IX.

Een kraal.

Den volgenden dag, 15 April, werd het werk zonder ophouden

voortgezet. De hoek, dien de boom met de beide uiteinden van de basis

vormde, werd nauwkeurig gemeten. Deze nieuwe meting kon den eersten

driehoek doen berekenen. Toen dit gedaan was, werden rechts en links

van den meridiaan twee andere stations gekozen, het eene gevormd

door een heuvel, die zich zes kilometers verder in de vlakte verhief,

het andere aangeduid door een paal, die op ongeveer zeven kilometers

afstands in den grond werd geslagen. Zóó ging de triangulatie gedurende

eene maand zonder verhindering voort. Den 15den Mei waren de astronomen

een graad noordwaarts gevorderd na zeven driehoeken te hebben gemeten.

Gedurende dezen arbeid waren de kolonel en Mathieu Strux zelden

met elkander in aanraking geweest. Men heeft gezien, dat bij het

verdeelen van den arbeid en voor het nagaan der metingen de beide

geleerden van elkander gescheiden waren. Zij werkten dagelijks op

stations, die verscheidene kilometers van elkander aflagen en dit

was een waarborg tegen allen mogelijken twist. Als de avond viel,

ging elk hunner naar het kamp terug, en betrok weder zijne bijzondere

woning. Wel is waar ontstond er nu en dan eenig verschil over de

keuze der stations, die in gemeen overleg moesten bepaald worden,

doch dit bracht geen ernstig geschil te weeg. Michel Zorn en zijn

vriend William konden dus hopen dat, dank zij de scheiding der beide

mededingers, de geodesische arbeid kon worden voortgezet zonder eene

betreurenswaardige uitbarsting te veroorzaken.

Nu de waarnemers den 15den Mei, zooals reeds gezegd is, zich op een

graad afstands van het zuidelijkste punt van den meridiaan bevonden,

waren zij op de hoogte van Lattakou; het Afrikaansche dorp lag 35

kilometers oostwaarts van hun station. Eerst onlangs was een groote

kraal op deze plaats gesticht; het was eene goede plaats om halt te

houden, en op voorstel van John Murray werd er bepaald dat de karavaan

er eenige dagen zou uitrusten. Michel Zorn en William Emery zouden van

dien tijd gebruik maken om de hoogte der zon te nemen. Gedurende dit

oponthoud zoude Nikolaas Palander zich bezig houden om de maten, die

het verschil in hoogte der vizieren aanduidden, te herleiden, ten einde

ze met het vlak der zee in overeenstemming te brengen. John Murray zou

een weinig verademing zoeken van zijn wetenschappelijken arbeid in het

bestudeeren van de fauna dezer streken door middel van geweerschoten.

De inboorlingen van zuidelijk Afrika geven den naam van kraal aan

een beweegbaar dorp, dat van de eene weide naar de andere kan worden

overgebracht. Het is eene beslotene ruimte, waar binnen een dertigtal

woningen, die vele honderden inwoners bevatten.

De kraal, die de Engelsch-Russische commissie bereikte, was

samengesteld uit eene vrij belangrijke verzameling van hutten, die in

een kring op de oevers van een in de Kuruman uitvloeiende beek waren

opgeslagen. Deze hutten waren gemaakt van op latten gespijkerde,

ondoordringbare en van riet gevlochten matten; zij geleken op lage

bijenkorven, waarvan de ingang, met een vel gesloten, den bewoner of

bezoeker noodzaakte om op zijne knieën er in en er uit te kruipen. Door

deze opening ging ook de scherpe rook van den haard naar buiten,

zoodat de bewoonbaarheid dezer hutten zeer twijfelachtig was voor

ieder ander dan een Hottentot of een Boschjesman.

Toen de karavaan er aankwam, was de geheele bevolking in beweging. De

wachthonden, die bij elke hut lagen, begonnen vreeselijk te blaffen. De

krijgslieden van het dorp trokken naar buiten met lansen, messen en

knodsen gewapend, en beschermd door lederen schilden. Hun aantal kon

op tweehonderd geschat worden, en duidde de belangrijkheid der kraal

aan, die niet minder dan zestig tot tachtig woningen moest bevatten;

omringd door palissaden, die bovendien voorzien waren van de vijf

of zes voet lange doornachtige stengels der agave, waren deze hutten

beschermd tegen de wilde dieren.

