De woestijn.
Het was inderdaad de woestijn, die zich nu voor de reizigers
uitstrekte, en toen den 25sten December kolonel Everest en de zijnen,
na het meten van een nieuwen graad van den meridiaan, en van hun
achtenveertigsten driehoek, op de noordgrens der karrou kwamen,
zagen zij geen onderscheid tusschen de streek, die zij verlieten
en het dorre en verbrande land dat zij zouden doorreizen. De last-
en trekdieren van de karavaan hadden veel te lijden door het gebrek
aan gras; er was ook gebrek aan water; de laatste regendroppels waren
in de poelen opgedroogd; die met klei en zand vermengde grond was ter
bebouwing zeer ongeschikt. De gevallen regen sijpelt door het zand,
en verdwijnt bijna geheel van den grond, die met zandsteen bedekt is
en waarop geen vocht duren kan.
Dit was een van die drooge streken, door welke dokter Livingstone
gedurende zijne avontuurlijke tochten meermalen heentrok. Niet alléén
was de grond, maar ook de lucht zóó droog, dat ijzeren voorwerpen, die
in de openlucht bleven liggen, niet verroestten. Volgens het verhaal
van den geleerden reiziger, waren de bladeren der boomen gerimpeld
en slap; midden op den dag bleven de bladeren der mimosa's gesloten
alsof het nacht was; de kevers en torren, die op den grond lagen,
waren binnen weinige seconden dood; de bol van een thermometer, die
drie decimeters diep in den grond gegraven werd, wees 134° Fahrenheit
(56° C.)
Evenals zekere streken van zuidelijk Afrika zich akelig dor en droog
aan het oog van den beroemden reiziger voordeden, evenzoo vertoonde
zich ook de bodem tusschen de karrou en het meer Ngami aan de blikken
der Engelsche sterrekundigen. Hunne vermoeienis was groot, hun lijden
onuitstaanbaar, vooral door het gebrek aan water. Dit gebrek hinderde
nog veel erger de trekdieren, die ter nauwernood zich met het weinige
drooge en bestoven gras konden voeden. Bovendien was deze uitgestrekte
streek eene woestijn, niet alleen door hare droogte, maar ook omdat er
zich geen enkel levend wezen in waagde. De vogels waren over de Zambese
gevlucht om er boomen en bloemen te vinden. Wilde dieren waagden zich
niet op deze vlakte die hun geen voedsel aanbood. Gedurende de eerste
helft van Januari zagen de jagers van de karavaan slechts twee of drie
paren van die antilopen, die verscheidene weken zonder drinken kunnen
leven; het waren onder anderen van die soort, welke John Murray zoo
hadden teleurgesteld, en caäma's met zachte oogen en aschgrauwe huid
met gele vlekken; deze laatste waren onschuldige dieren, zeer gezocht
om het lekkere vleesch, die dorre vlakten schenen te verkiezen boven
de weilanden van vruchtbare streken.
Door het dagelijksch voorttrekken onder de gloeiend heete zon,
in een atmosfeer die geen zweem van vocht bevatte, door hunne in
eene onuitstaanbaar hooge temperatuur dag en nacht voortgezette
geodesische werkzaamheden, werden de astronomen al meer en meer
afgemat. Hun watervoorraad, die in vaatjes bewaard werd, begon te
verminderen. Zij hadden zich reeds op rantsoen gesteld, en leden
daardoor veel. Evenwel waren hun ijver en hun moed zóó groot,
dat zij moeite en gebrek verachtten en geen enkel onderdeel van
hun uitgebreiden en nauwkeurigen arbeid verwaarloosden. Den 25sten
Januari was een zevende gedeelte van den meridiaan, dat een nieuwen
graad omvatte, berekend door middel van negen nieuwe driehoeken,
waardoor het getal tot nog toe berekende driehoeken tot zevenenvijftig
geklommen was. De astronomen hadden nog slechts een gedeelte van de
woestijn door te trekken, en volgens de meening van den Boschjesman
moesten zij vóór het einde van Januari het meer Ngami bereiken. De
kolonel en zijne makkers konden voor zich zelven best instaan, en
het zóólang uithouden.
