Het licht verschijnt.
Er waren nu negen dagen verloopen sedert de geleider en zijne
metgezellen vertrokken waren. De geleider en zijne makkers waren voor
negen dagen vertrokken. Waardoor was hun tocht vertraagd? Hadden
menschen of dieren hun onoverkomelijke hinderpalen in den weg
gelegd? Moest men uit die vertraging opmaken dat Michel Zorn en
William Emery op hun tocht bepaald waren opgehouden? Moest men niet
denken dat zij onherroepelijk verloren waren?
Men kan zich de vrees, den angst, de afwisselende hoop en twijfelingen
van de op den Scorzef gelegerde astronomen voorstellen. Hunne
ambtgenooten en vrienden waren sedert negen dagen vertrokken! In
zes of zeven dagen hadden zij het doel kunnen bereiken; het waren
ijverige, moedige mannen, die door wetenschappelijken heldenmoed
werden aangevuurd. Van hunne tegenwoordigheid op den Volquiria hing
het welslagen der groote onderneming af. Zij wisten het, en zouden dus
niets verzuimd hebben om goed te slagen. Het lange dralen kon hun niet
geweten worden. Indien dus het licht negen dagen na hun vertrek nog
niet op den Volquiria schitterde, moesten zij door zwervende horden
gedood of gevangen genomen zijn!
Dit waren de ontmoedigende gedachten en de droevige veronderstellingen,
die de kolonel en zijne ambtgenooten maakten. Met welk een ongeduld
wachtten zij dat de zon onder den gezichteinder verdwenen was,
om hunne waarnemingen in de duisternis weder te beginnen! Welke
voorzorgen namen zij daarbij in acht! Al hunne hoop vestigde zich
op het oculair waardoor zij het verre licht zouden ontwaren. Hun
geheele leven was als samengetrokken in het kleine gezichtsveld van
een kijker! Gedurende den 3den Maart dwaalden zij op de hellingen
van den Scorzef rond, wisselden nauwelijks één woord met elkander,
en beheerscht door een eenig denkbeeld, leden zij zooals zij nog
nimmer geleden hadden! Noch de buitengewone hitte in de woestijn,
noch de afmatting van eene reis onder de stralen eener tropische zon,
noch de kwellingen van den dorst hadden hen zoo ter neergeslagen.
Gedurende dien dag werden de laatste stukken vleesch van den miereneter
verorberd, en de bezetting der schans was toen in de noodzakelijkheid
zich slechts zeer onvoldoende te voeden met den voorraad uit het
mierennest.
De nacht kwam zonder maanlicht, kalm en duister, en was bijzonder
geschikt voor waarnemingen. Doch geen licht was op den top van den
Volquiria te zien. De kolonel en Mathieu Strux wisselden elkander tot
aan de eerste morgenschemering af, en staarden met bewonderingswaardige
volharding naar den gezichteinder. Niets, niets verscheen er, en de
eerste zonnestralen maakten weldra elke waarneming onmogelijk!
Van den kant der inboorlingen was nog niets te vreezen. De Makololo's
schenen besloten te zijn om de belegerden door hongersnood
te dwingen. En inderdaad kon het niet missen of zij zouden
slagen. Gedurende den dag van den 4den Maart kwelde de honger de
belegerden op nieuw, en de ongelukkige Europeanen konden dit lijden
slechts verminderen door op de knolachtige wortels der lischbloemen
te kauwen, die in de spleten der rotsen groeiden.
Gevangen waren zij echter niet! De stoomboot lag nog altijd in de kreek
en kon, als zij zulks wilden, hen over het meer naar vruchtbaarder
streken brengen waar wild en groenten en vruchten in overvloed
voorhanden waren. Verscheidene malen had men de vraag geopperd of
het niet goed zou zijn den Boschjesman naar den noordelijken oever
te zenden, ten einde er voor de belegerden te jagen. Maar behalve
dat dit door de inlanders gemerkt kon worden, waagde men daarmede de
stoomboot en dus aller behoud in geval andere stammen van Makololo's
den noordelijken oever van het meer bezet hielden. Dit voorstel werd
dus verworpen. Allen zouden vluchten of samen blijven. Er was evenwel
geen sprake van den Scorzef te verlaten voor dat de arbeid ten einde
was gebracht. Men moest wachten totdat alle kansen op goeden uitslag
in rook vervlogen waren. Het was eene zaak van geduld, en men zou
geduld hebben!