Evenwel verdwenen de vijandige oogmerken der inboorlingen spoedig,

toen de jager Mokum slechts eenige woorden met het opperhoofd der

kraal gewisseld had. De karavaan verkreeg de vergunning om zich bij

de palissaden op den oever der beek neder te slaan. De Boschjesmannen

dachten er zelfs niet aan om den reizigers het gedeelte der weide te

betwisten, die zich over eene ruimte van verscheidene kilometers aan

weerszijden uitstrekte. De paarden, buffels en andere dieren van de

karavaan konden er overvloedig voedsel vinden, zonder de kraalbewoners

eenig nadeel toe te brengen.

Aanstonds werd de legerplaats volgens de aanwijzing van den Boschjesman

op de gewone wijze ingericht. De wagens werden in een kring geplaatst

en ieder ging aan zijne eigene bezigheden. John Murray liet dus zijne

tochtgenooten aan hunne berekeningen en wetenschappelijke waarnemingen

over en vertrok zonder dralen met Mokum. De Engelsche jager zat op

zijn gewoon paard en Mokum op zijn tammen zebra; drie honden volgden

hen onder allerlei wilde sprongen. Murray en Mokum waren elk met een

jachtgeweer met ontplofbare kogels gewapend, hetgeen bewees dat zij

het plan hadden om ook op wilde dieren jacht te maken.

De beide jagers reden in noordoostelijke richting naar eene boschrijke

streek, die eenige kilometers van de kraal aflag. Zij reden naast

elkander onder voortdurende gesprekken.

»Ik hoop, vriend Mokum," zeide John Murray, »dat ge nu uwe bij den

waterval van Morgheda gedane belofte vervullen zult, door mij in

het midden der wildrijkste streken van de aarde te brengen. Doch ge

kunt mij gelooven als ik u verzeker dat ik niet in zuidelijk Afrika

ben gekomen om hazen te schieten of vossen op te sporen. Die hebben

wij in onze Schotsche hooglanden ook; vóór wij een uur verder zijn

wil ik....."

»Eén uur!" antwoordde de Boschjesman. »U zult mij niet kwalijk nemen

als ik zeg dat het wat snel is, en dat u vooral geduld moet hebben. Ik

heb alleen geduld op de jacht, en daarmede koop ik al het ongeduld af,

dat ik anders in mijn leven toon. Weet u dan niet mijnheer, dat het

jagen op groote dieren eene kunst, zelfs eene wetenschap is, dat men

het land en de gewoonten der dieren nauwkeurig moet leeren kennen,

hunne gangen nagaan, en dan uren lang om hen heen moet draaien om

ze eindelijk onder den wind te naderen? Weet u wel dat men zich

wachten moet voor elk ontijdig geluid, voor elken geraasmakenden

tred, voor elk onberaden uitkijken? Ik zelf ben dagen achtereen

een buffel of gems blijven beloeren, en als ik na zesendertig uren,

allernalei listen en lagen het beest geveld had, meende ik mijn tijd

niet verloren te hebben."

»Zeer goed, mijn vriend," antwoordde John Murray, »ik zal zooveel

geduld nemen als ge maar wilt; maar laat ons niet vergeten, dat het

oponthoud der karavaan slechts drie of vier dagen duurt, en dat we

geen uur, zelfs geen minuut moeten verliezen!"

»Daar denk ik wel aan," antwoordde de Boschjesman op zulk een kalmen

toon, dat Emery daaraan zijn reismakker van de Oranjerivier niet

zou herkend hebben, »dat zal ik wel degelijk in het oog houden; wij

zullen alles doodschieten wat ons voorkomt, mijnheer; wij zullen

niet kieskeurig zijn: antilope of hert, gnoe of gazelle, alles is

goed voor zulke haastige jagers."

»Antilope of gazelle!" riep John Murray uit, »ik vraag zelfs zooveel

niet voor mijne eerste jachtpartij in Afrika. Maar wat denkt ge mij

dan te laten schieten, mijn dappere Boschjesman?" De jager keek zijn

makker met een zonderling gelaat aan en zeide toen op spottenden toon:

»Als u verklaart dat u voldaan zijt, dan heb ik niets meer te zeggen;

ik meende, dat u niet tevreden zoudt zijn vóór u een paar neushoorns

of een paar olifanten hadt geschoten?"....

»Jager," antwoordde de Engelschman, »ik zal gaan waar ge mij brengen

wilt. Ik zal schieten op al wat ge mij zult aanwijzen; kom aan dan,

vooruit, en laten we maar geen tijd met ijdele praatjes verliezen!"

