XIV.

Eene oorlogsverklaring.

Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid

was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander

niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.

Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand

had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een

heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van

een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het

laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen

trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een

met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte

hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats

lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen

waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte

rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden,

wezen de plaats aan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de

brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw

uitbarsten, en het geheele woud verslinden.

Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer

de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren

zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te

ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum

vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er

eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door

den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den

heuvel stond, was als 't ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij

geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een

oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk

groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit

gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.

De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge

gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top

in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig

schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter

een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te

voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af

rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur

gespaard was gebleven.

De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik

was genoeg om hem te herkennen.

»Een Makololo!" riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray,

door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden

doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in

het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de

beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.

Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman

bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed

hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?"

»Het is een Makololo, kolonel," antwoordde Mokum, »een inboorling

uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de

oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle

Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers,

die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man

bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen,

dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken."

»Maar Boschjesman," hernam de kolonel, »wat hebben we van een

dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand

te bieden?"

»Op dit oogenblik, ja," hervatte de Boschjesman, »maar deze

plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar

is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion

is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebreke blijven met

eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat

geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken."

Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij

wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar

te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten

mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht

wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop

gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt

was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de

Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen

spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal

zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid

vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.

Den 17den Augustus had men een derden graad van den meridiaan

gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men

met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie

graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van

de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.

Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het

dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van

den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en

besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar

zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer

zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten,

en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij

verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng,

een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen,

zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving

wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare

vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.

De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting

gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel

der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de

volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd

daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de

zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken,

en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.

Den 22sten Augustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig

bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling

van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit

dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemd wordt, heette

eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende

verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der

Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den

naam van Bakoninen bekend zijn.

De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie

zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter

hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone,

zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen

geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van

1852 niet ontzien.

Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren,

vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen

niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen

aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met

dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers

van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der

zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het

was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten,

en deze week brachten zij dan ook in een dolce far niente door,

terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.

Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner

Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery

en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van

Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en

zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon

doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en

hart gegrond was.

Den 30sten Augustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was

een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de

Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef

in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit

gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht,

waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De

medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden

oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den

loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.

Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden

medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke

zending ernstig bedreigden.

Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den

kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels

nommers van de Times, de Daily News en het Journal des Débats. De

daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandigheden een bijzonder

belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.

De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van het

zendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had

losgemaakt, nam hij een nommer van de Daily News van 13 Mei 1854,

ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.

Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen,

of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich,

en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige

oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam

hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem:

»Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?"

»Ernstige tijdingen, mijne heeren," was het antwoord, »zeer ernstige,

die ik u zal mededeelen."

De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten

hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet

vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.

De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die

het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux,

en zeide:

»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik

u eene opmerking te maken, mijnheer!"

»Ik ben gereed u aan te hooren," antwoordde de Rus.

Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:

»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke

dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en

onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen

nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te

moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd

der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende

ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook,

moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?"

Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.

»Ten gevolge van nieuwe omstandigheden," hervatte de kolonel, »zal die

voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat

me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting,

die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik

verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel

over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen."

De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met

zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo

edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu

Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde;

zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de

Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken,

minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel

bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:

»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak

niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast

zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting,

die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik

voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen

op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen,

die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen;

ik begrijp niet wat...."

»U zult me begrijpen, mijnheer Strux," zeide de kolonel op een toon,

die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand."

Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.

De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.

»Eindelijk!" riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!"

»Neen mijnheer!" antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den

Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden,

gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen

ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!"

En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er

bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog

uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen,

die ons dit mededeelen!"

Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De

Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor

Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de Zwarte Zee met het

kanon behandeld.

De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van

een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te

weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die

enkele woorden: »de oorlog is verklaard!" waren genoeg; het waren

geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich

vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren

vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed

heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!

Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander

verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen

indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer

droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij

elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste

maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een

groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.

Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou

het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken,

maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het

belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter

moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen worden

voortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest

werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de

metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat

de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk

afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts

een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met

den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij

onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten

parallel voortzetten.

Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet

zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke

naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel

wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste

grenzen van welvoeglijkheid.

Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën

zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het

lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet

kon verdeeld worden.

De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray

gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids,

insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische

karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals

een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen

tot nog toe waren ingeschreven.

Den 31sten Augustus scheidden de leden der vroegere internationale

commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om

hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het

laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren 's morgens,

na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.

En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der

Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar

William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien

hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar

gescheiden was, de hand drukte!

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 17 / 41 题