De snelle strooming.
Gedurende hun verblijf bij de kraal waren kolonel Everest en
Mathieu Strux volstrekt niet met elkander in aanraking geweest. De
breedteopnamen hadden zonder hunne hulp plaats gehad; daar zij niet
verplicht waren elkander »wetenschappelijk" te ontmoeten, hadden zij
elkander niet opgezocht. Den dag voor het vertrek had de kolonel dood
eenvoudig zijn kaartje met P. P. C. aan den Russischen sterrekundige
gezonden, en had er een met dezelfde letters van Mathieu Strux terug
ontvangen.
Den 19en Mei brak de geheele karavaan de legerplaats op en hervatte
de reis naar het noorden. Men had de hoeken gemeten, die aan de
basis gelegen waren van den achtsten driehoek, welks top aan de
linkerzijde van den meridiaan door een paaltje, dat juist op zes
kilometers afstands stond, werd aangewezen. Men behoefde dat nieuwe
punt dus slechts te bereiken om den geodesischen arbeid te hervatten.
Van 19 tot 29 Mei werden er twee nieuwe driehoeken gemeten. Alle
voorzorgen waren genomen om met wiskundige zekerheid te werk te
gaan. Het werk ging naar wensch, en tot nog toe waren de moeilijkheden
niet groot geweest. Het weder was gunstig voor de waarnemingen gebleven
en de grond bood geen onoverkomelijke hinderpalen aan. Misschien zelfs
was hij door al te groote vlakheid niet eens zoo bijzonder geschikt
om hoeken te meten. Het was als een woestijn van groen, hier en daar
doorsneden door beekjes, die tusschen rijen karreeboomen doorliepen,
waarvan de inboorlingen hunne bogen maken, en die door hunne bladeren
veel op wilgenboomen gelijken. Deze vlakte, bezaaid met stukken
verweerde rots, vermengd met klei, zand en ijzerhoudende steenen, droeg
op sommige plaatsen de bewijzen van groote onvruchtbaarheid. Daar
verdween elk spoor van vocht, en bestond de flora slechts uit
zekere slijmachtige planten, die aan de grootste droogte weerstand
bieden. Maar mijlen ver bood deze streek geene enkele verhevenheid
aan, die voor natuurlijk station had kunnen dienen. Daarom moest
men seinpalen van tien of twaalf meters hoog oprichten, die als
aanwijzingspunten konden dienen. Men verloor dus een min of meer
kostbaren tijd, waardoor de meting eenige vertraging ondervond. Als
de waarneming geschied was, moest men den paal uit den grond halen
en hem eenige kilometers verder dragen om op nieuw als hoekpunt te
kunnen dienen. Doch dit geschiedde gewoonlijk zonder veel moeite,
daar de bemanning van de Queen and Tzar aan zulk werk gewoon was
en het gemakkelijk volvoerde. Deze mannen waren goed geoefend en
werkten snel, en men zou hen voortdurend hebben moeten prijzen om
hunne bekwaamheid, wanneer nationale eigenliefde hen niet dikwijls
met elkander had doen twisten.