De paarden werden in galop gezet, en de beide jagers naderden pijlsnel

het woud. De vlakte, die zij doorreden, verhief zich langzamerhand naar

het noordoosten. Hier en daar was zij met kreupelboschjes doorsneden,

welker struiken allen in bloei stonden, en uit sommige van welke

eene kleverige, doorschijnende en welriekende harst liep, waarvan de

inboorlingen wondzalf maken. In schilderachtige groepjes verhieven

zich de nuanas of adams-vijgenboomen, welker dertig tot veertig

voet hooge stam gekroond werd door een groot bladerdak. In dit dik

gebladerte fladderde eene menigte schreeuwende papegaaien die aasden

op de zuurachtige vijgen. Verder stonden schilderachtige mimosa's met

groote bloemtrossen, die hare zijdeachtige kruinen zachtkens heen en

weder wiegelden, aloës met lange stengels vol helderroode bloemen,

welke men in de verte gehouden zou hebben voor koraalstruiken uit

de diepte der zee opgehaald. De grond was als bezaaid met bevallige

narcisleliën met blauwachtige bladeren, en bood voor de rijdieren

een gemakkelijken weg aan. Minder dan een uur na de kraal verlaten

te hebben waren Murray en Mokum aan den rand van het bosch; het was

een woud van hooge acacia's, dat zich over eene uitgebreidheid van

verscheidene vierkante kilometers uitstrekte. Deze tallooze boomen

stonden zonderling dooreen en strengelden hunne takken door elkander,

zoodat de zonnestralen op den met doornstruiken en lang gras begroeiden

grond niet konden doordringen. Evenwel aarzelden de zebra en het paard

niet om onder het dichte bladerdak voort te draven en zich een weg te

banen tusschen de onregelmatig door elkaâr gegroeide boomen. Hier en

daar waren er open plekken in 't midden van het woud, waar de jagers

telkens bleven stilstaan om het hen omringende bosch te beschouwen.

Men moet bekennen dat deze eerste dag voor Murray niet gunstig was:

te vergeefs doorkruiste hij met zijn metgezel een gedeelte van het

bosch. Geen enkel dier bewoog zich om hen te ontvangen, en Murray dacht

met leedwezen aan de Schotsche vlakten, waar men niet lang behoefde te

wachten om een schot te lossen. Misschien was de nabijheid der kraal

de oorzaak dat het schichtige wild gevlucht was. Wat Mokum betreft,

deze toonde noch verwondering, noch spijt. Voor hem was dit geen jacht,

doch een haastige tocht door het bosch.

Tegen tien uren 's avonds moest men er aan denken om naar de

legerplaats terug te keeren. Murray was boos zonder het te willen

bekennen; een jager platzak te huis komen! dat nooit! Hij besloot dus

bij zich zelven het eerste het beste dier dat hem voorkwam, vogel of

viervoetig dier, wild of verscheurend beest, dood te schieten. Het

lot scheen hem te begunstigen; de twee jagers waren geen drie

kilometers meer van de kraal, toen een haas op honderd vijftig

pas voor John Murray opsprong; deze aarzelde niet en schoot zijne

buks op het onschuldige dier af. De Boschjesman uitte een kreet van

verontwaardiging. Een kogel voor een onnoozelen haas, dien men met

een hagel van kleine 6 neer kon leggen! Maar de Engelsche jager was

nu eenmaal op het dier gesteld en rende naar de plaats toe, waar het

had moeten vallen; doch te vergeefs, er was geen spoor van het dier

te vinden; een weinig bloed op den grond, maar verder niets. Murray

zocht onder de struiken en in het hooge gras; ook de honden zochten

te vergeefs rond.

»Ik heb hem toch geraakt!" riep John Murray.

»Maar al te goed!" antwoordde de Boschjesman bedaard. »Als men een

haas met een ontplofbaren kogel schiet, dan zou het wel wonder zijn

als men er een stukje van terug vond!"

