Een station naar den smaak van John Murray.
Eindelijk was dus de Russische rekenmeester teruggevonden. Toen
men hem vroeg hoe hij die vier dagen geleefd had, kon hij het niet
zeggen. Het was niet waarschijnlijk dat hij eenig bewustzijn had
gehad van de gevaren, die hij aldus liep. Toen men hem het geval met
de krokodillen vertelde wilde hij het niet gelooven, en hield het
voor eene aardigheid. Had hij honger gehad? Och neen. Hij had zich
met cijfers gevoed, en zóó goed dat hij daardoor eene fout in eene
logarithmentafel ondekt had.
In tegenwoordigheid van zijne ambtgenooten wilde Mathieu Strux
uit nationale eigenliefde Nikolaas Palander geene verwijten doen,
maar men behoeft er niet aan te twijfelen, of de Russische astronoom
kreeg onder vier oogen eene scherpe vermaning van zijn chef, met eene
uitnoodiging om zich in het vervolg niet meer door zijne logarithmen
van het rechte spoor te laten brengen.
Het werk werd onmiddellijk hervat; dit vorderde gedurende eenige dagen
vrij wel. Helder weder begunstigde de waarnemingen, zoowel bij het
meten der hoeken door de stations met elkander gevormd, als in het
bepalen der afstanden. Men voegde nieuwe driehoeken bij het reeds
opgemeten net, terwijl men de hoeken door talrijke waarnemingen zeer
nauwkeurig bepaalde.
Den 28sten Juni hadden de astronomen de basis van hun dertienden
driehoek gemeten. Volgens hunne berekening moest deze driehoek dat
gedeelte van den meridiaan bevatten, hetwelk zich van den tweeden tot
den derden graad uitstrekt. Om het werk ten einde te brengen, moest
men nog de twee aan de basis liggende hoeken meten door een station
als tophoek te zoeken. Nu deed zich eene natuurlijke moeielijkheid
voor. Het land was zoover het oog reikte met kreupelbosch bedekt,
en was niet geschikt om signalen te plaatsen. De van het zuiden naar
het noorden zich uitstrekkende vlakte, die sterk helde, maakte niet
het plaatsen maar het zien der seinpalen moeilijk.
Een enkel punt kon dienen om een lantaarn te plaatsen, maar op zeer
grooten afstand. Het was de top van een berg van 12 of 1300 voet
hoog, die zich op ongeveer 30 kilometers afstands in het noordwesten
verhief. Onder deze omstandigheden zouden dus de zijden van dien
driehoek langer dan 20.000 vademen geweest zijn, eene lengte, die soms
wel viervoudig genomen werd bij enkele geodesische opmetingen, maar
die de leden der Engelsch-Russische commissie nog niet bereikt had. [2]
Na rijp beraad besloten de astronomen eene electrieke lantaarn op
deze hoogte op te richten en halt te houden tot op het oogenblik dat
de seinpaal was opgesteld. Kolonel Everest, William Emery en Michel
Zorn werden met drie matrozen en twee Boschjesmannen onder geleide van
den gids aangewezen om zich naar het nieuwe station te begeven, ten
einde daar het licht op te steken, dat bij de nachtelijke opmetingen
dienen moest. De afstand was inderdaad al te groot, dan dat men het
wagen dorst om des daags met voldoende zekerheid waar te nemen.
De kleine bende vertrok met hare instrumenten en toestellen, die op
muilezels gepakt waren, en met den noodigen voorraad levensmiddelen in
den morgen van 28 Juni. Kolonel Everest rekende eerst den volgenden
morgen den voet van den berg te bereiken, en als de beklimming geene
moeilijkheid opleverde, zou de lantaarn toch op zijn vroegst in den
nacht van 29 of 30 Juni geplaatst kunnen worden. De waarnemers bleven
in het kamp, en moesten dus in de eerste 36 uren er niet aan denken
den schitterenden top van hun vijftienden driehoek te zien.
