Verschillende voorvallen.
Op het einde van September hadden de astronomen een graad meer
noordwaarts gemeten. Het gedeelte van den meridiaan, dat door
middel van tweeëndertig driehoeken gemeten was, bedroeg reeds vier
graden. Het was de helft van de voorgenomen taak. De drie geleerden
legden een buitengewonen ijver aan den dag; maar omdat zij slechts
met hun drieën waren, gevoelden zij zich tusschenbeiden zoo vermoeid,
dat zij hun werk gedurende eenige dagen moesten opschorten. Het was
inderdaad een drukkende hitte. De maand October in het zuidelijk
halfrond komt met April in het noordelijk halfrond overeen, en onder
den vierentwintigsten graad Z. B. heerscht de hooge temperatuur van
Algerië. Reeds was het werk midden op den dag gedurende eenige uren
onmogelijk. Ook ondervond de opmeting eenige vertraging, die den
Boschjesman vooral zeer verontrustte. Ziehier waarom:
Ten noorden van den meridiaan, op een afstand van honderd kilometers
van het laatste door de astronomen bepaalde station, sneed de
meridiaan eene zonderlinge streek, die de inlanders karrou noemen,
en die overeenkomt met de vlakte aan den voet van de Roggeveldsbergen
in het Kaapland. Gedurende het natte jaargetijde, biedt deze streek
overal de bewijzen van de grootste vruchtbaarheid aan; na eenige
dagen regen is de grond er met dicht groen bedekt; bloemen ontspruiten
overal; in een ongelooflijk korten tijd komen de planten uit den bodem
te voorschijn, ziender oogen worden de weilanden groen; waterbeken
ontstaan; troepen antilopen komen van de hoogte en nemen die eensklaps
ontstane weilanden in bezit. Maar die zonderlinge werking der natuur
duurt slechts korten tijd; nauwelijks zijn eene maand of zes weken
voorbijgegaan, of al de vochtigheid van den grond wordt opgezogen
door de zon en verdwijnt in dampvorm in de lucht. De grond wordt hard
en verstikt de nieuwe spruiten; de plantengroei verdwijnt in weinige
dagen; de dieren ontvluchten deze onbewoonbaar geworden streek, en
de woestijn strekt zich uit op dezelfde plek, waar vroeger een rijk
en vruchtbaar land was.
Zóó was de karrou waar de kleine karavaan van kolonel Everest door
moest, voordat zij de eigenlijke woestijn bereikte, die zich tot aan
de oevers van het meer Ngami uitstrekt. Men begrijpt welk belang de
Boschjesman er bij had om deze zonderlinge streek door te trekken,
voordat de buitengewone droogte de bronnen had doen opdroogen. Hij
deelde zijne opmerkingen aan kolonel Everest mede. Deze begreep het
volkomen, en beloofde dat hij het zooveel mogelijk in gedachte zou
houden door het werk te verhaasten. Doch deze haast mocht in ieder
geval de nauwkeurigheid niet schaden. De driehoeksmetingen zijn niet
altijd gemakkelijk en op elk oogenblik te doen. Alleen onder zekere
omstandigheden der atmosfeer, kan men goed waarnemen. Ook ging de
arbeid niet bijzonder veel spoediger niettegenstaande de dringende
aanmaning van den Boschjesman, en deze zag wel dat als hij aan de
karrou kwam, de vruchtbaarheid waarschijnlijk door den invloed der
zonnestralen zou verdwenen zijn.
Maar alvorens het werk der driehoeksmeting zoo ver gevorderd was,
dat de astronomen de grenzen der karrou bereikt hadden, konden zij
zich niet genoeg verzadigen met de beschouwing der prachtige natuur,
die zich voor hun oog ontrolde. Hun tocht had hen nog nimmer in zulk
eene schoone streek gevoerd. Niettegenstaande de hoogere temperatuur
onderhielden de beken er eene voortdurende frischheid. Kudden van
duizenden stuks vee zouden in deze weiden een onuitputtelijk voedsel
gevonden hebben. Eenige groene bosschen staken hier en daar fier hunne
kruinen op, en het geheel zag er uit alsof het een Engelsch park was;
alleen de gaslantaarns ontbraken!