»Toen Arago, Biot en Rodriguez," zeide de kolonel tegen zijne om
hem heen zittende metgezellen, »zich voorstelden den meridiaan van
Duinkerken tot op Iviza voort te zetten, verkeerden die geleerden
bijna in denzelfden toestand als wij. Men moest het eiland met
de Spaansche kust verbinden door een driehoek, waarvan de zijden
meer dan honderd twintig kilometers lang waren. Rodriguez vestigde
zich op een der bergtoppen van het eiland en onderhield er het
licht in een lantaarn, terwijl de Fransche geleerden op meer dan
honderd kilometers daarvandaan onder eene tent in de woestijn van
Las Palmas leefden. Gedurende zestig nachten keken Arago en Biot uit
naar het licht, dat zij wilden waarnemen. Ontmoedigd wilden zij hunne
onderneming reeds opgeven, toen zij den eenenzestigsten nacht door hun
kijker een lichtend punt zagen, dat met geene ster der zesde grootte
verward kon worden, omdat het zoo onbeweeglijk stond. Eenenzestig
nachten wachten! welnu mijne heeren, wat twee Fransche geleerden
in het belang der wetenschap gedaan hebben, zouden dat Russische en
Engelsche astronomen niet doen?"
Het antwoord van al die geleerden was een gejuich tot bevestiging. En
toch hadden zij den kolonel kunnen antwoorden dat noch Biot, noch
Arago bij hun langdurig verblijf in Las Palmas de kwelling van den
honger ondervonden!
Gedurende dien dag waren de Makololo's buitengewoon bedrijvig. Zij
gingen en kwamen, zoodat de Boschjesman ongerust werd. Misschien
wilden zij bij het vallen van den nacht een nieuwen aanval wagen,
of maakten zij zich gereed hunne legerplaats op te breken. Nadat
Mokum hen nauwkeurig had gadegeslagen, meende hij in deze beweging
vijandelijke plannen te bespeuren. De Makololo's maakten hunne wapenen
gereed. De vrouwen en kinderen, die tot nog toe bij hen waren gebleven,
verlieten de legerplaats en trokken onder geleide van eenige gidsen
oostwaarts naar de oevers van het meer Ngami. Het was dus mogelijk
dat de belegeraars een laatste maal wilden beproeven de schans te
vermeesteren vóór dat zij voor goed naar hunne hoofdstad Maketo
terugtrokken.
De Boschjesman deelde den Europeanen den uitslag van zijn onderzoek
mede. Men besloot dien nacht streng de wacht te houden, en alle
wapenen gereed te maken. Het getal der belegeraars moest aanzienlijk
zijn. Niets belette hen om met honderden te gelijk de hellingen van
den Scorzef te beklimmen. De schans lag op vele plaatsen in puin, en
zou dus aan een troep inlanders gemakkelijk toegang verschaffen. De
kolonel meende dus voorzichtig te handelen als hij eenige voorzorgen
nam voor het geval dat de belegerden genoodzaakt waren om terug te
trekken en hun station tijdelijk te verlaten. De stoomboot moest
gereed gehouden worden om op het eerste teeken te vertrekken. Een van
de zeelieden, de machinist van de Queen and Tzar, kreeg bevel om het
vuur aan te leggen, en stoom te maken voor het geval dat de vlucht
noodzakelijk werd. Maar hij moest wachten totdat de zon onder was,
opdat de inlanders den rook der stoomboot niet zouden gewaar worden.
Het avondmaal bestond uit witte mieren en wortels van lischbloemen. Een
treurig voedsel voor mannen, die misschien slag moesten leveren! Maar
zij waren vast besloten, boven elke zwakheid verheven en wachtten
het noodlottige uur zonder vrees af.
Tegen zes uren, toen de avond viel met die snelheid, waarmede
dit gewoonlijk in de keerkringsstreken plaats heeft, daalde de
machinist van den berg af, en begon het vuur onder den ketel der
boot te stoken. Het spreekt van zelf dat kolonel Everest niet aan
vluchten dacht, dan in den uitersten nood en wanneer het hem verder
onmogelijk scheen de schans te houden. Hij had er niet veel zin in
zijn wachtpost te verlaten, vooral niet gedurende den nacht, want
elk oogenblik konden William Emery en Michel Zorn het licht op den
top van den Volquiria ontsteken.