Gedurende de afwezigheid van kolonel Everest begaven Strux en
Palander zich aan hunne gewone werkzaamheden. John Murray en de
Boschjesman jaagden in den omtrek van de legerplaats en doodden eenige
antilopen, waarvan in zuidelijk Afrika zooveel verschillende soorten
bestaan. Tot de jachtavonturen van Murray behoorde ook het vangen
van eene giraffe, een schoon dier, dat in het noorden zeldzaam is,
doch in de zuidelijke vlakten dikwijls voorkomt. De giraffenjacht
wordt door kenners zeer geroemd. Murray en de Boschjesman ontmoetten
eene kudde van twintig stuks, die zeer schuw waren en die zij slechts
tot op 500 meters konden naderen. Evenwel dwaalde een wijfje van
de kudde af, dat de beide jagers besloten te vervolgen. Het dier
vluchtte slechts langzaam, en scheen zich te willen laten inhalen;
maar toen de paarden van de jagers naderbij gekomen waren, stak de
giraffe den staart in de lucht en vluchtte met de grootste snelheid;
zij moesten het meer dan twee kilometers ver vervolgen. Eindelijk
wierp Murray het dier met een kogel, die het in den schouder trof, ter
neder. Het was een prachtexemplaar van die soort van dieren, waarvan
de Romeinen zeiden, dat zij »den hals van een paard, de hoeven en
pooten van een os en den kop van een kameel hadden," en welker huid
rosachtig en wit gevlekt was. Dit zonderlinge dier mat niet minder
dan elf voet hoogte van de hoeven tot aan den top der kleine horens,
die met vel en haar bedekt zijn.
Den volgenden nacht namen de beide Russische sterrekundigen nauwkeurig
de hoogte op van eenige sterren, waardoor zij de breedte van hunne
legerplaats konden bepalen. De dag van 29 Juni ging zonder bijzondere
omstandigheden voorbij. Men wachtte den volgenden nacht met zeker
ongeduld af om den tophoek van den 15den driehoek te bepalen. De
nacht kwam; maan noch sterren waren te zien, maar het was droog;
er viel geen mist en het was dus uiterst gunstig weer om een ver
verwijderd punt waar te nemen.
Alle voorloopige maatregelen waren genomen, en de kijker, die den
geheelen dag op den bergtop gericht was geweest, moest spoedig de
electrieke lantaarns doen zien, wanneer men deze met het bloote oog
niet kon waarnemen; gedurende den ganschen nacht wisselden Strux,
Palander en Murray elkander voor den kijker af, maar de bergtop bleef
onzichtbaar en geen enkel lichtje schitterde op den top.
De waarnemers meenden dus dat de beklimming ernstige moeilijkheden
had opgeleverd, en dat de kolonel den top voor het einde van den dag
niet had kunnen bereiken. Zij stelden dus hunne waarneming tot den
volgenden nacht uit, en twijfelden er niet aan of de lantaarn zou
gedurende dien dag worden opgesteld. Doch wie schetst hunne verbazing
toen dienzelfden dag, 30 Juni, tegen twee uren des namiddags kolonel
Everest en zijne makkers, die men in het geheel niet terug verwacht
had, in de legerplaats verschenen. Murray snelde zijne ambtgenooten
te gemoet.
»Zijt u het kolonel?" riep hij.
»Ik zelf," was het antwoord.
»Is de berg dus onbeklimbaar?"
»Zeer gemakkelijk te bestijgen, integendeel," zeide de kolonel,
»maar hij wordt goed bewaakt, dat verzeker ik u. Ook komen wij
versterking halen."
»Wat, inboorlingen?"
»Jawel, inboorlingen op vier pooten en met zwarte manen, die reeds
een van onze paarden hebben opgepeuzeld."
In weinige woorden verhaalde de kolonel aan zijne ambtgenooten, dat
hij zijne reis tot aan den voet van den berg zeer gelukkig volbracht
had. Toen zag men dat de berg slechts aan den zuidwestkant langs een
lageren zijberg kon beklommen worden. Maar juist in den bergpas,
waardoor men heen moest, had zich eene troep leeuwen genesteld,
of eene kraal opgeslagen, zooals de gids het uitdrukte.
Te vergeefs beproefde de kolonel deze vreeselijke dieren te doen
verhuizen; niet genoegzaam van wapenen voorzien, moest hij terugtrekken
na een paard verloren te hebben, waarvan een prachtige leeuw met één
slag van zijn poot de ribben gebroken had.
Zulk een verhaal moest John Murray en den Boschjesman in vuur
zetten. Deze »leeuwenberg" moest veroverd worden, omdat dit voor
het voortzetten der geodesische waarnemingen volstrekt noodzakelijk
was. De gelegenheid om zich met deze geduchte dieren te meten was
te schoon om er geen gebruik van te maken, zoodat er oogenblikkelijk
tot den tocht werd besloten.