De onvergeeflijke naijver, dien de aanvoerders jegens elkander
koesterden, hitste soms ook de matrozen tegen elkander op. Zorn
en Emery gebruikten al hunne wijsheid en al hunne voorzichtigheid
om deze noodlottige neiging te bestrijden; maar zij slaagden daar
niet altijd in. Van daar twisten die bij onbeschaafde menschen in
betreurenswaardige handtastelijkheden konden ontaarden. De kolonel en
de Russische geleerde kwamen dan wel tusschenbeiden, doch op eene wijze
die den haat nog verergerde, daar ieder hunner partij koos voor zijne
landgenooten, zóó zelfs dat hij hen steunde al hadden zij ongelijk. Van
de ondergeschikten ging de twist over op hunne meesters en nam toe,
zooals Michel Zorn beweerde, in evenredigheid van den rang dien de
twistenden bekleedden. Twee maanden na het vertrek uit Lattakou waren
alleen nog de beide jongelieden door zulke vriendschapsbanden verbonden
gebleven, als voor het welslagen der onderneming noodzakelijk was. John
Murray en Nikolaas Palander hoe ingespannen ook, de een met zijne
berekeningen, de ander met zijne jachtavonturen, begonnen zich in
die twisten te mengen. Kortom, weldra was de twist zóó hoog gestegen,
dat Mathieu Strux meende tegen den kolonel te moeten zeggen:
»Neem zoo'n hoogen toon niet aan, mijnheer, met sterrekundigen, die
aan het observatorium van Pulkowa geplaatst zijn en die met hunne
groote kijkers hebben kunnen ontdekken dat de schijf van Uranus
volkomen rond is!"
Waarop de kolonel Everest antwoordde dat men recht had nog veel
hooger toon aan te slaan, wanneer men de eer had te behooren tot
het observatorium van Cambridge, met welks kolossalen kijker men
de nevelvlek van Andromeda onder de onregelmatige nevelvlekken had
kunnen rangschikken!
Daarop dreef Mathieu Strux den twist zóóver, dat hij beweerde met
den kijker van Pulkowa met zijn objectief van veertien centimeters,
sterren van de 13e grootte te kunnen zien, waarop Everest antwoordde,
dat het objectief van den kijker van Cambridge even goed veertien
centimeters groot was, en dat hij in den nacht van 31 Januari 1852
daarmede eindelijk den geheimzinnigen satelliet ontdekt had, die de
storingen in de loopbaan van Sirius teweegbrengt!
Toen de geleerden elkander zulke hatelijkheden naar het hoofd begonnen
te werpen, begreep men dat er geene toenadering meer mogelijk was. Het
was dus te vreezen dat voor het vervolg de triangulatie onder deze
onherstelbare vijandschap lijden zou.
Gelukkig had tot nog toe de twist nergens anders over geloopen dan over
stelsels of geodesische feiten. Soms was men het oneens geweest over
metingen, die met den theodoliet of met den repetitiecirkel gedaan
waren; maar in plaats van er stoornis in teweeg te brengen, had dit
verschil integendeel gediend om ze des te nauwkeuriger te bepalen. De
keuze der stations had tot nog toe geen punt van geschil opgeleverd.
Den 30sten Mei veranderde het weder, dat tot nog toe helder en dus zeer
gunstig voor de waarnemingen geweest was, bijna plotseling. In elke
andere hemelstreek zou men zeker onweder met stortregens voorspeld
hebben. De hemel werd met sombere wolken bedekt. Nu en dan schoot een
bliksemstraal door de nevelmassa zonder evenwel door een donderslag
gevolgd te worden. De verdichting van den waterdamp tot vloeibaren
toestand had in de bovenste lagen der lucht echter geen plaats,
zoodat de uitgedroogde grond door geen enkelen regendroppel verfrischt
werd. Alleen bleef de hemel gedurende eenige dagen zeer somber. Deze
ontijdige mist moest de waarnemingen noodzakelijk hinderen; de stations
waren op een kilometer afstands niet meer te zien.
Evenwel wilde de Engelsch-Russische commissie geen tijd verliezen, en
besloot om lichtsignalen te plaatsen, ten einde gedurende den nacht te
kunnen werken. Op raad van den Boschjesman evenwel, moest men in het
belang der waarnemers eenige voorzorgsmaatregelen nemen. Des nachts
toch dwaalden wilde dieren, aangelokt door den schijn der elektrieke
lampen, in menigte om de stations. De waarnemers hoorden dan het
geschreeuw van den jakhals en het schorre gegrinnik van de hyena,
dat aan het eigenaardige lachen van dronken negers deed denken.