De andere zeelieden werden als wachtposten buiten de omheining der
schans geplaatst met bevel den toegang tot de bressen tot het uiterste
te verdedigen. Alle wapenen waren gereed. De mitrailleuse werd geladen
en met een groot aantal patronen voorzien; hare vreeselijke mondingen
staken door eene opening naar buiten.
Men wachtte verscheidene uren. Kolonel Everest en de Russische
astronoom wisselden elkander in den nauwen wachttoren af, en keken
onophoudelijk naar den bergtop, die door hun kijker te zien was. De
gezichteinder bleef duister, terwijl de schoonste sterren van den
zuiderhemel aan het uitspansel schitterden. Geen windje beroerde
de atmosfeer. De diepe stilte der natuur was indrukwekkend. De
Boschjesman, die op eene vooruitspringende rotspunt stond,
luisterde aandachtig naar elk geluid dat zich uit de vlakte
verhief. Langzamerhand werden die geluiden duidelijker. Mokum had
zich in zijne gissingen niet bedrogen: de Makololo's maakten zich
gereed om een laatsten aanval op den Scorzef te wagen.
Tot tien uren bewogen de belegeraars zich niet. Hunne vuren waren
uitgedoofd. De legerplaats en de vlakte waren door de duisternis niet
van elkander te onderscheiden. Plotseling zag de Boschjesman schaduwen,
die zich op de hellingen van den berg bewogen. De belegeraars waren
op niet meer dan honderd voet van de schans verwijderd.
»Onraad! onraad!" riep Mokum.
De kleine bezetting kwam aan de zuidzijde van de schans aanstonds
naar buiten, en begon dapper op de aanvallers te vuren. De Makololo's
beantwoordden dit met hun krijgsgeschreeuw, en niettegenstaande het
goed onderhouden geweervuur, bleven zij naar boven klauteren. Bij het
licht der geweerschoten zag men zulk een dichten drom van inlanders,
dat alle tegenstand onmogelijk scheen. Te midden van die massa brachten
evenwel de kogels, die nimmer misten, eene vreeselijke slachting te
weeg. Troepen Makololo's stortten naar beneden en vielen over elkander
heen tot onder aan den berg. Tusschen de kort op elkander knallende
schoten konden de belegerden hun woest geschreeuw hooren. Maar niets
hield hen tegen, zij klommen voortdurend in dichte drommen naar
boven, zonder een enkelen pijl af te schieten, omdat zij er geen tijd
voornamen, en slechts den top van den Scorzef wilden bereiken.
De kolonel streed aan het hoofd der zijnen. Zijne makkers, evenals
hij gewapend, stonden hem moedig ter zijde, zelfs Palander niet
uitgezonderd, die waarschijnlijk voor de eerste maal van zijn leven een
geweer hanteerde. Murray, die van de eene rotspunt op de andere sprong,
nu eens knielde, dan weder plat op den grond lag, deed wonderen van
dapperheid, en zijn buks, die door de snel op elkander volgende schoten
warm was geworden, brandde hem reeds in de handen. De Boschjesman
was in dezen bloedigen strijd weder de geduldige, stoutmoedige jager,
die steeds zich zelven meester bleef.
Noch de bewonderenswaardige dapperheid der belegerden, noch
de zekerheid hunner schoten, noch de juistheid hunner wapenen
konden echter iets uitrichten tegen den opstijgenden stroom van
aanvallers. Als er één Makololo sneuvelde, namen twintig anderen
zijne plaats in, en dit werd te veel voor tien Europeanen en den
Boschjesman! Na een half uur strijdens begreep de kolonel dat hij
overmand zou worden. Want niet alleen langs de zuidzijde maar ook
langs de andere hellingen van den berg nam de stroom der aanvallers
voortdurend toe. De lijken van de gesneuvelden dienden als trap voor
de anderen. Eenigen maakten zich een schild van een lijk, en kwamen
aldus naar boven. Dit alles kon telkens bij het snelle en rosse licht
der schoten gezien worden en was vreeselijk, ontzettend. Men gevoelde
wel dat er van zulke vijanden geen genade te wachten was. Het was
een aanval van wilde dieren, die aanval van plunderaars, dorstende
naar bloed en erger dan de verscheurende beesten der Afrikaansche
fauna! Gewis konden zij de plaats bekleeden van tijgers, die in deze
streken ontbraken!
