Door het vuur.
Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp
met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan
den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt 's nachts
te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag
doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den
bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen
waarnemen.
Maar zou het licht zich vertoonen?
De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas
Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne
berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige
hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van
den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden
met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander
misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!"
Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische
geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun
geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij
zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten
dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren
al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke
hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen
staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in
welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen
dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu
Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om
beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij
geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het
was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte
teeken zien zou.
Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den
donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier
voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!"
Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischen
ambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest
bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men
bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na
dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58'
42'' 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden
gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.
Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van
den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig
mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering
van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den
gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren 's middags waren
al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al
de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig
verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende
gelukwenschen.
Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den
hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers
westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder
oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige
sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop,
waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste
driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste
bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken
hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.
Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede
omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke
hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende
vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins
heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van
seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen
geregeld in orde gebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen;
de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd,
haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de
verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne
kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was
voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen
de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren,
tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver,
en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen
eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen
hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.
Het was de 11de Augustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaan door
eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen
elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene
ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder
reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn,
dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving
zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit
een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste
geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso,
den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is,
van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den
ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen,
van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige,
onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan
sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige
woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding
op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind
in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.
Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het
woud van Rovouma was.
»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?"
»Vijfenveertig kilometers."
»En van het noorden naar het zuiden?"
»Ongeveer tien kilometers."
»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?"
»Wij kunnen er niet door," antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar
voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost-
of westzijde om het bosch heen te trekken."
Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman
gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen
seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen
trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan
de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid
ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer
meten dan noodig was.
Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke
hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra
de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige
boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd
er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag
om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als
van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet
werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch
heen te trekken, daar de afwijking aan beide zijden ongeveer dezelfde
was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.
De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dien
onoverkomelijken hinderpaal heen te trekken. [3] Het kwam er niet op
aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist
over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel
en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen
tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die
eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te
vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beide
aanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts,
omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden
weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was
eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht,
zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch
klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als
deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.
De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de
leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.
Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden
er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders
twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten,
zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee
rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij
zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde
meeningen.
Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige
astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman
opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien
tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen
gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.
Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide
jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen,
dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats
af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis,
die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.
»Ik stel me voor," zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan
den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide
aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me
niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een
rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen."
»Het is een noodlottige omstandigheid," antwoordde Murray, »en
ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich
sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was,
zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten,
waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding
genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik
met het geweer op schouder het jachtveld afloopen."
»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor
mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier
tot in het oneindige verlengd worden."
»Ik vrees het, Mokum," antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerders
hebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak,
die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk
en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij
niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen
de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden,
die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen
gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven
in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is
in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan
juist door het bosch loopt!"
»De duivel hale die bosschen!" antwoordde de Boschjesman, »als er van
zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om
de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer
zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij,
mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol,
dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men
de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen,
mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut
van uw werk geloof slaan!"
Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen
den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij
door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde
dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet
begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray
hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde
hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte
geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke
Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.
Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine
wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van
»graphycerus elegans" bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels,
en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar
vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de
Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden
bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen,
die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal
stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer
dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er
ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk
een jager.
Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman
door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde
vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten,
vragen en antwoorden. Hij zag hem met het geweer in rust, zonder
te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond
onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander,
wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafel zocht. Maar
Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze
zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.
Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem:
»Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens
zullen worden?"
Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk
toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en
Engelschen te vreezen stond.
Toen zij 's avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd
waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg
hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:
»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan
de beide geleerden hun zin te geven."
»Zoo... dappere jager?" antwoordde Murray vrij verbaasd.
»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en
mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind
maar gunstig is."
»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?"
»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!"
»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt
jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken
der wetenschap worden opgeteekend."
»Veel eer voor mij," antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van
gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.
Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets
meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die
beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene
bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal
stelden.
's Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats
terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen
den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde
tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets
geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders
verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen
van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men
begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene
uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot
op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden
haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in
dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit
vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander
genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.
Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaak van
hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door
hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel
vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge
vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot
hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den
Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne
gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals
hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens,
en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid
der karavaan.
Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter
ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van
den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond
op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux
niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat
»er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen."
Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in,
vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.
Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone
beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de
legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen
reeds op de been.
Het bosch stond in brand.
Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot
achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In
een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene
kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast
hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem
begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een
weg banen.
De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den
Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een
blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel
met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en
stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande
boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur
breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende
hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat
onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden
der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en
verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen,
die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een
verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate
van de soort van boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal
alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den
brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode
wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den
hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren
tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.
Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen
en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte
beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken
wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen
behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena's, buffels, leeuwen en
olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den
donkeren gezichteinder.
De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht
voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot
gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over
eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den
meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie
door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.