XIII.

Door het vuur.

Ondertusschen wachtten de kolonel en zijne vrienden in het kamp

met zeer natuurlijk ongeduld het gevolg van den strijd onder aan

den berg af. Als de jagers slaagden moest het lichtpunt 's nachts

te zien zijn. Men begrijpt hoe ongerust de geleerden dien dag

doorbrachten. Hunne instrumenten waren gereed; zij hadden ze op den

bergtop gericht, zoodat zij den flauwsten schijn zelfs zouden kunnen

waarnemen.

Maar zou het licht zich vertoonen?

De kolonel en Mathieu Strux namen geen enkel oogenblik rust. Nikolaas

Palander alleen was altijd in gedachten verdiept, en vergat door zijne

berekeningen dat zijne makkers een gevaar dreigde. Men beschuldige

hem niet van aangeboren zelfzucht. Men kon van hem zeggen wat van

den wiskunstenaar Bouvard beweerd werd: »Hij zal slechts ophouden

met rekenen, als hij ophoudt te leven, terwijl Nikolaas Palander

misschien zal ophouden te leven, zoodra hij ophoudt met rekenen!"

Men moet evenwel erkennen dat de beide Engelsche en Russische

geleerden in hunne onrust evenzeer dachten aan het volbrengen van hun

geodesischen arbeid als aan het gevaar, dat hunne vrienden liepen. Zij

zelven zouden dit gevaar ook getrotseerd hebben, daar zij niet vergaten

dat zij ook tot de strijdvoerende wetenschap behoorden. Maar zij waren

al te zeer bezig met het resultaat van hun onderzoek. Een natuurlijke

hinderpaal die niet kon overwonnen worden, kon hun werk toch doen

staken of ten minste vertragen. Men kan zich dus licht voorstellen in

welk een angst de beide sterrekundigen gedurende dien oneindig langen

dag verkeerden. Eindelijk viel de duisternis. De kolonel en Mathieu

Strux, die elk een half uur lang zouden waarnemen, gingen beurt om

beurt voor den kijker zitten. Te midden der duisternis spraken zij

geen woord en wisselden elkander met de grootste nauwgezetheid af. Het

was een wedstrijd wie hunner het eerst het zoo ongeduldig verwachte

teeken zien zou.

Uren verliepen; het was reeds over middernacht, niets was nog op den

donkeren bergtop verschenen. Eindelijk stond kolonel Everest kwartier

voor drieën bedaard op, en zeide alleen: »het signaal!"

Het toeval had hem begunstigd tot groote spijt van zijn Russischen

ambtgenoot, die zelf het verschijnen van den lantaarn moest

bevestigen. Maar Mathieu Strux hield zich in en zeide geen woord. Men

bepaalde toen het punt met de meest angstvallige voorzorgen, en na

dikwijls herhaalde waarnemingen werd de gemeten hoek bevonden 73° 58'

42'' 413. Men ziet dat de hoek tot op duizendste deelen van seconden

gemeten was en dus zoo goed als met eene volstrekte juistheid.

Den volgenden morgen, 2 Juli, werd het kamp bij het aanbreken van

den dag opgebroken. Kolonel Everest wilde zijne makkers zoo spoedig

mogelijk weder opzoeken. Hij haastte zich om te weten of de verovering

van den berg niet al te duur gekocht was. Onder het geleide van den

gids begaven de wagens zich op weg, en om twaalf uren 's middags waren

al de leden der wetenschappelijke commissie weder bij elkander. Al

de bijzonderheden van het gevecht tegen de leeuwen werden uitvoerig

verhaald en het ontbrak den overwinnaars daarbij niet aan welgemeende

gelukwenschen.