En inderdaad, de haas was in kleine brokjes uit elkander

gevlogen. Murray steeg geheel teleurgesteld weder te paard en reed

zonder een woord meer te spreken naar de legerplaats terug. Den

volgenden dag verwachtte de Boschjesman dat de Engelschman hem op

nieuw zou voorstellen om op jacht te gaan. Maar de Engelschman,

die in zijne eigenliefde gekrenkt was, vermeed eene ontmoeting met

Mokum. Hij scheen alle jachtplannen te hebben laten varen en hield

zich slechts bezig met instrumenten te verificeeren en waarnemingen te

doen. Om zich te ontspannen bezocht hij daarna de kraal, waar hij de

mannen zich zag oefenen met den boog, of spelen op de gorah, een soort

van muziekinstrument, dat gemaakt wordt van eene snaar op een boog

gespannen, die de speler doet trillen door er door een struisvogelpen

op te blazen. In dien tijd waren de vrouwen met huislijken arbeid

bezig, en rookten hennep, iets dat door een groot gedeelte van

de inboorlingen bij wijze van tijdverdrijf gedaan werd. Volgens de

opmerking van zekere reizigers vermeerdert dat inademen van hennepwalm

de krachten des lichaams ten nadeele van die des geestes. En inderdaad

velen van die Boschjesmannen schijnen verstompt te zijn door de

dronkenschap, die het gevolg is van dit rooken.

Den volgende dag, 27 Mei, werd Murray bij het aanbreken van den

dag wakker gemaakt met deze hem in het oor gefluisterde woorden:

»Ik geloof mijnheer, dat we van daag gelukkiger zullen zijn; maar

laat ons geen hazen meer schieten met berghouwitsers!"

Murray werd niet boos toen hij deze spotachtige aanmerking hoorde. De

twee jagers verwijderden zich eenige kilometers links van de

legerplaats vóór hunne makkers wakker waren. John had ditmaal een

eenvoudig jachtgeweer, een prachtstuk uit de fabriek van Goldwin,

en veel geschikter voor de jacht op damherten of antilopen dan zijne

vreeselijke buks. Wel is waar kon men in de vlakte dikhuidige of

verscheurende dieren ontmoeten. Maar Murray was nog ontevreden op

zich zelven over die ontploffing van den haas, en hij zou liever een

leeuw met hagel gedood hebben, dan weder een schot te lossen dat in

de jaarboeken van de jacht een ongehoord feit was.

Dien dag begunstigde de fortuin de beide jagers, zooals Mokum voorzien

had. Zij velden een paar zwarte antilopen, die zeer moeilijk te

schieten zijn. Het waren schoone dieren, vier voet hoog, met lange

uit elkander staande en bevallig gekronkelde horens, evenals een paar

zwaarden. Hun snuit liep spits toe en was aan de zijkanten een weinig

plat; zij hadden zwarte pooten, dik en zacht haar, fijne en puntige

ooren. Buik en voorhoofd waren wit als sneeuw en staken scherp af

tegen het zwarte van den rug, waarlangs golvende manen hingen. De

jagers mochten trotsch zijn op zulk eene vangst, want de zwarte

antilope werd altijd begeerd door Delejorgue, Vahlberg, Cumming,

Baldwin, en andere reizigers, en 't is dan ook een van de schoonste

voortbrengselen uit het dierenrijk in het zuidelijk halfrond.

Maar wat vooral het Engelsche jagershart deed kloppen, waren zekere

sporen, die de Boschjesman hem toonde aan den rand van een dicht

kreupelhout, niet ver van een uitgebreid en diep moeras, dat door

reusachtige euphorbiastruiken omringd en welks oppervlakte geheel

bezaaid was met de hemelsblauwe bloemkelken van de waterlelie.

»Mijnheer," zeide Mokum, »als u morgen met het aanbreken van den dag

op deze plek op de loer wilt gaan liggen, dan zou ik u aanraden uwe

buks niet te vergeten."

»Waarom zegt ge dit, Mokum?" vroeg John Murray.

»Ziet u die versche sporen op den vochtigen grond?"

»Wat, die groote indruksels, zijn dat sporen van dieren? Maar dan

hebben de pooten, die ze hebben gemaakt, meer dan een halven vadem

in omtrek!"

»Dat bewijst alleen," antwoordde de Boschjesman, »dat het dier,

dat zulke sporen achterlaat, minstens negen voeten hoog is."

»Een olifant!" riep Murray uit.

»Juist, mijnheer, en als ik me niet bedrieg, is het een volwassen

mannetje."

»Morgen dus, Boschjesman."

»Morgen, mijnheer."

De twee jagers kwamen in het kamp terug met hunne zwarte antilopen,

die zij over het paard van John Murray gehangen hadden. Die schoone

dieren, die zoo zeldzaam gevangen worden, wekten de bewondering van de

geheele karavaan op. Allen wenschten Murray geluk, behalve de deftige

Mathieu Strux, die op het punt van dieren slechts den Grooten Beer,

den Draak, den Centaurus, Pegasus en andere hemellichamen kende.

