Hoog boven mijn hoofd zweefde eens een adelaar op zijn breede wieken
tegen den wind in. Het was hem een lust daar te drijven in het azuur
van de lucht door de bries gedragen, waar hij zich kostelijk mee
vermaakte. Voor mijn voeten had een schildpad op haar wijze plezier,
terwijl zij lag te spartelen, en die twee leerden mij iets dat ik mij
nu weer met genoegen voor den geest roep. Het visschen 's morgens was
afgeloopen. Een paar prachtige, tweejarige zalmen van wel vier pond,
zoo uit zee terug, lagen knus bij elkaar in mijn bennetje--meer dan
genoeg voor dien dag. Dus gaf ik dien dikken zalm die tweemaal naar
mijn "kwakzalver" had gesprongen maar op--wat mij wel aan mijn hart
ging, moet ik eerlijk bekennen--en ging op een aangespoeld houtblok
zitten om het er eens van te nemen, terwijl overal om mij heen de
boschbewoners bezig waren.
Met rustig geklater schoot de sterke stroom voorbij. Beneden
fonkelden lachjes en lichtsparkels op het donkere vlak van de diepe
kolk. Daar rustten de zalmen, die van ver weg, van de zee kwamen,
een poosje uit, eer zij een plaatsje zochten in den stroom, waar
zij zoo graag liggen om zich in evenwicht te houden midden in het
voorbijschietende, ziedende water. Boven was het water op de ondiepe
plaatsen bezig schuimplekken te maken, alsof het zeepbellen aan 't
blazen was. Dan kwamen de groote, witte luchtblazen dansend en zwierend
naar beneden in de draaikolkjes achter de rotsen, waar een speelsche,
jonge zalm bliksemsnel midden tusschen hen opdook, zoodat ze lustig
uiteenstoven. Wel een dozijn bellen en waterrimpels kwamen er nog bij,
trokken mee met den ijlenden troep als hij weer terugviel in zijn
stille water, dat het klaterend opsprong en alle zangvogels aan den
oever aan het fluiten bracht. Nu en dan ontsnapte een groote, witte
schuimlap aan dat alles, en kwam statig in den vliegenden stroom die
aan den overkant langs de groote zandbank schoot aanlanden. Daar huisde
mijn groote zalm; en net als de schuimlap dan stroomaf plotseling in
het kalme water gedompeld werd, schoot hij er onder, sloeg hem met
een slag van zijn staart in flarden.
Zoo speelden ze verder, terwijl ik er naar zat te kijken--naar de
schaduwen, naar het komen en gaan, naar de teekening van het licht
en de wisselende weerkaatsing. Maar het aardigst was het toch naar
de schuimbellen te kijken; dan genoot ik al bij voorbaat en wedde
met mijzelf hoe ver zij zouden komen, eer de zalm ze onder 't spelen
uit elkaar zou slaan: tot de tweede wielingen, of tot den rand van
de kolk.--Er viel een schaduw over het water en ik keek op om te
zien hoe de groote adelaar daar boven mij de machtige luchtstroomen
doorkliefde, hoe hij zich daar in evenwicht hield en met hen speelde,
net als de visschen in het vlietende water beneden.
Eerst spande hij zijn wieken pal tegen wind in, toen steeg hij met een
vaart schuin naar boven, als een vlieger die goed is opgelaten. Maar
dat ging hem veel te gauw--hij deed het immers maar voor ontspanning,
was slechts uit louter nieuwsgierigheid beneden bij het water
gekomen, om eens te zien wat daar te doen was; en terwijl ik door
mijn verrekijker zijn vleugeltoppen scherp in 't oog hield, zag ik
dat de schachten nauw merkbaar draaiden, als om den wind langs hun
onderkant te laten afglijden--zooals een schipper zijn schoot viert
om de vaart van het schip te verminderen--en de prachtige, stijgende
spiraalvlucht begon.
