XVII.

De verdelgers.

Na dit voorval had de Boschjesman een langdurig onderhoud met den

kolonel. Volgens de meening van Mokum, die zijn oordeel grondde op

feiten, werd de kleine troep gevolgd, bespied en dus bedreigd. Indien,

volgens hem, de Makololo's nog geen aanval gedaan hadden, was dit

omdat zij de Europeanen verder noordwaarts wilden lokken, naar eene

streek waar deze roofzieke benden gewoonlijk te huis behoorden.

Moest men dus bij het naken van het gevaar terugtrekken? Moest

men het werk, dat tot nog toe zoo wonderwel geslaagd was, laten

steken? Zouden Afrikaansche inboorlingen doen, wat de natuur niet

gedaan had kunnen krijgen? Zouden zij Engelsche geleerden verhinderen

hunne wetenschappelijke taak te volbrengen? Dit was eene ernstige

vraag, die van belang was om op te lossen. Daarom verzocht de kolonel

den Boschjesman om hem alles te vertellen, wat hij van de Makololo's

wist, en ziehier ongeveer wat deze verhaalde.

De Makololo's behooren tot den grooten stam der Betschuanen en zijn

de laatsten, die men ontmoet als men naar den evenaar trekt. In 1850

werd dokter Livingstone op zijn eerste reis naar de Zambese ontvangen

te Seshèke, toenmalige verblijfplaats van Sebitouané, het hoofd der

Makololo's. Deze inboorling was een geducht oorlogsman, die in 1824 de

grenzen van het Kaapland bedreigde. Sebitouané met een opmerkenswaardig

verstand begaafd, verkreeg langzamerhand groot overwicht over de

in het midden van Afrika verspreide stammen en slaagde er in van

deze een eensgezind en overheerschend volk te maken. In 1853, dus

een paar jaar te voren, stierf dat inlandsch opperhoofd in de armen

van Livingstone, en werd door zijn zoon Sekeleton opgevolgd. In den

beginne toonde deze aan de langs de Zambese wonende Europeanen vrij

groote genegenheid; dokter Livingstone had zich daar persoonlijk niet

over te beklagen. Maar ongemerkt wijzigde de Afrikaansche koning zijne

inzichten na het vertrek van den beroemden reiziger. Niet alleen werden

vreemdelingen, maar vooral ook naburige inboorlingen door Sekeleton en

de krijgslieden van zijn stam aangevallen. Hierop volgden plunderingen

op groote schaal. De Makololo's liepen voornamelijk de streek af

tusschen het meer Ngami en de boven-Zambese. Niets was gevaarlijker

dan zich in deze streken te wagen met eene karavaan, die slechts uit

weinige menschen was samengesteld, vooral wanneer deze karavaan vooraf

bespied, opgewacht en waarschijnlijk tot vernietiging gedoemd was.

Aldus luidde het verhaal van den Boschjesman. Hij voegde er bij dat

hij meende hem de gansche waarheid te moeten zeggen, doch dat hij,

wat hem betrof, de bevelen van den kolonel zou volgen, en niet zou

terugdeinzen, als men besloot voorwaarts te blijven trekken. De kolonel

beraadslaagde met zijne beide ambtgenooten, en men besloot in allen

gevalle den geodesischen arbeid voort te zetten. Bijna vijfachtste

van den meridiaan was gemeten en, wat er ook gebeuren mocht, deze

Engelschen waren het aan zich zelven en aan hun vaderland verschuldigd

het werk niet op te geven.

Toen deze beslissing genomen was, werd de driehoeksmeting

hervat. Den 27sten October sneed de wetenschappelijke commissie

den Steenbokskeerkring, en nadat zij den 3den November den een en

veertigsten driehoek gemeten had, werd door waarnemingen bewezen dat

de meting weder een graad gevorderd was.

