Meten of sterven.
De woorden van kolonel Everest werden met gejuich ontvangen. Tegenover
die Makololo's en het gemeenschappelijk gevaar vergaten Russen en
Engelschen den internationalen oorlog en konden zich slechts tot
gemeenschappelijke verdediging vereenigen. De toestand beheerschte
alles, en inderdaad was de Engelsch-Russische commissie tegenover
den vijand veel sterker en eendrachtiger vereenigd dan ooit te
voren. William Emery en Michel Zorn waren in elkanders armen
gevallen. De andere Europeanen hadden hun nieuw verbond met een
handdruk bekrachtigd.
Het eerste werk der Engelschen was om hun dorst te lesschen; het water
uit het meer ontbrak in de Russische legerplaats niet. Onder eene
kazemat, die een gedeelte uitmaakte van eene verlaten schans op den
top van den Scorzef, verhaalden de Europeanen elkander wat er sedert
hunne scheiding te Kolobeng gebeurd was. Gedurende dien tijd hielden
de matrozen de Makololo's in het oog, die hun eenige rust gaven.
Waarom bevonden de Russen zich op dien bergtop, zoover links van
hun meridiaan? Om dezelfde reden die de Engelschen rechts daarvan
deed verschijnen. De Scorzef was ongeveer halfweg tusschen de beide
meridianen in gelegen, en de eenige hoogte in deze streek, die aan
den oever van het meer Ngami als signaal dienen kon. Het was dus zeer
natuurlijk dat de beide commissiën elkander ontmoetten op de eenige
hoogte, die hen bij hunne waarnemingen helpen kon. De Engelsche
en Russische meridianen eindigden op twee vrij ver van elkander
verwijderde punten beiden aan het meer. Daarom moesten de waarnemers
de zuidelijke en noordelijke oevers door geodesische opmeting met
elkander verbinden.
Daarop trad Strux in eenige bijzonderheden over den door hen
volbrachten arbeid. Van Kolobeng af was de driehoeksmeting zonder
ongeval geschied. Deze eerste meridiaan, die het lot aan de Russen
had toegewezen, liep door een vruchtbaar, zeer weinig golvend terrein,
dat de meting van een net van driehoeken zeer gemakkelijk maakte. De
Russische sterrekundigen hadden evenals de Engelschen veel te lijden
gehad van de ontzettende hitte, maar niet van het gebrek aan water. Er
was overvloed van riviertjes in deze streek, en deze onderhielden er
eene heilzame vochtigheid. Paarden en ossen waren dus om zoo te zeggen
voortdurend door onmetelijke groene weilanden getrokken, die hier en
daar door bosschen en kreupelhout waren doorsneden. Door 's nachts
vuren aan te steken, had men de wilde dieren van de legerplaatsen
verwijderd kunnen houden. De bevolking bestond uit de bewoners van
die dorpen en kralen, waar dokter Livingstone bijna altijd gastvrij
ontvangen was. De Boschjesmannen hadden op die reis dus geene reden tot
klagen gehad. Den 20sten Februari bereikten de Russen den Scorzef,
en waren er sinds zesendertig uren gevestigd toen de Makololo's
ten getale van drie- of vierhonderd in de vlakte verschenen. De
verschrikte Boschjesmannen verlieten aanstonds de karavaan en lieten
de Russen aan zich zelven over. De Makololo's begonnen de wagens, die
aan den voet van den berg stonden, te plunderen; maar gelukkig waren de
instrumenten bij de aankomst aanstonds in de schans geborgen. Bovendien
was de stoomboot onbeschadigd, want de Russen hadden vóór de komst der
plunderaars den tijd gehad haar in elkander te zetten en thans lag zij
te dobberen in een kleinen inham van het meer. Aan dien kant rezen
de zijden van den berg bijna loodrecht uit het meer omhoog, zoodat
men daar niet kon aangevallen worden; doch aan den zuidkant kon de
helling van den berg gemakkelijk beklommen worden, en bij den aanval,
dien zij beproefd hadden, zouden de Makololo's misschien tot aan de
schans zijn doorgedrongen zonder de toevallige komst der Engelschen.