Dien morgen hadden Murray, Zorn en Emery boven van den berg den

hoeksafstand van een nieuw station gemeten, dat eenige kilometers

westwaarts van den meridiaan gelegen was. De arbeid kon dus zonder

oponthoud worden voortgezet. Nadat de astronomen de hoogte van eenige

sterren bepaald hadden, berekenden zij de breedte van den bergtop,

waaruit Palander de gevolgtrekking maakte dat men door de laatste

driehoeksmetingen een tweede gedeelte van den meridiaan van ten naaste

bij één graad had opgemeten. Door middel van vijftien driehoeken

hadden zij dus in het geheel twee graden van de basis afgemeten.

Het werk werd onmiddellijk voortgezet; het werd onder vrij goede

omstandigheden verricht, en men hoopte dat geen enkele natuurlijke

hinderpaal de voltooiing van het geheel in den weg zou staan. Gedurende

vijf weken begunstigde de hemel de waarnemingen. De eenigszins

heuvelachtige grond was bijzonder geschikt voor het plaatsen van

seinpalen; onder toezicht van den Boschjesman werden de legerplaatsen

geregeld in orde gebracht. Het ontbrak hun niet aan levensmiddelen;

de jagers van de karavaan voorzagen, met John Murray aan het hoofd,

haar dagelijks van wild. De eerzame Engelschman telde zelfs de

verscheidenheid van antilopen of buffels niet meer, die onder zijne

kogels vielen. Alles ging naar wensch. De gezondheidstoestand was

voldoende; het water was nog overvloedig voorhanden; eindelijk scheen

de oneenigheid tusschen den kolonel en Mathieu Strux te bedaren,

tot groot genoegen hunner makkers. Elkeen toonde den grootsten ijver,

en men kon den goeden uitslag der onderneming reeds voorspellen, toen

eene plaatselijke moeilijkheid voor het oogenblik de waarnemingen

hinderde, en den nationalen naijver weder aanwakkerde.

Het was de 11de Augustus. Sedert den vorigen dag trok de karavaan door

eene boschrijke streek, waar bosschen en kreupelhout mijlen achtereen

elkander afwisselden. Dien morgen hielden de wagens halt voor eene

ontzaglijke massa hooge boomen, die zich, zoover de gezichteinder

reikte, uitstrekte. Niets was indrukwekkender van dit groene gordijn,

dat zich honderd voeten boven den grond verhief. Geene beschrijving

zou een juist denkbeeld kunnen geven dan de schoone boomen, waaruit

een Afrikaansch bosch bestaat. Dáár vermengen zich de heerlijkste

geuren van allerlei soort van boomen, van den gounda, den mosokoso,

den moukomdou, welks hout voor den scheepsbouw zeer gezocht is,

van hoogstammige ebbenboomen met geheel zwarte schors, van den

ijzerhoutboom, van den buchnera met zijne oranjekleurige bloemen,

van eene soort boomen met witachtigen stam en purperkleurige,

onbeschrijfelijk schoone bladeren, van duizenden pokhoutboomen waarvan

sommige tot zelfs vijftien voet in omtrek hadden. Uit dit geweldige

woud steeg een indrukwekkend en grootsch geluid op, dat aan de branding

op eene zandige kust denken deed. Het was het geruisch van den wind

in de bladerenmassa dat zich in dit reuzenwoud hooren deed.

Op eene vraag van kolonel Everest, antwoordde de jager, dat dit het

woud van Rovouma was.

»Hoe breed is het van het oosten naar het westen?"

»Vijfenveertig kilometers."

»En van het noorden naar het zuiden?"

»Ongeveer tien kilometers."

»En hoe zullen wij door die dichte boommassa heenkomen?"

»Wij kunnen er niet door," antwoordde Mokum. »Er is geen begaanbaar

voetpad; slechts één middel blijft ons over, namelijk om aan de oost-

of westzijde om het bosch heen te trekken."

Toen de aanvoerders zulke juiste antwoorden van den Boschjesman

gehoord hadden, waren zij zeer verlegen. Het was duidelijk dat men geen

seinpalen in dit groote en uitgestrekte bosch zetten kon. Er omheen

trekken, dat is te zeggen, twintig tot vijfentwintig kilometers aan

de eene of andere zijde van den meridiaan afwijken, was den arbeid

ontzaglijk vermeerderen, en misschien een tiental driehoeken meer

meten dan noodig was.