Gedurende eene maand werd de driehoeksmeting met kracht voortgezet,

zonder dat de natuur eenigen hinderpaal in den weg legde. De

sterrekundigen werkten snel en goed in dit schoone land, dat bijna

geheel vlak was en slechts door ondiepe beken en door geen belangrijke

stroomen doorsneden werd. De altijd waakzame Mokum droeg zorg vóór

en ter zijde van de karavaan de streek goed in het oog te houden, en

belette de jagers zich ver van de hoofdtroep te verwijderen. Evenwel

scheen geen onmiddellijk gevaar de kleine troep te bedreigen, en

het was zeer licht mogelijk dat de vrees van den Boschjesman niet

verwezenlijkt werd. Ten minste gedurende de maand November vertoonde

zich geene plunderende bende, en men vond geen enkel spoor van den

inboorling meer, die de karavaan van het rotsblok in het verbrande

woud af zoo hardnekkig vervolgd had.

En toch, hoewel het gevaar voor het oogenblik geweken scheen, bemerkte

de jager verscheidene malen kenteekenen van aarzeling bij de onder

zijne bevelen staande Boschjesmannen. Men had hun de gebeurtenissen

bij de rots en op de antilopenjacht niet kunnen verbergen,

zoodat zij onvermijdelijk een aanval van de Makololo's wachtten;

Makololo's toch en Boschjesmannen zijn vijandige stammen, zonder

medelijden voor elkander. De overwonnenen hebben van de overwinnaars

geen genade te wachten en hun kleine aantal moest deze inlanders

met recht bevreesd maken, omdat zij sedert de oorlogsverklaring

tusschen Engeland en Rusland tot op de helft verminderd waren. De

Boschjesmannen waren reeds meer dan 300 kilometers van de oevers

der Oranjerivier verwijderd, en er was sprake van ze ten minste nog

200 kilometers verder noordwaarts mede te voeren. Dit vooruitzicht

gaf hun stof tot overpeinzing. Voordat Mokum ze tot dezen toch had

aangezocht, had hij hun inderdaad niet verborgen dat het eene lange

en afmattende reis gold, en het waren mannen om de aan zulk eene

reis verbonden moeilijkheden te trotseeren. Maar van het oogenblik

dat hier nog het gevaar bijkwam een strijd met verbitterde vijanden

te voeren, veranderde deze omstandigheid hunne gezindheid. Vandaar

verdrietelijkheden, klachten en kwaadwilligheid, die Mokum veinsde

niet te zien of te hooren, doch die zijne ongerustheid over de toekomst

der wetenschappelijke commissie deed toenemen.

Den 2den December geschiedde er iets, dat de kwalijkgezindheid dezer

bijgeloovige Boschjesmannen nog vermeerderde, en in zekere mate eenig

verzet tegen hunne hoofden verwekte.

Sedert den vorigen dag was de tot nog toe heldere hemel plotseling

betrokken geworden. Onder den invloed eener tropische hitte heerschte

in de met dampen bezwangerde atmosfeer eene groote elektrische

spanning. Men kon reeds een naderend onweder voorspellen, en in deze

hemelstreek valt eene donderbui bijna altijd met onvergelijkelijke

hevigheid. De hemel bedekte zich inderdaad op genoemden dag met

sombere wolken, zoodat een weerkenner zich daarin niet zou bedrogen

hebben. Het waren wolken als balen katoen op elkander gestapeld,

welker donker en geel schril tegen elkander afstak. De zon had eene

vale tint; de lucht was kalm, de hitte drukkend. De barometer die

sedert den vorigen dag voortdurend daalde, was tot staan gekomen. Geen

blad bewoog zich onder deze drukkende lucht.

De heeren hadden den toestand der lucht nagegaan, doch meenden daarom

hun werk niet te moeten staken. Op dit oogenblik had William Emery

zich met twee matrozen, vier inlanders en een wagen twee kilometers

oostwaarts van den meridiaan begeven om een seinpaal te plaatsen,

die den tophoek van een driehoek zou aangeven. Hij was bezig zijn

visier op den top van een heuveltje te plaatsen, toen eene plotselinge

samenpersing van dampen, door den invloed van een kouden luchtstroom,

eensklaps eene ontzaglijke massa electriciteit ontwikkelde. Bijna

op hetzelfde oogenblik viel er eene vreeselijke hagelbui. Daarbij

deed zich een vrij zonderling verschijnsel voor, dat namelijk de

hagelsteenen licht van zich gaven, en men zou gezegd hebben dat het

druppels gloeiend metaal regende. De vonken sprongen uit den grond

als de steenen neervielen, en alle metaaldeelen van den wagen waarmede

de werktuigen waren overgebracht, vertoonden zich als lichtende punten.