Zoo was in hoofdtrekken het verhaal van Mathieu Strux. Kolonel
Everest deelde hem op zijne beurt mede, wat hun op zijn tocht naar
het noorden overkomen was, het lijden en de afmatting der karavaan,
den opstand der Boschjesmannen, de moeilijkheden en hinderpalen, die
men had moeten overwinnen. Daaruit bleek, dat de Russen sedert hun
vertrek van Kolobeng vrij wat meer begunstigd waren dan de Engelschen.
De nacht van 21 op 22 Februari ging zonder ongeval voorbij. De
Boschjesman en de matrozen hadden aan den voet van de schans de wacht
gehouden. De Makololo's vernieuwden den aanval niet; maar eenige
vuren aan den voet van den berg bewezen dat die roovers nog altijd
op dezelfde plaats lagen en hun plan nog niet hadden opgegeven.
Den volgenden dag, 22 Februari, kwamen de Europeanen bij het aanbreken
van den dag uit de kazemat te voorschijn om het oog over de vlakte te
laten weiden. De eerste morgenschemering verlichtte in een oogwenk
de geheele uitgestrekte vlakte tot aan de uiterste grenzen van den
gezichteinder. Aan de zuidzijde zag men de woestijn met haar geelachtig
zand, met haar verbrand gras, en haar dor uiterlijk. Aan den voet des
bergs was het kamp opgeslagen, waarin vier of vijfhonderd inlanders
door elkander krioelden. Hunne vuren brandden nog. Eenige stukken
wildbraad werden op gloeiende kolen geroosterd. Het was duidelijk,
dat de Makololo's de plaats niet wilden verlaten, hoewel zij zich reeds
hadden meester gemaakt van al wat de karavaan kostbaars bezat, al het
materieel, de wagens, paarden, ossen en levensvoorraad. De buit was hun
zonder twijfel niet voldoende, en na de Europeanen vermoord te hebben,
wilden zij zich zeker van hunne wapenen meester maken, waarvan de
kolonel en de zijnen zulk een verschrikkelijk gebruik hadden gemaakt.
Na het kamp te hebben opgenomen, hadden de Engelsche en Russische
geleerden een langdurig onderhoud met den Boschjesman; men moest een
bepaald besluit nemen, doch dit zou afhangen van zekeren samenloop
van omstandigheden, en bovendien moest men eerst nauwkeurig de ligging
van den Scorzef bepalen.
De astronomen wisten reeds dat deze berg aan de zuidzijde begrensd werd
door de onmetelijke vlakte, die zich tot aan de karrou uitstrekte; ten
oosten en westen was het de woestijn, doch in hare kleinste breedte. In
het westen kon men aan den gezichteinder flauw den omtrek zien van de
heuvels, die het vruchtbare land der Makololo's begrenzen, en welks
hoofdstad, Maketo, op ongeveer honderd kilometers noordoostelijk van
het meer Ngami ligt.
In het noorden daarentegen werd de Scorzef door eene geheele
andere landstreek begrensd. Welk een onderscheid met de woeste
steppen in het zuiden! Water, boomen, weilanden en al die planten,
die eene voortdurende vochtigheid tot onderhoud behoeven! Over eene
uitgestrektheid van minstens honderd kilometers strekte zich oost-
en westwaarts het schoone water van het meer uit, en weerkaatste het
de stralen der opkomende zon. Het meer had juist in deze richting
zijne grootste breedte. Maar van het noorden naar het zuiden was het
niet meer dan dertig of veertig kilometers breed. Aan de oostzijde
scheen de grond zacht op te loopen, en leverde met zijne bosschen,
weilanden en rivieren (zijtakken van de Liambi en Zambese) een even
rijk als afwisselend panorama op, verschillend van uitzicht, terwijl
geheel in het noorden, maar op minstens tachtig kilometers afstand,
eene rij kleine bergen het geheel schilderachtig omlijstte. Eene
schoone landstreek, eene oase in de woestijn! De grond was uitstekend
bevochtigd door een net van kleine beken, en ademde leven en
groeikracht. Het was de Zambese, de groote stroom die door hare
zijtakken deze wonderbare groeikracht onderhield! Hij mag met recht
de onmetelijke slagader genoemd worden, die voor zuidelijk Afrika is
wat de Donau is voor Europa en de Maranon voor Zuid-Amerika.