Gedurende deze eerste nachtelijke waarnemingen, van alle kanten omringd
door brullende dieren, waaronder men dikwijls den leeuw hoorde, werden
de sterrekundigen wel een weinig afgetrokken van hun werk. De metingen
geschiedden niet zoo spoedig, maar daarom niet minder nauwkeurig. Die
vurige oogen, welke uit de dikke duisternis op hen gevestigd waren,
hinderden de geleerden wel eenigermate. Onder zulke omstandigheden
waren er groote koelbloedigheid en onverstoorbare zelfbeheersching
bij noodig, om de afstanden der lantarens en de daar tusschen gelegen
hoeken te meten. Doch de leden der commissie bezaten deze hoedanigheden
in hooge mate. Na eenige dagen hadden zij hunne tegenwoordigheid
van geest geheel terug, en werkten midden tusschen de wilde dieren
even goed alsof zij in de stille zalen van een observatorium geweest
waren. Bovendien stonden op elk station eenige met geweren gewapende
jagers en een zeker aantal al te stoutmoedige hyena's vielen door de
Europeesche kogels. Het is onnoodig er bij te voegen dat John Murray
deze manier van driehoeksmeting »verrukkelijk" vond. Terwijl hij door
het oculair van den kijker keek, had hij zijn buks in de hand en het
gebeurde dikwijls dat hij tusschen twee waarnemingen in nog even een
schot loste.
De geodesische waarnemingen werden dus niet afgebroken door het
slechte weder; de juistheid liet zelfs niets te wenschen over, en het
meten van den meridiaan ging regelmatig naar het noorden voort. Geen
enkel meldenswaardig voorval had er plaats tusschen 30 Mei en 17
Juni. Nieuwe driehoeken werden gemeten door middel van kunstmatig
aangewezen stations, en voor het einde der maand hoopten Mathieu Strux
en de kolonel wederom een graad van den 24sten meridiaan gemeten te
hebben, als ten minste geen natuurlijke hinderpaal den gang hunner
werkzaamheid stoorde.
Den 17den Juni kwam hun een vrij breede stroom, een zijtak van
de Oranjerivier dwars in den weg. De leden der wetenschappelijke
commissie waren voor hun persoon niet verlegen om er overheen te
komen; zij hadden eene boot van caoutchouc, die bestemd was om hen
over middelmatige rivieren en meren heen te brengen; maar de wagen
en het materieel van de karavaan konden er zoo niet over. Men moest
stroomop- of stroomafwaarts eene waadbare plaats opzoeken. Men besloot
derhalve tegen het gevoelen van Mathieu Strux, dat de Europeanen met
hunne instrumenten over den stroom zouden gaan, terwijl de karavaan
onder geleide van Mokum eenige kilometers lager eene waadbare plaats
zou opzoeken, die de jager beweerde te kennen.
Deze zijtak van de Oranjerivier had op deze plaats een halven kilometer
breedte. De snelle stroom, hier en daar door rotspunten of boomstammen
afgebroken, was dus vrij gevaarlijk voor een licht vaartuig. Mathieu
Strux had daarover een en ander in het midden gebracht, maar daar hij
den schijn niet wilde hebben voor het gevaar, dat zijne makkers zouden
loopen, terug te deinzen, had hij zich aan de zijde der meerderheid
geschaard.
Alleen zou Nikolaas Palander het overige gedeelte der karavaan
stroomafwaarts volgen, niet omdat de waardige rekenmeester eenige
vrees koesterde! Hij was al te ingespannen om zelfs eenig gevaar te
vermoeden, maar zijne tegenwoordigheid was niet strikt noodzakelijk
voor de leiding der werkzaamheden, en zonder hinder kon hij zijne
makkers voor een of twee dagen verlaten. Bovendien kon de zeer kleine
boot slechts een gering aantal passagiers medevoeren. Het was bovendien
ook veel beter om slechts eens over dien snellen stroom heen te gaan,
en mannen, instrumenten en levensmiddelen in ééne enkele maal naar den
tegenoverliggenden oever te brengen. Er waren zeer geoefende zeelieden
voor noodig om de caoutchouc-boot te sturen en Nikolaas Palander
stond daarom zijne plaats af aan een van de Engelsche matrozen van
de Queen and Tzar, die in deze omstandigheden veel nuttiger was dan
de eerzame sterrekundige van Helsingfors.