De hagelsteenen werden hoe langer hoe grooter; het was een ware

steenregen, waaraan men zich niet dan met het grootste gevaar kon

blootstellen. Men zal zich over dit verschijnsel niet verwonderen

als men weet dat dokter Livingstone onder gelijke omstandigheden

te Kolobeng gezien heeft, dat de ramen in het huis der zendelingen

verbrijzeld, en paarden en groote antilopen doodgeslagen werden.

Zonder een oogenblik te verliezen, verliet William Emery zijn werk,

en riep zijne manschappen bijeen om in den wagen onder zulk een

onweer in allen gevalle eene minder gevaarlijke schuilplaats te

zoeken dan onder een boom. Maar nauwelijks had hij den heuveltop

verlaten of een schitterende bliksemstraal met een onmiddellijk

daarop gevolgden donderslag scheen den geheele hemel in vuur te

zetten. Emery werd voor dood op den grond geworpen; de beide matrozen,

die slechts een oogenblik als verblind waren, sprongen naar hem

toe. Gelukkig was de jonge geleerde bijna ongedeerd gebleven. Door

een van die onverklaarbare toevallen, die somtijds voorkomen, was

de elektrieke stroom als 't ware om hem heen gegleden, en had hem

slechts een oogenblik omwikkeld; doch het was duidelijk zichtbaar

dat de bliksemstraal hem getroffen had, want de metalen punten van

een passer, dien hij in de hand hield, waren gesmolten.

Door de matrozen overeind geholpen, kwam de jongeman spoedig weder

tot bewustzijn. Hij was echter niet het eenige slachtoffer van dezen

slag. Bij den seinpaal lagen twee inlanders op twintig schreden

van elkander dood op den grond. Van den een, wiens organisme door

de mechanische werking van den bliksem volkomen verstoord was werd

het lichaam zwartgebrand als houtskool bevonden, terwijl de kleederen

ongeschonden waren. De ander was door een steen op het hoofd getroffen,

en dood neergeslagen. Derhalve hadden Emery en de beide inlanders

te gelijk de kracht van een enkelen bliksemstraal ondervonden. Het

is een zeldzaam verschijnsel dat een bliksemstraal zich soms tot op

zulk een aanzienlijken afstand splitst.

De Boschjesmannen stonden eerst versuft door den dood hunner makkers,

maar namen weldra de vlucht, niettegenstaande het geschreeuw der

matrozen, en op gevaar af van doodgeslagen te worden, daar zij door

de snelheid waarmede zij liepen, de lucht verdunden. Maar zij wilden

niet hooren, en renden zoo snel als zij konden naar de legerplaats

terug. Nadat de beide matrozen Emery naar den wagen hadden geleid,

legden zij er de twee lijken in, en zochten nu op hunne beurt eene

schuilplaats, daar zij reeds vol builen waren geslagen door de

hagelsteenen, die als een ware steenregen nedervielen. Gedurende

ongeveer drie kwartier woedde het onweder met ontzettende kracht;

daarna begon het te bedaren; de hagel viel niet meer, en de wagen

kon naar de legerplaats terugkeeren.

De tijding van den dood der twee inlanders was hun reeds

vooruitgevlogen; het maakte een treurigen indruk op de Boschjesmannen,

die niet zonder bijgeloovige vrees deze driehoeksmeting beschouwden

waarvan zij niets begrepen. Zij hielden eene bijeenkomst, en eenigen

hunner, die meer ontmoedigd waren dan de overigen, verklaarden dat

zij niet verder wilden gaan. Er was een begin van oproer, dat een

zeer dreigend aanzien kreeg. Mokum had al zijn invloed noodig om een

opstand tegen te gaan. Kolonel Everest moest tusschenbeiden komen

en aan die arme lieden eene toelage beloven om ze in zijn dienst te

houden. Niet zonder moeite werd de rust hersteld; door dezen tegenstand

scheen de toekomst van de onderneming ernstig bedreigd. Inderdaad, wat

zouden de leden der commissie in het midden der woestijn en ver van

alle bewoonde streken aanvangen zonder geleide om hen te beschermen

en zonder gidsen om de wagens te mennen? Dit gevaar was voor het

oogenblik dus nog afgewend, en nadat het kamp was afgebroken, wendde

de kleine karavaan zich naar den heuvel waarop de beide Boschjesmannen

het leven hadden verloren.