Zoo was het panorama dat zich voor de blikken der Europeanen
ontrolde. Wat den Scorzef betreft, deze verhief zich op den oever van
het meer, en zooals Mathieu Strux reeds gezegd had, rezen de wanden
van den berg loodrecht uit het water omhoog. Maar geen helling is
zoo steil of een zeeman kan er wel op en af en langs een zeer sterk
glooiend pad hadden deze toch het meer bereikt, waar de stoomboot
voor anker lag. Men was dus zeker van water in overvloed te hebben,
en de kleine bezetting kon, zoolang de levensmiddelen duurden, het
achter de muren der verlaten schans wel uithouden.
Maar hoe kwam deze schans in de woestijn op den top van dien
berg? Men vroeg er Mokum naar, die deze streek reeds als gids van
dokter Livingstone bereisd had; hij antwoordde ongeveer het volgende:
de omtrek van het meer Ngami werd oudtijds dikwijls bezocht door
ivoor- en elpenbeenhandelaars; het ivoor wordt door olifanten en
neushoorns geleverd; het elpenbeen is het menschenvleesch, dat levende
vleesch waarin de slavenhandelaars handelen. Het geheele land van de
Zambese wordt nog bezocht door die ellendige vreemdelingen die den
slavenhandel drijven. Oorlogen, twisten en plundering verschaffen
eene groote menigte gevangenen, die als slaven verkocht worden. Juist
langs dezen oever van het meer trokken nu de handelaars naar het
westen. Vroeger was de Scorzef het middelpunt van de legerplaatsen
der karavanen. Daar rustten zij uit voordat zij langs de Zambese naar
hare monding trokken. De kooplieden hadden derhalve deze stelling
versterkt om zich met hunne slaven te verdedigen tegen plunderaars,
want het gebeurde niet zelden dat inlandsche gevangenen weder werden
weggehaald door hen, die ze eerst verkocht hadden, om ze dan op nieuw
te verhandelen.
Zóó was deze schans ontstaan, maar op dit tijdstip was zij zeer in
verval. De weg voor den karavaanhandel had zich verlegd. Het meer zag
die kooplieden niet meer aan zijne oevers; de Scorzef behoefde niet
meer verdedigd te worden, en de muren, die er omheen stonden vielen
in puin. Van die schans was niets meer over dan eene omwalling in den
vorm van een cirkelsector, welks boog naar het zuiden, en waarvan de
koorde noordwaarts gekeerd was. In het midden verhief zich eene met
kazematten voorziene redoute met schietgaten, en waarboven een klein
houten koepeltje uitstak, dat door den afstand verkleind, tot mikpunt
voor den kijker van kolonel Everest gediend had. Maar hoe vervallen
ook, toch bood de schans nog eene vrij zekere schuilplaats voor
de Europeanen aan. Achter die van dikken zandsteen gebouwde muren,
en gewapend als zij waren met achterladers, konden de astronomen en
matrozen het tegen een geheel leger Makololo's uithouden, zoolang
zij levensmiddelen en amunitie hadden, en misschien zelfs hunnen
geodesischen arbeid ten einde brengen.
De kolonel en zijne makkers hadden amunitie in overvloed, want de kist,
die deze bevatte had in den wagen gestaan, waarmede de stoomboot
vervoerd was, en zooals men weet, hadden de plunderaars zich van
dezen wagen niet meester gemaakt.