Er bestond dus eene wezenlijke moeilijkheid, een natuurlijke

hinderpaal. De vraag was van belang en moeielijk op te lossen. Zoodra

de legerplaats was opgeslagen onder de schaduw van prachtige

boomgroepen, die op een halven kilometer van het bosch afstonden, werd

er door de astronomen raad belegd om eene beslissing te nemen. De vraag

om door dit ontzaglijke bosch heen de meting te vervolgen verviel als

van zelf. Het was duidelijk dat men onder zulke omstandigheden niet

werken kon. Het voorstel bleef nu over om rechts of links om het bosch

heen te trekken, daar de afwijking aan beide zijden ongeveer dezelfde

was, want de meridiaan liep ongeveer midden door het bosch heen.

De leden der Engelsch-Russische commissie besloten dus om dien

onoverkomelijken hinderpaal heen te trekken. [3] Het kwam er niet op

aan of dat oost- of westwaarts zou zijn; doch nu ontstond er juist

over dit nietsbeduidende punt een hevige twist tusschen den kolonel

en Mathieu Strux. De twee tegenstanders, die zich reeds eenigen

tijd hadden ingehouden, gaven lucht aan hunne oude vijandschap, die

eensklaps uitbarstte, en eindigde in eene ernstige oneenigheid. Te

vergeefs traden hunne ambtgenooten tusschen beiden. De beide

aanvoerders wilden naar niets hooren. De Engelschman wilde rechts,

omdat dan de tocht gaan zou dicht langs den door Livingstone gevolgden

weg bij diens eerste reis naar den waterval der Zambese, en dit was

eene goede reden, want deze landstreek kon, als meer bekend en bezocht,

zekere voordeelen opleveren. Wat den Rus betreft, hij wilde links, doch

klaarblijkelijk alléén om den kolonel in het vaarwater te zitten. Als

deze links had willen trekken zou de Rus zeker rechts zijn gegaan.

De twist liep zeer hoog en men voorzag reeds het oogenblik dat de

leden der commissie zich in twee partijen zouden verdeelen.

Michel Zorn en William Emery, John Murray en Nikolaas Palander konden

er niets aan doen; zij gingen dus heen en lieten de beide aanvoerders

twisten. Zij waren zoo stijfhoofdig, dat men het ergste kon verwachten,

zelfs dat de arbeid, welke hier bleef steken, door middel van twee

rijen scheeve driehoeken zou worden voortgezet. De dag ging voorbij

zonder eenige toenadering tusschen de beide tegenovergestelde

meeningen.

Den volgenden dag, 12 Augustus, voorzag Murray dat de stijfhoofdige

astronomen het nog niet eens zouden worden, en ging dus den Boschjesman

opzoeken om hem voor te stellen in den omtrek te gaan jagen. In dien

tijd zouden de beide geleerden elkander mogelijk verstaan. In allen

gevalle was een stuk versch wildbraad niet te verwerpen.

Mokum, die altijd gereed was, floot zijn hond Top, en de beide

jagers, die het kreupelbosch en den rand van het woud afliepen,

dwaalden pratende en jagende eenige kilometers van de legerplaats

af. Het was natuurlijk dat het gesprek liep over de gebeurtenis,

die het voortzetten van den geodesischen arbeid belette.

»Ik stel me voor," zeide de Boschjesman, »dat we wel eenigen tijd aan

den rand van dit bosch van Rovouma gelegerd zullen blijven. Onze beide

aanvoerders zullen elkander niet gemakkelijk iets toegeven. Neem me

niet kwalijk als ik ze vergelijk bij halsstarrige ossen, waarvan de een

rechts en de ander links trekt, zoodat de wagen niet meer kan loopen."