Emery had nog eenige dagen last van den hevigen slag, die hem getroffen

had. De linkerhand, waarmede hij den passer had vastgehouden, bleef

nog eenigen tijd als verlamd, maar eindelijk verdween dat gevoel,

en kon de jonge man het werk weder opvatten.

Gedurende de achttien dagen, die tot den 20sten December volgden, werd

de tocht van de karavaan door geene enkele gebeurtenis gekenmerkt. De

Makololo's verschenen niet, en hoewel Mokum de zaak nog altijd niet

vertrouwde, begon hij toch geruster te worden. Men was op niet meer dan

vijftig kilometers van de woestijn verwijderd, en de karrou bleef wat

zij tot nog toe geweest was: eene prachtige streek, welker plantengroei

nog door het water onderhouden, met die van geen punt ter wereld kon

vergeleken worden. Men kon er dus op rekenen dat tot aan de woestijn

de mannen in dit vruchtbare en wildrijke landschap, en de lastdieren,

die tot aan den buik in het malsche gras gingen, geen gebrek aan

voedsel zouden hebben. Maar men rekende buiten de sprinkhanen, wier

verschijning den landbouw in zuidelijk Afrika steeds bedreigt.

In den avond van 20 December, was het kamp ongeveer een uur voor

zonsondergang opgeslagen. De drie Engelschen en de Boschjesman zaten

aan den voet van een boom en rustten uit van de vermoeienissen des

daags, terwijl zij over hune toekomstige plannen spraken. De opkomende

noordewind verfrischte de lucht een weinig.

De sterrekundigen waren met elkander overeengekomen, dat zij de

hoogten der sterren zouden meten om de breedte der plaats nauwkeurig

te berekenen. Geen wolkje was aan den hemel zichtbaar; het zou weldra

nieuwe maan zijn; de sterren zouden helder schitteren, en derhalve

konden de metingen onder geen gunstiger omstandigheden geschieden. Ook

waren kolonel Everest en John Murray zeer teleurgesteld, toen William

Emery tegen acht uren naar het noorden wees en zeide:

»Ziet eens, de gezichteinder betrekt, en ik geloof dat de nacht ons

niet zoo gunstig zijn zal als wij het wel hopen."

»Inderdaad," antwoordde Murray, »die dikke wolk verheft zich

langzamerhand en zal door het aanwakkeren van den wind den hemel

weldra bedekken."

»Is dat een nieuw onweder, dat opkomt?" vroeg de kolonel.

»Wij zijn hier onder de keerkringen, en 't staat dus te vreezen,"

antwoordde Emery. »Ik geloof dat onze waarnemingen van nacht groot

gevaar loopen van niet te slagen."

»Wat denkt gij ervan Mokum?" vroeg kolonel Everest aan den

Boschjesman. Deze keek aandachtig naar het noorden. De wolk

breidde zich over eene zeer lange kromme lijn uit, en was zoo scherp

afgeteekend als ware het met een passer gedaan. De sector welken die

wolk boven den gezichteinder beschreef, was drie of vier kilometers

lang; zij was zoo zwart als rook, en had eene zonderlinge gedaante;

dit alles trof den Boschjesman bijzonder. Soms kaatsten de stralen

der ondergaande zon met rooden tint tegen die wolk terug, evenals of

het eene vaste massa en geen opeenhooping van dampen was.

»Een zonderlinge wolk!" zeide de Boschjesman, zonder zich verder

te verklaren.

Eenige oogenblikken daarna kwam een Boschjesman Mokum waarschuwen

dat de dieren, paarden, ossen, enz. onrustig begonnen te worden. Zij

liepen door de weide en weigerden weder binnen de legerplaats te komen.

»Welnu, laat ze dan van nacht maar buiten blijven!" antwoordde

de jager.

»Maar de wilde dieren dan?"

»Deze zullen spoedig te veel met zich zelve te doen hebben om nog

daarop acht te geven."