Al die Europeesche geleerden, Palander zelfs niet uitgezonderd,
wilden er deel aan nemen; maar het was noodig dat er eenigen in de
legerplaats bleven, om de hoeken die aan de basis van den nieuwen
driehoek gelegen waren, te meten. De kolonel, die begreep dat zijne
tegenwoordigheid noodig was om de waarnemingen na te gaan, schikte er
zich in om in gezelschap van de beide Russische sterrekundigen achter
te blijven. Gelukkig was er geen enkele beweegreden, om John Murray
terug te houden. Het troepje dat bestemd was om den toegang tot den
berg te vermeesteren, bestond uit Murray, William Emery en Michel Zorn,
aan wier verzoek men had moeten toegeven, verder uit den Boschjesman,
die zijne plaats niet gaarne aan een ander zou hebben afgestaan, en
eindelijk uit drie inboorlingen, wier moed en bedaardheid Mokum kende.
Na hunne ambtgenooten de hand gedrukt te hebben, verlieten de drie
Europeanen tegen vier uren des namiddags de legerplaats en drongen
in de richting van den berg in het kreupelhout door. Zij reden zoo
snel mogelijk voort en hadden 's avonds te 7 uren een afstand van 30
kilometers afgelegd.
Op twee kilometers van den berg aangekomen stegen zij af,
en maakten eene halte voor den nacht gereed. Er werd geen vuur
aangestoken, want Mokum wilde de aandacht der dieren, die hij bij
dag wenschte te bestrijden, niet wekken, noch een nachtelijken
aanval uitlokken. Gedurende dien nacht was het gebrul bijna
onophoudelijk hoorbaar. Als de duisternis gevallen is namelijk,
verlaten die verscheurende dieren gewoonlijk hunne holen om voedsel
te zoeken. Niemand van de jagers deed een oog toe, en de Boschjesman
maakte van die slapeloosheid gebruik, om hun enkele wenken te geven,
die des te gewichtiger waren, omdat hij uit ondervinding sprak.
»Mijne heeren," zeide hij op kalmen toon, »als de kolonel zich niet
vergist heeft, zullen wij morgen te doen hebben met een troep leeuwen
met zwarte manen. Die dieren behooren tot de meest verscheurende en
de gevaarlijkste soort. Wij moeten geducht oppassen; vooral raad ik
u aan den eersten aanval van die beesten te vermijden, die sprongen
kunnen nemen van zestien tot twintig schreden ver. Als die eerste
sprong mislukt, beproeven zij het zelden een tweede maal. Ik spreek
bij ondervinding. Daar zij bij het aanbreken van den dag hun hol weder
opzoeken, moeten wij ze dáár aanvallen. Maar zij zullen zich zeker
goed verdedigen. Ik voeg er bij dat de leeuwen 's morgens als zij
zich des nachts verzadigd hebben, minder wreed en misschien minder
stoutmoedig zijn; de maag speelt dus hierin eene rol. Wij moeten ook
letten op de streek waarin wij zijn, want in landen, waar de mensch
ze voortdurend vervolgt, zijn zij veel vreesachtiger. Maar hier in
een woest land zijn zij zeker zoo wild mogelijk. Ook beveel ik u
dringend aan, om wel uw afstand te berekenen vóór gij schiet. Laat
het dier naderen, schiet niet voor gij zeker van uw schot zijt, en
mikt op den schouder. Verder moeten wij onze paarden achterlaten,
want die dieren zijn schichtig als er leeuwen in de buurt zijn, en
brengen dus den ruiter in gevaar. Wij zullen ze te voet bestrijden,
en ik reken er op dat gij u daarbij koelbloedig gedragen zult."
De jagers hadden den Boschjesman stilzwijgend aangehoord; Mokum
was weder de geduldige jager geworden, want hij wist dat het eene
ernstige zaak gold. Wanneer toch de leeuw zich gewoonlijk nimmer op
iemand werpt, die voorbijgaat zonder hem te tergen, zoo bereikt zijne
woede integendeel haar hoogste toppunt als hij aangevallen wordt. Dan
is het een verschrikkelijk beest, dat van de natuur buigzaamheid om
te springen, kracht om te verbrijzelen en vreeselijke woede ontvangen
heeft. Ook beval de Boschjesman den Europeanen aan om vooral bedaard
te blijven, en in de eerste plaats aan John Murray, die zich door
zijne stoutmoedigheid nog wel eens liet medeslepen.
»Schiet een leeuw," zeide hij, »zooals gij een patrijs zoudt schieten,
even bedaard en kalm; daar is de geheele kunst in gelegen!"
