XV.

Één graad meer.

De scheiding was volbracht. De astronomen, die den arbeid voortzetten,

zouden meer werk krijgen, doch de meting zelve moest er niet

onder lijden. Men zou den nieuwen meridiaan met dezelfde juistheid,

dezelfde nauwkeurigheid meten en de waarnemingen zouden met evenveel

zorg geschieden. Alleen zouden de drie Engelsche geleerden het werk

onder elkander deelen en daardoor, hoewel zij het moeielijker hadden,

niet minder spoedig vorderen; maar het waren er geen menschen naar

om zich te ontzien. Wat de Russen van hun kant zouden doen, wilden

zij op den nieuwen meridiaan volbrengen. De nationale eigenliefde zou

hen, zoo noodig, in deze langdurige en moeilijke taak steunen. Drie

waarnemers moesten nu het werk voor zes verrichten. Daaruit ontsproot

de noodzakelijkheid om alle gedachten en alle oogenblikken aan de

onderneming te wijden. Het was dus noodzakelijk voor William Emery om

zich minder aan zijne droomerijen over te geven; en voor John Murray

om niet meer zoo druk met het geweer in de hand de fauna van Afrika

te bestudeeren.

Aanstonds werd er een nieuw programma opgemaakt, dat aan elk der drie

astronomen een gedeelte van het werk toewees. Murray en de kolonel

belastten zich met de hoogte- en geodesische metingen. William Emery

moest Palander als rekenaar vervangen. Het spreekt van zelf dat de

keuze der stations, het plaatsen der bakens in gemeenschappelijk

overleg werd besproken, en dat men niet behoefde te vreezen dat er

eenig misverstand tusschen de geleerden ontstaan zou. De dappere

Mokum bleef, zooals vroeger, de jager en de gids van de karavaan. De

zes Engelsche matrozen, die de helft der bemanning van de Queen and

Tzar hadden uitgemaakt, waren hunne aanvoerders natuurlijk gevolgd,

en al was nu de stoomboot ter beschikking van de Russen gebleven,

zoo was toch de caoutchouc-boot voldoende om over gewone rivieren

heen te komen. De wagens waren verdeeld naarmate van den voorraad,

dien zij bevatten. Voor de voeding en zelfs voor het gemak van de

beide karavanen was dus gezorgd. De inlanders, die onder bestuur van

den Boschjesman het geleide hadden gevormd, waren ook in twee gelijke

groepen verdeeld, niet zonder door hunne houding te hebben doen zien

dat deze scheiding hun mishaagde. Misschien hadden zij gelijk met

het oog op de algemeene veiligheid. Deze Boschjesmannen zagen zich

ver van de hun bekende oorden, ver van de weiden en rivieren, in

welker nabijheid zij leefden, naar eene noordelijke streek gevoerd,

door zwervende stammen bewoond, die ongelukkig genoeg vijandig

gezind waren jegens de meer zuidelijk wonende Afrikanen! en onder

deze omstandigheden meenden zij mogelijk, dat het niet goed was om

hunne krachten te verdeelen. Maar toch hadden zij door tusschenkomst

van den Boschjesman en den gids er in toegestemd dat de karavaan

zou gescheiden worden, terwijl hun beloofd was (en dit was een der

overredingsmiddelen, waarvoor zij zich het meest gevoelig hadden

getoond), dat de beide deelen der commissie betrekkelijk in elkanders

nabijheid en in dezelfde landstreek hun arbeid zouden voortzetten.

Toen de troep van kolonel Everest den 31sten Augustus Kolobeng verliet,

richtte deze zich naar den dolmen, die bij de laatste waarnemingen als

baken had gediend. Men trok dus het afgebrande woud weder binnen en

kwam bij den heuvel. Den 2den September werd de arbeid hervat. Een

groote driehoek, welks toppunt links een opgesteld baken op een

heuveltje was, liet den waarnemers toe zich onmiddellijk tien of twaalf

kilometers westwaarts van den vroegeren meridiaan te verplaatsen.

