XI.

Nikolaas Palander teruggevonden.

Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee

stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den

stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk

geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen

zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken

wemelde. Het waren zeer venijnige mamba's, die tien tot twaalf voet

lang waren, en wier beet doodelijk was.

Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden

in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit

middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting

niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer

goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander

aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze

uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek,

was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er

bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige

vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen

het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename

geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten,

die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels

zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de

lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop

vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de

omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen

deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en

met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed

geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen

deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen

weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal,

zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan

water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen,

eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende

riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.

Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan

af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken,

en indien hij zich in zijne berekening niet vergist had, moest de

karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te

zijn overgetrokken.

Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de

karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John

Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van 't jaar niet waadbaar

zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de

jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden

was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig

geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.

De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was

voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd

kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden

niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud

kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in

de waagschaal stellen.

Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was

geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste

station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere

zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting

door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording

daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat

de Russen in elk opzicht, enz.....

Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen

van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men

eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam

tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten

niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet

meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand

daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan

der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en

Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap

van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek

zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en

zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten,

alvorens een besluit te nemen.

Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het

overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John

Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen,

maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van

gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls

is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van

bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht

namelijk mede een schoonen korhaan van dertien centimeters lengte, kort

op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs

op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel,

dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten, behoorde tot de orde

der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika

alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men

gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide

vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.

De eerste uren van den 23sten Juni waren reeds verloopen. De karavaan

was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan,

toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra

kwam Mokum uit een boschje aloë's, dat zich links van het kamp bevond,

in vollen galop op zijn zebra aanrennen.

De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen

met groote snelheid.

»Kom toch, dappere jager," riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten

wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest

zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild

mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe

terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!"

Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den

eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk

aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde

zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad

op den jager toe, die nu afgestegen was.

»Wien zoekt ge, Mokum?" vroeg hij hem.

»Mijnheer Palander," antwoordde de Boschjesman.

»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?" vroeg

de kolonel.

»Hij is er niet meer!" antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp

terug te vinden, maar hij is verdwaald!"

Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep:

»Nikolaas Palander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was

toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij

niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk

zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen:

Mijnheer Palander is verdwaald!"

Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm,

die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig

te zijn.

»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,"

antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een

weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die

voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk,

en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald

is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem

op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van

onze karavaan verwijderde; evenveel malen heb ik hem gewaarschuwd en

teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis

verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug

kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo

goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te

zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!" Zonder twijfel

zou de Boschjesman op denzelfden toon zijn voortgegaan tot groote

verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en

geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot

bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de

twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een

verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.

»In allen gevalle," zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon,

»zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek

laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug

te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van

beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik,

niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp

toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch

dan voor een Engelsch geleerde doen zou."

Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne

gewone bedaardheid niet bewaren.

»Mijnheer Strux," zeide hij met over elkander geslagen armen,

terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast

plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons

Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van

menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij

dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?".....

»Mijnheer" ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan

Palander gegeven werd.

»Ja, onhandig," hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep

nadruk legde, »en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo

lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat

als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid

op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!"

»Kolonel," riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten,

»uw woorden...."

»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u

voor, onze werkzaamheden op te schorten tot op het oogenblik, dat we

uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?"

»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!" antwoordde

Strux op scherpen toon.

Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de

karavaan was juist aangekomen.

John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen:

»het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze

metingen niet mede zoek gemaakt heeft."

»Daar dacht ik juist aan," antwoordde de kolonel eenvoudig.

De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze

vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was;

dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer

twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde

verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat

teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien

of die »rekenmeester" soms weder bij zijne makkers ten noorden van

de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór,

het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk

gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen

was als men Palander levend wilde terug vinden.

Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde

de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten

gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij

altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche

verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de

arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er

dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel,

Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het

kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden,

zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het

beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen

tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite

veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden

den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin

de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest,

dat zeer gevoelig in den bek was.

Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond

te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond,

waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van

Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort,

terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De

kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een

dicht kreupelbosch.

Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers

de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat

men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden

geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker pad volgen. De hond,

die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging

vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid

eenig spoor gevonden te hebben.

Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkel middel om

hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij

schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas

Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze

wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid

van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek

deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra

het licht werd.

Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen

voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men

hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid

van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust

te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige

te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep

aangevallen te worden door de hyena's, die in dit gedeelte van Afrika

overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van

den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te

praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te

vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid,

waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men

kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug

vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.

Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele

eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek

werd in grooter omtrek voortgezet. De hond liep weder vooruit en de

kleine troep volgde zijne schreden.

In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest

en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes,

doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker;

men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam

tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes

zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet

lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk

te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de

Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren,

maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray

tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een

van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de

paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze

waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren,

zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals

honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken

in kleine stukjes ophapten.

De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het

onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in

de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde

nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier

was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras,

verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon

hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.

Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne

laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts

hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van

onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging

eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde

het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats

terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.

»Kolonel," riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus;

het verstandige beest, hij is het wild op 't spoor, of liever onzen

geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!"

»Ja," hernam Murray, »hij is hem op 't spoor. Hoort dat kort

geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht

een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als

hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt."

Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot

sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield

zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg

was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over

een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden

konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest

en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich

te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden

zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of

het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit

niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts

ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?

Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten

liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet

meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het

spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen,

werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij

hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven

kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten

het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die

richting voort.

In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds

aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond

toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters

moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben,

gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra

waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water

en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst

was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat

een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen

oever van het meertje en blafte vreeselijk.

»Daar is hij! Daar is hij!" riep de Boschjesman.

Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat

Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam:

hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand,

een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de

eene of andere berekening!

Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De

Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden

afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water

staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige

dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.

»We mogen ons wel haasten!" zeide de jager met zachte stem, »ik weet

niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!"

»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is," kon John Murray

niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de

inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit

versch vleesch vreten.

De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten,

en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland

te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen

tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende,

naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde

merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en

hij schreef voortdurend nog cijfers op.

»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!" fluisterde de jager

John Murray in het oor.

Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde

dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters

stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de

geheele bende in een oogenblik onder water verdween.

Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het

hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand

naar hen toeloopende riep hij:

»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!"

»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?" vroeg John Murray.

»Eene fout van een decimaal in de 103e logarithme van de tafel van

James Wolston!"

Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene

misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene

premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En

sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde

astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek

gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de

wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 14 / 41 题