»Het is een noodlottige omstandigheid," antwoordde Murray, »en

ik vrees dat deze stijfhoofdigheid een geheele scheiding na zich

sleept. Als het belang van de wetenschap er niet mede gemoeid was,

zou die vijandschap tusschen twee sterrekundigen mij vrij koel laten,

waarde Mokum. De wildrijke bosschen van Afrika kunnen mij afleiding

genoeg bezorgen, en zoolang die beide heeren het oneens zijn, zal ik

met het geweer op schouder het jachtveld afloopen."

»Maar denkt u dat zij het op dit punt eens zullen worden? Ik voor

mij hoop het niet, en zooals ik reeds zeide, ons oponthoud kan hier

tot in het oneindige verlengd worden."

»Ik vrees het, Mokum," antwoordde Murray. »Onze beide aanvoerders

hebben ongelukkig genoeg twist over eene niets beteekenende zaak,

die men wetenschappelijk niet kan oplossen. Zij hebben beiden gelijk

en beiden ongelijk. Kolonel Everest heeft bepaald verklaard, dat hij

niet zou toegeven. Mathieu Strux heeft gezworen dat hij zich tegen

de aanmatiging van den kolonel verzetten zou, en de beide geleerden,

die zich waarschijnlijk op een wetenschappelijk bewijs zouden gewonnen

gegeven, zullen er nimmer toe gebracht kunnen worden om toe te geven

in een geschilpunt, waarmede hunne eigenliefde gemoeid is. Het is

in het belang van ons werk waarlijk te betreuren dat onze meridiaan

juist door het bosch loopt!"

»De duivel hale die bosschen!" antwoordde de Boschjesman, »als er van

zulk werk sprake is. Maar wat drommel kan het die geleerden schelen om

de lengte of breedte van de aarde te meten? Zullen ze zooveel wijzer

zijn als ze dit met voeten en duimen hebben uitgerekend? Ik voor mij,

mijnheer, weet liever al die dingen niet! Ik geloof liever dat de bol,

dien ik bewoon, oneindig groot is, en ik houd het er voor, dat men

de aarde verkleint als men er de juiste afmetingen van kent! Neen,

mijnheer, al leef ik honderd jaar dan nog zou ik nimmer aan het nut

van uw werk geloof slaan!"

Murray kon niet nalaten te glimlachen. Dit punt was dikwijls tusschen

den jager en hem besproken; de onbeschaafde natuurmensch, die vrij

door bosschen en over vlakten ronddwaalde en onversaagd de wilde

dieren aanviel, kon natuurlijk het wetenschappelijke belang niet

begrijpen dat er in eene driehoeksmeting gelegen was. Soms had Murray

hem hiervan trachten te overtuigen, maar de Boschjesman antwoordde

hem met bewijsgronden uit eene wezenlijke natuurlijke wijsbegeerte

geput en met een soort van wilde welsprekendheid voorgedragen, welke

Murray, die half geleerde en half jager was, zeer op prijs stelde.

Zoo voortkeuvelende, vervolgden de beide jagers in de vlakte het kleine

wild, zooals hazen, een nieuw soort van knaagdieren, onder den naam van

»graphycerus elegans" bekend, enkele schel schreeuwende regenvogels,

en vluchten patrijzen met bruine, gele en zwarte vederen. Maar

vreemd genoeg, Murray alleen hield de eer van de jacht op; de

Boschjesman schoot weinig; zijn geest scheen geheel en al te worden

bezig gehouden door die oneenigheid tusschen de beide sterrekundigen,

die het goed slagen van de onderneming noodzakelijk in de waagschaal

stellen moest. De omstandigheid van dat bosch hinderde hem zeker meer

dan Murray; hoe verscheiden het wild ook was, toch vestigde hij er

ter nauwernood de aandacht op; dat was een ernstig teeken bij zulk

een jager.