Zes dagen later, den 8sten September, was de reeks hulpdriehoeken

gereed, en koos kolonel Everest in overleg met zijne ambtgenooten,

na de kaarten te hebben in orde gebracht, den nieuwen meridiaanboog,

die door verdere metingen tot aan den twintigsten zuiderparallel

moest berekend worden. Deze meridiaan lag een graad westelijk van

den eersten. Het was de drieëntwintigste oostelijk van Greenwich. De

Engelschen zouden dus op niet meer dan twintig uren gaans van de Russen

werken, doch deze afstand was groot genoeg om hunne driehoeken niet

met elkander in aanraking te doen komen. Onder deze omstandigheden

was het onwaarschijnlijk dat de beide gezelschappen elkander bij

hunne opmetingen zouden ontmoeten, en dus ook onwaarschijnlijk dat

de keuze van een baken de oorzaak van een twist of misschien van eene

betreurenswaardige ontmoeting zou zijn.

De landstreek, door welke de Engelsche astronomen gedurende de maand

September heentrokken, was vruchtbaar en heuvelachtig, doch weinig

bevolkt. De tocht van de karavaan werd er dus door begunstigd. Het weer

was fraai en zeer helder, zonder mist en zonder wolken. De waarnemingen

werden met het grootste gemak gedaan. Weinig groote bosschen, wijd

uit elkander staand kreupelhout, uitgestrekte weiden, hier en daar

met heuveltjes, die geschikt waren om er 's nachts of daags bakens

op te plaatsen, en goed werkende instrumenten. Het was tevens eene

streek, wonderwel voorzien van allerlei natuurvoortbrengselen. De

meeste bloemen lokten door hare aangename geuren zwermen bijen,

en voornamelijk eene soort, niet ongelijk aan de Europeesche, die

in spleten van rotsen of van boomstammen eene witte, zeer vloeibare

en lekkere honig vervaardigen. Soms waagden zich 's nachts eenige

groote dieren in den omtrek van de legerplaats; het waren giraffen,

verschillende soorten van antilopen, enkele verscheurende dieren

als hyena's, en ook neushoorns of olifanten. Maar John Murray wilde

zich niet meer van zijn werk laten aftrekken. Hij hanteerde nu den

astronomischen kijker en niet meer het jachtgeweer.

Onder deze omstandigheden vervulden Mokum en eenige inlanders het ambt

van spijsverzorgers, maar men kan gerust aannemen, dat het knallen van

hunne geweerschoten het hart van den heer Murray kloppen deed. Onder

de schoten van den Boschjesman vielen twee of drie groote buffels, die

van den snuit tot den staart vier meters lang en op de schoft gemeten

twee meters hoog zijn. Hun zwarte huid had een blauwen weerschijn; het

waren groote dieren met kort ineengedrongen en krachtige ledematen;

een kleine kop, woeste oogen en zware zwarte horens. Het was een

heerlijke voorraad van versch vleesch, waardoor het gewone voedsel

van de karavaan eens eenige wijziging onderging.

De inlanders bereidden dit vleesch, evenals de in Noord-Amerika wonende

Indianen, op eene eigenaardige wijze, zoodat zij het onbepaalden

tijd konden bewaren. De Europeanen volgden met belangstelling deze

bewerking, waarvoor zij eerst eenigen tegenzin toonden. Nadat het

buffelvleesch in smalle en in de zon gedroogde repen gesneden was, werd

het in een gelooid vel gedaan en daarna met knuppels zoolang geslagen,

dat het in bijna ondeelbare stukjes verdeeld werd. Het was dan niets

meer dan poeder van vleesch; dit fijn verdeeld poeder werd in lederen

zakken gepropt en dan met kokend vet van hetzelfde dier bevochtigd. Bij

dit eenigszins ongelachtige vet voegden de Afrikaansche koks fijn

merg en eenige bessen, waarvan het suikergehalte zich oogenschijnlijk

niet best verdroeg met de stikstof houdende bestanddeelen van het

vleesch. Daarna werd dit mengsel fijn gewreven en zoo gekneed dat

het koud geworden een koek vormde, die zoo hard als steen was. Dan

was de schotel gereed.