Nadat men afgesproken had om ten noorden van den stroom weder bij
elkander te komen, begon de karavaan onder leiding van den jager langs
den linkeroever voort te trekken. Weldra waren de laatste wagens in de
verte verdwenen, en kolonel Everest, Mathieu Strux, Emery, Zorn, John
Murray, twee matrozen en een Boschjesman, die zeer ervaren was in al
wat de riviervaart betrof, bleven op den oever der Nosoub achter. Zóó
toch werd door de inlanders deze stroom genoemd, die op dat oogenblik
door de in den regentijd gevormde beken zeer gestegen was.
»Een zeer schoone rivier," zeide Michel Zorn tegen zijn vriend William,
terwijl de matrozen de boot gereed maakten.
»Zeer schoon, maar moeilijk om over te komen," was het antwoord. »Deze
snelle stroomen hebben weinig tijd van bestaan, maar genieten hun
bestaan dan ook volop! Binnen eenige weken, in het drooge jaargetijde
zal er misschien niet zóóveel water van overblijven om eene karavaan
te lesschen, en nu is het een bijna onoverkomelijke rivier! Zij
stroomt snel, maar zal spoedig uitdroogen. Zoo is, waarde vriend, de
wet van de natuur. Maar wij hebben geen tijd om ons in wijsgeerige
bespiegelingen te verdiepen. De boot is gereed, en ik wil wel eens
zien hoe zij zich op den snellen stroom houden zal."
Binnen eenige minuten was de caoutchouc-bekleeding om het ijzeren
geraamte der boot vastgemaakt, en werd deze te water gelaten. Zij
wachtte de reizigers onder aan eene helling, die zacht glooiend
tusschen de granietrotsen afliep. Hier stroomde het water, dank zij
eene vooruitstekende punt van den oever, zachtkens tusschen het met
bloeiende planten vermengde riet voort. De inscheping had dus met
het grootste gemak plaats. De instrumenten werden onder in de boot op
een hoop gras gelegd om niet geschokt te worden. De reizigers namen
zoodanig plaats, dat zij de beide matrozen niet hinderden, aan wie
de riemen waren toevertrouwd. De Boschjesman plaatste zich achter
in en stuurde. Deze inboorling was de geleider der karavaan. Mokum
had hem medegegeven als een bekwaam man, die zeer bekend was met de
Afrikaansche stroomen. Hij kende eenige woorden Engelsch, en raadde
den reizigers aan om gedurende den overtocht der Nosoub de grootste
stilte in acht te nemen.
Het touw, waarmede de boot aan den oever was vastgemaakt, werd
losgelaten, en de riemen hadden haar spoedig buiten de branding
gevoerd. Men begon den invloed van den stroom te gevoelen, die
honderd ellen verder zeer in snelheid toenam. De bevelen door den
stuurman aan de beide matrozen gegeven, werden stipt uitgevoerd. Nu
eens moest men de riemen opbeuren om een half onder water verborgen
boomstronk te vermijden, dan weder met dubbele snelheid roeien
om door een maalstroom te komen, die door een tegenstroom gevormd
werd. Als vervolgens de gang al te sterk werd, liet men de lichte
boot met den stroom afdrijven. De inboorling, de hand aan het roer,
met vasten blik en onbeweeglijk hoofd, voorkwam alle gevaren van deze
vaart. De Europeanen beschouwden met zekere ongerustheid dezen nieuwen
toestand. Zij voelden dat zij met onwederstaanbare kracht door den
onstuimigen stroom werden medegesleept. Kolonel Everest en Mathieu
Strux keken elkander aan met stijf gesloten lippen. John Murray zat
met zijne onafscheidelijke buks tusschen de beenen en zag naar de
tallooze vogels, wier vleugels de oppervlakte des waters schoren. De
beide jonge sterrekundigen bewonderden, zonder door iets afgetrokken
te worden, de schoone oevers, die met duizelingwekkende snelheid
onder hun oog voorbijvlogen.