En zóó is het ook; maar wie kan er voor instaan dat hij, die zulk
eene jacht niet gewoon is, kalm blijft tegenover een leeuw?
Om vier uren 's morgens verlieten de jagers hunne legerplaats, nadat
zij de paarden midden in het kreupelhout flink hadden vastgemaakt. Het
was nog niet eens helder dag; eenige rossige strepen waren door den
nevel aan de oosterkimmen zichtbaar; het was dus nog vrij donker.
De Boschjesman beval zijnen makkers aan, om hunne wapenen goed na
te zien. Murray en hij waren met achterladers gewapend, en hadden
slechts een patroon in den loop te steken en te zien of de haan goed
veerde. Michel Zorn en William Emery hadden buksen met getrokken
loop en moesten dus het kruit in het zundgat vernieuwen, omdat dit
's nachts vochtig kon geworden zijn. De drie inboorlingen hadden
bogen van aloëhout, waarmede zij zeer behendig omgingen. Reeds meer
dan één leeuw toch was onder hunne pijlen gevallen.
De zes jagers bleven dicht bij elkander en gingen naar den bergpas,
dien de twee jongelieden den vorigen dag verkend hadden. Zij spraken
geen woord en slopen tusschen de boomen door, evenals de roodhuiden
door hunne bosschen.
Weldra kwamen zij aan de engte, die den toegang tot den bergpas
gaf. Hier begon het nauwe pad, dat tusschen twee granietmuren door
den toegang tot de onderste helling van den berg verleende. Op dit
pad, ongeveer half weg, op eene plaats, die door eene aardstorting
wat breeder geworden was, bevond zich het hol waarin de leeuwen
zich schuil hielden. Nu nam de Boschjesman de volgende maatregelen:
Murray zou met hem en één der inboorlingen alleen vooruitgaan en zoo
stil mogelijk in den bergpas voortsluipen. Zóó hoopten zij bij het
hol te komen, en er de vreeselijke dieren uit te drijven, om ze naar
het lager gelegen gedeelte van den bergpas te jagen. Daar moesten de
twee jongelieden en de Boschjesmannen postvatten om de vluchtelingen
met pijlen en kogels te ontvangen.
De plaats was bijzonder geschikt voor deze wijze van handelen. Er
stond daar namelijk een reusachtige wilde vijgeboom, die boven al
het omringende kreupelhout uitstak, en welks talrijke takken eene
veilige zitplaats aanboden, die de leeuwen niet konden bereiken. Men
wist toch dat deze dieren niet evenals de tijgers de kunst kennen om
boomen te beklimmen. Als jagers op zulk eene hoogte zitten, kunnen
zij hunne sprongen gemakkelijk ontwijken, en ze onder zeer gunstige
omstandigheden doodschieten.
Het gevaarlijkste werk zou derhalve door Mokum, Murray en den
inboorling verricht worden. Op eene aanmerking van William Emery
daarover, antwoordde de jager dat het nu eenmaal niet anders kon en hij
drong er op aan dat men zijn plan niet zou wijzigen. De jongelieden
gaven daaraan dus gehoor. De dag begon nu aan te breken. De bergtop
werd evenals een fakkel door de zonnestralen verlicht. Nadat de
Boschjesman gezien had dat zijne vier makkers op de takken van den boom
zaten, gaf hij het teeken tot vertrek. Zij kropen weldra met hun drieën
langs een zonderling gekronkeld voetpad, dat zich aan de rechterzijde
van den bergtop bevond. De stoutmoedige jagers gingen op die wijze een
vijftig schreden voorwaarts; nu en dan hielden zij halt en bekeken
het nauwe voetpad, dat zij bestegen. De Boschjesman twijfelde er
niet aan of de leeuwen zouden na hunnen nachtelijken tocht in hun
hol teruggekomen zijn, hetzij om hunne prooi te verslinden, hetzij
om uit te rusten. Misschien zou men ze slapende kunnen overvallen en
er dus korte metten mede maken.