Mokum verzocht de astronomen dit mengsel te proeven. De Europeanen

gaven gehoor aan de uitnoodiging van den jager, die van dit nationale

gerecht bijzonder veel hield. De Engelschen vonden de eerste beten

onaangenaam, maar weldra waren zij gewend aan den smaak van dezen

Afrikaanschen podding en vonden dien toen zeer lekker. Het was

inderdaad een zeer versterkend voedsel, dat zeer geschikt was voor

de behoefte van eene karavaan, die door een onbekend land trok, en

dikwijls gebrek aan versch voedsel hebben kon; een krachtig voedsel,

dat gemakkelijk vervoerbaar, bijna nimmer aan bederf onderhevig was,

en in een klein volumen eene groote hoeveelheid voedende bestanddeelen

bevatte. Dank zij de behendigheid van den jager, bedroeg de voorraad

van dit voedsel weldra eenige honderden ponden, zoodat voor de

behoeften in de toekomst was gezorgd.

Zóó gingen de dagen voorbij. Soms werden ook de nachten tot het doen

van waarnemingen besteed. Emery dacht altijd aan zijn vriend Zorn,

en betreurde de noodlottige omstandigheden, die eensklaps de banden

der innigste vriendschap verscheurd hadden. Ja, hij miste Michel

Zorn, en zijn hart, altijd zoo vol van indrukken, die deze groote en

woeste natuur in hem opwekten, kon zich nu niet meer uitstorten. Hij

verdiepte zich dan in zijne berekeningen, en wierp zich in de

cijfers met de volharding van een Palander; zoo gingen dan de uren

sneller voorbij. Wat den kolonel aangaat, deze bleef dezelfde man,

met hetzelfde koele karakter, die slechts in geestdrift geraakte voor

zijne triangulaties. John Murray betreurde openhartig zijne halve

vrijheid van vroeger, maar wachtte zich wel zich daarover te beklagen.

Evenwel wilde het geluk dat hij zich van tijd tot tijd kon schadeloos

stellen. Al had hij geen tijd meer om het bosch af te jagen, en de

wilde dieren in den omtrek te vervolgen, zoo namen deze beesten soms

de moeite om naar hem toe te komen, en trachtten dan zijne waarnemingen

te verhinderen. In dat geval waren de jager en de geleerde één persoon;

Murray was dan tot zelfverdediging gewettigd. Zoo had hij onder anderen

den 12den September eene ernstige ontmoeting met een rhinoceros,

die hem, zooals men zien zal, vrij duur te staan kwam.

Sedert eenigen tijd dwaalde dit dier ter zijde van de karavaan

rond. Het was een verbazend groote chucuroo, welken naam de

Boschjesmannen aan dat dikhuidige dier geven. Het was veertien voet

lang en zes hoog, en aan de zwarte en minder rimpelige huid dan die

van zijne Aziatische natuurgenooten, had de Boschjesman het als een

zeer gevaarlijk dier herkend. De zwarte soorten toch zijn veel vlugger

en meer geneigd om aan te vallen dan de witte, en zij randen dikwerf,

zonder daartoe getart te worden, menschen en dieren aan.