Hoe een adelaar dit precies doet weet hijzelf alleen. In hoofdzaak is
het iets dat langzamerhand geleerd moet worden. De jonge vogels slaan
er gewoonlijk al een heel droevig figuur mee, wanneer ze het voor
't eerst probeeren, achter de moeder aan, die vlak boven en voor hen
uit kringt om ze te wijzen hoe het gaat.
De adelaar zweeft in langzame, statige kringen boven mij; steeds keert
hij op zijn vorige vlucht terug, maar altijd hooger dan zijn laatsten
cirkel, als door een machtig doel bezield. Rustig glijdt hij omhoog
op de eindelooze trap der winden, die onder hem wegglipt. Zonder
haast, zonder inspanning, door een wending slechts van zijn breed
uitgespreide vleugelschachten--zoo gering, dat mijn oog het niet meer
kan waarnemen--kringt hij naar boven, terwijl de aarde zich al wijder
en wijder beneden hem uitstrekt, en rivieren als zilveren linten in
den zonneschijn sparkelen door het groene boschtapijt, dat uitgespreid
ligt over berg en dal tot aan den versten gezichteinder.
Maar de kringen worden hoe langer hoe kleiner, totdat de reusachtige
spiraallijn haar toppunt bereikt heeft en hij daar in de lucht hangt,
met rustigen, vlammenden blik Jesaja's koninklijk gebied overziet,
als een kolibrietje dat zich wiegelt boven den grooten bloemkelk der
aarde. Hij staat zoo hoog, dat het mij is alsof hij over de grenzen
van het bestaande heen kan kijken en onze aarde als een grooten bol,
met niets, niets, onder zich en hij zelf alleen er boven, in den
blauwen ether ziet drijven. En hij blijft daar dobberen, wiegelen,
deinen in de snorrende luchtstroomen, die hem omvangen houden met hun
zachte armen. Zij worden niet moe hem te liefkoozen en streelen hem
teeder de wieken, als een forsche, sterke moeder die haar kindje in
de armen heeft.
Hij had zich verzadigd en aan een bron in de bergen zijn dorst
gelescht. Nu rustte hij uit boven de wereld, die hem en zijn jongen
voedde, nu werden zijn scherpe oogen slaperig, en de gedachte aan
kwaad dat hemzelf dreigde, of eenig ander schepsel door hem, was ver
van zijn hart.
Dat is juist zoo mooi van alle groote dieren, van de sterkste zelfs:
dat ze nooit wreed zijn, slechts nemen wat ze noodig hebben om in
hun behoeften te voorzien. Zijn zij verzadigd, dan treedt er een
wapenstilstand in, dien zij nooit zullen breken. Zij leven met alle
wezens, met groot en klein, op voet van vrede, en stom, onbewust
deelen zij in de harmonie der wereld, die den diepen grondslag vormt
van al haar wanklanken aan de oppervlakte. Zoo is ook het lied van de
zee niet te hooren, of we moeten ver verwijderd zijn van het gedonder
aan de kust.
Dit weet dat kleine, wilde goedje drommels goed; als dus een adelaar
of een andere roofvogel of een roofdier niet op jacht is--negen van
de tien keer--, toont niet éen dier zich bang voor hem, hoe schuw
of weerloos het ook is. Ten langen leste worden mijn oogen moe van
het kijken naar dien edelen vogel--zoo'n klein, klein stipje op den
eindeloozen, blauwen achtergrond. Dan denk ik aan de vreugde van
zijn machtige, vrije leven, aan het droevige van ons onnatuurlijk
menschenbestaan, en er komt plotseling een floers voor mijn oogen.
Als mijn blik de diepe kolk weer opzoekt en op de zachte oppervlakte
rust, die glanst in stille kleuren, beweegt het kalme water aan mijn
voeten. Daar is ook leven. De vreugde hoort niet alleen in de hemelen
thuis, maar is op aarde evenzeer.