Maar de mannen van het geleide, de Boschjesmannen, die door dezen
ijver niet werden aangezet, huurlingen, wier belang niets te maken
had met het wetenschappelijk doel der onderneming, inboorlingen,
die niet bijzonder geneigd waren verder voort te trekken, deze waren
slecht bestand tegen de vermoeienissen van den tocht. Zij hadden veel
te lijden door gebrek aan water. Reeds had men eenige door honger
en dorst uitgeputte lastdieren achter moeten laten, en het was te
vreezen dat dit getal dagelijks zou toenemen. Met de afmatting namen
gemor en verwijten ook toe. De taak van Mokum werd zeer moeilijk en
zijn invloed nam merkbaar af.
Weldra was het duidelijk dat het gebrek aan water een onoverkomelijke
hinderpaal worden zou, dat men niet verder noordwaarts trekken moest,
maar links of rechts van den meridiaan achteruitgaan, op het gevaar af
van de Russische astronomen te ontmoeten, om op die wijze de dorpen te
bereiken, die in minder dorre streken op den weg van David Livingstone
gevonden werden.
Den 15den Februari deelde de Boschjesman aan den kolonel mede, dat
de moeilijkheden waartegen men te vergeefs worstelde voortdurend
toenamen. De wagenleiders weigerden reeds hem te gehoorzamen. Elken
morgen waren het bij het opbreken der legerplaats tooneelen van verzet,
waaraan de meeste inboorlingen deelnamen. Het is zeker dat deze
ongelukkigen, door hitte afgemat en door dorst gekweld er werkelijk
ellendig aan toe waren. Bovendien wilden ossen en paarden, die zeer
slecht en karig voêr en bijna geen water kregen, niet meer voort.
De kolonel was zich den toestand volkomen bewust. Maar hardvochtig voor
zich zelven, was hij het ook voor anderen. Hij wilde de driehoeksmeting
op geenerleiwijze schorsen en verklaarde, dat al was hij alléén, hij
vooruit zou trekken. Overigens spraken zijne ambtgenooten evenals hij,
en zij waren gereed hem te volgen, hoe ver hij ook gaan wilde.
Door nieuwe pogingen verkreeg de Boschjesman van de inboorlingen,
dat zij hem nog eenigen tijd zouden volgen. Volgens zijne
meening was de karavaan niet meer dan vijf of zes dagen van het
Ngami-meer verwijderd. Dáár zouden ossen en paarden versche weiden
en schaduwrijke bosschen vinden, dáár zouden de mannen een geheel
meer van zoet water ontmoeten om zich te verfrisschen. Mokum wees
de voornaamste Boschjesmannen op dit vooruitzicht. Hij bewees hen
dat om levensvoorraad te krijgen, het beste was naar het noorden te
trekken. Inderdaad, als men westwaarts ging, dan was zulks in het
wilde voorttrekken; achterwaarts zou men weder in de karrou komen,
waar alle beken thans wel uitgedroogd zouden zijn. Eindelijk lieten
de inlanders zich door al deze redenen en verzoeken overhalen, en de
bijna uitgeputte karavaan hernam haar tocht naar het meer Ngami.
Gelukkig werden de geodesische opmetingen in deze uitgestrekte vlakte
door middel van palen en andere seinen gemakkelijk volbracht. Om
tijd te winnen werkten de astronomen dag en nacht; door het licht van
electrische lampen geleid, konden zij de hoeken op de nauwkeurigste
wijze meten.
Het werk ging dus met eenheid en orde voort, en het net van driehoeken
werd hoe langer hoe grooter. Den 16den Januari meende de karavaan
een oogenblik dat zij eindelijk water in overvloed zoude krijgen;
men zag namelijk aan den gezichteinder een meertje van een paar
kilometers breed. Men kan begrijpen dat deze tijding met groote
vreugde begroet werd; de geheele karavaan trok zoo snel mogelijk in
de aangewezen richting voort naar eene vrij uitgestrekte watervlakte,
die in de zonnestralen schitterde.
Tegen vijf uren 's avonds bereikte men het meer. Eenige paarden rukten
zich van hunne geleiders los en galoppeerden naar het zoozeer begeerde
water. Zij roken het, zij ademden het in, en weldra kon men zien dat
zij er tot aan de borst toe insprongen. Doch de dieren kwamen spoedig
weder op den oever. Zij hadden hun dorst niet kunnen lesschen, en
toen de Boschjesmannen er bij kwamen vonden zij het water met zooveel
zoutdeelen bezwangerd, dat zij het niet konden drinken.
