Acht dagen op den top van den Scorzef.
Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat
hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke
gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in
eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers
moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust
door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien
mocht men veronderstellen dat de Makololo's, die al te zeer om den
Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer
zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet,
dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans
waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het
noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden 's nachts beurtelings de
wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders
begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde,
waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten
zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen
en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.
De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder
aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo's aanzienlijk
was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht,
omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte
onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig
zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het
water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De
Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien
zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen
volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige
persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was
er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en
Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De
beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene
uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun
wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.
Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top
van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich
bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid, die daarin
bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname
door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht,
en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat
gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke
sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte
van den Scorzef berekenen kon.
Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden,
en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne
meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery
de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde,
en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek
dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen
den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer
dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging
te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk
eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren
vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens
zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik
der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men
had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers,
opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht
weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de
schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als
elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit,
gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met
zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou
verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of
het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker
gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman,
dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch
zij waren boven dergelijk lijden verheven.
»Bovendien is het niet verboden te jagen," zeide John Murray tegen den
Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe
dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar
dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen
hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten
bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van
Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der
schans om den berg nauwkeurig op te nemen.
De makololo's waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich
niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan
de belegerden door honger te dwingen!
De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was
in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik
gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters,
voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit
erica's met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op
de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd,
stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen,
die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den
naam niet kende. (Waarschijnlijk was het de ardunia bispinosa). Na
een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel
dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige
vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele
vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug
te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting
van leeftocht te voorzien.
»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen," zeide John
Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond
en de prachtige watervlakte beschouwde.
»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de
vlucht grijpen," zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet
te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft,
en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren."
»Het toeval!" hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen
dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke
geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger
hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd,
en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het
zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!"
»En zal het ons voeden?" vroeg de Boschjesman.
»Zeker, vriend Mokum," antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval
slechts zijn plicht doen."
De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de
Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne
meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich
zelven de belofte af dit des noods te doen.
De dag van den 25sten Februari bracht geene verandering in den
toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo's bleven binnen
hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van
den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren
geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige
vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met
gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die
herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg
en scheen naar een voetpad te zoeken, dat hem des te zekerder op
den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig
naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo's met hun
krijgsgeschreeuw, schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden
met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.
Den 26sten Februari waagden de inlanders eene meer ernstige poging,
en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De
geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De
Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo's eenige
verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood,
en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat,
hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het
groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo's
den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle
kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om
de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het
voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend
verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp
langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te
krijgen. Echter waren de matrozen van de Queen and Tzar zoo behendig,
vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse
den 26sten in een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden
de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele
voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis
maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later
als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.
Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de
astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere
hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende
waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19°
37' 18'' 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te
zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder
te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij
zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun
meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op
den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.
De Makololo's herhaalden in den nacht van den 26sten op den 27sten
Februari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine
bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden
den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne
makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den
eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het
oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel
Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop
gericht, dat deze juist in het veld van den kijker zichtbaar was. Deze
voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer
moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot
hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van
den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden
en dan was de hoek bekend.
Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het
hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in
hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer
een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig,
want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maar pro domo sua, als men
ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan
toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden
was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen
dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij
op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen
door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen
en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John
Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één
dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider
tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans
spoedig tot het uiterste gebracht zijn.
Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen
doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch
de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel
was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De
kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden,
was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich
dus slechts met geduld wapenen en wachten.
Gedurende den 28sten Februari, at de kleine bezetting van den
Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van
deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich
ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet
te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.
De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens
of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek
het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder
verscheen.
Gedurende den dag van den 1sten Maart at men niet. Waarschijnlijk waren
de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame
voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan
zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid
hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgenden dag vreeselijk
lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet
geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch
konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich
eenigermate herstellen.
John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd
oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke
honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat
zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel
voorspeld had?
»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!" dacht de arme Murray,
»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild,
geen vogeltje!"
Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer
dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van de Queen and Tzar
hadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels,
die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.
Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten
zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten
hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving
maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich
onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand
van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden,
benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er
zich dus met genot aan over.
Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman
noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker
door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer,
beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en
ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.
Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en
handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen
alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging
maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was
evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg
te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van,
stak die in den mond en at ze met graagte op.
»He, foei, Mokum!" zeide de Engelschman, die misselijk werd van
deze gulzigheid.
»Eet, eet, doe zooals ik!" antwoordde de jager, zonder tijd te
verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!...."
Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De
Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee
soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgens
hen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect
als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden
van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijk
met de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger
voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en
Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.
Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door
een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman
zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij
millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje
waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene
handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij
vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne
maag langzamerhand bedaren.
Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans
en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet
bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien
aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch
het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die
half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te
stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.
Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers
vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te
verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest
vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig
heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd
was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het
nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het
was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord
werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk,
en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij
deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor
duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te
zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij
hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van
een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten
weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen
de zorg over om ze in zakken te stoppen.
Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was
een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare
lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen
staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn
bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.
Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.
»Daar hebben wij ons gebraad, heeren," zeide de Boschjesman. »Wij
hebben er lang op moeten wachten, maar 't zal daarom niet minder
lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij
zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!"
De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en
schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook
bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika
zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk
een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de
nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en
slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met
mieren bedekt weder intrekt.
Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige
minuten bradens aan, doch de honger maakte hen ongeduldig! De helft
van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde
vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur
doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop
van die dappere Europeanen er door verlevendigd!
En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want
den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den
Volquiria!