Een lange tak van een gevelden boom lag een eind in de rivier,
en het uiteinde wiebelde en zwiepte regelmatig in den stroom op en
neer. Terwijl ik naar den adelaar keek, had een kleine schildpad den
tak ontdekt en was er over heen gaan liggen, met éen poot om een
knoest geklemd, voor een houvast; de andere bengelden en zwaaiden
onverschillig heen en weer om goed het evenwicht te bewaren onder
het wippen--op en neer, op en neer. De groote, ruischende rivier deed
eigenlijk het werk en speelde het zwijgende spelletje mee. Zoo lang
als ik naar haar bleef kijken--wel den halven morgen--lag zij daar
te bengelen, te wiegelen, op en neer te zwiepen, verheugde zij zich
in haar klein leventje. Dat was nog niet groot genoeg om te beseffen
wat genot eigenlijk is, maar zij was behaaglijk gestemd door licht en
beweging, en mij dunkt dat ze genoot van iets welluidends in den stroom
onder zich, zwakken weerklank van de ruischende, kabbelende, fluitende
muziek, waar lucht en bosschen aan alle kanten mee vervuld waren.
Het leven is heerlijk voor de boschbewoners. Daarvan getuigde immers de
groote adelaar hoog in de lucht; daarvan getuigde de kleine schildpad,
die op en neer lag te wippen over haar tak aan mijn voeten; daarvan
getuigde elk zingend vogeltje en elke springende zalm, en elke kikker
die aan den oever zat te kwaken, en elk insect dat mij in den warmen
zonneschijn om de ooren gonsde. Plotseling trof iets mij als heel
merkwaardig, iets waarvan de beteekenis tot nog toe nooit recht tot
mij doorgedrongen was: al die jaren dat ik nu de dieren gadesloeg in
de natuur--niet om er verslag van te geven of er een verhaal over
te schrijven, maar enkel en alleen om voor mezelf waar te nemen en
te begrijpen wat ze uitvoerden, wat ze dachten en voelden--ben ik nog
nooit een dier tegengekomen dat niet gelukkig was; altijd en overal was
levenslust hun voornaamste kenmerk. Ik heb allerlei slag van dieren van
heel nabij leeren kennen; dieren wier geheele natuur één vraagteeken
scheen, zooals een paar blauwe gaaien, en kalkoenen en herten,
en een eland dien ik langen tijd niet van mijn kamp af kon houden;
andere al te teeder, als die groote, groene kikvorsch, die zich met een
innigheid aan mij hechtte, geheel in tegenspraak met zijn kille bloed;
weer andere dwaas, zooals het hertje dat zijn leidsvrouw nooit wilde
volgen; of ook gemelijk en kwaadaardig, als die groote mannetjeseland,
die mij eerst kwam opnemen en toen tweemaal probeerde mij te dooden;
maar al die dieren, groot of klein, maakten altijd den indruk alsof
het leven hun een schuimenden beker bood. Er was er niet een, of hij
genoot van zijn kracht en leefde vroolijk voort, zelfs in tijden van
gevaar en gebrek. Dat soort van zorg en angst waar ons menschelijk
leven op schipbreuk lijdt ontbrak daar geheel en al.
Eens op een morgen stond ik in het uitgestrekte bosch aan een dierenpad
naar een hert te kijken, dat door honden achtervolgd werd. Op het
meer had ik al naar de heele geschiedenis geluisterd--eerst het
begeerige gesnuif, het hooge, gillende keffen, waar een versch spoor
mee aangekondigd wordt; daarna het woeste, bassende koor, dat den
bergrug galmend opstoof en verried hoe er een hert op de been was,
dat door de vlucht zijn leven trachtte te redden. Ik kende de gewoonten
van de herten uit die streek wel zoo'n beetje; wist ook dat de jagers
op de loer lagen aan gindschen kant van den heuvelrug, bij een meer
dat het hert al weken geleden verlaten had; dus sloeg ik de richting
in naar een geliefkoosd hertenpad, om het voorbij te laten glippen
en de honden weg te ranselen als zij aankwamen. Want een hertenjacht
met honden is een afschuwelijk vermaak--bij de wet geoorloofd of
niet. Evenmin maakt het verschil of de honden bastaard-mormels zijn,
die speuren, of buitenlandsche hazewinden met een stamboom, die alleen
op hun oogen afgaan en gevolgd worden door een stoet volbloed-paarden.
