XIX.

Meten of sterven.

De woorden van kolonel Everest werden met gejuich ontvangen. Tegenover

die Makololo's en het gemeenschappelijk gevaar vergaten Russen en

Engelschen den internationalen oorlog en konden zich slechts tot

gemeenschappelijke verdediging vereenigen. De toestand beheerschte

alles, en inderdaad was de Engelsch-Russische commissie tegenover

den vijand veel sterker en eendrachtiger vereenigd dan ooit te

voren. William Emery en Michel Zorn waren in elkanders armen

gevallen. De andere Europeanen hadden hun nieuw verbond met een

handdruk bekrachtigd.

Het eerste werk der Engelschen was om hun dorst te lesschen; het water

uit het meer ontbrak in de Russische legerplaats niet. Onder eene

kazemat, die een gedeelte uitmaakte van eene verlaten schans op den

top van den Scorzef, verhaalden de Europeanen elkander wat er sedert

hunne scheiding te Kolobeng gebeurd was. Gedurende dien tijd hielden

de matrozen de Makololo's in het oog, die hun eenige rust gaven.

Waarom bevonden de Russen zich op dien bergtop, zoover links van

hun meridiaan? Om dezelfde reden die de Engelschen rechts daarvan

deed verschijnen. De Scorzef was ongeveer halfweg tusschen de beide

meridianen in gelegen, en de eenige hoogte in deze streek, die aan

den oever van het meer Ngami als signaal dienen kon. Het was dus zeer

natuurlijk dat de beide commissiën elkander ontmoetten op de eenige

hoogte, die hen bij hunne waarnemingen helpen kon. De Engelsche

en Russische meridianen eindigden op twee vrij ver van elkander

verwijderde punten beiden aan het meer. Daarom moesten de waarnemers

de zuidelijke en noordelijke oevers door geodesische opmeting met

elkander verbinden.

Daarop trad Strux in eenige bijzonderheden over den door hen

volbrachten arbeid. Van Kolobeng af was de driehoeksmeting zonder

ongeval geschied. Deze eerste meridiaan, die het lot aan de Russen

had toegewezen, liep door een vruchtbaar, zeer weinig golvend terrein,

dat de meting van een net van driehoeken zeer gemakkelijk maakte. De

Russische sterrekundigen hadden evenals de Engelschen veel te lijden

gehad van de ontzettende hitte, maar niet van het gebrek aan water. Er

was overvloed van riviertjes in deze streek, en deze onderhielden er

eene heilzame vochtigheid. Paarden en ossen waren dus om zoo te zeggen

voortdurend door onmetelijke groene weilanden getrokken, die hier en

daar door bosschen en kreupelhout waren doorsneden. Door 's nachts

vuren aan te steken, had men de wilde dieren van de legerplaatsen

verwijderd kunnen houden. De bevolking bestond uit de bewoners van

die dorpen en kralen, waar dokter Livingstone bijna altijd gastvrij

ontvangen was. De Boschjesmannen hadden op die reis dus geene reden tot

klagen gehad. Den 20sten Februari bereikten de Russen den Scorzef,

en waren er sinds zesendertig uren gevestigd toen de Makololo's

ten getale van drie- of vierhonderd in de vlakte verschenen. De

verschrikte Boschjesmannen verlieten aanstonds de karavaan en lieten

de Russen aan zich zelven over. De Makololo's begonnen de wagens, die

aan den voet van den berg stonden, te plunderen; maar gelukkig waren de

instrumenten bij de aankomst aanstonds in de schans geborgen. Bovendien

was de stoomboot onbeschadigd, want de Russen hadden vóór de komst der

plunderaars den tijd gehad haar in elkander te zetten en thans lag zij

te dobberen in een kleinen inham van het meer. Aan dien kant rezen

de zijden van den berg bijna loodrecht uit het meer omhoog, zoodat

men daar niet kon aangevallen worden; doch aan den zuidkant kon de

helling van den berg gemakkelijk beklommen worden, en bij den aanval,

dien zij beproefd hadden, zouden de Makololo's misschien tot aan de

schans zijn doorgedrongen zonder de toevallige komst der Engelschen.

