XXI.

Het licht verschijnt.

Er waren nu negen dagen verloopen sedert de geleider en zijne

metgezellen vertrokken waren. De geleider en zijne makkers waren voor

negen dagen vertrokken. Waardoor was hun tocht vertraagd? Hadden

menschen of dieren hun onoverkomelijke hinderpalen in den weg

gelegd? Moest men uit die vertraging opmaken dat Michel Zorn en

William Emery op hun tocht bepaald waren opgehouden? Moest men niet

denken dat zij onherroepelijk verloren waren?

Men kan zich de vrees, den angst, de afwisselende hoop en twijfelingen

van de op den Scorzef gelegerde astronomen voorstellen. Hunne

ambtgenooten en vrienden waren sedert negen dagen vertrokken! In

zes of zeven dagen hadden zij het doel kunnen bereiken; het waren

ijverige, moedige mannen, die door wetenschappelijken heldenmoed

werden aangevuurd. Van hunne tegenwoordigheid op den Volquiria hing

het welslagen der groote onderneming af. Zij wisten het, en zouden dus

niets verzuimd hebben om goed te slagen. Het lange dralen kon hun niet

geweten worden. Indien dus het licht negen dagen na hun vertrek nog

niet op den Volquiria schitterde, moesten zij door zwervende horden

gedood of gevangen genomen zijn!

Dit waren de ontmoedigende gedachten en de droevige veronderstellingen,

die de kolonel en zijne ambtgenooten maakten. Met welk een ongeduld

wachtten zij dat de zon onder den gezichteinder verdwenen was,

om hunne waarnemingen in de duisternis weder te beginnen! Welke

voorzorgen namen zij daarbij in acht! Al hunne hoop vestigde zich

op het oculair waardoor zij het verre licht zouden ontwaren. Hun

geheele leven was als samengetrokken in het kleine gezichtsveld van

een kijker! Gedurende den 3den Maart dwaalden zij op de hellingen

van den Scorzef rond, wisselden nauwelijks één woord met elkander,

en beheerscht door een eenig denkbeeld, leden zij zooals zij nog

nimmer geleden hadden! Noch de buitengewone hitte in de woestijn,

noch de afmatting van eene reis onder de stralen eener tropische zon,

noch de kwellingen van den dorst hadden hen zoo ter neergeslagen.

Gedurende dien dag werden de laatste stukken vleesch van den miereneter

verorberd, en de bezetting der schans was toen in de noodzakelijkheid

zich slechts zeer onvoldoende te voeden met den voorraad uit het

mierennest.

De nacht kwam zonder maanlicht, kalm en duister, en was bijzonder

geschikt voor waarnemingen. Doch geen licht was op den top van den

Volquiria te zien. De kolonel en Mathieu Strux wisselden elkander tot

aan de eerste morgenschemering af, en staarden met bewonderingswaardige

volharding naar den gezichteinder. Niets, niets verscheen er, en de

eerste zonnestralen maakten weldra elke waarneming onmogelijk!

Van den kant der inboorlingen was nog niets te vreezen. De Makololo's

schenen besloten te zijn om de belegerden door hongersnood

te dwingen. En inderdaad kon het niet missen of zij zouden

slagen. Gedurende den dag van den 4den Maart kwelde de honger de

belegerden op nieuw, en de ongelukkige Europeanen konden dit lijden

slechts verminderen door op de knolachtige wortels der lischbloemen

te kauwen, die in de spleten der rotsen groeiden.

Gevangen waren zij echter niet! De stoomboot lag nog altijd in de kreek

en kon, als zij zulks wilden, hen over het meer naar vruchtbaarder

streken brengen waar wild en groenten en vruchten in overvloed

voorhanden waren. Verscheidene malen had men de vraag geopperd of

het niet goed zou zijn den Boschjesman naar den noordelijken oever

te zenden, ten einde er voor de belegerden te jagen. Maar behalve

dat dit door de inlanders gemerkt kon worden, waagde men daarmede de

stoomboot en dus aller behoud in geval andere stammen van Makololo's

den noordelijken oever van het meer bezet hielden. Dit voorstel werd

dus verworpen. Allen zouden vluchten of samen blijven. Er was evenwel

geen sprake van den Scorzef te verlaten voor dat de arbeid ten einde

was gebracht. Men moest wachten totdat alle kansen op goeden uitslag

in rook vervlogen waren. Het was eene zaak van geduld, en men zou

geduld hebben!

