De vierentwintigste meridiaan.
Het meten van die basis had achtendertig dagen arbeids vereischt. Den
6den Maart begonnen, was het den 13den April geëindigd. Zonder
een oogenblik te verliezen, besloten de aanvoerders der commissie
onmiddellijk met de driehoeksmeting voort te gaan. Eerst moest
men de breedte van het zuidelijkste punt opnemen, waar de boog
van den meridiaan, dien men wilde meten, begon. Dezelfde arbeid
moest ook verricht worden aan het noordelijk uiteinde van den boog,
en door het verschil in breedten zou men dan weten hoeveel graden
het gemeten deel van den meridiaan lang was. Sedert den 14den April
werden de nauwkeurigste waarnemingen gedaan om de breedte der plaats
te bepalen. Toen het meten van de basis geëindigd was, hadden William
Emery en Michel Zorn reeds eenige nachten de hoogte van verschillende
sterren bepaald door middel van den cirkel van Fortin. Die jonge
mannen hadden met zulk eene juistheid hunne waarnemingen gedaan,
dat de afwijking geen twee seconden bedroeg; die afwijking was
waarschijnlijk te wijten aan het verschil der straalbreking, die
zijn oorzaak vond in de verandering van de luchtlagen. Uit deze zoo
nauwkeurig en bij herhaling gedane waarnemingen kon men met eene meer
dan voldoende benadering de breedte van het zuidelijkste punt van den
meridiaanboog afleiden. Deze breedte was in decimale graden 27.951789.
Toen men op deze wijze de breedte verkregen had, berekende men de
lengte, en men bracht dit punt op eene uitmuntende op groote schaal
geteekende kaart van zuidelijk Afrika over. Deze kaart toonde de
onlangs in dit werelddeel gedane aardrijkskundige ontdekkingen
aan, en bovendien de tochten van reizigers en natuuronderzoekers
als Livingstone, Anderson, Magyar, Baldwin, Vaillant, Burchell
en Lichtenstein. Op deze kaart moest men nu een meridiaan kiezen,
waarvan men een gedeelte wilde meten, dat tusschen twee op eenige
graden van elkander verwijderde plaatsen gelegen was. Men begrijpt
toch dat, hoe grooter de gemeten boog is, des te meer de invloed van
mogelijke dwalingen in de bepaling van breedten zal verminderen. De
boog tusschen Duinkerken en Formentera mat bijna tien graden van den
meridiaan van Parijs of juister gezegd 9° 56'.
Bij de Engelsch-Russische triangulatie, welke men ging ondernemen,
moest er met de uiterste omzichtigheid eene keuze van een meridiaan
gedaan worden. Men moest zich niet laten terughouden door natuurlijke
hinderpalen, zooals onoverkomelijke bergen, groote uitgestrekte
watervlakten, waardoor de waarnemers verhinderd zouden zijn om voort
te gaan. Dit gedeelte van zuidelijk Afrika scheen gelukkig zeer
geschikt te zijn voor een arbeid van deze soort. De verhevenheden
van den grond hadden weinig te beteekenen; stroomen waren weinig in
aantal en gemakkelijk over te trekken. Men kon op gevaren, maar niet
op hinderpalen stuiten.
Dit gedeelte van zuidelijk Afrika toch wordt ingenomen door de woestijn
Kalahari, eene groote vlakte, die zich van de Oranjerivier tot aan
het meer Ngami van 20° tot 29° Z. B. uitstrekt. In de breedte strekt
deze vlakte zich uit van den Atlantischen Oceaan ten westen tot aan
25° O. L. van Greenwich. Langs dien 25sten meridiaan trok in 1849
Dr. Livingstone noordwaarts langs de oostgrens der woestijn, toen hij
tot aan het meer Ngami en den waterval der Zambese doordrong. Wat
de woestijn zelve betreft, deze verdient eigenlijk dien naam niet;
het zijn niet de vlakten van de Sahara, zooals men zou denken, groote
zandvlakten zonder eenige groeikracht, die door hare woestheid bijna
ontoegankelijk zijn; de Kalahari brengt integendeel eene groote menigte
planten voort; de bodem is met overvloedig gras bedekt; er zijn dichte
kreupelbosschen en wouden van groote boomen; er is overvloed van
beesten, wild en geduchte roofdieren; de Kalahari wordt bewoond door
stammen, die vaste woonplaatsen hebben, of doorkruist door nomaden,
zooals Boschjesmannen en Bakalahari's. Doch gedurende het grootste
gedeelte van het jaar ontbreekt er water in deze woestijn; talrijke
beddingen van beken, die haar doorsnijden, zijn dan uitgedroogd en de
droogte van den grond is dan een wezenlijke hinderpaal voor reizigers
in dit gedeelte van Afrika. Op dat oogenblik was evenwel de regentijd
juist ten einde en men kon nog rekenen op groote massa's stilstaand
water, dat eenigen tijd in kolken, vijvers of beken bewaard blijft.