Wat levensmiddelen aangaat, dat was een andere vraag; daarin bestond
juist de moeilijkheid; de provisiewagens waren geplunderd. In de
schans was niet meer voorhanden dan om de achttien mannen gedurende
twee dagen te voeden. Dit bleek uit eene nauwkeurige lijst, die
daarvan door den kolonel en Mathieu Strux werd opgemaakt.
Toen de lijst opgemaakt en een zeer sober ontbijt genuttigd was,
vereenigden de astronomen en de Boschjesman zich in de kazemat,
terwijl de matrozen goed de wacht hielden om de muren der schans.
Men besprak met elkander het gebrek aan levensmiddelen en wist niet
op welke wijze daarin te voorzien, toen de jager het volgende in
't midden bracht:
»Gij bekommert u over gebrek aan levensmiddelen, en ik zie waarlijk
niet in, waarom u dit zoo kan verontrusten. Wij hebben slechts voor
twee dagen voorraad, zegt gij? Maar wie noodzaakt ons nog twee dagen
in de schans te blijven? Kunnen wij haar niet vandaag of morgen
verlaten? Wie belet het ons? De Makololo's? Maar zij loopen voor
zoover ik weet, nog niet over het water van het meer, en met de
stoomboot neem ik aan u binnen weinige uren aan de noordzijde van
het meer neder te zetten."
Op dit voorstel keken de geleerden elkander en den Boschjesman
aan. Het scheen inderdaad alsof dit zoo natuurlijke denkbeeld geen
van allen in het hoofd was gekomen. En inderdaad, zij hadden daaraan
niet gedacht! Deze gedachte kon ook bij die stoutmoedige mannen niet
opkomen, die bij dezen gedenkwaardigen tocht tot het einde toe de
helden der wetenschap zijn moesten.
John Murray vatte het eerst het woord op, en antwoordde den
Boschjesman:
»Maar dappere Boschjesman, wij hebben onze taak niet volbracht."
»Welke taak?"
»Het meten van den meridiaan!"
»Denkt gij dan," hernam de jager, »dat die Makololo's wat om uw
meridiaan geven?"
»Het is mogelijk dat zij er niets om geven," hernam John Murray,
»maar wij geven er om, wij zullen deze onderneming niet in den steek
laten. Is dat uwe meening ook niet, waarde ambtgenooten?"
»Zoo denken wij er ook over," antwoordde de kolonel, die uit aller naam
sprak en daardoor de tolk was van de gevoelens, die door allen gedeeld
werden. »Wij zullen de meting van den meridiaan niet opgeven! Zoolang
één van ons zal overblijven, zoolang één onzer nog door een kijker
zien kan, zal de driehoeksmeting worden voortgezet. Wij zullen als
't noodig is met het geweer in de eene en onzen kijker in de andere
hand onze waarnemingen voortzetten, maar wij zullen tot onzen laatsten
ademtocht volhouden."
»Hoezee voor Engeland! Hoezee voor Rusland!" riepen deze moedige
geleerden, die de wetenschap stelden boven elk gevaar. De Boschjesman
keek zijne metgezellen een oogenblik aan en antwoordde niet: hij had
het begrepen.
Het sprak dus van zelf dat de meting zou worden voortgezet. Maar
zouden de plaatselijke moeilijkheden, dat meer, de keuze van een goed
station, de uitvoering niet beletten? Deze vraag werd aan Mathieu
Strux gedaan. De Russische astronoom die reeds twee dagen op den
Scorzef zat, moest deze vraag kunnen beantwoorden.
»Mijne heeren," zeide hij, »het werk zal moeilijk en omslachtig
zijn, het zal veel geduld en ijver vorderen, maar het is niet
onuitvoerbaar. Want wat is de zaak? Om den Scorzef met een station ten
noorden van het meer te verbinden? Bestaat er zulk een station? Ja het
bestaat, en ik heb aan den gezichteinder reeds een bergtop uitgekozen,
die als mikpunt voor onze kijkers dienen kan. Hij verheft zich ten
noordwesten van het meer, zoodat deze zijde van den driehoek het meer
Ngami in schuine richting zal snijden."