Een kwartier nadat zij den bergpas waren binnengegaan, stonden zij
voor het hol, op de plaats die hun door Michel Zorn was aangeduid;
daar hurkten zij op den grond neder en namen alles zeer nauwkeurig
op. Het was een vrij groot hol, waarvan zij op dat oogenblik de diepte
niet konden schatten. Overblijfselen van dieren, hoopen beenderen,
lagen voor den ingang. Men kon zich niet vergissen, het was het
verblijf der leeuwen, dat hun door den kolonel was beschreven. Maar
tegen de meening van Mokum scheen op dat oogenblik het hol verlaten
te zijn; de Boschjesman liet zich met het geweer in de hand tot vlak
bij het hol op den grond glijden, waarna hij op de knieën naar den
ingang kroop. Een enkele blik zoo snel mogelijk in het hol geworpen,
overtuigde hem dat het ledig was. Deze omstandigheid, waarop hij niet
rekende, deed hem oogenblikkelijk van plan veranderen. Hij riep zijne
beide makkers, die aanstonds naar hem toekwamen.
»Mijnheer Murray," zeide de jager, »ons wild is niet in zijn leger
terug gekomen, maar het zal weldra verschijnen. Ik geloof dat wij
het wijste doen met ons in het hol te verschansen. Met zulke kwanten
is het beter belegerden dan belegeraars te zijn, vooral wanneer de
vesting hulpbenden dicht bij de poorten heeft. Wat denkt u er van?"
»Ik ben van uw gevoelen, Boschjesman," antwoordde John Murray. »Ik
sta onder uwe bevelen en gehoorzaam u."
Mokum, Murray en de inboorling drongen in het hol door. Het was eene
diepe grot, waarin de grond bezaaid was met beenderen en bloedige
stukken vleesch. Na zich vergewist te hebben dat zij volkomen ledig
was, haastten de jagers zich om den ingang te versperren door middel
van groote steenen, die zij niet zonder moeite naar den ingang rolden
en op elkander stapelden. De openingen tusschen de steenen werden
volgestopt met drooge takken en planten, waarmede de grond in den
bergpas geheel bedekt was.
Deze arbeid vorderde slechts eenige minuten, want de ingang der
grot was betrekkelijk nauw. Daarna plaatsten de jagers zich voor
de schietgaten hunner versperring en wachtten de dingen, die komen
zouden. Zij behoefden niet lang te wachten. Tegen kwartier over vijven
verscheen een leeuw met twee leeuwinnen op honderd pas van het hol. Het
waren groote dieren. De leeuw, die zijne zwarte manen schudde en den
grond met den geduchten staart zweepte, had eene geheele antilope
tusschen de tanden, die hij, evenals een kat eene muis zou gedaan
hebben, heen en weer schudde. Het groote stuk wild scheen hem geene
vracht te zijn, en hoewel hij zulk een gewicht in den bek droeg,
bewoog hij den kop met het grootste gemak. De twee leeuwinnen, wier
huid geelachtig was, sprongen om hem heen.
Murray moest later zelf bekennen dat hij zijn hart hevig voelde
kloppen. Hij spalkte de oogen wijd open, rimpelde zijn voorhoofd en
voelde eene soort van zenuwachtige vrees, gemengd met verwondering en
angst; dit duurde evenwel niet lang en hij werd zich zelven spoedig
weer meester. Wat zijne twee makkers betreft, zij waren even bedaard
als altijd.
De leeuw en de leeuwinnen hadden het gevaar begrepen; toen zij
zagen dat hun hol versperd was, bleven zij staan; zij waren er geen
zestig pas meer van daan. Het mannetje liet een hevig gebrul hooren
en wierp zich, door de beide leeuwinnen gevolgd, in het kreupelbosch
rechts, een weinig beneden de plaats waar de jagers het eerst hadden
halt gehouden. Men zag die vreeselijke dieren met hunne gele huid,
gespitste ooren en schitterende oogen zeer duidelijk door de takken.
»Daar zijn de patrijzen," fluisterde Murray den Boschjesman in het oor,
»dat is voor ieder man één."
»Neen," antwoordde Mokum zacht, »het nest is niet voltallig en onze
schoten zouden de andere verschrikken.--Boschjesman, zijt gij op dien
afstand zeker van uw pijlschot?"
»Jawel, Mokum," antwoordde de inlander.
»Welnu, dan op de rechter zijde van het mannetje, en schiet hem door
het hart!"
De Boschjesman spande zijn boog en mikte zeer nauwkeurig door de
takken. De pijl vloog al fluitende weg, een gebrul weerklonk, de
leeuw deed een sprong, en viel op dertig schreden afstands van het
hol neder. Dáár bleef hij zonder beweging liggen, en men kon zijne
scherpe tanden zien, die wit tegen de bebloede lippen afstaken.
»Goed gedaan, Boschjesman!" zeide de jager.
