VII.

Eene basis.

De door de commissie te verrichten arbeid was, zooals men weet,

eene driehoeksmeting, waardoor men een boog van den meridiaan kon

berekenen. Het rechtstreeksch meten toch van een of meer graden

door middel van metalen linialen, die met de uiteinden aan elkander

geplaatst moeten worden, zou een geheel ondoenlijk werk zijn met het

oog op wiskundige juistheid. Bovendien zou geen terrein ergens ter

wereld over eene uitgestrektheid van eenige honderden kilometers vlak

genoeg zijn om voor het verrichten van zulk een nauwkeurigen arbeid te

kunnen dienen. Gelukkig kan men juister te werk gaan, door het terrein,

waarover de meridiaan heen loopt in een zeker aantal driehoeken

te verdeelen, welker berekening betrekkelijk gemakkelijk is. Deze

driehoeken verkrijgt men, als men met zeer nauwkeurige instrumenten,

met den theodoliet of cirkel van Borda het oog richt op natuurlijke

of kunstmatige vaste punten, b. v. torens, hooge huizen, lantaarns,

palen of dergelijke. Elk vast punt stelt het hoekpunt van een driehoek

voor, welks hoeken door bovengenoemde instrumenten met mathematische

juistheid gemeten worden.

Ieder waarnemer kan met volkomen juistheid de plaats van zulk een vast

punt (bij dag een toren, bij nacht een brandende lantaarn) aanwijzen,

wanneer hij er slechts het oog op richt door den kijker, welks veld

door middel van een van fijne draadjes vervaardigd netje in kleine

ruitjes is afgedeeld. Zóó verkrijgt men driehoeken, welker zijden

dikwijls verscheidene kilometers lang zijn. Op die wijze heeft Arago

de kust van Valencia in Spanje met de Balearische eilanden verbonden

door een ontzettend grooten driehoek, van welken eene der zijden 160

kilometers lang was.

Volgens de grondbeginselen der meetkunde is een driehoek geheel

bekend, wanneer men daarvan slechts eene zijde en twee hoeken kent,

want men kan daaruit onmiddellijk de grootte van den derden hoek, en

de lengte der beide andere zijden bepalen. Als men dus voor basis van

een nieuwen driehoek ééne zijde van dezen reeds bekenden driehoek neemt

en men meet de aan die basis liggende hoeken, dan zal men op die wijze

nieuwe driehoeken bepalen, welke driehoeksmeting kan worden voortgezet

over de geheele lengte van den te meten meridiaanboog. Op die wijze

verkrijgt men derhalve de lengte van alle rechte lijnen, die in dit

net van driehoeken begrepen zijn, en door eenige trigonometrische

berekeningen kan men dan gemakkelijk de lengte bepalen van den

meridiaanboog, die dit net tusschen twee eindstations doorsnijdt.

Zooeven werd gezegd dat een driehoek volkomen bekend is, wanneer

men eene zijde en twee hoeken kent; die hoeken kan men nauwkeurig

met den theodoliet meten. Doch de eerste zijde (de basis van het

geheele stelsel) moet eerst met buitengewone nauwkeurigheid op den

grond zelven gemeten worden, en dit is de moeilijkste arbeid van de

geheele bewerking.

Toen Delambre en Méchain in Frankrijk den meridiaan van Duinkerken

naar Barcelona maten, namen zij als basis eene rechte lijn op den

weg van Melun naar Lieusaint, departement Seine-et-Marne. Deze basis

was 12150 M. lang en men had niet minder dan vijfenveertig dagen

noodig om haar te meten. Welke maatregelen deze geleerden namen om

eene wiskunstige nauwkeurigheid te verkrijgen, zal men zien uit de

opmeting van kolonel Everest en van Mathieu Strux, die op dezelfde

wijze te werk gingen als de beide Fransche sterrekundigen. Men zal

zien tot hoeverre die nauwkeurigheid wel gaan moest.

Den 5en Maart begonnen de eerste werkzaamheden, tot groote verbazing

der Boschjesmannen, die er niets van begrepen. Mokum dacht, toen hij

die geleerden den grond zag meten met linialen van zes voet, die men

met de uiteinden tegen elkander legde, dat het eene aardigheid was;

hij had in allen gevalle zijn plicht vervuld; men had hem eene effene

vlakte gevraagd en deze had hij verschaft.