Kolonel Everest toonde zich niet zeer gevoelig voor deze schoone
natuur, doch Murray en Emery gevoelden des te levendiger den
dichterlijken indruk dien deze streek, verloren te midden van de
Afrikaansche wildernissen, op hen maakte. Hoe betreurde de jeugdige
geleerde toen zijn armen Michel Zorn, en de vertrouwelijke gesprekken,
die zij met elkander wisselden. Evenals hij zou ook deze dienzelfden
levendigen indruk gevoeld hebben, en tusschen hunne waarnemingen door
hadden zij nu en dan hun hart kunnen uitstorten!
De karavaan trok dus midden door het prachtige land heen. Talrijke
vluchten vogels verlevendigden door hun gezang en hun gefladder
weilanden en bosschen. De jagers schoten verscheidene malen een
bijzonder soort van trapganzen, die alleen in de vlakten van Zuidelijk
Afrika gevonden worden, en »dikkoppen", die een lekker en zeer
geroemd wildbraad leverden. De aandacht der Europeanen werd nog door
een ander soort van vogels getrokken, doch niet uit het oogpunt van
eetbaarheid. Op de oevers der beken of op de oppervlakte der rivieren,
waarover zij met de snelle wieken heenscheerden, vervolgden eenige
groote vogels de vraatzieke kraaien, die beproefden de eieren onder uit
de in het zand gegraven nesten te rooven. Blauwe kraanvogels met witten
hals, roode flamingo's, die evenals of het vlammen waren tusschen
het dunne kreupelhout voortwandelden, reigers, wulpen, watersnippen,
»kalas," die dikwijls op den schoft der buffels waren neêrgestreken,
pluvieren, ibissen, die van een met hieroglyphen bedekten obelisk
schenen afgevlogen te zijn, verbazend groote pelikanen, die in troepen
van honderden in rijen achter elkander liepen, brachten overal
leven en beweging in die streken, waar de mensch alleen scheen te
ontbreken. Doch van deze verschillende soorten van vogels waren zeker
de merkwaardigste de wevervogels, wier groenachtige uit riet en gras
gevlochten nesten als groote peren aan de takken der treurwilligen
hingen. Emery, die ze voor vruchten van eene nieuwe soort hield,
plukte er één of twee, en was zeer verwonderd toen hij binnen in die
vermeende vruchten een getjilp als van musschen hoorde. Zou het niet
te vergeven zijn geweest, als hij in navolging van de oude reizigers
in Amerika gemeend had, dat zeker soort van boomen in deze streken
vruchten dragen, die levende vogels voortbrengen?
Inderdaad had deze streek op dat oogenblik een verrukkelijk aanzien;
alle omstandigheden waren er even gunstig voor grazende dieren. Gnoes
met puntige hoeven, caäma's, die volgens Harris slechts uit driehoeken
schijnen te bestaan, elanddieren, kameelen en gazellen waren er in
overvloed. Welk eene verscheidenheid van wild, wat prachtige schoten
voor een der meest gevierde leden van de jachtclub! Het was waarlijk
eene al te groote verzoeking voor John Murray, en na twee dagen
verlof van kolonel Everest verkregen te hebben, gebruikte hij die
om zich op merkwaardige wijze te vermoeien. Maar wat had hij met
zijn vriend Mokum ook een prachtige jacht, terwijl William Emery
hen als liefhebber volgde! Wat gelukkige schoten had hij in zijn
jachtregister op te teekenen! Wat jagertropeeën om in zijn kasteel
in de Hooglanden op te hangen! En hoe weinig dacht hij gedurende die
beide verlofdagen aan geodesische opnamen, triangulatie of meting
van den meridiaan! Wie zou het geloofd hebben dat deze hand, die zoo
bekwaam was in het hanteeren van het geweer, ooit den fijnen kijker
van den theodoliet behandeld had! Wie zou gedacht hebben dat het oog,
hetwelk op de snelle antilopen zoo goed mikken kon, zich geoefend
had in het beschouwen der hemellichamen, en zelfs sterren van de
dertiende grootte had waargenomen! Ja, John Murray was gedurende die
beide vrije dagen geheel en alléén jager, en de sterrekundige was zoo
totaal verdwenen, dat men bijna vreezen moest dat hij als zoodanig
nooit weder te voorschijn zou treden!
