun bestolen ambtgenoot,
die weder bijgekomen was, den roover op zoowel uit wraak als uit
lekkernij, omdat het vleesch goed smaakte.