»Toen Arago, Biot en Rodriguez," zeide de kolonel tegen zijne om

hem heen zittende metgezellen, »zich voorstelden den meridiaan van

Duinkerken tot op Iviza voort te zetten, verkeerden die geleerden

bijna in denzelfden toestand als wij. Men moest het eiland met

de Spaansche kust verbinden door een driehoek, waarvan de zijden

meer dan honderd twintig kilometers lang waren. Rodriguez vestigde

zich op een der bergtoppen van het eiland en onderhield er het

licht in een lantaarn, terwijl de Fransche geleerden op meer dan

honderd kilometers daarvandaan onder eene tent in de woestijn van

Las Palmas leefden. Gedurende zestig nachten keken Arago en Biot uit

naar het licht, dat zij wilden waarnemen. Ontmoedigd wilden zij hunne

onderneming reeds opgeven, toen zij den eenenzestigsten nacht door hun

kijker een lichtend punt zagen, dat met geene ster der zesde grootte

verward kon worden, omdat het zoo onbeweeglijk stond. Eenenzestig

nachten wachten! welnu mijne heeren, wat twee Fransche geleerden

in het belang der wetenschap gedaan hebben, zouden dat Russische en

Engelsche astronomen niet doen?"

Het antwoord van al die geleerden was een gejuich tot bevestiging. En

toch hadden zij den kolonel kunnen antwoorden dat noch Biot, noch

Arago bij hun langdurig verblijf in Las Palmas de kwelling van den

honger ondervonden!

Gedurende dien dag waren de Makololo's buitengewoon bedrijvig. Zij

gingen en kwamen, zoodat de Boschjesman ongerust werd. Misschien

wilden zij bij het vallen van den nacht een nieuwen aanval wagen,

of maakten zij zich gereed hunne legerplaats op te breken. Nadat

Mokum hen nauwkeurig had gadegeslagen, meende hij in deze beweging

vijandelijke plannen te bespeuren. De Makololo's maakten hunne wapenen

gereed. De vrouwen en kinderen, die tot nog toe bij hen waren gebleven,

verlieten de legerplaats en trokken onder geleide van eenige gidsen

oostwaarts naar de oevers van het meer Ngami. Het was dus mogelijk

dat de belegeraars een laatste maal wilden beproeven de schans te

vermeesteren vóór dat zij voor goed naar hunne hoofdstad Maketo

terugtrokken.

De Boschjesman deelde den Europeanen den uitslag van zijn onderzoek

mede. Men besloot dien nacht streng de wacht te houden, en alle

wapenen gereed te maken. Het getal der belegeraars moest aanzienlijk

zijn. Niets belette hen om met honderden te gelijk de hellingen van

den Scorzef te beklimmen. De schans lag op vele plaatsen in puin, en

zou dus aan een troep inlanders gemakkelijk toegang verschaffen. De

kolonel meende dus voorzichtig te handelen als hij eenige voorzorgen

nam voor het geval dat de belegerden genoodzaakt waren om terug te

trekken en hun station tijdelijk te verlaten. De stoomboot moest

gereed gehouden worden om op het eerste teeken te vertrekken. Een van

de zeelieden, de machinist van de Queen and Tzar, kreeg bevel om het

vuur aan te leggen, en stoom te maken voor het geval dat de vlucht

noodzakelijk werd. Maar hij moest wachten totdat de zon onder was,

opdat de inlanders den rook der stoomboot niet zouden gewaar worden.

Het avondmaal bestond uit witte mieren en wortels van lischbloemen. Een

treurig voedsel voor mannen, die misschien slag moesten leveren! Maar

zij waren vast besloten, boven elke zwakheid verheven en wachtten

het noodlottige uur zonder vrees af.

Tegen zes uren, toen de avond viel met die snelheid, waarmede

dit gewoonlijk in de keerkringsstreken plaats heeft, daalde de

machinist van den berg af, en begon het vuur onder den ketel der

boot te stoken. Het spreekt van zelf dat kolonel Everest niet aan

vluchten dacht, dan in den uitersten nood en wanneer het hem verder

onmogelijk scheen de schans te houden. Hij had er niet veel zin in

zijn wachtpost te verlaten, vooral niet gedurende den nacht, want

elk oogenblik konden William Emery en Michel Zorn het licht op den

top van den Volquiria ontsteken.