Onder andere jachtavonturen van Murray moet er een worden opgeteekend,
dat eene zeer onverwachte uitkomst had, en den Boschjesman
alles behalve geruststelde voor de toekomst der wetenschappelijke
onderneming. Dit voorval bevestigde slechts de ongerustheid, die de
scherpzinnige jager aan den kolonel Everest had doen blijken.
Het was de 15de October. Sedert twee dagen gaf Murray zich geheel
aan zijne liefhebberij over. Men had eene troep van een twintigtal
herkauwende dieren op ongeveer twee kilometers van de karavaan bemerkt;
Mokum zag dat zij tot die schoone soort van antilopen behoorden, welke
men oryx noemt, en waarvan de zeer moeilijke jacht elk Afrikaansch
jager op de proef stelt.
Aanstonds deelde de Boschjesman aan John Murray mede welke gunstige
gelegenheid zich aanbood, en hij spoorde hem sterk aan er gebruik
van te maken. Tegelijker tijd deelde hij hem mede dat die dieren
zeer moeilijk te vangen waren, dat zij veel sneller liepen dan het
vlugste paard; dat de beroemde Cumming, toen hij in het land der
Namaqueezen op de jacht was, gedurende zijn geheele jagersloopbaan,
zelfs met renpaarden, nooit een van die zonderlinge antilopen onder
zijn bereik had kunnen krijgen! Er was niet eens zooveel noodig
om den Engelschman aan te sporen, want aanstonds verklaarde hij
zich gereed om die dieren te vervolgen. Hij koos het beste paard,
het beste geweer, de beste honden, en in zijn ongeduld liep hij den
Boschjesman zelfs al vooruit naar den rand van een kreupelbosch dat
eene vlakte begrensde en waar dichtbij men de dieren had bemerkt.
Na een tocht van een uur hielden de beide paarden stil. Mokum,
verscholen achter een boschje sycomoren toonde aan zijn makker de
grazende kudde, die zich op eenige honderden passen onder den wind
bevond. De schichtige dieren hadden hen nog niet bemerkt, en zij
graasden vreedzaam in de vlakte. Een van die antilopen scheen zich
een weinig van de overige verwijderd te houden. De Boschjesman deed
dit aan Murray opmerken.
»Het is een schildwacht," zeide hij. »Dit dier, dat zeker een oud
mannetje is, waakt voor de veiligheid van allen. Bij het minste gevaar,
zal het een soort van gehinnik doen hooren, en onder zijne aanvoering
zal de troep met de grootste snelheid vluchten. Wij moeten hen dus
niet dan op een zeer geschikten afstand schieten, en hem bij het
eerste schot neerleggen!"
Murray vergenoegde zich met toestemmend te knikken, en koos eene
goede plaats om de kudde te bekijken.
De antilopen graasden zonder erg voort. De schildwacht, die door den
wind mogelijk iets verdachts in den neus had gekregen, hief vrij
dikwijls den gehoornden kop op, en toonde eenige onrust. Maar hij
was te ver af dan dat de jagers met goed gevolg op hem hadden kunnen
schieten. Men behoefde er niet aan te denken om deze kudde op de
vlakte in de vlucht te achterhalen. Misschien zou zij dichter bij het
kreupelbosch komen, en in dit geval konden Murray en de Boschjesman
onder de gunstigste omstandigheden op een van die dieren mikken.