Zoo was in hoofdtrekken het verhaal van Mathieu Strux. Kolonel

Everest deelde hem op zijne beurt mede, wat hun op zijn tocht naar

het noorden overkomen was, het lijden en de afmatting der karavaan,

den opstand der Boschjesmannen, de moeilijkheden en hinderpalen, die

men had moeten overwinnen. Daaruit bleek, dat de Russen sedert hun

vertrek van Kolobeng vrij wat meer begunstigd waren dan de Engelschen.

De nacht van 21 op 22 Februari ging zonder ongeval voorbij. De

Boschjesman en de matrozen hadden aan den voet van de schans de wacht

gehouden. De Makololo's vernieuwden den aanval niet; maar eenige

vuren aan den voet van den berg bewezen dat die roovers nog altijd

op dezelfde plaats lagen en hun plan nog niet hadden opgegeven.

Den volgenden dag, 22 Februari, kwamen de Europeanen bij het aanbreken

van den dag uit de kazemat te voorschijn om het oog over de vlakte te

laten weiden. De eerste morgenschemering verlichtte in een oogwenk

de geheele uitgestrekte vlakte tot aan de uiterste grenzen van den

gezichteinder. Aan de zuidzijde zag men de woestijn met haar geelachtig

zand, met haar verbrand gras, en haar dor uiterlijk. Aan den voet des

bergs was het kamp opgeslagen, waarin vier of vijfhonderd inlanders

door elkander krioelden. Hunne vuren brandden nog. Eenige stukken

wildbraad werden op gloeiende kolen geroosterd. Het was duidelijk,

dat de Makololo's de plaats niet wilden verlaten, hoewel zij zich reeds

hadden meester gemaakt van al wat de karavaan kostbaars bezat, al het

materieel, de wagens, paarden, ossen en levensvoorraad. De buit was hun

zonder twijfel niet voldoende, en na de Europeanen vermoord te hebben,

wilden zij zich zeker van hunne wapenen meester maken, waarvan de

kolonel en de zijnen zulk een verschrikkelijk gebruik hadden gemaakt.

Na het kamp te hebben opgenomen, hadden de Engelsche en Russische

geleerden een langdurig onderhoud met den Boschjesman; men moest een

bepaald besluit nemen, doch dit zou afhangen van zekeren samenloop

van omstandigheden, en bovendien moest men eerst nauwkeurig de ligging

van den Scorzef bepalen.

De astronomen wisten reeds dat deze berg aan de zuidzijde begrensd werd

door de onmetelijke vlakte, die zich tot aan de karrou uitstrekte; ten

oosten en westen was het de woestijn, doch in hare kleinste breedte. In

het westen kon men aan den gezichteinder flauw den omtrek zien van de

heuvels, die het vruchtbare land der Makololo's begrenzen, en welks

hoofdstad, Maketo, op ongeveer honderd kilometers noordoostelijk van

het meer Ngami ligt.

In het noorden daarentegen werd de Scorzef door eene geheele

andere landstreek begrensd. Welk een onderscheid met de woeste

steppen in het zuiden! Water, boomen, weilanden en al die planten,

die eene voortdurende vochtigheid tot onderhoud behoeven! Over eene

uitgestrektheid van minstens honderd kilometers strekte zich oost-

en westwaarts het schoone water van het meer uit, en weerkaatste het

de stralen der opkomende zon. Het meer had juist in deze richting

zijne grootste breedte. Maar van het noorden naar het zuiden was het

niet meer dan dertig of veertig kilometers breed. Aan de oostzijde

scheen de grond zacht op te loopen, en leverde met zijne bosschen,

weilanden en rivieren (zijtakken van de Liambi en Zambese) een even

rijk als afwisselend panorama op, verschillend van uitzicht, terwijl

geheel in het noorden, maar op minstens tachtig kilometers afstand,

eene rij kleine bergen het geheel schilderachtig omlijstte. Eene

schoone landstreek, eene oase in de woestijn! De grond was uitstekend

bevochtigd door een net van kleine beken, en ademde leven en

groeikracht. Het was de Zambese, de groote stroom die door hare

zijtakken deze wonderbare groeikracht onderhield! Hij mag met recht

de onmetelijke slagader genoemd worden, die voor zuidelijk Afrika is

wat de Donau is voor Europa en de Maranon voor Zuid-Amerika.