De teleurstelling, men kan bijna zeggen, de wanhoop was groot. Niets
is wreeder dan bedrogen verwachting! Mokum meende dat men nu de hoop
moest opgeven om de inlanders nog verder te voeren. Het was gelukkig
voor de toekomst der onderneming, dat de karavaan zich dichter bij
het meer Ngami en de zijtakken van de Zambese bevond, dan bij eenige
andere streek waar drinkbaar water te vinden was. Aller behoud hing
dus van hunne voorwaartsche beweging af. In vier dagen zou de karavaan
aan de oevers van het meer zijn, als de geodesische opmetingen door
niets vertraagd werden.
Men vertrok weder. De kolonel maakte van de gesteldheid van den
grond gebruik, en mat driehoeken van zulke groote afmeting, dat het
plaatsen van seinpalen daardoor minder dikwijls noodig was. Daar
men vooral gedurende heldere nachten werkte, konden de lichtsignalen
bijzonder goed gezien, en met den theodoliet of met den cirkel van
Borda hoogst nauwkeurig opgenomen worden. Hierdoor won men tegelijk
tijd en krachten uit. Maar dat is zeker dat het voor die moedige en
met wetenschappelijken ijver bezielde geleerden, voor de inlanders,
die onder een vreeselijk klimaat van dorst bijna omkwamen, en voor
de lastdieren, die de karavaan met zich voerde, hoog tijd werd het
meer te bereiken. Geen levend wezen zou onder zulke omstandigheden
den tocht nog veertien dagen hebben volgehouden.
Den 21sten Januari begon de vlakke bodem eenigszins te veranderen;
hij werd hobbelig en oneffen. Tegen tien uren 's morgens zag men in
het noordwesten op een afstand van ongeveer vijftien kilometers een
heuvel van 5 of 600 voet. Het was de berg Scorzef.
De Boschjesman keek nauwkeurig om zich heen, nam de plaats op, en
zeide naar het noorden wijzende:
»Daar is het meer!"
»Ngami, Ngami!" juichten de inlanders, en gaven luidruchtige teekenen
van vreugde.
De Boschjesmannen wilden voorwaarts en den afstand die hen nog van
het meer scheidde, in één ren doorloopen. Maar het gelukte den jager
ze tegen te houden, daar hij hen deed opmerken dat het in eene door
Makololo's onveilig gemaakte streek van belang was bij elkander
te blijven.
Daar de kolonel de aankomst van zijn kleinen troep aan het
Ngami-meer wilde bespoedigen, besloot hij het station, waar hij zich
bevond, onmiddellijk met den Scorzef door een enkelen driehoek te
verbinden. Men kon den zeer steilen bergtop gemakkelijk zien, en deze
was dus zeer geschikt voor eene waarneming; men behoefde derhalve
den nacht niet af te wachten, en het was onnoodig eene afdeeling
matrozen en inlanders vooruit te zenden om een licht op den Scorzef
te ontsteken.
De instrumenten werden dus gesteld, en om grooter nauwkeurigheid
te verkrijgen, mat men op dit station nogmaals den tophoek van den
laatsten meer zuidwaarts gemeten driehoek.
Mokum was zeer verlangend den oever van het meer te bereiken, en
had daarom slechts eene voorloopige legerplaats laten opslaan. Hij
hoopte vóór den nacht het zoo zeer begeerde meer bereikt te hebben,
maar hij verzuimde daarom geen der gewone voorzorgsmaatregelen,
en liet den omtrek door eenige ruiters onderzoeken. Rechts en links
verhief zich een kreupelbosch, dat men voorzichtigheidshalve moest
verkennen. Sedert de antilopenjacht had men evenwel geen spoor van
Makololo's gezien, en deze schenen het opgegeven te hebben de karavaan
te bespieden. Toch wilde de wantrouwende Boschjesman op zijne hoede
en op alle gebeurtenissen verdacht zijn. Terwijl de jager aldus wacht
hield, hielden de astronomen zich bezig met een nieuwen driehoek te
meten. Volgens de opmetingen van William Emery zou deze driehoek hen
bij den twintigsten parallel brengen, en dáár moest het uiteinde van
den meridiaanboog zich bevinden, dien zij in dit gedeelte van Afrika
waren komen opmeten. Nog slechts weinige opmetingen aan de overzijde
van het meer, en waarschijnlijk zou dan het achtste gedeelte van den
meridiaan gemeten zijn. Door middel van eene op den grond gemeten
nieuwe basis, moest men dan de gedane opmetingen narekenen, en het
werk zou afgeloopen zijn. Men begrijpt dus met welk een ijver zij
bezield waren nu zij op het punt waren hun omvangrijken arbeid te
zien eindigen.