De inlander ging weder heen; de kolonel wilde aan den Boschjesman de

verklaring van dat vreemde antwoord vragen, doch Mokum verwijderde

zich eenige schreden en scheen geheel verzonken in de beschouwing

van het verschijnsel, waarvan hij waarschijnlijk de oorzaak vermoedde.

De wolk naderde snel; men kon zien dat zij zeer laag hing, zoodat zij

zeker niet meer dan eenige honderden voeten boven den grond dreef. Met

het gehuil van den aanwakkerenden wind vermengde zich een schrikbarend

gegons, dat uit de wolk scheen voort te komen. Op dit oogenblik

verscheen boven de wolk eene groote menigte zwarte punten, die zich

van boven naar beneden bewogen, in de zwarte massa neerstortten en

dan aanstonds weder naar boven gingen. Men kon ze bij duizenden tellen.

»Wat zijn dat voor zwarte punten?" vroeg Murray.

»Dat zijn vogels," antwoordde de Boschjesman, »valken, arenden, gieren,

wouwen en anderen. Zij komen van verre, volgen die wolk, en zullen

haar niet verlaten voordat zij vernietigd of verstrooid zal zijn."

»Maar die wolk?"

»Het is geen wolk," antwoordde Mokum, terwijl hij de hand naar

de sombere massa uitstrekte, die reeds een vierde gedeelte van de

oppervlakte des hemels besloeg, »het is eene levende wolk, eene wolk

van sprinkhanen!"

De jager bedroog zich niet. De Europeanen zouden een van die

ongelukkig maar al te dikwerf voorkomende zwermen sprinkhanen zien,

die in één nacht het vruchtbaarste land in eene dorre en woeste streek

veranderen. Deze dieren, de grylli devastatorii van de natuurkundigen,

kwamen bij millioenen. Sommige reizigers hebben daarmede soms eene

landstreek van vijftig kilometers lang vier voet hoog bedekt gezien.

»Ja," hernam de Boschjesman, »die levende wolken zijn een vreeselijke

ramp voor de velden, en de Hemel geve dat zij ons niet al te veel

kwaad doen!"

»Maar wij hebben hier geen zaaivelden of weilanden, die ons

toebehooren," zeide de kolonel. »Wat kunnen wij daarvan te vreezen

hebben?"

»Niets, als zij slechts over ons heentrekken," antwoordde Mokum,

»maar alles, wanneer zij op het land, waardoor wij moeten heentrekken,

neervallen. Dan zal er geen blad meer aan de boomen en geen grasscheut

op het veld blijven, en u vergeet kolonel, dat, al behoeft het ons aan

voedsel niet te ontbreken, dat van onze paarden, ossen en muilezels

daarom nog niet verzekerd is. Wat zoude er van die dieren in deze

woeste velden worden?"

De makkers van den Boschjesman zwegen eenige oogenblikken. Zij

keken naar de levende massa, die zichtbaar vermeerderde. Het gegons

verdubbelde, en daarboven uit weerklonk het geschreeuw van adelaars

en valken, die telkens in die onuitputtelijke wolk neerstortten en

de insecten bij duizenden verslonden.

»Gelooft ge dat zij hier zullen neervallen?" vroeg William Emery

aan Mokum.

»Ik vrees het," antwoordde de jager. »De noordewind jaagt ze

rechtstreeks hier heen. Daar gaat bovendien de zon onder; de

avondkoelte zal de vleugels dier insecten neerslaan, zij zullen op

boomen, struiken en weilanden neervallen, en dan...."

De Boschjesman eindigde zijn volzin niet; op dit oogenblik toch werd

zijne voorspelling vervuld, want de ontzaglijke wolk viel op den grond

neder. Om de legerplaats zag men slechts eene krioelende en sombere

massa, die zich uitstrekte zoover het oog reikte. De legerplaats zelve

werd letterlijk overstroomd. Wagens, tenten, alles verdween onder dien

levenden hagel. De massa sprinkhanen was een voet dik. De Engelschen

liepen tot aan de knieën door de dikke laag, en trapten bij elke

schrede honderden dieren dood. Maar wat beteekende dit op de massa?