Zoo was het panorama dat zich voor de blikken der Europeanen

ontrolde. Wat den Scorzef betreft, deze verhief zich op den oever van

het meer, en zooals Mathieu Strux reeds gezegd had, rezen de wanden

van den berg loodrecht uit het water omhoog. Maar geen helling is

zoo steil of een zeeman kan er wel op en af en langs een zeer sterk

glooiend pad hadden deze toch het meer bereikt, waar de stoomboot

voor anker lag. Men was dus zeker van water in overvloed te hebben,

en de kleine bezetting kon, zoolang de levensmiddelen duurden, het

achter de muren der verlaten schans wel uithouden.

Maar hoe kwam deze schans in de woestijn op den top van dien

berg? Men vroeg er Mokum naar, die deze streek reeds als gids van

dokter Livingstone bereisd had; hij antwoordde ongeveer het volgende:

de omtrek van het meer Ngami werd oudtijds dikwijls bezocht door

ivoor- en elpenbeenhandelaars; het ivoor wordt door olifanten en

neushoorns geleverd; het elpenbeen is het menschenvleesch, dat levende

vleesch waarin de slavenhandelaars handelen. Het geheele land van de

Zambese wordt nog bezocht door die ellendige vreemdelingen die den

slavenhandel drijven. Oorlogen, twisten en plundering verschaffen

eene groote menigte gevangenen, die als slaven verkocht worden. Juist

langs dezen oever van het meer trokken nu de handelaars naar het

westen. Vroeger was de Scorzef het middelpunt van de legerplaatsen

der karavanen. Daar rustten zij uit voordat zij langs de Zambese naar

hare monding trokken. De kooplieden hadden derhalve deze stelling

versterkt om zich met hunne slaven te verdedigen tegen plunderaars,

want het gebeurde niet zelden dat inlandsche gevangenen weder werden

weggehaald door hen, die ze eerst verkocht hadden, om ze dan op nieuw

te verhandelen.

Zóó was deze schans ontstaan, maar op dit tijdstip was zij zeer in

verval. De weg voor den karavaanhandel had zich verlegd. Het meer zag

die kooplieden niet meer aan zijne oevers; de Scorzef behoefde niet

meer verdedigd te worden, en de muren, die er omheen stonden vielen

in puin. Van die schans was niets meer over dan eene omwalling in den

vorm van een cirkelsector, welks boog naar het zuiden, en waarvan de

koorde noordwaarts gekeerd was. In het midden verhief zich eene met

kazematten voorziene redoute met schietgaten, en waarboven een klein

houten koepeltje uitstak, dat door den afstand verkleind, tot mikpunt

voor den kijker van kolonel Everest gediend had. Maar hoe vervallen

ook, toch bood de schans nog eene vrij zekere schuilplaats voor

de Europeanen aan. Achter die van dikken zandsteen gebouwde muren,

en gewapend als zij waren met achterladers, konden de astronomen en

matrozen het tegen een geheel leger Makololo's uithouden, zoolang

zij levensmiddelen en amunitie hadden, en misschien zelfs hunnen

geodesischen arbeid ten einde brengen.

De kolonel en zijne makkers hadden amunitie in overvloed, want de kist,

die deze bevatte had in den wagen gestaan, waarmede de stoomboot

vervoerd was, en zooals men weet, hadden de plunderaars zich van

dezen wagen niet meester gemaakt.