Zoodanig waren de inlichtingen van den jager Mokum. Hij kende
de Kalahari, omdat hij er dikwijls of als jager, of voor eenig
ander doel doorheen was getrokken, of omdat hij als gids van eenige
aardrijkskundige expeditie haar bezocht had. Kolonel Everest en Mathieu
Strux kwamen daarin overeen dat deze groote vlakte aan alle gunstige
voorwaarden voldeed voor eene goede triangulatie. Nu moest men den
meridiaan nog zoeken op welken men een boog van onderscheidene graden
meten zou.
Kon deze meridiaan aan een der uiteinden van de basis genomen worden,
waardoor men niet noodig had om deze basis met een ander punt van
de Kalahari door eene aaneenschakeling van nieuwe driehoeksmetingen
te verbinden?
Deze omstandigheid werd nauwkeurig nagegaan en na eenige
woordenwisseling begreep men dat het zuidelijk uiteinde van de
basis gemakkelijk als uitgangspunt dienen kon. Deze meridiaan was
de 24ste ten oosten van Greenwich; hij strekte zich over eene lengte
van minstens zeven graden, van 20° tot 27° Z. B. uit, zonder eenigen
natuurlijken hinderpaal te ontmoeten, althans de beste kaarten wezen
dit niet aan. In het noorden alléén doorsneed hij het oostelijk deel
van het meer Ngami, maar dit was geen onoverkomelijke hinderpaal,
en Arago had wel andere moeilijkheden ondervonden, toen hij de kust
van Spanje met de Balearische eilanden door eene geodesische lijn
wilde verbinden.
Men besloot derhalve dat de te meten boog gemeten zou worden op
den 24sten meridiaan, die, wanneer men hem tot in Europa doortrok,
het gemakkelijk zou maken om op Russisch grondgebied een boog op
denzelfden meridiaan in het noordelijk halfrond te meten.
Aanstonds begon men met den arbeid, en de astronomen hielden zich
bezig met het kiezen van een station, dat de tophoek worden moest
van een driehoek, die de gemeten basis tot grondslag had. Het eerste
station werd rechts van den meridiaan gekozen; het was een eenzame
boom, die op eene kleine verhevenheid ongeveer tien kilometers van hen
afstond. Men kon hem van de beide uiteinden van de basis goed zien; op
die beide punten liet de kolonel palen oprichten. De spitse top van den
boom maakte dat men zijne standplaats met de uiterste nauwkeurigheid
bepalen kon. Nu maten de astronomen den hoek, dien deze boom met
het zuidoostelijk einde van de basis vormde. Die hoek werd met een
cirkel van Borda (repetitiecirkel) gemeten; de twee kijkers van het
instrument werden zóó geplaatst dat hunne gezichtsassen juist in het
vlak van den cirkel lagen; de eene was gericht op het noordwestelijk
einde der basis, en de andere op den alleen staanden boom in het
noordoosten; zij wezen derhalve door hun stand de wijdte van den
hoek aan, die beide stations van elkander scheidde. Men behoeft er
niet bij te voegen dat dit wonderschoone instrument met de uiterste
nauwkeurigheid was vervaardigd, en de waarnemers zooveel mogelijk de
fouten bij hunne waarnemingen kon doen vermijden. En inderdaad kunnen
de fouten door talrijke herhalingen met elkander vergeleken en daardoor
geheel vermeden worden. Wat betreft de noniussen, de waterpassen en
de looden draden, waarmede men de juiste plaatsing der toestellen
aanwees, dat alles liet niets te wenschen over, de Engelsch-Russische
commissie bezat vier cirkels van Borda (repetitiecirkel); twee moesten
voor de geodesische waarnemingen dienen, zooals b. v. het meten van
hoeken, en met de twee anderen, welker cirkels in eenen vertikalen
stand geplaatst waren, kon men door middel van kunstmatige horizons
zenithsafstanden bepalen, en derhalve zelfs in een enkelen nacht
op een zeer klein deel eener seconde na de breedte van een station
berekenen. Bij deze groote driehoeksmeting moest men niet alleen de
waarde der hoeken in de geodesische driehoeken berekenen, maar ook
op zekere afstanden de middaghoogten der sterren meten, eene hoogte,
welke gelijk was aan de breedte van elk station.
