XX.

Acht dagen op den top van den Scorzef.

Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat

hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke

gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in

eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers

moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust

door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien

mocht men veronderstellen dat de Makololo's, die al te zeer om den

Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer

zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet,

dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans

waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het

noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden 's nachts beurtelings de

wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders

begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde,

waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten

zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen

en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.

De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder

aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo's aanzienlijk

was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht,

omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte

onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig

zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het

water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De

Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien

zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen

volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige

persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was

er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en

Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De

beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene

uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun

wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.

Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top

van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich

bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid, die daarin

bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname

door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht,

en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat

gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke

sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte

van den Scorzef berekenen kon.

Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden,

en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne

meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery

de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde,

en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek

dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen

den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer

dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging

te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk

eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren

vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens

zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik

der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men

had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers,

opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht

weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de

schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als

elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit,

gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met

zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou

verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of

het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker

gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman,

dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch

zij waren boven dergelijk lijden verheven.

»Bovendien is het niet verboden te jagen," zeide John Murray tegen den

Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe

dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar

dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen

hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten

bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van

Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der

schans om den berg nauwkeurig op te nemen.

De makololo's waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich

niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan

de belegerden door honger te dwingen!

De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was

in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik

gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters,

voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit

erica's met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op

de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd,

stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen,

die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den

naam niet kende. (Waarschijnlijk was het de ardunia bispinosa). Na

een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel

dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige

vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele

vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug

te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting

van leeftocht te voorzien.

»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen," zeide John

Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond

en de prachtige watervlakte beschouwde.

»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de

vlucht grijpen," zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet

te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft,

en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren."

»Het toeval!" hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen

dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke

geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger

hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd,

en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het

zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!"

»En zal het ons voeden?" vroeg de Boschjesman.

»Zeker, vriend Mokum," antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval

slechts zijn plicht doen."

De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de

Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne

meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich

zelven de belofte af dit des noods te doen.

De dag van den 25sten Februari bracht geene verandering in den

toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo's bleven binnen

hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van

den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren

geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige

vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met

gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die

herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg

en scheen naar een voetpad te zoeken, dat hem des te zekerder op

den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig

naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo's met hun

krijgsgeschreeuw, schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden

met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.

Den 26sten Februari waagden de inlanders eene meer ernstige poging,

en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De

geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De

Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo's eenige

verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood,

en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat,

hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het

groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo's

den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle

kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om

de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het

voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend

verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp

langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te

krijgen. Echter waren de matrozen van de Queen and Tzar zoo behendig,

vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse

den 26sten in een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden

de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele

voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis

maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later

als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.

Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de

astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere

hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende

waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19°

37' 18'' 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te

zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder

te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij

zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun

meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op

den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.

De Makololo's herhaalden in den nacht van den 26sten op den 27sten

Februari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine

bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden

den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne

makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den

eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het

oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel

Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop

gericht, dat deze juist in het veld van den kijker zichtbaar was. Deze

voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer

moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot

hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van

den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden

en dan was de hoek bekend.

Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het

hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in

hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer

een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig,

want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maar pro domo sua, als men

ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan

toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden

was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen

dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij

op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen

door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen

en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John

Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één

dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider

tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans

spoedig tot het uiterste gebracht zijn.

Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen

doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch

de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel

was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De

kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden,

was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich

dus slechts met geduld wapenen en wachten.

Gedurende den 28sten Februari, at de kleine bezetting van den

Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van

deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich

ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet

te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.

De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens

of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek

het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder

verscheen.

Gedurende den dag van den 1sten Maart at men niet. Waarschijnlijk waren

de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame

voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan

zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid

hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgenden dag vreeselijk

lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet

geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch

konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich

eenigermate herstellen.

John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd

oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke

honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat

zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel

voorspeld had?

»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!" dacht de arme Murray,

»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild,

geen vogeltje!"

Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer

dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van de Queen and Tzar

hadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels,

die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.

Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten

zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten

hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving

maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich

onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand

van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden,

benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er

zich dus met genot aan over.

Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman

noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker

door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer,

beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en

ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.

Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en

handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen

alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging

maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was

evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg

te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van,

stak die in den mond en at ze met graagte op.

»He, foei, Mokum!" zeide de Engelschman, die misselijk werd van

deze gulzigheid.

»Eet, eet, doe zooals ik!" antwoordde de jager, zonder tijd te

verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!...."

Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De

Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee

soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgens

hen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect

als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden

van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijk

met de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger

voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en

Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.

Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door

een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman

zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij

millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje

waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene

handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij

vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne

maag langzamerhand bedaren.

Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans

en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet

bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien

aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch

het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die

half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te

stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.

Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers

vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te

verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest

vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig

heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd

was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het

nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het

was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord

werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk,

en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij

deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor

duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te

zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij

hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van

een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten

weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen

de zorg over om ze in zakken te stoppen.

Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was

een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare

lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen

staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn

bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.

Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.

»Daar hebben wij ons gebraad, heeren," zeide de Boschjesman. »Wij

hebben er lang op moeten wachten, maar 't zal daarom niet minder

lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij

zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!"

De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en

schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook

bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika

zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk

een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de

nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en

slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met

mieren bedekt weder intrekt.

Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige

minuten bradens aan, doch de honger maakte hen ongeduldig! De helft

van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde

vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur

doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop

van die dappere Europeanen er door verlevendigd!

En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want

den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den

Volquiria!

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 23 / 41 题