De plek was inderdaad goed gekozen voor het meten van eene basis. De

vlakte, die met kort droog gras bedekt was, strekte zich zoover het

oog reikte waterpas uit. Zeker waren de opmeters op den weg van Melun

niet zoo gelukkig geweest. Achter hen vertoonde zich eene rij heuvels,

die de zuidgrens van de woestijn Kalahari vormden; noordwaarts had men

de oneindige vlakte; in het oosten eindigden zacht glooiend de heuvels,

die het plateau van Lattakou vormden. In het westen werd de vlakte

lager en eenigszins moerassig, omdat de grond daar doorweekt werd door

het stilstaand water, dat er uit zijtakjes van de Kuruman overliep.

»Mij dunkt, kolonel," zeide Mathieu Strux, nadat hij de grasvlakte

overzien had, »dat als we onze basis bepaald hebben, we hier het

uiteinde van onzen meridiaan kunnen vaststellen."

»Dat zou ik ook denken, mijnheer Strux," antwoordde de kolonel,

»als we de juiste lengte van dit punt bepaald hebben. Men moet toch,

als men dezen boog op de kaart brengt, zeker zijn dat we bij het

meten daarvan op geene onoverkomelijke zwarigheden stuiten, die de

geodesische opname geheel konden verhinderen."

»Ik geloof het niet," zeide de Russische astronoom.

»Dat zullen wij zien," was het antwoord. »Laat ons hier eerst eene

basis meten, omdat de plek daarvoor zeer geschikt is, dan kunnen

wij beslissen of wij die als grondslag zullen nemen voor onze

triangulatie."

Toen dit bepaald was, werd er besloten om zonder verwijl met het

meten der basis te beginnen. Die arbeid zou lang duren, want de leden

der Engelsch-Russische commissie wilden hunne taak met de uiterste

nauwkeurigheid volbrengen. Men moest in juistheid de geodesische

metingen overtreffen, die in Frankrijk op de basis van Melun gedaan

waren, metingen, welke toch zóó nauwkeurig waren geweest dat eene

nieuwe basis, die later bij Perpignan aan het zuidelijk uiteinde der

triangulatie gemeten werd om de berekening van al de driehoeken na te

gaan, op een afstand van 700 K. M. slechts een verschil aantoonde van

elf centimeters tusschen de rechtstreeks verkregene en de berekende

meting.

Er werd bevel gegeven om een kamp op te slaan en een soort van dorp

van Boschjesmannen of kraal verrees in de vlakte. De wagens werden als

wezenlijke huizen neêrgezet, en het kamp werd in een Engelsch en een

Russisch kwartier verdeeld, waar boven de vlaggen der beide natiën

wapperden. In het midden was een gemeenschappelijk plein; buiten

de rij wagens graasden de paarden en buffels onder toezicht hunner

geleiders, en 's nachts liet men ze binnen de omheining drijven,

om ze te beveiligen tegen de aanvallen der wilde dieren, die in de

binnenlanden van zuidelijk Afrika in grooten getale gevonden worden.

Mokum nam op zich om door geregelde jachtpartijen in het

levensonderhoud der karavaan te voorzien. John Murray, wiens

tegenwoordigheid voor het meten der basis niet strikt noodzakelijk was,

nam de zorg voor den leeftocht mede op zich. Het kwam er namelijk op

aan om het ingemaakte vleesch te sparen, en der karavaan dagelijks

eene proviand van versch wild te bezorgen. Dank zij de behendigheid

van Mokum, die, door zijne makkers geholpen, geregeld ter jacht toog,

ontbrak het nimmer aan wild. Vlakte en heuvels werden in een omtrek van

verscheidene kilometers rondom de legerplaats afgejaagd en weêrklonken

elk oogenblik van het knallen der geweerschoten.

Den 6en Maart begon de geodesische arbeid. De beide jongste geleerden

werden met de voorloopige werkzaamheden belast.