Den volgenden morgen om vier uren wachtten de beide jagers

onbeweeglijk op hunne paarden met de honden naast zich te midden van

een dik kreupelbosch op de komst van den troep olifanten. Aan versche

indrukken hadden zij gezien dat de olifanten in een troep kwamen om in

het moeras te drinken. Beiden waren gewapend met gegroefde buksen met

ontplofbare kogels. Zij lagen onbeweeglijk en stil sedert ongeveer een

half uur in het boschje op de loer, toen zij op vijftig pas afstands

van het moeras beweging in het sombere loof bespeurden. Murray had

zijne buks gegrepen, maar de Boschjesman hield zijne hand vast en

beduidde hem dat hij zijn ongeduld bedwingen moest. Weldra vertoonden

zich groote schaduwen; men hoorde het kreupelhout wijken voor eene

onweêrstaanbare kracht; het was een geluid van hout dat kraakte, van

struiken die vertrapt en tegen den grond verpletterd werden, terwijl

een sterk geblaas zich door de takken liet hooren: het was de troep

olifanten. Een half dozijn van die reusachtige dieren, bijna even

groot als hunne stamverwanten in Indië, naderden langzaam het moeras.

Het daglicht, dat langzamerhand sterker was geworden, veroorloofde

Murray die sterke dieren te bewonderen. Een van deze, een mannetje

van bijzondere grootte, trok vooral zijne aandacht. Het breede

voorhoofdsbeen welfde zich tusschen een paar groote ooren, die

hem tot op de borst hingen. Zijn kolossale omvang scheen in het

schemerlicht nog reusachtiger; het dier slingerde zijn snuit boven het

kreupelbosch heen en weer en stiet met zijne gebogen slagtanden tegen

dikke boomstammen, die door den schok trilden. Misschien had het dier

een voorgevoel van het naderend gevaar. Ondertusschen fluisterde de

Boschjesman, zich naar John Murray buigend, dezen in het oor: »Welnu,

is die naar uw zin?"

John knikte toestemmend.

»Welaan dan," voegde Mokum er bij, »dan zullen wij hem van de rest

van den troep scheiden."

Op dat oogenblik kwamen de olifanten aan den rand van het moeras;

hunne weeke pooten zakten in den zachten bodem; zij zogen het water

met hunne snuiten op, en spoten het in hun wijd keelgat, dat een

luid klinkend geklok voortbracht. Het groote mannetje, dat wezenlijk

ongerust was, keek om zich heen en snoof met veel geraas de lucht op,

om op die wijze te weten te komen of er ook iets verdachts was.

Plotseling liet de Boschjesman een bijzonderen kreet hooren. De drie

honden begonnen hard te blaffen en sprongen uit het kreupelbosch op den

troep olifanten los. Tegelijk riep Mokum tegen zijn makker niets dan

het woordje »blijf!" en sprong met zijn zebra door het kreupelbosch

om het mannetje den terugtocht af te snijden. Overigens trachtte het

prachtige dier niet te vluchten; Murray beloerde hem met den vinger

aan den haan van het geweer. De olifant sloeg met zijn snuit tegen

de boomen en slingerde zenuwachtig met den staart, waarbij hij geen

teekenen meer van ongerustheid, maar van woede gaf. Tot nog toe had

hij den vijand slechts vermoed; op dit oogenblik zag hij hem en rende

op hem aan.