Om half elf drongen de eerste inlanders op het plateau van den Scorzef
door. De belegerden konden, als zij van hunne wapenen geen gebruik meer
konden maken, onmogelijk man tegen man strijden. Het was dus dringend
noodzakelijk eene schuilplaats binnen de schans te zoeken. De kleine
troep was gelukkig nog ongedeerd, daar de Makololo's zich noch van
hunne pijlen, noch van hunne lansen hadden bediend.
»Achterwaarts!" riep de kolonel met eene stem, die boven het rumoer
van den strijd uitkwam. En na een laatste salvo volgden de belegerden
hun aanvoerder, en trokken zich achter de muren van de schans terug.
Ontzettende kreten begroetten dezen terugtocht. De inboorlingen
vertoonden zich aanstonds voor de middelste bres, om eene bestorming
te beproeven. Maar plotseling liet zich een vreeselijk geraas hooren,
iets dat geleek op het aanhoudend geknetter, bij het ontladen van
een sterken elektrieken stroom. Het was de mitrailleuse, die door
John Murray bediend werd; de vijfentwintig loopen, die waaiervormig
geplaatst waren, bestreken met hunne kogels een boog van meer
dan honderd voet oppervlakte van het plateau, waarop de inlanders
doordrongen. De kogels, die door een vernuftig samengesteld werktuig
voortdurend in de loopen werden gebracht, vielen als hagel op de
belegeraars; vandaar dat zij voor een oogenblik als geheel werden
weggevaagd. Eerst beantwoordden zij het ontploffen van dit vreeselijke
werktuig met een spoedig onderdrukt gehuil, daarna met een zwerm van
pijlen, die den belegerden geen kwaad deed.
»Dat dingetje speelt goed!" zeide de Boschjesman, terwijl hij
Murray naderde; »als u te vermoeid zijt om nog een deuntje er op
te spelen...."
Maar de mitrailleuse zweeg op dat oogenblik. De Makololo's, die eene
schuilplaats zochten tegen dien kogelregen, waren verdwenen. Zij
hadden zich ter zijde van de verschansing teruggetrokken, nadat zij
het plateau met hunne dooden bedekt hadden gelaten.
Wat deden gedurende dit oogenblik van rust de kolonel en Mathieu
Strux? Zij waren weder naar het wachttorentje gegaan, en lagen daar met
het oog voor den kijker, om te zien of zij den top van den Volquiria
ook in de duisternis konden gewaar worden. Zij lieten zich noch door
het geschreeuw, noch door het gevaar afleiden. Met kalm gemoed,
helderen blik, en bewonderenswaardige koelbloedigheid wisselden
zij elkander af; zij keken en namen met zooveel nauwkeurigheid waar,
alsof zij in den koepel van een observatorium zaten, en toen het gehuil
der Makololo's hun na eene korte rust verkondigde dat de strijd weder
begon, bleven de beide geleerden beurtelings de wacht bij het kostbare
instrument houden.
De worsteling begon inderdaad op nieuw. De mitrailleuse was niet
meer voldoende om de aanvallers tegen te houden, die zich nu
voor alle bressen tegelijk vertoonden onder het aanheffen van hun
krijgsgeschreeuw. Het was onder deze omstandigheden en voor die
openingen, welke voet voor voet verdedigd werden, dat de strijd
nu nog een half uur voortwoedde. De belegerden, die zich met hunne
vuurwapenen konden verdedigen, waren slechts zeer licht gewond door
eenige lanspunten. De verbittering van weerszijde verminderde niet,
en de woede nam toe bij dien strijd van man tegen man.
Het was ongeveer half twaalf in het dichtste van den strijd en te
midden van het knetterende geweervuur dat Mathieu Strux naar den
kolonel toekwam. Zijn oog schitterde, doch zijn blik was verwilderd;
een pijl had hem den hoed doorschoten en trilde nog boven zijn hoofd.
»Het licht! het licht!" riep hij.
»Wat!" antwoordde de kolonel, terwijl hij zijn geweer afschoot.
»Ja, het licht!"
»Hebt gij het gezien?"
»Ja!"
Na een laatste maal zijn geweer afgeschoten te hebben, hief de
kolonel een zegevierend gejuich aan en snelde naar den wachttoren,
gevolgd door zijn onversaagden ambtgenoot.