»Komaan kameraad," zei Michel Zorn opgeruimd tot zijn vriend Emery,

»moge de God der nauwkeurigheid ons nu te hulp komen!"

Het eerste werk bestond daarin dat men op het meest platte en effen

gedeelte van het terrein een rechte lijn moest trekken. De toestand

en de vorm van den grond maakten het noodzakelijk deze lijn van het

zuidoosten naar het noordwesten te trekken. Men verkreeg de rechte

richting door paaltjes op korten afstand van elkander in den grond te

slaan, die als bakenstokken moesten dienen. Michel Zorn ging met een

kijker, waarop eene maat was aangegeven, na of zij goed stonden en

zag dat zij nauwkeurig waren ingeslagen, bijaldien een der vertikale

draadjes van de op het glas aangebrachte ruitvormige maat de elkander

bedekkende paaltjes als 't ware in twee gelijke deelen sneed.

Deze rechte richting werd op die wijze over eene lengte van ongeveer

negen kilometers voortgezet, omdat de sterrekundigen aan hunne basis

die lengte wilden geven. Elk paaltje was op den top voorzien van een

vizier, dat het plaatsen van de metalen linialen gemakkelijker moest

maken. Om dit werk met nauwkeurigheid uit te voeren waren eenige

dagen noodig. De twee jongelieden volbrachten het met nauwgezette

juistheid. Nu moest men de linialen met de einden tegen elkander

aanleggen, dat diende om de basis van den eersten driehoek op te meten;

dit werk schijnt misschien zeer eenvoudig, maar vereischt integendeel

oneindig veel voorzorgen, want daarvan hangt voor een groot deel den

goeden uitslag der triangulatie af.

Ziehier welke voorzorgen men nam om de bedoelde linialen te plaatsen,

waarvan hieronder eene beschrijving zal gegeven worden. In den

morgen van den 10en Maart werden er blokjes hout op den grond gelegd

in de richting, die reeds bepaald was. Deze blokjes, ten getale van

twaalf, rustten met het onderste gedeelte op drie ijzeren schroefjes,

welke slechts een schroefdraad van enkele centimeters lengte hadden,

waardoor zij verhinderd werden om te verloopen en door de sterke

wrijving in denzelfden onveranderlijken toestand moesten blijven. Op

die blokjes legde men wederom kleine stukjes hout, die de linialen

moesten dragen en ze in kleine vorkjes vasthouden. Deze vorkjes

bepaalden de richting zonder de uitzetting van het metaal te beletten,

die volgens de luchtgesteldheid afwisselde, en bij de bewerking in

rekening moest gebracht worden. Toen de twaalf blokken vastgemaakt

en de stukjes hout er opgelegd waren, namen de kolonel en Mathieu

Strux zelve het zoo fijne werk op zich om de linialen te plaatsen,

waarbij zij evenwel door de beide jongelieden werden bijgestaan. Wat

Nikolaas Palander aangaat, deze stond met het potlood in de hand

gereed om op een dubbel register de cijfers op te teekenen, die hem

zouden worden opgegeven.

De linialen waren zes in getal en van eene lengte, welke te voren

met eene volkomen juistheid bepaald was. Zij waren met den ouden

Franschen vadem vergeleken, omdat deze bij geodesische opmetingen

algemeen was aangenomen.

De linialen waren twee vademen lang, zes millimeters breed en één

millimeter dik. Om ze te vervaardigen had men gebruik gemaakt van

platina, een metaal dat onder gewone omstandigheden aan de lucht

blootgesteld niet verandert, en bij koude noch warmte roest. Maar die

platina-linialen konden door den invloed der temperatuur uitzetten

of inkrimpen, en dit moest men in rekening brengen. Men had derhalve

verzonnen om elke liniaal van haar eigen thermometer te voorzien;

bij het maken van deze metalen thermometers ging men uit van het

beginsel dat de metalen door warmte zich ongelijkmatig uitzetten;

daarom was elke liniaal nog met eene tweede van koper bedekt, die

echter iets korter was. Aan het einde van de koperen liniaal was

een nonius bevestigd om de betrekkelijke verlenging van deze liniaal

nauwkeurig aan te wijzen, waaruit men de volstrekte verlenging der

platina-liniaal berekenen kon. Bovendien waren de afwijkingen van

den nonius zóó berekend, dat men eene uitzetting, hoe gering ook,

van de platina-liniaal aanstonds kon uitcijferen. Men begrijpt dus

met welk eene nauwkeurigheid men kon werken. Bovendien was de nonius

voorzien van een mikroskoop waarmede men 4/100,000 van een vadem in

rekening kon brengen.