John Murray stond nu op ongeveer zestig pas afstands van het dier; hij

wachtte totdat het op veertig genaderd was, mikte toen op de ribben

en gaf vuur. Doch eene beweging van het paard verstoorde eenigszins

de juistheid van zijn schot; de kogel ging slechts door het weeke

vleesch, en bleef daarin zitten, zonder tegen eenig gedeelte aan te

komen, dat hard genoeg was om hem te doen ontploffen. De woedende

olifant versnelde zijn gang, die eer op een zeer snel loopen,

dan op galoppeeren geleek; doch het was snel genoeg om een paard

vooruit te komen. Nadat het paard van Murray een oogenblik gesteigerd

had, sprong het uit het kreupelbosch, zonder dat de ruiter het kon

inhouden. De olifant vervolgde het, terwijl hij de ooren opstak en

door zijn snuit blies als door eene trompet. De jager, wiens paard

met hem doorging, kneep het dier tusschen zijne krachtige knieën en

beproefde eene patroon in zijn geweer te krijgen. De olifant echter

begon op hem te winnen; weldra waren beiden in de vlakte buiten het

bosch. Murray drukte zijne sporen diep in de zijden van het hollende

paard. Twee van de honden renden blaffende en vluchtende met het

dier mede; de olifant was op geen twee lengten meer achter hem; de

jager voelde reeds zijn sterk geblaas en hoorde het snuiven van den

snuit, waarmede hij de lucht zweepte. Elk oogenblik verwachtte hij

door dien levenden lazzo van 't paard gesleurd te worden. Plotseling

boog het paard van achteren in elkander. De snuit was op het kruis

neergekomen. Het dier liet een smartelijk gehinnik hooren en sprong

op zijde; deze sprong redde Murray van een zekeren dood. De olifant

door zijn snellen gang voortgejaagd vloog voorbij, maar nam met zijn

snuit, waarmede hij over den grond streek, een van de honden op,

dien hij met onbeschrijfelijke kracht heen en weer schudde.

Murray had geen ander middel meer dan in het bosch te vluchten;

het instinct van het paard bracht er hem heen en weldra vloog het er

met vreeselijke vaart in. De olifant was zich zelven ondertusschen

weer meester geworden, en begon de vervolging op nieuw, terwijl

hij den ongelukkigen hond heen en weer slingerde en diens kop tegen

een vijgeboom verpletterde, toen hij het bosch inrende. Het paard

sprong in het dichte struikgewas, dat door de met doorns bezette

slingerplanten bijna ontoegankelijk was, en bleef staan. De Engelschman

had, hoewel hij zich overal gekwetst gevoelde en met bloed bedekt was,

geen oogenblik zijne tegenwoordigheid van geest verloren; hij keerde

zich om, legde zijne buks met de grootste omzichtigheid aan, en mikte

tusschen de struiken door op den schouder van den olifant. De kogel

stuitte tegen een been en ontplofte. Het dier wankelde, en bijna op

hetzelfde oogenblik trof hem van den rand van het woud een tweede kogel

in de linker zijde. Hij viel op de knieën, bij een kleinen waterplas,

half onder het hooge gras verborgen. Daar slurpte hij met zijn snuit

het water op en begon zijne wonden te besproeien, terwijl hij nu

en dan een klagend geluid liet hooren. Op dit oogenblik verscheen

de Boschjesman.

»We hebben hem! We hebben hem!" riep Mokum.

Inderdaad, het reusachtige dier was doodelijk gewond. Het stiet

smartelijke kreten uit en haalde moeilijk adem; zijn staart bewoog

zich slechts even en met zijn snuit, waarmede het in den door hem

gevormden bloedplas slurpte, spoot het een rood gekleurden regen over

het hem omringende kreupelhout uit. Toen begonnen de krachten hem te

begeven, hij zonk geheel op de knieën en stierf.

Op dat oogenblik kwam Murray uit de doornstruiken te voorschijn;

zijne kleederen hingen hem in lappen om het lijf; maar hij had gaarne

met zijn eigen huid die jagerszegepraal betaald.

»Een verschrikkelijk beest, Boschjesman!" zeide hij, terwijl hij het

bekeek, »een verschrikkelijk beest, maar een weinig te zwaar voor

mijn weitasch!"

»Goed, mijnheer!" antwoordde Mokum. »Wij zullen hem hier uit elkander

snijden en slechts de keurigste stukken medenemen. Zie eens welke

prachtige slagtanden de natuur hem gegeven heeft! Zij wegen minstens

elk vijf en twintig pond, en dat tegen vijf shillings (f 3) het pond,

maakt een mooi sommetje."

Terwijl hij zoo sprak, begon de jager het dier in stukken te hakken;

hij hieuw met zijn bijl de slagtanden door, en vergenoegde zich

verder met de voeten en den snuit, omdat dit de meest geliefkoosde

stukken waren, waarop hij de leden der wetenschappelijke commissie

wilde onthalen. Hij had voor dit werk eenigen tijd noodig, zoodat

hij met den Engelschman niet voor twaalf uren in de legerplaats

terug was. Daar liet de Boschjesman de voeten van het reusachtige

dier op de Afrikaansche manier koken, door ze te begraven in een gat

dat evenals een oven eerst met gloeiende kolen heet was gemaakt. Het

spreekt van zelf dat dit gerecht op zijne wezenlijke waarde geschat

werd, zelfs door den onverschilligen Palander, en dat John Murray de

gelukwenschen van het geheele gezelschap ontving.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 12 / 41 题