Dáár knielde Everest voor den kijker, en het kloppen van zijn hart
inhoudende, keek hij er door. O, hoe loste zich op dat oogenblik
zijn geheele leven in dien enkelen blik op. Ja, het licht was dáár,
schitterende tusschen het netwerk van den mikrometer! Ja, het licht
scheen op den top van den Volquiria! Ja, het toppunt van den laatsten
driehoek was eindelijk gevonden!
Het was inderdaad een zonderling schouwspel die twee geleerden te
midden van het rumoer van den strijd te zien werken. De al te talrijke
inlanders waren eindelijk door de omwalling heengedrongen. John Murray
en de Boschjesman betwistten hun voet voor voet het terrein. Kogels
werden met pijlen, lanssteken met bijlslagen beantwoord. En toch deden
de kolonel en Mathieu Strux, beurtelings voor den kijker gebogen,
voortdurend hunne waarneming! Zij vermenigvuldigden de aanwijzingen op
den repetitiecirkel, om fouten bij het aflezen begaan te verbeteren,
en de ongevoelige Nikolaas Palander teekende op zijn register den
uitslag hunner waarnemingen op! Meer dan eens snorde hun een pijl langs
het hoofd en vloog tegen de wanden van den wachttoren stuk. Zij keken
telkens naar het licht op den Volquiria, gingen dan met eene loep de
aanwijzingen van den nonius na, en de een bevestigde voortdurend de
berekeningen van den ander!
»Nog ééne waarneming?" zeide Strux, terwijl hij den kijker over den
graadcirkel voortschoof.
Eindelijk sloeg een zware steen, die door een inlander geworpen was,
Palander het register uit de hand en wierp den repetitiecirkel om, die
daardoor gebroken werd..... doch de waarnemingen waren afgeloopen. De
richting van het licht was tot op een duizendste van eene seconde
berekend!
Maar nu moesten zij ook vluchten om den uitslag van den roemrijken en
prachtigen arbeid te behouden. De inlanders drongen reeds in de kazemat
door en konden elk oogenblik in den wachttoren verschijnen. Kolonel
Everest en zijne beide ambtgenooten namen hunne geweren weder op,
Palander pakte zijn kostbaar register in, en allen vluchtten door
de bres. Daar wachtten hunne makkers, van wie eenigen licht gekwetst
waren, en stonden gereed om den aftocht te dekken.
Maar op het oogenblik dat zij van de noordelijke helling van den
Scorzef wilden afdalen, riep Mathieu Strux: »Ons signaal!"
Inderdaad, men moest het licht der beide jeugdige astronomen
beantwoorden met een vurig en lichtend teeken. Om den geodesischen
arbeid te voleindigen, moesten Emery en Zorn op hunne beurt den top
van den Scorzef waarnemen, en zonder twijfel wachtten zij op den
Volquiria vol ongeduld op dit teeken.
»Nog ééne poging!" riep kolonel Everest.
En terwijl zijne makkers met bovenmenschelijke inspanning de drommen
Makololo's terugwierpen, trad hij den wachttoren binnen. Deze was
van zeer droog hout gemaakt. Eéne vonk kon dit gebouwtje vlam doen
vatten. De kolonel stak er door middel eener patroon den brand in;
oogenblikkelijk vatte het hout vlam, waarna de kolonel naar buiten
ijlde, en zich weder bij zijne makkers voegde. Eenige oogenblikken
daarna daalden de Europeanen onder een regenbui van pijlen en steenen
van den berg af, terwijl zij de mitrailleuse voor zich uit lieten
zakken, omdat zij deze niet in den steek wilden laten. Na de inlanders
nog eens door een moordend salvo terug te hebben doen stuiven, kwamen
zij bij de stoomboot.
Volgens bevel van den kolonel had de machinist alles gereed. De touwen
werden losgemaakt, de schroef zette zich in beweging en de Queen and
Tzar snelde over het meer voorwaarts.
Weldra was de boot ver genoeg om den top van den Scorzef te kunnen
zien. De brandende wachttoren schitterde als een vuurbaak en moest
van den top van den Volquiria gemakkelijk gezien kunnen worden.
Een luid gejuich van Engelschen en Russen begroette het reusachtige
licht, welks flikkering de duisternis tot op vrij grooten omtrek
verdreef.
William Emery en Michel Zorn konden er niet over klagen. Zij hadden
eene ster laten zien, en werden met eene zon beantwoord.