Nikolaas Palander teruggevonden.
Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee
stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den
stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk
geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen
zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken
wemelde. Het waren zeer venijnige mamba's, die tien tot twaalf voet
lang waren, en wier beet doodelijk was.
Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden
in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit
middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting
niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer
goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander
aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze
uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek,
was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er
bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige
vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen
het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename
geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten,
die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels
zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de
lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop
vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de
omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen
deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en
met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed
geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen
deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen
weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal,
zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan
water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen,
eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende
riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.
Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan
af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken,
en indien hij zich in zijne berekening niet vergist had, moest de
karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te
zijn overgetrokken.
Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de
karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John
Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van 't jaar niet waadbaar
zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de
jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden
was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig
geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.
De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was
voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd
kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden
niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud
kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in
de waagschaal stellen.
Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was
geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste
station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere
zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting
door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording
daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat
de Russen in elk opzicht, enz.....
Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen
van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men
eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam
tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten
niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet
meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand
daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan
der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en
Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap
van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek
zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en
zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten,
alvorens een besluit te nemen.
Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het
overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John
Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen,
maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van
gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls
is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van
bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht
namelijk mede een schoonen korhaan van dertien centimeters lengte, kort
op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs
op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel,
dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten, behoorde tot de orde
der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika
alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men
gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide
vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.
De eerste uren van den 23sten Juni waren reeds verloopen. De karavaan
was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan,
toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra
kwam Mokum uit een boschje aloë's, dat zich links van het kamp bevond,
in vollen galop op zijn zebra aanrennen.
De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen
met groote snelheid.
»Kom toch, dappere jager," riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten
wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest
zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild
mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe
terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!"
Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den
eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk
aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde
zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad
op den jager toe, die nu afgestegen was.
»Wien zoekt ge, Mokum?" vroeg hij hem.
»Mijnheer Palander," antwoordde de Boschjesman.
»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?" vroeg
de kolonel.
»Hij is er niet meer!" antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp
terug te vinden, maar hij is verdwaald!"
Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep:
»Nikolaas Palander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was
toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij
niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk
zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen:
Mijnheer Palander is verdwaald!"
Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm,
die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig
te zijn.
»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,"
antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een
weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die
voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk,
en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald
is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem
op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van
onze karavaan verwijderde; evenveel malen heb ik hem gewaarschuwd en
teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis
verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug
kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo
goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te
zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!" Zonder twijfel
zou de Boschjesman op denzelfden toon zijn voortgegaan tot groote
verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en
geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot
bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de
twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een
verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.
»In allen gevalle," zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon,
»zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek
laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug
te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van
beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik,
niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp
toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch
dan voor een Engelsch geleerde doen zou."
Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne
gewone bedaardheid niet bewaren.
»Mijnheer Strux," zeide hij met over elkander geslagen armen,
terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast
plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons
Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van
menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij
dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?".....
»Mijnheer" ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan
Palander gegeven werd.
»Ja, onhandig," hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep
nadruk legde, »en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo
lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat
als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid
op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!"
»Kolonel," riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten,
»uw woorden...."
»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u
voor, onze werkzaamheden op te schorten tot op het oogenblik, dat we
uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?"
»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!" antwoordde
Strux op scherpen toon.
Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de
karavaan was juist aangekomen.
John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen:
»het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze
metingen niet mede zoek gemaakt heeft."
»Daar dacht ik juist aan," antwoordde de kolonel eenvoudig.
De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze
vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was;
dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer
twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde
verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat
teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien
of die »rekenmeester" soms weder bij zijne makkers ten noorden van
de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór,
het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk
gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen
was als men Palander levend wilde terug vinden.
Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde
de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten
gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij
altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche
verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de
arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er
dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel,
Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het
kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden,
zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het
beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen
tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite
veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden
den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin
de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest,
dat zeer gevoelig in den bek was.
Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond
te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond,
waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van
Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort,
terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De
kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een
dicht kreupelbosch.
Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers
de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat
men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden
geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker pad volgen. De hond,
die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging
vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid
eenig spoor gevonden te hebben.
Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkel middel om
hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij
schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas
Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze
wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid
van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek
deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra
het licht werd.
Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen
voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men
hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid
van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust
te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige
te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep
aangevallen te worden door de hyena's, die in dit gedeelte van Afrika
overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van
den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te
praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te
vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid,
waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men
kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug
vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.
Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele
eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek
werd in grooter omtrek voortgezet. De hond liep weder vooruit en de
kleine troep volgde zijne schreden.
In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest
en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes,
doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker;
men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam
tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes
zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet
lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk
te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de
Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren,
maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray
tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een
van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de
paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze
waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren,
zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals
honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken
in kleine stukjes ophapten.
De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het
onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in
de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde
nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier
was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras,
verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon
hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.
Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne
laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts
hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van
onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging
eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde
het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats
terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.
»Kolonel," riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus;
het verstandige beest, hij is het wild op 't spoor, of liever onzen
geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!"
»Ja," hernam Murray, »hij is hem op 't spoor. Hoort dat kort
geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht
een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als
hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt."
Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot
sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield
zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg
was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over
een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden
konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest
en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich
te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden
zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of
het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit
niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts
ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?
Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten
liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet
meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het
spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen,
werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij
hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven
kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten
het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die
richting voort.
In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds
aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond
toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters
moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben,
gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra
waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water
en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst
was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat
een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen
oever van het meertje en blafte vreeselijk.
»Daar is hij! Daar is hij!" riep de Boschjesman.
Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat
Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam:
hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand,
een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de
eene of andere berekening!
Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De
Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden
afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water
staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige
dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.
»We mogen ons wel haasten!" zeide de jager met zachte stem, »ik weet
niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!"
»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is," kon John Murray
niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de
inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit
versch vleesch vreten.
De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten,
en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland
te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen
tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende,
naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde
merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en
hij schreef voortdurend nog cijfers op.
»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!" fluisterde de jager
John Murray in het oor.
Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde
dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters
stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de
geheele bende in een oogenblik onder water verdween.
Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het
hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand
naar hen toeloopende riep hij:
»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!"
»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?" vroeg John Murray.
»Eene fout van een decimaal in de 103e logarithme van de tafel van
James Wolston!"
Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene
misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene
premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En
sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde
astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek
gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de
wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.