Dien dag was Murray met Mokum uitgegaan om op zes kilometers afstands

van het station eene hoogte te gaan opnemen waarop de kolonel

plan had een baken te zetten. Uit zeker voorgevoel had hij zijn

buks en geen eenvoudig jachtgeweer medegenomen. Hoewel de bedoelde

rhinoceros sedert twee dagen niet bespeurd was, wilde Murray niet

ongewapend door een onbekend land trekken. Mokum en zijne makkers

hadden meermalen vruchteloos op dit dier jacht gemaakt en het was

mogelijk dat het beest zijn oogmerk had opgegeven. De Engelschman had

zich niet te beklagen dat hij zoo voorzichtig gehandeld had. Zonder

ongeval hadden zijn makker en hij de hoogte bereikt, en waren op

den hoogsten top geklommen toen aan den voet van den heuvel, en aan

den rand van een laag en dicht kreupelbosch de chucuroo plotseling

verscheen. Nooit nog had Murray hem zoo dicht bij gezien. Het was

inderdaad een ontzettend groot dier; zijne kleine oogen glinsterden;

de rechte eenigszins achterwaarts gebogen horens, die bijna even lang,

namelijk twee voet waren en stevig achter elkander op den grooten

beenachtigen neus stonden, vormden een geducht wapen. De Boschjesman

zag het eerst dat het dier op een halven kilometer afstands onder een

boschje van mastikboomen nederlag. »Mijnheer!" zeide hij aanstonds,

»het geluk begunstigt u; daar is de chucuroo."

»De rhinoceros!" riep Murray, wiens oogen in vuur geraakten.

»Ja, mijnheer," antwoordde de jager; »het is, zooals u ziet,

een prachtig dier, dat zeer genegen schijnt om ons den pas af te

snijden. Ik weet niet waarom het beest zóó op ons gebeten schijnt,

want het is een plantetend dier; maar het is nu eenmaal dáár, onder

dat boschje, en dus moeten wij het verdrijven."

»Kan hij bij ons komen?" vroeg Murray.

»Neen, mijnheer," antwoordde de Boschjesman. »De helling is te steil

voor zijne korte ineengedrongen leden; hij zal ons dus opwachten."

»Wel nu, laat hij wachten," antwoordde de Engelschman, »en wanneer wij

dit station goed hebben opgenomen, zullen wij dien lastigen buurman

wel wegkrijgen."

Murray en Mokum hervatten dus hunne even afgebroken opname; zij

verkenden zorgvuldig den heuveltop en kozen de plaats om een baken te

zetten. Andere vrij belangrijke, doch meer in het noordwesten gelegen

heuvels waren zeer geschikt tot het opmeten van een nieuwen driehoek.

Toen dit werk was afgeloopen, wendde Murray zich tot den Boschjesman,

en zeide: »Als ge maar wilt, Mokum."

»Ik ben tot uwe bevelen, mijnheer."

»Wacht de rhinoceros ons nog altijd?"

»Altijd."

»Laat ons dan naar beneden gaan, en hoe sterk het dier ook zijn moge,

zoo zal een kogel uit mijn buks het wel tot reden brengen."

»Een kogel!" riep de Boschjesman, »u weet niet wat een chucuroo

is. Die dieren zijn taai, en nimmer heeft men nog een rhinoceros door

een eersten kogel zien vallen, hoe goed de jager ook mikte."

»Kom!" zeide Murray, »omdat men geen puntkogels gebruikte!"

»Puntig of rond," antwoordde Mokum, »uwe eerste kogels zullen zulk

een dier niet vellen."

»Welnu, dappere Mokum," hernam de Engelschman, die in zijn eer als

jager werd aangetast, »ik zal u eens toonen wat Europeesche wapens

vermogen, omdat ge daaraan twijfelt!"

Dit zeggende laadde Murray zijne buks, en was gereed om vuur te geven,

zoodra de afstand daarvoor klein genoeg was.

»Een woord nog, mijnheer!" zeide de Boschjesman, die een weinig

geraakt was, en zijn makker met een wenk tegenhield, »zoudt u met

mij willen wedden?"

»Waarom niet, brave jager?" antwoordde de Engelschman.

»Ik ben niet rijk," hernam Mokum, »maar ik zou gaarne een pond sterling

tegen den eersten kogel zetten."