De andere zeelieden werden als wachtposten buiten de omheining der

schans geplaatst met bevel den toegang tot de bressen tot het uiterste

te verdedigen. Alle wapenen waren gereed. De mitrailleuse werd geladen

en met een groot aantal patronen voorzien; hare vreeselijke mondingen

staken door eene opening naar buiten.

Men wachtte verscheidene uren. Kolonel Everest en de Russische

astronoom wisselden elkander in den nauwen wachttoren af, en keken

onophoudelijk naar den bergtop, die door hun kijker te zien was. De

gezichteinder bleef duister, terwijl de schoonste sterren van den

zuiderhemel aan het uitspansel schitterden. Geen windje beroerde

de atmosfeer. De diepe stilte der natuur was indrukwekkend. De

Boschjesman, die op eene vooruitspringende rotspunt stond,

luisterde aandachtig naar elk geluid dat zich uit de vlakte

verhief. Langzamerhand werden die geluiden duidelijker. Mokum had

zich in zijne gissingen niet bedrogen: de Makololo's maakten zich

gereed om een laatsten aanval op den Scorzef te wagen.

Tot tien uren bewogen de belegeraars zich niet. Hunne vuren waren

uitgedoofd. De legerplaats en de vlakte waren door de duisternis niet

van elkander te onderscheiden. Plotseling zag de Boschjesman schaduwen,

die zich op de hellingen van den berg bewogen. De belegeraars waren

op niet meer dan honderd voet van de schans verwijderd.

»Onraad! onraad!" riep Mokum.

De kleine bezetting kwam aan de zuidzijde van de schans aanstonds

naar buiten, en begon dapper op de aanvallers te vuren. De Makololo's

beantwoordden dit met hun krijgsgeschreeuw, en niettegenstaande het

goed onderhouden geweervuur, bleven zij naar boven klauteren. Bij het

licht der geweerschoten zag men zulk een dichten drom van inlanders,

dat alle tegenstand onmogelijk scheen. Te midden van die massa brachten

evenwel de kogels, die nimmer misten, eene vreeselijke slachting te

weeg. Troepen Makololo's stortten naar beneden en vielen over elkander

heen tot onder aan den berg. Tusschen de kort op elkander knallende

schoten konden de belegerden hun woest geschreeuw hooren. Maar niets

hield hen tegen, zij klommen voortdurend in dichte drommen naar

boven, zonder een enkelen pijl af te schieten, omdat zij er geen tijd

voornamen, en slechts den top van den Scorzef wilden bereiken.

De kolonel streed aan het hoofd der zijnen. Zijne makkers, evenals

hij gewapend, stonden hem moedig ter zijde, zelfs Palander niet

uitgezonderd, die waarschijnlijk voor de eerste maal van zijn leven een

geweer hanteerde. Murray, die van de eene rotspunt op de andere sprong,

nu eens knielde, dan weder plat op den grond lag, deed wonderen van

dapperheid, en zijn buks, die door de snel op elkander volgende schoten

warm was geworden, brandde hem reeds in de handen. De Boschjesman

was in dezen bloedigen strijd weder de geduldige, stoutmoedige jager,

die steeds zich zelven meester bleef.

Noch de bewonderenswaardige dapperheid der belegerden, noch

de zekerheid hunner schoten, noch de juistheid hunner wapenen

konden echter iets uitrichten tegen den opstijgenden stroom van

aanvallers. Als er één Makololo sneuvelde, namen twintig anderen

zijne plaats in, en dit werd te veel voor tien Europeanen en den

Boschjesman! Na een half uur strijdens begreep de kolonel dat hij

overmand zou worden. Want niet alleen langs de zuidzijde maar ook

langs de andere hellingen van den berg nam de stroom der aanvallers

voortdurend toe. De lijken van de gesneuvelden dienden als trap voor

de anderen. Eenigen maakten zich een schild van een lijk, en kwamen

aldus naar boven. Dit alles kon telkens bij het snelle en rosse licht

der schoten gezien worden en was vreeselijk, ontzettend. Men gevoelde

wel dat er van zulke vijanden geen genade te wachten was. Het was

een aanval van wilde dieren, die aanval van plunderaars, dorstende

naar bloed en erger dan de verscheurende beesten der Afrikaansche

fauna! Gewis konden zij de plaats bekleeden van tijgers, die in deze

streken ontbraken!