Weldra had de lichte boot het snelste gedeelte van den stroom bereikt;
men moest daar dwars doorheen om den tegenoverliggenden oever te
bereiken, waar het water stiller was. Op een teeken van den Boschjesman
deden de matrozen krachtiger riemslagen; maar niettegenstaande hunne
inspanning werd de boot onwederstaanbaar en evenwijdig met de oevers
medegesleept en gleed stroomafwaarts. De sloep gehoorzaamde niet
meer aan het roer; de toestand werd zeer gevaarlijk, want een stoot
tegen eene rots of een boomstam zou de boot onvermijdelijk hebben
doen omslaan.
De reizigers begrepen het gevaar, maar geen hunner sprak een
woord. De stuurman was half opgestaan en keek in de richting, die
de boot volgde. Hij kon hare vaart niet matigen in dezen stroom,
die dezelfde snelheid had als het vaartuig, dat aan het roer niet
meer gehoorzaamde. Op twee honderd meters voor de boot stak een
soort van eilandje, eene gevaarlijke opeenhooping van steenen en
boomstammen, uit de bedding van de rivier uit. Het was onmogelijk het
te vermijden. Binnen weinige oogenblikken moest de boot het eilandje
bereiken en er bijna zeker op verbrijzeld worden.
En inderdaad had er bijna oogenblikkelijk een schok plaats, maar minder
hevig dan men verwacht had. De boot dook een weinig en schepte wat
water, de reizigers konden echter op hunne plaatsen blijven zitten;
zij keken vooruit..... De zwarte rots waartegen zij gestooten hadden,
veranderde van plaats, en bewoog zich te midden van de woelende
wateren. Deze rots was een reusachtig rivierpaard, dat door den stroom
naar het eilandje was medegesleept, en zich niet meer in de snelle
strooming durfde wagen om den eenen of anderen oever te bereiken. Toen
de boot tegen het dier aankwam, lichtte het den kop op en keek met
zijne kleine domme oogen om zich heen. De vreeselijke dikhuid was tien
voet lang, had eene harde, bruine en kale huid, en vertoonde boven in
den open muil snijtanden, en onderin zeer groote hondstanden. Bijna
op hetzelfde oogenblik wierp het dier zich op de sloep, waarin het
woedend de tanden sloeg, en die het dreigde te vernielen.
Maar John Murray was er bij; zijne koelbloedigheid verliet hem geen
oogenblik; hij legde bedaard zijn geweer aan en schoot het dier met een
kogel vlak achter het oor. De hippopotamus liet niet los, en schudde
de boot evenals een hond met een haas doet. Aanstonds werd het geweer
weder geladen en trof het dier nogmaals in den kop. Het schot was
doodelijk, want de geheele vleeschklomp zonk bijna onmiddellijk na
met eene laatste krachtsinspanning de boot weder midden in den stroom
geduwd te hebben.
Vóór de reizigers tot zichzelven konden komen, draaide de boot, die
dwars op stroom was gekomen, als een tol, en dreef schuin weder in
de richting van den snellen stroom voort. Een plotselinge bocht in de
rivier, eenige honderden meters stroomafwaarts, brak den snellen stroom
van de Nosoub. In twintig seconden bereikte de sloep deze plaats. Een
hevige schok hield haar tegen en de reizigers sprongen gezond en wel op
den oever na over een afstand van twee kilometers te zijn medegesleept.