Derhalve werden de linialen zoodanig op de houtblokjes gelegd dat de

einden wel dicht bij elkander lagen, doch elkaâr niet aanraakten omdat

men een stootje, hoe gering ook, vermijden moest. Kolonel Everest

en Mathieu Strux plaatsten zelve de eerste liniaal op de blokjes in

de richting der basis. Honderd vademen verder ongeveer had men op

het eerste paaltje een vizier geplaatst, en daar de linialen aan de

beide uiteinden voorzien waren van twee vertikale ijzeren puntjes

was het gemakkelijk om ze in de juiste richting te leggen. Emery en

Zorn gingen daarom achter het eerste paaltje op den grond liggen om te

zien of de ijzeren puntjes wel in het midden van het vizier zichtbaar

waren. Toen dit het geval was, kon men verzekerd zijn dat de liniaal

in eene goede richting lag.

»En nu," zeide de kolonel, »moeten wij zeer nauwkeurig bepalen van

welk punt onze arbeid een aanvang neemt, door een paslood rakelings

tegen het eene uiteinde der eerste liniaal te hangen. Geen berg

zal aantrekkingskracht op het paslood uitoefenen, zooals geschiedde

toen de nabijheid der Alpen de berekening der gemeten lengte tusschen

Andrate en Mendovi in der tijd onzeker maakte. Hier zal het uiteinde

van ons paslood op den grond juist het begin van de basis aanduiden."

»Goed," antwoordde Mathieu Strux, »mits wij de halve dikte van den

draad bij het aanrakingspunt in rekening brengen."

»Dat spreekt van zelf," zeide de kolonel.

Toen het aanvangspunt aldus zeer nauwkeurig bepaald was, ging men

verder. Maar het was niet genoeg dat de liniaal juist evenwijdig met

de basis werd gelegd, men moest ook hare helling ten opzichte van

den gezichteinder in rekening brengen.

»Wij zullen toch wel niet zoo aanmatigend zijn om te denken," merkte

de kolonel op, »dat wij deze liniaal in eene volmaakt horizontale

richting hebben geplaatst?"

»Neen," antwoordde Mathieu Strux, »wij kunnen volstaan door met een

waterpas den hoek te berekenen, dien zij met den gezichteinder maakt,

en op die wijze zal 't ons mogelijk zijn uit de gemeten lengte de

ware lengte te berekenen."

Toen de beide geleerden het eens waren, deed men deze waarneming door

middel van een waterpas, dat bijzonder voor dit doel vervaardigd was

en bestond uit eene alidade (vizierliniaal), die zich boven aan een

houten winkelhaak om een scharnier bewegen kon. Een nonius toonde de

helling aan door middel van de overeenkomst van zijne verdeeling met

die van eene vaste liniaal, waarop een boog van tien graden bevestigd

was, in afstanden van vijf minuten verdeeld.

Het waterpasinstrument werd op de liniaal vastgehecht en de berekening

gemaakt. Op het oogenblik dat Nikolaas Palander deze volgens de

opname der beide geleerden op zijn register zou opteekenen, wilde

Mathieu Strux nog ten overvloede dat het waterpasinstrument zou

worden omgekeerd, opdat men het verschil van de beide gradenbogen zou

kunnen aflezen. Dit verschil was het dubbele van de gezochte helling

en op deze wijze was de nauwkeurigheid van het werk nagerekend en

bewezen. Sedert dien tijd werd bij al dergelijke berekeningen de raad

van den Russischen astronoom gevolgd.