»Goed!" hervatte Murray aanstonds. »Ik betaal u een pond als de

rhinoceros niet door mijn eersten kogel valt."

»Meent u het?" vroeg de Boschjesman.

»Zeker."

De twee jagers daalden den steilen kant van den heuvel af, en

waren weldra op slechts vijf honderd voet van den rhinoceros, die

onbeweeglijk liggen bleef. Het dier was dus zoo gunstig mogelijk voor

den jager geplaatst, en hij kon op zijn gemak mikken. De eerzame

Engelschman meende zulk een gemakkelijk spel te hebben, dat hij op

het oogenblik dat hij zou schieten, den Boschjesman zijne weddingschap

wilde doen terugtrekken, waarom hij zeide:

»Meent gij het nog altijd?"

»Zeker!" antwoordde Mokum bedaard.

De rhinoceros lag zoo onbeweeglijk als eene schijf. Murray kon

dus de plaats kiezen waar hij hem wilde raken om hem in eens dood

te schieten. Hij besloot het dier in den snuit te treffen, en daar

zijne eer als jager er mede gemoeid was, mikte hij zeer nauwkeurig,

hierin nog geholpen door de juistheid van zijn wapen. Een schot

knalde; maar de kogel in plaats van in het vleesch door te dringen,

vloog tegen den horen van den rhinoceros en verbrijzelde daarvan de

punt. Het dier scheen den schok zelfs niet te gevoelen.

»Dit schot geldt niet," zeide de Boschjesman, »u hebt het vleesch

niet getroffen."

»Wel zeker!" antwoordde Murray, een weinig geraakt. »Het schot geldt

wel, Boschjesman. Ik heb een pond verloren, maar ik wil het wel gelijk

of dubbel doen."

»Zooals u wilt, mijnheer, maar u zult het verliezen."

»Dat zullen wij eens zien!"

De buks werd met zorg geladen, en Murray mikte op de zijde van het

dier; een tweede schot knalde, maar de kogel trof de plaats waar de

huid uit laagsgewijze elkaar bedekkende hoornachtige schilden bestaat

en viel op den grond, niettegenstaande de groote kracht, waarmede hij

er tegen aankwam. De rhinoceros maakte eene beweging en ging eenige

schreden verder.

»Twee pond!" zeide Mokum.

»Durft gij?" vroeg Murray.

»Gaarne."

Ditmaal riep Murray, die een weinig kwaad begon te worden, al zijne

koelbloedigheid te hulp, en mikte op het voorhoofd van het dier. De

kogel trof de bedoelde plek, maar sloeg terug, alsof hij tegen een

ijzeren plaat was aangekomen.

»Vier pond!" zeide de Boschjesman bedaard.

»En nog vier!" riep Murray woedend.

Ditmaal drong de kogel in de zijde van het dier, dat een vreeselijken

sprong deed; maar in plaats van dood te vallen, wierp het zich met

onbeschrijfelijke woede op de struiken en begon ze te vernielen.

»Ik geloof dat hij zich nog een weinig beweegt, mijnheer!" zeide de

jager kalm.

Murray was zich zelven geen meester meer. Zijne koelbloedigheid

had hem geheel begeven. Hij waagde de acht pond, die hij aan den

Boschjesman schuldig was, op een vijfden kogel; hij verloor nogmaals,

hij verdubbelde, en verdubbelde altijd, en het was eerst bij het

negende schot dat het onstuimige dier eindelijk met doorboord hart

viel, om niet weer op te staan. Murray stiet een vreugdekreet uit;

zijne weddingschappen, zijne teleurstelling, alles was vergeten om zich

slechts ééne zaak te herinneren: hij had zijn rhinoceros gedood! Maar,

zooals hij later aan de leden van de jachtklub te Londen vertelde:

»het was een kostbaar beest!" En inderdaad het had hem niet minder dan

zesendertig pond gekost, dus eene belangrijke som, die de Boschjesman

met zijne gewone kalmte opstak.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 18 / 41 题