En hoe hadden de Russen nu gedurende dien tijd van hunne zijde
gewerkt? Sedert zes maanden waren de leden der internationale commissie
van elkander gescheiden; maar waar bevonden zich nu Mathieu Strux,
Michel Zorn en Nikolaas Palander? Hadden zij zoovele vermoeienissen
doorgestaan als hunne Engelsche ambtgenooten? Hadden zij ook geleden
door gebrek aan water, en door de moordende hitte van dit klimaat? Was
misschien de streek, waardoor hun weg geloopen had, en die aanmerkelijk
dichter bij den weg van David Livingstone gelegen was, minder droog
en dor geweest? Misschien, want noordwaarts van Kolobeng bevonden
zich rechts van den meridiaan dorpen als Schokuané, Schoschong en
andere, waar de Russische karavaan zich van levensmiddelen had kunnen
voorzien. Maar was het ook niet te vreezen dat in deze minder woeste
en bij gevolg meer door roovers bezochte streken de kleine troep
van Mathieu Strux vele gevaren geloopen had? Nu de Makololo's de
vervolging van de Engelschen schenen te hebben opgegeven, moest men
misschien daaruit het besluit trekken, dat zij de Russen vervolgden.
De kolonel, die altijd in zijn arbeid verdiept was, dacht niet meer
aan die dingen of wilde zulks misschien niet, doch Murray en Emery
spraken dikwijls over het lot van hunne vroegere makkers. Zouden
zij hen ooit terug zien? Zouden de Russen in hunne onderneming
slagen? Zouden zij hetzelfde wiskundig resultaat verkrijgen, dat
is te zeggen, zou de waarde van een lengtegraad in dit gedeelte van
Afrika voor beide commissiën dezelfde zijn, nu zij tegelijktertijd,
maar elk afzonderlijk, een net van driehoeken gemeten hadden? En dan
dacht Emery aan zijn vriend, wiens scheiding hem zooveel verdriet
had gedaan, en die, dat wist hij, hem ook wel nimmer vergeten zou.
Ondertusschen was het meten der hoeksafstanden begonnen. Om den hoek
te verkrijgen, welks top gelegen was aan het station, waar men zich
bevond, moest men het oog richten op twee signalen, van welke het een
gevormd werd door den top van den Scorzef. Voor het andere signaal
links van den meridiaan koos men een steil heuveltje dat slechts op
vier kilometers afstands lag. Men bepaalde er de richting van door
een der kijkers van den repetitie-cirkel.
Zooals gezegd is, was de Scorzef betrekkelijk ver verwijderd; maar de
astronomen hadden geene keuze, daar deze berg de eenige uitstekende
punt in deze geheele streek was. Er verhief zich inderdaad geene andere
hoogte in het noorden of westen, evenmin aan de overzijde van het
meer Ngami, dat men nog niet eens zien kon. De afstand van den Scorzef
zoude de waarnemers noodzaken zich vrij ver aan de rechterzijde van den
meridiaan te begeven, maar na rijp beraad begrepen zij anders te kunnen
doen. Derhalve richtte men het oog nauwkeurig op den eenzaam staanden
bergtop en de afwijking der beide kijkers van den repetitiecirkel,
waardoor men de waarneming deed, gaf de wijdte van den hoek, dien men
aan het station meten wilde en waarvan de beenen door den Scorzef en
het heuveltje werden aangewezen. Om met nog grooter nauwkeurigheid
te werken, herhaalde de kolonel zijne berekening twintig malen, door
zijne kijkers evenveel malen op den repetitiecirkel te verplaatsen;
op deze wijze deelde hij de fouten, die mogelijk bij het aflezen
begaan waren, door twintig, en verkreeg zóó de grootte van den hoek
met volkomen juistheid.
Niettegenstaande het ongeduld der inlanders werden deze verschillende
waarnemingen door den kalmen Everest met dezelfde zorg gedaan alsof
hij op het observatorium te Cambridge zat. De geheele 21ste Februari
ging op die wijze voorbij, en het was eerst bij het vallen van den
avond tegen half zes dat het aflezen der graden moeilijk werd, waarom
de kolonel zijne waarnemingen moest eindigen.
