Eene oorlogsverklaring.
Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid
was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander
niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.
Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand
had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een
heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van
een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het
laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen
trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een
met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte
hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats
lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen
waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte
rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden,
wezen de plaats aan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de
brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw
uitbarsten, en het geheele woud verslinden.
Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer
de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren
zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te
ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum
vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er
eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door
den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den
heuvel stond, was als 't ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij
geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een
oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk
groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit
gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.
De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge
gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top
in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig
schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter
een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te
voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af
rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur
gespaard was gebleven.
De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik
was genoeg om hem te herkennen.
»Een Makololo!" riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray,
door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden
doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in
het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de
beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.
Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman
bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed
hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?"
»Het is een Makololo, kolonel," antwoordde Mokum, »een inboorling
uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de
oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle
Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers,
die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man
bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen,
dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken."
»Maar Boschjesman," hernam de kolonel, »wat hebben we van een
dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand
te bieden?"
»Op dit oogenblik, ja," hervatte de Boschjesman, »maar deze
plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar
is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion
is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebreke blijven met
eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat
geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken."
Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij
wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar
te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten
mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht
wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop
gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt
was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de
Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen
spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal
zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid
vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.
Den 17den Augustus had men een derden graad van den meridiaan
gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men
met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie
graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van
de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.
Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het
dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van
den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en
besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar
zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer
zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten,
en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij
verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng,
een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen,
zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving
wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare
vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.
De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting
gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel
der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de
volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd
daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de
zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken,
en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.
Den 22sten Augustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig
bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling
van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit
dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemd wordt, heette
eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende
verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der
Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den
naam van Bakoninen bekend zijn.
De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie
zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter
hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone,
zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen
geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van
1852 niet ontzien.
Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren,
vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen
niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen
aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met
dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers
van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der
zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het
was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten,
en deze week brachten zij dan ook in een dolce far niente door,
terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.
Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner
Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery
en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van
Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en
zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon
doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en
hart gegrond was.
Den 30sten Augustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was
een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de
Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef
in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit
gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht,
waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De
medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden
oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den
loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.
Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden
medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke
zending ernstig bedreigden.
Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den
kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels
nommers van de Times, de Daily News en het Journal des Débats. De
daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandigheden een bijzonder
belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.
De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van het
zendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had
losgemaakt, nam hij een nommer van de Daily News van 13 Mei 1854,
ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.
Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen,
of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich,
en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige
oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam
hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem:
»Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?"
»Ernstige tijdingen, mijne heeren," was het antwoord, »zeer ernstige,
die ik u zal mededeelen."
De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten
hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet
vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.
De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die
het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux,
en zeide:
»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik
u eene opmerking te maken, mijnheer!"
»Ik ben gereed u aan te hooren," antwoordde de Rus.
Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:
»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke
dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en
onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen
nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te
moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd
der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende
ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook,
moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?"
Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.
»Ten gevolge van nieuwe omstandigheden," hervatte de kolonel, »zal die
voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat
me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting,
die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik
verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel
over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen."
De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met
zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo
edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu
Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde;
zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de
Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken,
minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel
bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:
»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak
niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast
zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting,
die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik
voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen
op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen,
die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen;
ik begrijp niet wat...."
»U zult me begrijpen, mijnheer Strux," zeide de kolonel op een toon,
die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand."
Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.
De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.
»Eindelijk!" riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!"
»Neen mijnheer!" antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den
Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden,
gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen
ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!"
En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er
bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog
uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen,
die ons dit mededeelen!"
Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De
Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor
Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de Zwarte Zee met het
kanon behandeld.
De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van
een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te
weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die
enkele woorden: »de oorlog is verklaard!" waren genoeg; het waren
geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich
vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren
vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed
heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!
Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander
verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen
indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer
droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij
elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste
maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een
groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.
Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou
het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken,
maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het
belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter
moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen worden
voortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest
werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de
metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat
de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk
afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts
een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met
den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij
onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten
parallel voortzetten.
Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet
zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke
naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel
wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste
grenzen van welvoeglijkheid.
Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën
zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het
lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet
kon verdeeld worden.
De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray
gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids,
insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische
karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals
een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen
tot nog toe waren ingeschreven.
Den 31sten Augustus scheidden de leden der vroegere internationale
commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om
hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het
laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren 's morgens,
na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.
En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der
Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar
William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien
hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar
gescheiden was, de hand drukte!