Het geluk scheen de jagers te begunstigen. Langzamerhand naderden de
dieren onder geleide van het oude mannetje het kreupelbosch. Zonder
twijfel meenden zij zich onder het dicht gebladerte van het
kreupelbosch te verschuilen. Toen hun oogmerk niet meer twijfelachtig
was, noodigde de Boschjesman zijn makker uit om af te stijgen; de
paarden werden aan een vijgenboom gebonden; men wierp ze een doek
over den kop als voorzorgsmaatregel om ze niet te doen hinniken
en ze stil te laten staan. Daarna kropen Mokum en Murray, door de
honden gevolgd, door de struiken langs den zoom van het bosch, doch
zóó, dat zij bij een punt kwamen, door de laatste boomen gevormd,
en waar zij op geen drie honderd schreden van de dieren meer af
waren. Daar bukten de beide jagers alsof zij in een hinderlaag lagen,
en wachtten met gespannen haan. Van de plaats waar zij zaten, konden
zij de antilopen zien en de bevallige dieren in alle bijzonderheden
waarnemen. De mannetjes waren weinig onderscheiden van de wijfjes,
en zelfs hadden deze laatste door eene speling, waarvan de natuur
slechts zelden voorbeelden geeft, grooter horens dan de eerste, die
zeer bevallig naar achteren gebogen en puntig waren. Geen dier is
bevalliger dan deze antilope, waarvan de oryx eene verscheidenheid
is; geene soort heeft zulke zuiver en regelmatig geteekende zwarte
vlekken. Zij hebben een bosje haar aan den hals, rechtopstaande manen
en een dikken staart, die tot op den grond hangt.
De kudde, die uit een twintigtal dieren bestond, naderde het bosch, en
bleef toen op dezelfde plaats. Het was duidelijk dat de schildwacht de
antilopen uit de vlakte trachtte te krijgen. Hij liep door het hooge
gras en trachtte ze in een klein hoopje bij elkander te drijven,
evenals de herdershond doet met de aan zijne hoede toevertrouwde
schapen. Maar die dieren, welke in het gras rondhuppelden schenen
geen lust te hebben de weelderige weide te verlaten. Zij schenen te
weigeren, sprongen vluchtende weg en begonnen eenige schreden verder
weder te grazen. Deze wijze van doen verwonderde den Boschjesman;
hij deed dit aan Murray opmerken, maar kon er hem geen verklaring
van geven. De jager kon niet begrijpen waarom het oude mannetje zoo
halsstarrig was, en om welke reden hij de kudde naar het bosch wilde
jagen. Dit duurde zoo een geruimen tijd, zonder dat er verandering
in kwam. Murray had steeds ongeduldig den vinger aan den haan van
zijn geweer. Dan eens wilde hij schieten, dan weder vooruitspringen,
zoodat Mokum werk had hem tegen te houden.
Zóó ging er een uur voorbij, en men kon niet voorzien hoevele er
nog zouden verloopen, toen één der honden, die waarschijnlijk even
ongeduldig werd als de Engelschman, een geweldig geblaf aanhief en
de vlakte inrende.
De woedende Boschjesman had het verwenschte dier gaarne een
kogel nagezonden! maar de snelvoetige kudde vluchtte reeds met
onvergelijkelijke snelheid, en toen begreep Murray dat geen paard haar
kon inhalen. Binnen weinige oogenblikken waren de antilopen niet meer
dan zwarte puntjes, die door het hooge gras voortstoven.
Tot groote verbazing van den Boschjesman had het oude mannetje het
sein tot vluchten niet gegeven. Tegen de gewoonte van deze dieren in
was het beest op dezelfde plaats gebleven en scheen er niet aan te
denken de onder zijne hoede staande antilopen te volgen. Sedert hare
vlucht toch trachtte het zelfs zich in het hooge gras te verbergen,
misschien met het plan om in het kreupelbosch te ontvluchten.
»Dat is zonderling," zeide de Boschjesman. »Wat scheelt dat oude
dier? Wat loopt het wonderlijk! Is het gekwetst of te oud?"