»Ik ben tot uw dienst, Mokum," zeide hij toen tot den Boschjesman.
»Het is niet al te vroeg meer, kolonel," antwoordde Mokum, »en ik
vind het jammer dat u uw werk niet voor het vallen van den nacht hebt
kunnen afkrijgen, want dan zouden wij getracht hebben ons kamp aan
den oever van het meer over te brengen."
»Maar wie belet ons nog te vertrekken?" vroeg Everest. »Een afstand
van vijftien kilometers, zelfs in de duisternis kan ons toch niet
afschrikken? De weg loopt rechtuit, altijd door de vlakte, en wij
behoeven niet bang te zijn om te verdwalen."
»Ja .... inderdaad ...." antwoordde de Boschjesman, die bij zich
zelven scheen te overleggen, »misschien kunnen wij het wagen, hoewel ik
liever bij klaarlichten dag door deze streek zou getrokken zijn! Onze
manschappen willen gaarne vooruit en naar het zoete water van het meer,
wij zullen dus vertrekken, kolonel."
»Zooals gij wilt, Mokum!" hernam de kolonel.
Toen allen het plan hadden goedgekeurd, werden de ossen voor de wagens
gespannen, de paarden bestegen, de instrumenten weder ingepakt, en
toen de Boschjesman om zeven uren het sein tot vertrekken gaf, toog
de karavaan, door den dorst geprikkeld, naar het meer Ngami op weg.
Uit een zeker instinkt van veldontdekker had de Boschjesman de drie
Europeanen verzocht hunne geweren mede te nemen en zich van amunitie
te voorzien. Hij zelf droeg de buks, die Murray hem geschonken had,
en had een genoegzamen voorraad patronen in de tasch.
Men ging op weg; het was stikdonker. Dikke wolken bedekten den hemel;
evenwel was de lucht aan den gezichteinder vrij van wolken. Mokum, die
zeer scherp zag, keek goed rond; eenige woorden door hem tegen Murray
gezegd, bewezen dezen, dat de Boschjesman de streek als niet zeer
veilig beschouwde; hij was dus van zijn kant ook op alles voorbereid.
De karavaan trok aldus gedurende drie uren in noordelijke richting
voort, maar had veel van afmatting en dorst te lijden, zoodat de reis
niet snel ging. Men moest de achterblijvers dikwijls inwachten. Men
vorderde slechts drie kilometers in het uur, en tegen tien uren
's avonds was de kleine bende nog zes kilometers van het meer
verwijderd. De beesten hijgden en konden door de drukkende hitte
nauwelijks ademhalen. De dampkring was zoo droog, dat de gevoeligste
vochtmeter er waarschijnlijk geen greintje vocht in zou gevonden
hebben.
Niettegenstaande de vermaningen van den Boschjesman, bleef de karavaan
niet bij elkander; menschen en dieren vormden eene lange rij; eenige
ossen, die geheel uitgeput waren, vielen op den grond neder. Ruiters
zonder paarden sleepten zich met moeite voort en het zou aan de
kleinste bende inlanders gemakkelijk gevallen zijn ze allen op te
lichten. Mokum spaarde in zijn ongerustheid woorden noch daden;
hij ging van den een naar den ander, trachtte te vergeefs de orde
te herstellen, en zonder dat hij het bemerkt had, ontbrak reeds een
gedeelte zijner manschappen.
Om elf uren waren de drie voorste wagens nog slechts op drie kilometers
van den Scorzef. Niettegenstaande de duisternis, kon men den alleen
staanden berg vrij duidelijk zien, daar hij zich als eene reusachtige
piramide verhief. Hij scheen door de duisternis nog dubbel zoo hoog
als hij werkelijk was. Als Mokum zich niet bedroog, moest het meer
zich achter die hoogte bevinden; men behoefde dus slechts om den berg
heen te trekken om langs den kortsten weg deze watervlakte te bereiken.
De Boschjesman stelde zich aan het hoofd der karavaan met de drie
Europeanen, en hij wilde juist een weinig links aftrekken toen
hij plotseling staan bleef op het hooren van zeer duidelijke, doch
verwijderde schoten.