Op dat oogenblik kwamen de leeuwinnen uit het struikgewas te voorschijn
en wierpen zich op het lichaam van den leeuw. Op haar vervaarlijk
gebrul kwamen twee andere leeuwen, waarvan één een oud mannetje met
gele klauwen, gevolgd door eene derde leeuwin, den bergpas binnen. Door
de verschrikkelijke woede, waarin zij verkeerden, rezen hunne manen
te berge, waardoor zij een reusachtig voorkomen kregen. Zij schenen
wel tweemaal zoo groot te zijn als gewoonlijk. Zij sprongen vooruit
en lieten een ongeloofelijk sterk gebrul hooren.
»Nu de geweren," riep de Boschjesman, »wij moeten ze in de vlucht
schieten, omdat zij niet willen stilstaan!"
Twee schoten knalden. Een van de leeuwen, door een ontplofbaren kogel
van den Boschjesman in de zijde geraakt, viel als door den bliksem
getroffen neder; de andere leeuw, waarop Murray gemikt had, sprong met
verbrijzelden poot naar de versperring. De woedende leeuwinnen volgden
hem. De vreeselijke dieren wilden de grot met geweld binnen dringen,
en zouden daar zeker in slagen, als geen kogel het hen belette.
De drie jagers weken achter in het hol terug. De geweren werden haastig
weder geladen. Met één of twee gelukkige schoten konden de dieren
misschien vallen, toen eene onvoorziene omstandigheid de drie jagers
in een vreeselijken toestand bracht. Een dikke rook vulde plotseling
het hol; een brandende prop in de drooge takken gevallen, had deze
aangestoken. Weldra sloegen de vlammen, door den wind aangewakkerd, er
uit, en vormden tusschen menschen en dieren een hinderpaal; de leeuwen
weken, doch de jagers konden niet meer in hunne schuilplaats blijven,
zonder gevaar te loopen binnen weinige oogenblikken te stikken. Het
was een vreeselijke toestand; er was geen tijd om te aarzelen.
»Naar buiten, naar buiten!" riep de Boschjesman, die reeds half
gestikt was.
Spoedig werden de takken met de geweerkolven weggestooten, de steenen
weggerold, en de drie jagers sprongen midden door de dikke rookwolken
heen uit het hol.
De inboorling en Murray hadden nauwelijks tijd om tot hunne zinnen
te komen, toen zij beiden reeds voor den grond geworpen waren, de
Afrikaan door een stoot met den kop, de Engelschman door een slag met
den staart van eene der ongekwetste leeuwinnen. De Boschjesman had een
stoot tegen de borst gekregen en bleef zonder beweging liggen. Murray
meende dat hij een been gebroken had en viel op de knieën. Maar op
het oogenblik dat het dier weder op hem toe sprong, werd het door
een kogel van Mokum getroffen.
Op dit oogenblik verschenen Michel Zorn, William Emery en de beide
inlanders aan den ingang van den bergpas en kwamen juist van pas om
aan den strijd deel te nemen. Twee leeuwen en eene leeuwin waren door
de kogels en de pijlen gevallen, maar de anderen, twee leeuwinnen en
de leeuw, wiens poot door het schot van John Murray verbrijzeld was,
waren nog te vreezen. Doch de met zekere hand aangelegde buksen
deden op dat oogenblik dienst. Een tweede leeuwin viel door twee
kogels in den kop en in de ribben getroffen. De gewonde leeuw en de
derde leeuwin namen toen een vervaarlijken sprong over de hoofden
der jongelieden heen en verdwenen bij eene bocht van den bergpas,
voor de laatste maal nog door een paar kogels en pijlen begroet.
Murray hief een zegekreet aan: de leeuwen waren overwonnen; vier
lijken lagen op den grond.
Men drong zich om Murray heen; door zijne vrienden geholpen kon hij
weer opstaan; gelukkig was zijn been niet gebroken. Ook de inlander,
die voor den grond geworpen was, kwam na eenige oogenblikken weer
bij, daar hij door den verschrikkelijken stoot slechts verdoofd
was. Een uur later kwam de kleine bende weder in het kreupelbosch,
waar de paarden vastgebonden stonden, zonder de beide vluchtelingen
te hebben teruggezien.
»Welnu!" vroeg Mokum toen aan Murray, »is uwe Edelheid nu voldaan
over onze Afrikaansche patrijzen?"
»Verrukt," antwoordde de Engelschman, terwijl hij zijn gekneusd been
wreef, »verrukt! Maar wat hebben ze een staart, waarde Boschjesman,
wat een staart!"