»Wij zullen het wel te weten komen!" antwoordde Murray, terwijl hij
met het geweer in de hand in de richting van het dier vooruitsprong.
Toen de jager naderde, was de antilope hoe langer hoe meer in het
gras weggedoken. Men zag slechts hare vier voet lange horens, welker
scherpe punten boven het groen uitstaken. Het dier poogde niet meer
te vluchten, maar zich te verbergen. Murray kon het zonderlinge beest
dus gemakkelijk naderen. Toen hij er nog maar honderd schreden van
daan was, mikte hij zoo nauwkeurig mogelijk en gaf vuur. Het schot
knalde; de kogel had de antilope zeker aan den kop getroffen, want
de vroeger in de hoogte stekende horens waren op den grond gezakt.
Murray en Mokum liepen zoo snel mogelijk naar het dier toe; de
Boschjesman hield zijn jachtmes in de hand gereed om het dood te
steken, als het nog niet aanstonds doodgeschoten was. Deze voorzorg
was echter onnut. De antilope was goed dood, en wel zóó, dat toen
Murray haar bij de horens wilde vatten, hij slechts een ledig vel in
de hand hield waaraan vleesch en beenderen ontbraken!
»Bij Sint Patrick, zulke dingen gebeuren slechts mij!" riep hij op zulk
een kluchtigen toon uit, dat ieder ander behalve de Boschjesman er
om zou gelachen hebben. Maar Mokum lachte niet; zijne samengeperste
lippen, zijne gefronsde wenkbrauwen, zijn knipoogen verrieden
eene ernstige ongerustheid. Met over elkander geslagen armen keek
hij rechts en links en rondom zich. Plotseling trof een zakje zijn
oog. Het was een klein lederen zakje met roode arabesken versierd,
dat op den grond lag. De Boschjesman raapte het aanstonds op, en
beschouwde het met opmerkzaamheid.
»Wat is dat?" vroeg Murray.
»Dat is de zak van een Makololo!" antwoordde Mokum.
»En hoe komt die hier?"
»Omdat de eigenaar dien bij zijne overhaaste vlucht heeft laten
vallen."
»En die Makololo?"
»Dat zal ik u zeggen, mijnheer," antwoordde de Boschjesman, terwijl hij
zijn vuisten van woede balde, »die Makololo zat in deze antilopenhuid,
en u hebt op hem geschoten."
Murray had den tijd niet zijne verbazing uit te drukken, toen Mokum,
die op ongeveer vijf honderd pas eenige beweging in het gras zag,
in die richting vuur gaf, waarop de Engelschman en hij zoo snel
zij konden naar de verdachte plaats renden. Maar deze was verlaten;
wel kon men aan het neergetrapte gras zien, dat er een levend wezen
overheen had geloopen, maar de Makololo was verdwenen, en men moest
het opgeven hem door de onmetelijke tot aan den uitersten gezichteinder
zich uitstrekkende vlakte te vervolgen.
De beide jagers kwamen dus terug, zeer ongerust door dit voorval,
dat inderdaad hunne bezorgdheid moest opwekken. De tegenwoordigheid
van een Makololo bij het steenen gedenkteeken in het woud, deze bij
de antilopenjagers zeer gebruikelijke vermomming, die hem verborgen
had, getuigde van eene wezenlijke hardnekkigheid in het vervolgen
van de karavaan van kolonel Everest. Het was niet zonder oogmerk
dat een inboorling, die tot den plunderzieken stam der Makololo's
behoorde, de Europeanen en hun geleide bespiedde. En hoe meer deze
naar het noorden trokken hoe meer het gevaar toenam van door deze
woestijnroovers te worden aangevallen.
Murray en Mokum kwamen in het kamp terug, waarbij de eerste, geheel
uit het veld geslagen als hij was, niet kon nalaten tegen zijn vriend
William Emery te zeggen: »Waarlijk, waarde William, het loopt me niet
mee! De eerste antilope, die ik doodschieten wil, was reeds dood voor
ik haar getroffen had!"