XVIII.

De woestijn.

Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers

uitstrekte, en toen den 25sten December kolonel Everest en de zijnen,

na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun

achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens der karrou kwamen,

zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten

en het dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last-

en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek

aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren

in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter

bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand,

en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is

en waarop geen vocht duren kan.

Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone

gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén

was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die

in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal

van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld

en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa's gesloten

alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen,

waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die

drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit

(56° C.)

Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog

aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde

zich ook de bodem tusschen de karrou en het meer Ngami aan de blikken

der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden

onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde

nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige

drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte

streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er

zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese

gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich

niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste

helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie

paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen

leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo

hadden teleurgesteld, en caäma's met zachte oogen en aschgrauwe huid

met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht

om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven

de weilanden van vruchtbare streken.

Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon,

in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in

eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette

geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer

afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te

verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden

daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot,

dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van

hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25sten

Januari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen

graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken,

waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig

geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de

woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman

moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De

kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en

het zóólang uithouden.

Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen

ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken

had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen,

die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren

slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel

te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger

en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te

vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen

gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en

zijn invloed nam merkbaar af.

Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke

hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest,

maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af

van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te

bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone

gevonden werden.

Den 15den Februari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat

de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend

toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken

morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet,

waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze

ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk

ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer

slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.

De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor

zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting

op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij

vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij,

en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.

Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen,

dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne

meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het

Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden

en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel

meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokum wees

de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen

dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te

trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het

wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in de karrou komen,

waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten

de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de

bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.

Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte

door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om

tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van

electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste

wijze meten.

Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken

werd hoe langer hoe grooter. Den 16den Januari meende de karavaan

een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen;

men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar

kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote

vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in

de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte,

die in de zonnestralen schitterde.

Tegen vijf uren 's avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten

zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde

water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat

zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig

weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en

toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel

zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.

De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets

is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop

moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig

voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij

het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige

andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing

dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan

aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door

niets vertraagd werden.

Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den

grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het

plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar

men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen

bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van

Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk

tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voor die moedige en

met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders,

die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor

de lastdieren, die de karavaan met zich voerde, hoog tijd werd het

meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden

den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.

Den 21sten Januari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen;

hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren 's morgens zag men in

het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een

heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.

De Boschjesman keek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en

zeide naar het noorden wijzende:

»Daar is het meer!"

»Ngami, Ngami!" juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen

van vreugde.

De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van

het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager

ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door

Makololo's onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander

te blijven.

Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het

Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich

bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te

verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze

was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve

den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling

matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef

te ontsteken.

De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid

te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den

laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.

Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en

had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij

hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben,

maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen,

en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links

verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest

verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van

Makololo's gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan

te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede

en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht

hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te

meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen

bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van

den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika

waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde

van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeelte van den

meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten

nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het

werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij

bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te

zien eindigen.

En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde

gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie

van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux,

Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen

doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden

door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was

misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk

dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog

en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden

zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en

andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen

voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste

en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep

van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo's de

vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men

misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.

De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer

aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery

spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden

zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming

slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat

is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van

Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd,

maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan

dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet

had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.

Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek

te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich

bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een

gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal

links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op

vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door

een der kijkers van den repetitie-cirkel.

Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de

astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende

punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaad geene andere

hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het

meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef

zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den

meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen

doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden

bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel,

waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men

aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en

het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid

te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door

zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen;

op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen

begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek

met volkomen juistheid.

Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende

waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof

hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21ste Februari

ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den

avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom

de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.

»Ik ben tot uw dienst, Mokum," zeide hij toen tot den Boschjesman.

»Het is niet al te vroeg meer, kolonel," antwoordde Mokum, »en ik

vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt

kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan

den oever van het meer over te brengen."

»Maar wie belet ons nog te vertrekken?" vroeg Everest. »Een afstand

van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet

afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij

behoeven niet bang te zijn om te verdwalen."

»Ja .... inderdaad ...." antwoordde de Boschjesman, die bij zich

zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik

liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze

manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer,

wij zullen dus vertrekken, kolonel."

»Zooals gij wilt, Mokum!" hernam de kolonel.

Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens

gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en

toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog

de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.

Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie

Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen en zich van amunitie

te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had,

en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.

Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel;

evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die

zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray

gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer

veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.

De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting

voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis

niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men

vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren

's avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer

verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte

nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste

vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden

hebben.

Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan

niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige

ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters

zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de

kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te

lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden;

hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde

te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een

gedeelte zijner manschappen.

Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers

van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen

staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige

piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog

als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer

zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg

heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.

De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie

Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen

hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch

verwijderde schoten.

De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden

met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders

zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten

verwondering en angst verwekken.

»Wat is dat?" vroeg de kolonel.

»Geweerschoten!" antwoordde John Murray.

»Geweerschoten?" riep Everest, »en in welke richting?"

»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,"

antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in de

duisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo's,

die daar Europeanen aanvallen."

»Europeanen!" zeide William Emery.

»Ja, mijnheer," antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen

slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen

dat het juistheidswapenen zijn."

»Zouden daar dan Europeanen zijn?..."

De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie

die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!"

»Ja, ja, zeker!" riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.

Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne

kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep

plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de

jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander

gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds

vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.

»Die lafaards!" riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij

om te vluchten!" Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere

matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!"

De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en

zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten

daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo's. Men

kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers

deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het

geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.

Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid

der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden

onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren,

hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op

elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de

Makololo's dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze

plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij

van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.

Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen

zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds

lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo's stoven uit

elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de

meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts

tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top

bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaar was. De belegerden

hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden

treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden

waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas

Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders,

die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe

gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik

des gevaars verlaten.

Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine

muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.

»Gij mijne heeren Engelschen!" riep de astronoom van Pulkowa.

»Wij zelve, mijne heeren Russen," antwoordde de kolonel op ernstigen

toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts

Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!"

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 21 / 41 题