Op dit oogenblik waren twee belangrijke zaken bepaald, namelijk de

richting der liniaal ten opzichte van de basis, en de hoek, welken

zij met den gezichteinder maakte. De verkregen cijfers werden in twee

verschillende registers opgeschreven en op zijde door al de leden

der Engelsch-Russische commissie geteekend.

Nu bleven er nog twee niet minder belangrijke waarnemingen op te

teekenen om den arbeid met betrekking tot de eerste liniaal te

voltooien, eerstens de thermometrische afwijking, en vervolgens de

nauwkeurige berekening van de door haar gemeten lengte.

Wat de thermometrische afwijking betreft, deze werd gemakkelijk

aangewezen door het vergelijken van het verschil in lengte tusschen de

linialen van platina en koper. Mikroskopische waarnemingen, beurtelings

door Mathieu Strux en den kolonel gedaan, wezen het juiste cijfer

aan van de afwijking der platina-liniaal, eene afwijking, die op het

dubbele register werd geboekt om haar later tot eene temperatuur

van 16° C. te herleiden. Toen Nikolaas Palander de cijfers had

opgeschreven, werden zij onmiddellijk door allen vergeleken.

Toen moest men de wezenlijk gemeten lengte opteekenen. Om hiertoe te

geraken was het noodzakelijk om de tweede liniaal aan het uiteinde van

de eerste op de blokjes te plaatsen, met dien verstande evenwel dat

er eene kleine ruimte tusschen de beide uiteinden overbleef. Deze

tweede liniaal werd op dezelfde wijze als de eerste neêrgelegd,

nadat men eerst zeer nauwkeurig had nagegaan of de vier ijzeren

puntjes wel allen in het midden van het vizier zichtbaar waren. Nu

behoefde men alleen nog maar de ruimte tusschen de beide linialen

te weten. Aan het uiteinde der eerste en op dat gedeelte, hetwelk

door de koperen liniaal niet bedekt werd, bewoog zich een zeer klein

tongetje van platina tusschen twee spijltjes. De kolonel gaf aan

dit tongetje een stootje, zóó dat het de tweede liniaal aanraakte;

aangezien het in tienduizendste deelen van een vadem verdeeld was, en

een nonius op de spijltjes aangebracht en van een mikroskoop voorzien

honderdduizendsten van een vadem aanwees, kon men met wiskunstige

zekerheid de tusschenruimte berekenen, die met opzet tusschen de

beide linialen was opengelaten. Aanstonds werd het cijfer op het

dubbel register overgebracht en nagerekend.

Op raad van Zorn nam men bovendien eene andere voorzorg om nog

nauwkeuriger berekening te verkrijgen. De koperen liniaal bedekte

die van platina; het kon dus gebeuren dat door den invloed der

zonnestralen, het daarvoor beschutte platina langzamer verwarmd

werd dan het koper. Om dit verschil in thermometrische afwijkingen

te voorkomen, bedekte men de linialen met een klein dakje van

eenige centimeters hoog, zoodat het de waarnemingen niet kon

hinderen. Bovendien, wanneer des avonds en des morgens de zonnestralen

in schuine richting vielen en onder het dakje door de linialen konden

beschijnen, spande men een stuk doek aan de zijde, waar de zon stond,

om op die wijze ook dan de werking der zonnestralen te vernietigen.

Met zooveel geduld en zooveel nauwkeurigheid werd dit werk gedurende

meer dan eene maand voortgezet. Toen de vier linialen achtereenvolgens

gesteld en nagegaan waren met het oog op de richting, de helling,

de uitzetting en de juiste lengte, begon men dien arbeid op dezelfde

regelmatige wijze van voren af aan door paaltjes, blokjes en de

eerste liniaal achter de vierde liniaal op te stellen en neêr te

leggen. Dit werk kostte veel tijd niettegenstaande de handigheid der

arbeiders. Zij konden niet meer dan 220 tot 230 vademen daags meten,

en zelfs moest men nog den arbeid staken als het weder ongunstig was

en het bij voorbeeld sterk woei, waardoor de werktuigen niet meer

onbeweeglijk stonden.