»Welnu," zeide de kolonel, »als er zulk een punt bestaat, waar zit
dan de moeilijkheid?"
»De moeilijkheid," antwoordde Mathieu Strux, »zit in den afstand,
die den Scorzef van dien bergtop scheidt!"
»Hoe groot is die afstand?" vroeg Everest.
»Ten minste honderdtwintig kilometers."
»Onze kijker zal dien afstand overschrijden."
»Maar men zal een vuur op den top moeten aansteken."
»Dat zal gebeuren."
»Dat vuur moet daar worden heen gebracht."
»Dat zal ook gebeuren."
»En gedurende dien tijd zal men zich tegen de Makololo's moeten
verdedigen," voegde de Boschjesman er bij.
»Dit zal ook geschieden."
»Mijne heeren," zeide Mokum, »ik ben tot uw dienst en ik zal alles
doen wat gij mij zult opdragen...."
Met deze woorden van den getrouwen jager eindigde een gesprek, waarvan
de toekomst der wetenschappelijke onderneming afhing. Met dezelfde
gedachte bezield en besloten zich zoo noodig op te offeren, verlieten
de geleerden de kazemat en namen het land op dat zich ten noorden van
het meer uitstrekte. Mathieu Strux wees den bergtop aan, dien hij had
uitgekozen. Het was de top van den Volquiria, een soort van kegel,
die door den verren afstand nauwelijks zichtbaar was. Hij verhief zich
tot eene aanzienlijke hoogte, en niettegenstaande den grooten afstand,
zou een groote electrieke lantaarn door den kijker wel gezien kunnen
worden als men slechts een veel vergrootend oculair gebruikte. Maar
die lantaarn moest men op meer dan honderd kilometers van den Scorzef
en op den top van een berg overbrengen. Dit was de grootste, maar
geen onoverkomelijke moeilijkheid. De hoek dien de Scorzef aan de
eene zijde met den Volquiria, en aan den anderen kant met het vorige
station vormde, zou de meting van den meridiaan waarschijnlijk ten
einde brengen, want de Volquiria moest dicht bij den twintigsten
parallel liggen. Men begrijpt dus al het belang van deze waarneming,
en met welk een ijver de astronomen daarvan de moeilijkheid trachtten
te overwinnen.
Voor alles moest men beproeven den lantaarn te plaatsen. Daarvoor moest
men honderd kilometers door eene onbekende streek afleggen. Michel
Zorn en William Emery boden zich daarvoor aan; hun aanbod werd
aangenomen. De gids stemde er in toe hen te vergezellen, zoodat zij
zich aanstonds gereed maakten om te vertrekken.
Zij wilden de stoomboot niet gebruiken; deze moest ter beschikking
blijven van hunne makkers, die misschien verplicht zouden zijn zich
met spoed te verwijderen, als zij hunne waarneming hadden volbracht. Om
het meer over te steken was het voldoende van berkenschors eene boot te
vervaardigen, die licht en sterk was, en die de inboorlingen in weinige
uren kunnen maken. Mokum en de gids daalden naar den oever af, waar
eenige kleine berken groeiden, en hadden het werk spoedig verricht.
Om acht uren 's avonds had men de instrumenten, de electrieke
lantaarns, eenige levensmiddelen, wapenen en amunitie in de boot
geladen. Men sprak af dat men elkander terug zou vinden aan den
zuidelijken oever van het meer, in eene kreek die de Boschjesman en
de gids beiden kenden. Bovendien zou de kolonel, zoodra de lantaarn
op den Volquiria waargenomen en de hoek berekend was, op den top van
den Scorzef een vuur ontsteken, opdat Michel Zorn en William Emery
evenzeer die plaats konden waarnemen en bepalen.
Na afscheid van hunne makkers te hebben genomen, verlieten de reizigers
de schans en daalden in de sloep af. De gids, een Engelsch en een
Russisch matroos waren reeds vooruitgegaan.
Het was stikdonker; het touw werd losgemaakt en de lichte boot gleed
door de kracht der riemen stil over het water van het meer.