En toch ontbraken de middelen ter verdelging dezer insecten niet. De

vogels wierpen zich met hevig geschreeuw er op, en verslonden ze

gretig. Onder de massa kropen slangen, die, aangelokt door dezen

begeerlijken buit, er groote menigten van opslokten. Paarden, ossen,

muilezels en honden aten ze met onuitsprekelijk genot; het wild

gedierte, leeuwen en hyena's, olifanten en neushorens, deden er mudden

van in hun maag verdwijnen; en eindelijk aten de Boschjesmannen, die

zeer veel houden van deze »luchtgarnalen," ze als hemelsche manna! Doch

het getal tartte alle middelen van vernieling en zelfs hunne eigene

vraatzucht, want die insecten verslinden elkander onderling.

Op aandringen van den Boschjesman moesten de Engelschen van dit

uit den hemel gevallen voedsel proeven. Men liet eenige duizenden

sprinkhanen met zout, peper en azijn koken na de jongste die groen

zijn, te hebben uitgezocht, en dus niet de gele, die ouder, harder en

soms vier duim lang zijn. De jonge sprinkhanen zijn zoo dik als eene

penneschacht, vijftien tot twintig millimeters lang en hebben nog

geen eieren gelegd. Zij worden door de liefhebbers als een heerlijk

gerecht beschouwd. Na een half uur kokens diende de Boschjesman den

drie Engelschen een heerlijken schotel sprinkhanen voor. Men vond die

insecten, na ze van kop, pooten en vleugels ontdaan te hebben even

lekker als zeegarnalen, en John Murray, die er eenige honderden opat,

beval den lieden van hun gevolg er een grooten voorraad van op te

doen. Men behoefde slechts te bukken om ze op te rapen!

Toen de nacht gekomen was, ging ieder naar zijn gewoon verblijf,

maar de wagens waren aan die algemeene overstelping van insecten

niet ontsnapt; het was onmogelijk er in te komen zonder ontelbare

dieren stuk te trappen. Het slapen onder deze omstandigheden was niet

zeer aangenaam. Omdat de hemel helder was, en de sterren prachtig

schitterden, brachten de drie sterrekundigen den nacht door met het

meten van sterrehoogten. Dit was zeker beter dan tot in den hals

in zulk een bed van sprinkhanen te zakken. Hoe zouden bovendien de

Europeanen een oogenblik hebben kunnen slapen, terwijl vlakten en

bosschen weergalmden van het gehuil van wilde dieren, die van alle

kanten kwamen om aan de sprinkhanen te smullen!

Den volgenden morgen kwam de zon helder op, en begon haar loopbaan

aan den schitterenden hemel, zoodat het zeer warm beloofde te

worden. Weldra hadden de zonnestralen de warmte zeer doen toenemen,

en een dof geraas van vleugels liet zich hooren in het midden van

de massa sprinkhanen, die zich gereed maakten verder te vliegen, en

elders hunne verwoestingen aan te richten. Tegen acht uren 's morgens

was het alsof een groot zeil zich aan den hemel ontplooide en het

zonnelicht verduisterde. De geheele streek was in duisternis gehuld

en men zou gedacht hebben dat de avond weder gevallen was. Toen de

wind aanwakkerde, zette de groote zwerm zich in beweging. Gedurende

twee uren ging hij met een oorverdoovend geweld over de in duisternis

gehulde legerplaats heen, en verdween eindelijk aan den westelijken

gezichteinder.

Doch toen het zonlicht weder te voorschijn trad, kon men zien dat de

voorspelling van Mokum geheel bewaarheid was; geen blad meer aan de

boomen, geen grasscheut meer op het veld; alles was vernietigd; de

grond was geel en zandig. De kale takken vertoonden zich als spoken,

het was alsof de winter met de snelheid eener tooneelverandering op

den zomer gevolgd was! Het was een woestijn, het bloeiende der streek

was geheel verdwenen!

En men kon op die vraatzuchtige sprinkhanen het oostersche spreekwoord

toepassen, dat door den plunderzieken geest der Turken bewaarheid

wordt: daar, waar de Turk overheen is getrokken, groeit geen gras

meer en zoo ook hier: het gras groeit niet meer op de plaats waar de

sprinkhanen zijn neergevallen!

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 20 / 41 题