Om half elf drongen de eerste inlanders op het plateau van den Scorzef

door. De belegerden konden, als zij van hunne wapenen geen gebruik meer

konden maken, onmogelijk man tegen man strijden. Het was dus dringend

noodzakelijk eene schuilplaats binnen de schans te zoeken. De kleine

troep was gelukkig nog ongedeerd, daar de Makololo's zich noch van

hunne pijlen, noch van hunne lansen hadden bediend.

»Achterwaarts!" riep de kolonel met eene stem, die boven het rumoer

van den strijd uitkwam. En na een laatste salvo volgden de belegerden

hun aanvoerder, en trokken zich achter de muren van de schans terug.

Ontzettende kreten begroetten dezen terugtocht. De inboorlingen

vertoonden zich aanstonds voor de middelste bres, om eene bestorming

te beproeven. Maar plotseling liet zich een vreeselijk geraas hooren,

iets dat geleek op het aanhoudend geknetter, bij het ontladen van

een sterken elektrieken stroom. Het was de mitrailleuse, die door

John Murray bediend werd; de vijfentwintig loopen, die waaiervormig

geplaatst waren, bestreken met hunne kogels een boog van meer

dan honderd voet oppervlakte van het plateau, waarop de inlanders

doordrongen. De kogels, die door een vernuftig samengesteld werktuig

voortdurend in de loopen werden gebracht, vielen als hagel op de

belegeraars; vandaar dat zij voor een oogenblik als geheel werden

weggevaagd. Eerst beantwoordden zij het ontploffen van dit vreeselijke

werktuig met een spoedig onderdrukt gehuil, daarna met een zwerm van

pijlen, die den belegerden geen kwaad deed.

»Dat dingetje speelt goed!" zeide de Boschjesman, terwijl hij

Murray naderde; »als u te vermoeid zijt om nog een deuntje er op

te spelen...."

Maar de mitrailleuse zweeg op dat oogenblik. De Makololo's, die eene

schuilplaats zochten tegen dien kogelregen, waren verdwenen. Zij

hadden zich ter zijde van de verschansing teruggetrokken, nadat zij

het plateau met hunne dooden bedekt hadden gelaten.

Wat deden gedurende dit oogenblik van rust de kolonel en Mathieu

Strux? Zij waren weder naar het wachttorentje gegaan, en lagen daar met

het oog voor den kijker, om te zien of zij den top van den Volquiria

ook in de duisternis konden gewaar worden. Zij lieten zich noch door

het geschreeuw, noch door het gevaar afleiden. Met kalm gemoed,

helderen blik, en bewonderenswaardige koelbloedigheid wisselden

zij elkander af; zij keken en namen met zooveel nauwkeurigheid waar,

alsof zij in den koepel van een observatorium zaten, en toen het gehuil

der Makololo's hun na eene korte rust verkondigde dat de strijd weder

begon, bleven de beide geleerden beurtelings de wacht bij het kostbare

instrument houden.

De worsteling begon inderdaad op nieuw. De mitrailleuse was niet

meer voldoende om de aanvallers tegen te houden, die zich nu

voor alle bressen tegelijk vertoonden onder het aanheffen van hun

krijgsgeschreeuw. Het was onder deze omstandigheden en voor die

openingen, welke voet voor voet verdedigd werden, dat de strijd

nu nog een half uur voortwoedde. De belegerden, die zich met hunne

vuurwapenen konden verdedigen, waren slechts zeer licht gewond door

eenige lanspunten. De verbittering van weerszijde verminderde niet,

en de woede nam toe bij dien strijd van man tegen man.

Het was ongeveer half twaalf in het dichtste van den strijd en te

midden van het knetterende geweervuur dat Mathieu Strux naar den

kolonel toekwam. Zijn oog schitterde, doch zijn blik was verwilderd;

een pijl had hem den hoed doorschoten en trilde nog boven zijn hoofd.

»Het licht! het licht!" riep hij.

»Wat!" antwoordde de kolonel, terwijl hij zijn geweer afschoot.

»Ja, het licht!"

»Hebt gij het gezien?"

»Ja!"

Na een laatste maal zijn geweer afgeschoten te hebben, hief de

kolonel een zegevierend gejuich aan en snelde naar den wachttoren,

gevolgd door zijn onversaagden ambtgenoot.