Wat levensmiddelen aangaat, dat was een andere vraag; daarin bestond

juist de moeilijkheid; de provisiewagens waren geplunderd. In de

schans was niet meer voorhanden dan om de achttien mannen gedurende

twee dagen te voeden. Dit bleek uit eene nauwkeurige lijst, die

daarvan door den kolonel en Mathieu Strux werd opgemaakt.

Toen de lijst opgemaakt en een zeer sober ontbijt genuttigd was,

vereenigden de astronomen en de Boschjesman zich in de kazemat,

terwijl de matrozen goed de wacht hielden om de muren der schans.

Men besprak met elkander het gebrek aan levensmiddelen en wist niet

op welke wijze daarin te voorzien, toen de jager het volgende in

't midden bracht:

»Gij bekommert u over gebrek aan levensmiddelen, en ik zie waarlijk

niet in, waarom u dit zoo kan verontrusten. Wij hebben slechts voor

twee dagen voorraad, zegt gij? Maar wie noodzaakt ons nog twee dagen

in de schans te blijven? Kunnen wij haar niet vandaag of morgen

verlaten? Wie belet het ons? De Makololo's? Maar zij loopen voor

zoover ik weet, nog niet over het water van het meer, en met de

stoomboot neem ik aan u binnen weinige uren aan de noordzijde van

het meer neder te zetten."

Op dit voorstel keken de geleerden elkander en den Boschjesman

aan. Het scheen inderdaad alsof dit zoo natuurlijke denkbeeld geen

van allen in het hoofd was gekomen. En inderdaad, zij hadden daaraan

niet gedacht! Deze gedachte kon ook bij die stoutmoedige mannen niet

opkomen, die bij dezen gedenkwaardigen tocht tot het einde toe de

helden der wetenschap zijn moesten.

John Murray vatte het eerst het woord op, en antwoordde den

Boschjesman:

»Maar dappere Boschjesman, wij hebben onze taak niet volbracht."

»Welke taak?"

»Het meten van den meridiaan!"

»Denkt gij dan," hernam de jager, »dat die Makololo's wat om uw

meridiaan geven?"

»Het is mogelijk dat zij er niets om geven," hernam John Murray,

»maar wij geven er om, wij zullen deze onderneming niet in den steek

laten. Is dat uwe meening ook niet, waarde ambtgenooten?"

»Zoo denken wij er ook over," antwoordde de kolonel, die uit aller naam

sprak en daardoor de tolk was van de gevoelens, die door allen gedeeld

werden. »Wij zullen de meting van den meridiaan niet opgeven! Zoolang

één van ons zal overblijven, zoolang één onzer nog door een kijker

zien kan, zal de driehoeksmeting worden voortgezet. Wij zullen als

't noodig is met het geweer in de eene en onzen kijker in de andere

hand onze waarnemingen voortzetten, maar wij zullen tot onzen laatsten

ademtocht volhouden."

»Hoezee voor Engeland! Hoezee voor Rusland!" riepen deze moedige

geleerden, die de wetenschap stelden boven elk gevaar. De Boschjesman

keek zijne metgezellen een oogenblik aan en antwoordde niet: hij had

het begrepen.

Het sprak dus van zelf dat de meting zou worden voortgezet. Maar

zouden de plaatselijke moeilijkheden, dat meer, de keuze van een goed

station, de uitvoering niet beletten? Deze vraag werd aan Mathieu

Strux gedaan. De Russische astronoom die reeds twee dagen op den

Scorzef zat, moest deze vraag kunnen beantwoorden.

»Mijne heeren," zeide hij, »het werk zal moeilijk en omslachtig

zijn, het zal veel geduld en ijver vorderen, maar het is niet

onuitvoerbaar. Want wat is de zaak? Om den Scorzef met een station ten

noorden van het meer te verbinden? Bestaat er zulk een station? Ja het

bestaat, en ik heb aan den gezichteinder reeds een bergtop uitgekozen,

die als mikpunt voor onze kijkers dienen kan. Hij verheft zich ten

noordwesten van het meer, zoodat deze zijde van den driehoek het meer

Ngami in schuine richting zal snijden."