De Engelschen hielden aanstonds hunne paarden in; zij luisterden
met gemakkelijk te begrijpen angst. In een land, waar inlanders
zich slechts van lansen en pijlen bedienen, moesten geweerschoten
verwondering en angst verwekken.
»Wat is dat?" vroeg de kolonel.
»Geweerschoten!" antwoordde John Murray.
»Geweerschoten?" riep Everest, »en in welke richting?"
»Er worden geweerschoten op den top van den Scorzef gelost,"
antwoordde Mokum. »Ik zie de flikkering van die schoten in de
duisternis; men is daar aan het vechten! Het zijn zeker Makololo's,
die daar Europeanen aanvallen."
»Europeanen!" zeide William Emery.
»Ja, mijnheer," antwoordde Mokum. »Die luidruchtige schoten kunnen
slechts door Europeesche geweren gelost worden, en ik zou haast zeggen
dat het juistheidswapenen zijn."
»Zouden daar dan Europeanen zijn?..."
De kolonel viel hem echter in de rede, en riep: »Mijne heeren, wie
die Europeanen ook zijn mogen, wij moeten hun te hulp snellen!"
»Ja, ja, zeker!" riep Emery, wiens hart als toegeknepen werd.
Voordat hij op den berg aantrok, wilde de Boschjesman eerst zijne
kleine bende voor de laatste maal verzamelen, daar een troep
plunderaars hen anders onverwacht zou kunnen overvallen. Toen de
jager evenwel naar de achterhoede reed, was de karavaan uit elkander
gestoven, de paarden afgespannen, de wagens verlaten, en reeds
vluchtten eenige mannen als schimmen naar het zuiden over de vlakte.
»Die lafaards!" riep Mokum: »Dorst, vermoeienis, alles vergeten zij
om te vluchten!" Zich daarop naar de Engelschen en hunne dappere
matrozen wendende, zeide hij: »Komaan, vooruit dan maar!"
De Europeanen snelden daarop met den jager in noordelijke richting en
zetten hunne uitgeputte paarden zooveel mogelijk aan. Twintig minuten
daarna hoorde men duidelijk het krijgsgeschreeuw der Makololo's. Men
kon nog niet nagaan hoe groot hun aantal was. Die inlandsche roovers
deden waarschijnlijk een aanval op den Scorzef van welks top het
geweervuur flikkerde. Men zag geheele benden naar den top klimmen.
Weldra waren de kolonel en zijne makkers in de onmiddellijke nabijheid
der aanvallers; zij stegen van hunne uitgeputte paarden en vuurden
onder een vreeselijk hoerah, dat de belegerden moesten kunnen hooren,
hunne geweren op de menigte inboorlingen af. Toen zij de snel op
elkander volgende schoten van de achterladers hoorden, meenden de
Makololo's dat zij door eene groote bende werden aangevallen. Deze
plotselinge aanval verraste hen, en zij trokken terug voordat zij
van hunne pijlen en lansen gebruik hadden gemaakt.
Zonder een oogenblik te verliezen, laadden en schoten de Engelschen
zonder ophouden, en wierpen zich op den troep plunderaars. Reeds
lagen een vijftiental lijken op den grond. De Makololo's stoven uit
elkander; de Europeanen drongen in de gemaakte opening door, en de
meest nabijzijnde inlanders omverwerpende, trokken zij achterwaarts
tegen de helling van den berg op. In tien minuten hadden zij den top
bereikt, die in de duisternis bijna onzichtbaar was. De belegerden
hadden intusschen het vuren gestaakt, uit vrees dat zij hen konden
treffen, die hun zoo onverwachts te hulp kwamen. En die belegerden
waren de Russen! Zij waren daar allen, Mathieu Strux, Nikolaas
Palander, Michel Zorn en hunne vijf matrozen. Doch van de inlanders,
die vroeger hunne karavaan vormden, was niemand anders dan de trouwe
gids over. Die ellendige Boschjesmannen hadden ook hen op het oogenblik
des gevaars verlaten.
Toen de kolonel verscheen, sprong Mathieu Strux boven van het kleine
muurtje, dat den top van den Scorzef omringde.
»Gij mijne heeren Engelschen!" riep de astronoom van Pulkowa.
»Wij zelve, mijne heeren Russen," antwoordde de kolonel op ernstigen
toon. »Maar hier zijn geen Russen of Engelschen! Er zijn slechts
Europeanen vereenigd om zich te verdedigen!"