Inderdaad speelde een aanvankelijk zeer vaag denkbeeld den Boschjesman

door het hoofd, doch langzamerhand nam dat denkbeeld meer bepaalde

vormen in zijne hersens aan. Murray hoorde hem in zich zelven praten,

vragen en antwoorden. Hij zag hem met het geweer in rust, zonder

te letten op het loopend en vliegend wild om hem heen; hij stond

onbeweeglijk en scheen even afgetrokken als Nikolaas Palander,

wanneer deze naar eene fout in eene logarithmentafel zocht. Maar

Murray eerbiedigde deze overdenkingen, en wilde zijn makker in deze

zwaarwichtige overpeinzingen niet storen.

Twee of driemalen kwam Mokum op dien dag naar Murray toe en vroeg hem:

»Dus meent mijnheer, dat de kolonel en mijnheer Strux het niet eens

zullen worden?"

Op deze vraag antwoordde Murray onveranderlijk dat het hem moeilijk

toescheen hen te verzoenen, en dat eene scheiding tusschen Russen en

Engelschen te vreezen stond.

Toen zij 's avonds nog op eenige mijlen van de legerplaats verwijderd

waren, deed Mokum voor de laatste maal dezelfde vraag, en kreeg

hetzelfde antwoord, maar toen voegde hij er bij:

»Welnu, wees dan maar gerust, want ik heb het middel gevonden om aan

de beide geleerden hun zin te geven."

»Zoo... dappere jager?" antwoordde Murray vrij verbaasd.

»Ja, ik herhaal het u, mijnheer. Vóór morgen zullen de kolonel en

mijnheer Strux geen reden meer hebben om twist te zoeken, als de wind

maar gunstig is."

»Wat wilt ge daarmede zeggen, Mokum?"

»Ik weet wat ik zeg, mijnheer!"

»Welnu, doe het Mokum, dan zult ge u verdienstelijk hebben gemaakt

jegens het geheele geleerde Europa, en zal uw naam in de jaarboeken

der wetenschap worden opgeteekend."

»Veel eer voor mij," antwoordde de Boschjesman, en voegde er vol van

gedachten aan zijn voornemen geen woord meer bij.

Murray eerbiedigde dat stilzwijgen en vroeg den Boschjesman niets

meer. Maar hij kon inderdaad niet raden waardoor zijn makker die

beide koppige heeren meende te kunnen verzoenen, nu zij op zulk eene

bespottelijke wijze het welslagen der onderneming in de waagschaal

stelden.

's Avonds ongeveer vijf uren kwamen de jagers in de legerplaats

terug. De zaak was nog niets gevorderd, en de oneenigheid tusschen

den Rus en den Engelschman was nog verergerd. De dikwijls herhaalde

tusschenkomst van Michel Zorn en William Emery had tot niets

geleid. Persoonlijkheden waren tusschen de beide tegenstanders

verscheidene malen gewisseld; betreurenswaardige beleedigingen

van weerszijden hadden alle toenadering onmogelijk gemaakt. Men

begon zelfs te vreezen dat de reeds hooger geloopen twist met eene

uitdaging zou eindigen. De toekomst van de triangulatie was dus tot

op zekere hoogte in gevaar, indien niet ieder van de beide geleerden

haar alléén en voor eigen verantwoordelijkheid voortzette. Maar in

dit geval zou er eene onmiddellijke scheiding gevolgd zijn, en dit

vooruitzicht bedroefde dikwijls de beide jongelingen, die elkander

genegen en door wederzijdsche vriendschap zoo nauw verbonden waren.

Murray begreep wat er in hen omging. Hij raadde de oorzaak van

hunne treurigheid. Misschien had hij ze kunnen geruststellen door

hun de woorden van den Boschjesman over te brengen, doch, hoeveel

vertrouwen hij ook in den laatste stelde, wilde hij toch zijne jonge

vrienden niet met iets zeer onzekers verblijden en daarom besloot

hij tot den volgenden dag op het volbrengen der belofte van den

Boschjesman te wachten. Deze veranderde dien avond niets in zijne

gewone bezigheden. Hij plaatste de wachten om de legerplaats zooals

hij gewoon was, hij liet het oog gaan over de plaatsing der wagens,

en nam alle maatregelen, die noodzakelijk waren voor de zekerheid

der karavaan.