Als de avond begon te vallen, ongeveer drie kwartier vóór dat de

duisternis belette van den nonius af te lezen, staakten de geleerden

hun arbeid en namen de volgende voorzorgsmaatregelen om den volgenden

morgen weder te kunnen beginnen. De eerste liniaal, die met No. 1 was

gemerkt, werd voorloopig nedergelegd, en men teekende op den grond

de plaats aan waar zij met het uiteinde lag; daar maakte men dan een

gaatje, waarin een paaltje werd geslagen, waarop men een looden plaatje

had vastgemaakt. Dan legde men de eerste liniaal weder in de bepaalde

richting, na de helling, de thermometrische afwijkingen en de richting

te hebben waargenomen; men teekende de verlenging op, die men door de

liniaal No. 4 had gemeten; daarna maakte men door middel van een looden

draadje, dat rakelings tegen het uiteinde van de eerste liniaal hing,

een teeken op de looden plaat van het paaltje. Op dat punt werden

zeer nauwkeurig twee lijnen getrokken, welke elkander onder rechte

hoeken sneden, de eene evenwijdig met de loodlijn. Daarna werd de

looden plaat met een houten dakje overdekt, het gat toegemaakt en de

paal tot den volgenden morgen onder gegraven. Op die wijze kon eenig

ongeval de werktuigen 's nachts verstoren, zonder dat het noodig was

om het geheele werk van voren af aan te beginnen.

Den volgenden dag werd de plaat bloot gemaakt, en men plaatste de

eerste liniaal weder in dezelfde richting als den vorigen dag door

middel van den looden draad, waarvan het uiteinde juist vallen moest op

het puntje waar de beide op de plaat getrokken lijnen elkander sneden.

Zoodanig was de arbeid, die gedurende achtendertig dagen op deze

zoo gunstig gelegen vlakte verricht werd. Al de cijfers werden in de

dubbele registers geboekt, nagezien, vergeleken, en door alle leden

der commissie goedgekeurd. Tusschen den kolonel en zijn Russischen

ambtgenoot had er weinig verschil plaats. Eenige cijfers die men

van den nonius aflas, en die zelfs 4/100,000 van een vadem aanwezen,

gaven soms aanleiding tot eene wisseling van beleefde doch scherpe

bewoordingen; maar wanneer de meerderheid geroepen werd om uitspraak

te doen, dan gold dit als wet, en alles moest daarvoor buigen.

Een enkel punt wekte bij de beide tegenstanders meer dan levendige

woorden op, waardoor de tusschenkomst van John Murray noodzakelijk

werd. Het was de vraag welke lengte men aan de basis van den eersten

driehoek geven zou. Zeker is het, dat, hoe langer deze basis zijn zou,

de tophoek van den eersten driehoek gemakkelijker te meten zou zijn,

omdat hij minder scherp was.

Echter kon die basis niet oneindig lang zijn. Kolonel Everest stelde

eene basis van 6000 vademen voor, omdat dit bijna de lengte was van

de basis op den weg van Melun. Mathieu Strux wilde die maat tot op

10000 vademen verlengen, omdat het terrein er zoo geschikt voor

was. Kolonel Everest was op dit punt onhandelbaar; Mathieu Strux

scheen vast besloten te hebben niet toe te geven. Na meer of minder

goede bewijsgronden kwam het tot persoonlijkheden. Een oogenblik

zelfs scheen de nationale eer in het spel te komen. Het waren niet

meer twee geleerden, maar een Engelschman en een Rus, die tegenover

elkander stonden. Gelukkig eindigde die twist door het slechte weer,

dat eenige dagen duurde; men werd kalmer en er werd besloten, dat

er eene basis van ongeveer achtduizend vademen zou gemeten worden,

waardoor het verschil gedeeld werd.

Om kort te gaan, de arbeid werd met eene uiterste nauwkeurigheid tot

een goed einde gebracht. De wiskundige juistheid moest later worden

nagegaan als men aan het noordelijk uiteinde van den meridiaan eene

nieuwe basis meten ging.

De onmiddellijk gemeten basis gaf als resultaat 8037.75 vademen, en

daarop zou nu de gansche rij driehoeken steunen, welker net zuidelijk

Afrika over een lengte van verscheidene graden moest bedekken.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 10 / 41 题