Den 14den April begon men dit werk. Kolonel Everest, Michel Zorn en
Nikolaas Palander berekenden den hoek, dien het zuidoostelijk uiteinde
der basis met den boom vormde, terwijl Mathieu Strux, William Emery
en John Murray in het noordwesten den hoek maten, dien dit punt van
de basis met denzelfden boom maakte.
In dien tijd werd de legerplaats opgebroken, de ossen werden
ingespannen en de karavaan begaf zich onder geleide van den Boschjesman
naar het eerste station, waar men halt zou houden. Twee wagens onder
het toezicht van geleiders en ingericht voor het overbrengen van
instrumenten, trokken met de waarnemers mede.
Het weder was helder genoeg, en zeer geschikt voor de waarneming. Men
had bovendien bepaald dat, als de atmosfeer de waarnemingen moeilijk
maakte, deze des nachts zouden gedaan worden door middel van lantaarns
of elektrieke lampen, welke de commissie met zich voerde.
Toen dien eersten dag de beide hoeken gemeten waren, werd de uitslag
dezer meting op de dubbele registers gebracht, na eerst zorgvuldig
vergeleken te zijn. Bij het vallen van den avond waren al de astronomen
met de karavaan vereenigd onder den boom, die als waarnemingspunt
gediend had. Het was een reusachtige apenbroodboom (adansonia of
baobad), die meer dan 80 voet in omvang had. Zijne schors, die de
kleur van syeniet had, gaf hem een eigenaardig voorkomen; onder
de verbazende takken van den reus, met een heirleger van eekhoorns
bevolkt, die op de eivormige, witvleezige vruchten aasden, kon de
geheele karavaan plaats vinden, en voor de Europeanen werd nu door
den scheepskok het maal gereed gemaakt, waarbij het aan wildbraad
niet ontbrak. De jagers van de troep hadden den omtrek afgeloopen
en een aantal antilopen geschoten. Weldra vervulde de geur van dit
gebraad de lucht en wekte den eetlust der astronomen op, zoodat zij
niet behoefden aangemoedigd te worden om te eten.
Na dezen versterkenden maaltijd gingen zij ieder naar hun wagen,
terwijl Mokum zijne wachten in den omtrek van het kamp uitzette. Groote
vuren van de doode takken van den baobad bleven den geheelen nacht
branden, en hielden de wilde beesten op eerbiedigen afstand, die
aangetrokken werden door den reuk van het rauwe vleesch.
Na een slaap van een paar uren, stonden Michel Zorn en William Emery
weder op. Hunne waarnemingen waren nog niet ten einde; zij wilden
de breedte van dat station door het waarnemen der sterrehoogte
berekenen. Zonder op de vermoeienis van den dag te letten, begonnen
zij beiden hunne waarnemingen, en terwijl het gekrijsch der hyena's
en het gebrul der leeuwen in de sombere vlakte weergalmden, bepaalden
zij zeer nauwkeurig de verplaatsing, die het zenith ondergaan had,
door van het eerste naar het tweede station over te gaan.