Murray meende dat de jager zijne belofte vergeten had. Voor dat hij ter

ruste ging, wilde hij den kolonel ten minste polsen ten opzichte van

den Russischen astronoom. Kolonel Everest was onverzettelijk en stond

op zijne rechten, waarbij hij nog verzekerde, dat als Mathieu Strux

niet toegaf, de Engelschen zich van de Russen zouden scheiden, omdat

»er zaken zijn, die men zelfs van een ambtgenoot niet kan verdragen."

Daarop ging Murray zeer ongerust naar bed, en sliep weldra in,

vermoeid als hij was door de jacht van dien dag.

Tegen elf uren werd hij plotseling wakker; er heerschte eene ongewone

beweging onder de inboorlingen, zij liepen her- en derwaarts in de

legerplaats. Murray stond aanstonds op en vond al zijne reisgezellen

reeds op de been.

Het bosch stond in brand.

Welk een tooneel! In den donkeren nacht met den somberen horizon tot

achtergrond, scheen zich een vlammengordijn hemelhoog te verheffen. In

een oogwenk had de brand zich over eene breedte van verscheidene

kilometers uitgestrekt. Murray zag Mokum aan, die onbeweeglijk naast

hem stond. Maar Mokum beantwoordde zijn blik niet; Murray had hem

begrepen; het vuur zou den geleerden door dit eeuwenoude woud een

weg banen.

De wind woei uit het zuiden en begunstigde de plannen van den

Boschjesman. De luchtstroom blies in het woud alsof het met een

blaasbalg geschiedde, wakkerde den brand aan en verzadigde den vuurpoel

met zuurstof. Hij deed de vlammen stijgen, rukte brandende takken en

stukken gloeiend verkoold hout af, en joeg die in de verder afstaande

boomen, die daardoor aanstonds in brand werden gestoken. Het vuur

breidde zich uit en drong meer en meer het woud in; eene gloeiende

hitte deed zich tot in de legerplaats gevoelen. Het doode hout, dat

onder het sombere bladergewelf lag opgestapeld, knapte; te midden

der vlammen flikkerden dikwijls plotseling heldere vuurzuilen op en

verspreidden een schitterend licht. Dit waren harsachtige boomen,

die als fakkels brandden. Daardoor hoorde men nu en dan als een

verwijderd gelederenvuur, een duidelijk knappen en kraken, naarmate

van de soort van boomen, die werden aangetast, dan weder een geknal

alsof er bommen barstten, wanneer oude stammen van ijzerhout in den

brand vlogen. De hemel weerkaatste dezen reusachtigen brand. Vuurroode

wolken schenen vuur gevat te hebben alsof de brand zelfs naar den

hemel was overgeslagen. Zwermen van vonken schitterden als sterren

tegen het sombere gewelf te midden van dikke rookwolken.

Daartusschen hoorde men van alle kanten het huilen, schreeuwen

en brullen van dieren; schaduwen schoten voorbij, verschrikte

beesten, die naar alle zijden heensnelden, groote sombere spoken

wier vreeselijk gebrul verraadde tot welke soort de vluchtelingen

behoorden. Eene ontzettende vrees had hyena's, buffels, leeuwen en

olifanten aangegrepen, en joeg ze naar de uiterste grenzen van den

donkeren gezichteinder.

De brand duurde den geheelen nacht, en den volgenden dag en nacht

voort. En toen de morgen van 14 Augustus aanbrak, was een groot

gedeelte van het bosch door het vuur verteerd en maakte het over

eene breedte van verscheidene kilometers begaanbaar. De weg voor den

meridiaan was gebaand en ditmaal was de toekomst voor de triangulatie

door de stoutmoedige daad van den jager Mokum gered.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 16 / 41 题