Dáár knielde Everest voor den kijker, en het kloppen van zijn hart

inhoudende, keek hij er door. O, hoe loste zich op dat oogenblik

zijn geheele leven in dien enkelen blik op. Ja, het licht was dáár,

schitterende tusschen het netwerk van den mikrometer! Ja, het licht

scheen op den top van den Volquiria! Ja, het toppunt van den laatsten

driehoek was eindelijk gevonden!

Het was inderdaad een zonderling schouwspel die twee geleerden te

midden van het rumoer van den strijd te zien werken. De al te talrijke

inlanders waren eindelijk door de omwalling heengedrongen. John Murray

en de Boschjesman betwistten hun voet voor voet het terrein. Kogels

werden met pijlen, lanssteken met bijlslagen beantwoord. En toch deden

de kolonel en Mathieu Strux, beurtelings voor den kijker gebogen,

voortdurend hunne waarneming! Zij vermenigvuldigden de aanwijzingen op

den repetitiecirkel, om fouten bij het aflezen begaan te verbeteren,

en de ongevoelige Nikolaas Palander teekende op zijn register den

uitslag hunner waarnemingen op! Meer dan eens snorde hun een pijl langs

het hoofd en vloog tegen de wanden van den wachttoren stuk. Zij keken

telkens naar het licht op den Volquiria, gingen dan met eene loep de

aanwijzingen van den nonius na, en de een bevestigde voortdurend de

berekeningen van den ander!

»Nog ééne waarneming?" zeide Strux, terwijl hij den kijker over den

graadcirkel voortschoof.

Eindelijk sloeg een zware steen, die door een inlander geworpen was,

Palander het register uit de hand en wierp den repetitiecirkel om, die

daardoor gebroken werd..... doch de waarnemingen waren afgeloopen. De

richting van het licht was tot op een duizendste van eene seconde

berekend!

Maar nu moesten zij ook vluchten om den uitslag van den roemrijken en

prachtigen arbeid te behouden. De inlanders drongen reeds in de kazemat

door en konden elk oogenblik in den wachttoren verschijnen. Kolonel

Everest en zijne beide ambtgenooten namen hunne geweren weder op,

Palander pakte zijn kostbaar register in, en allen vluchtten door

de bres. Daar wachtten hunne makkers, van wie eenigen licht gekwetst

waren, en stonden gereed om den aftocht te dekken.

Maar op het oogenblik dat zij van de noordelijke helling van den

Scorzef wilden afdalen, riep Mathieu Strux: »Ons signaal!"

Inderdaad, men moest het licht der beide jeugdige astronomen

beantwoorden met een vurig en lichtend teeken. Om den geodesischen

arbeid te voleindigen, moesten Emery en Zorn op hunne beurt den top

van den Scorzef waarnemen, en zonder twijfel wachtten zij op den

Volquiria vol ongeduld op dit teeken.

»Nog ééne poging!" riep kolonel Everest.

En terwijl zijne makkers met bovenmenschelijke inspanning de drommen

Makololo's terugwierpen, trad hij den wachttoren binnen. Deze was

van zeer droog hout gemaakt. Eéne vonk kon dit gebouwtje vlam doen

vatten. De kolonel stak er door middel eener patroon den brand in;

oogenblikkelijk vatte het hout vlam, waarna de kolonel naar buiten

ijlde, en zich weder bij zijne makkers voegde. Eenige oogenblikken

daarna daalden de Europeanen onder een regenbui van pijlen en steenen

van den berg af, terwijl zij de mitrailleuse voor zich uit lieten

zakken, omdat zij deze niet in den steek wilden laten. Na de inlanders

nog eens door een moordend salvo terug te hebben doen stuiven, kwamen

zij bij de stoomboot.

Volgens bevel van den kolonel had de machinist alles gereed. De touwen

werden losgemaakt, de schroef zette zich in beweging en de Queen and

Tzar snelde over het meer voorwaarts.

Weldra was de boot ver genoeg om den top van den Scorzef te kunnen

zien. De brandende wachttoren schitterde als een vuurbaak en moest

van den top van den Volquiria gemakkelijk gezien kunnen worden.

Een luid gejuich van Engelschen en Russen begroette het reusachtige

licht, welks flikkering de duisternis tot op vrij grooten omtrek

verdreef.

William Emery en Michel Zorn konden er niet over klagen. Zij hadden

eene ster laten zien, en werden met eene zon beantwoord.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 24 / 41 题