»Welnu," zeide de kolonel, »als er zulk een punt bestaat, waar zit

dan de moeilijkheid?"

»De moeilijkheid," antwoordde Mathieu Strux, »zit in den afstand,

die den Scorzef van dien bergtop scheidt!"

»Hoe groot is die afstand?" vroeg Everest.

»Ten minste honderdtwintig kilometers."

»Onze kijker zal dien afstand overschrijden."

»Maar men zal een vuur op den top moeten aansteken."

»Dat zal gebeuren."

»Dat vuur moet daar worden heen gebracht."

»Dat zal ook gebeuren."

»En gedurende dien tijd zal men zich tegen de Makololo's moeten

verdedigen," voegde de Boschjesman er bij.

»Dit zal ook geschieden."

»Mijne heeren," zeide Mokum, »ik ben tot uw dienst en ik zal alles

doen wat gij mij zult opdragen...."

Met deze woorden van den getrouwen jager eindigde een gesprek, waarvan

de toekomst der wetenschappelijke onderneming afhing. Met dezelfde

gedachte bezield en besloten zich zoo noodig op te offeren, verlieten

de geleerden de kazemat en namen het land op dat zich ten noorden van

het meer uitstrekte. Mathieu Strux wees den bergtop aan, dien hij had

uitgekozen. Het was de top van den Volquiria, een soort van kegel,

die door den verren afstand nauwelijks zichtbaar was. Hij verhief zich

tot eene aanzienlijke hoogte, en niettegenstaande den grooten afstand,

zou een groote electrieke lantaarn door den kijker wel gezien kunnen

worden als men slechts een veel vergrootend oculair gebruikte. Maar

die lantaarn moest men op meer dan honderd kilometers van den Scorzef

en op den top van een berg overbrengen. Dit was de grootste, maar

geen onoverkomelijke moeilijkheid. De hoek dien de Scorzef aan de

eene zijde met den Volquiria, en aan den anderen kant met het vorige

station vormde, zou de meting van den meridiaan waarschijnlijk ten

einde brengen, want de Volquiria moest dicht bij den twintigsten

parallel liggen. Men begrijpt dus al het belang van deze waarneming,

en met welk een ijver de astronomen daarvan de moeilijkheid trachtten

te overwinnen.

Voor alles moest men beproeven den lantaarn te plaatsen. Daarvoor moest

men honderd kilometers door eene onbekende streek afleggen. Michel

Zorn en William Emery boden zich daarvoor aan; hun aanbod werd

aangenomen. De gids stemde er in toe hen te vergezellen, zoodat zij

zich aanstonds gereed maakten om te vertrekken.

Zij wilden de stoomboot niet gebruiken; deze moest ter beschikking

blijven van hunne makkers, die misschien verplicht zouden zijn zich

met spoed te verwijderen, als zij hunne waarneming hadden volbracht. Om

het meer over te steken was het voldoende van berkenschors eene boot te

vervaardigen, die licht en sterk was, en die de inboorlingen in weinige

uren kunnen maken. Mokum en de gids daalden naar den oever af, waar

eenige kleine berken groeiden, en hadden het werk spoedig verricht.

Om acht uren 's avonds had men de instrumenten, de electrieke

lantaarns, eenige levensmiddelen, wapenen en amunitie in de boot

geladen. Men sprak af dat men elkander terug zou vinden aan den

zuidelijken oever van het meer, in eene kreek die de Boschjesman en

de gids beiden kenden. Bovendien zou de kolonel, zoodra de lantaarn

op den Volquiria waargenomen en de hoek berekend was, op den top van

den Scorzef een vuur ontsteken, opdat Michel Zorn en William Emery

evenzeer die plaats konden waarnemen en bepalen.

Na afscheid van hunne makkers te hebben genomen, verlieten de reizigers

de schans en daalden in de sloep af. De gids, een Engelsch en een

Russisch matroos waren reeds vooruitgegaan.

Het was stikdonker; het touw werd losgemaakt en de lichte boot gleed

door de kracht der riemen stil over het water van het meer.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 22 / 41 题