Toen ik mij op weg naar het hertenpad bevond, gebeurde er iets
merkwaardigs. Schuin uit de hoogte schoot een groote arend forsch
en zeker in het struikgewas voor mij neer, om een oogenblik later
weer op te stijgen, een en al teleurstelling klaarblijkelijk, naar de
uitdrukking van zijn wezen te oordeelen. Ik sloop voorzichtig naar de
struiken toe, om eens te onderzoeken wat hij daar toch te maken had;
ook om de scherpte van mijn blik eens met den zijnen te meten; en
daar zag ik eerst een, toen vijf of zes volwassen jonge patrijzen,
in hun schuilplaats tusschen de bruine bladeren gedoken, die zich
blijkbaar verkneukelden over de bewonderenswaardige kleur die de
natuur hun gegeven had, en blij waren dat het stilliggen, zooals
hun moeder hun leerde, zoo'n groote uitwerking had: hen beschermde
tot het gevaar geweken was. Er was geen sprake van dat zij angst
voelden of bang waren voor een kleinen domoor, die zijn kopje zou
kunnen bewegen en de aandacht van den arend op hen vestigen. Een
oogenblik later gleden ze allemaal weg, hun kopjes naar mij gewend
om mij nieuwsgierig te bekijken, met zacht, vragend _kwit-kwit?_ En
dadelijk gingen ze de droge frambozen oppikken, die daar in overvloed
verspreid lagen. Ook niet een van hen dacht meer aan den arend, die
daarnet was neergeschoten. En waarom ook? Hadden ze hem daar juist
niet heerlijk voor den mal gehouden, en keken ze niet scherp genoeg
uit hun oogen om het weer te doen, als het noodig mocht wezen?
Ik liep daarover te peinzen en mij te verbazen over die wonderlijke
soort van vrees, die geen eigenlijke vrees is, niets geen
overeenkomst heeft met onzen angst voor de toekomst, maar slechts
groote waakzaamheid beteekent,--toen er een gekraak in de takken
ontstond en er een groote bok langs het pad kwam aanspringen. Vlak
bij mij stond hij stil om zich luisterend om te keeren, met zijn
gewei te schudden en hard met zijn pooten te stampen, verontwaardigd
over zoo'n spektakel in zijn rustige wouden; toen snelde hij langs
mij heen. Onder zijn fluweelen huid werkten zijn forsche spieren als
goed gesmeerde machinedeelen. In plaats van daarna zijn weg in de
richting van het water te volgen, sprong hij een gevallen boomtronk
over, dien hij--heerlijk vertoon van kracht--zoo sierlijk "nam",
alsof het spelenderwijs geschiedde, en stoof het moeras in, om den
geur dien zijn vluchtende hoeven achterlieten te verdelgen.
Een paar uur later zag ik hem langs een ander hertenpad rustig het meer
ingaan en met statige, ferme slagen naar den overkant zwemmen. Daar
stond hij een oogenblik stil om zich af te schudden en te luisteren
naar het hondengeblaf in de verte. Hij had naar hartelust gedraafd,
had zijn stevige spieren eens gespannen, en had geen zin meer om
zich verder te vermoeien door nog langer te rennen, nu hij toch zoo
gemakkelijk van die luidruchtige bende af kon komen. Maar vrees sprak
er niet uit de wijze waarop hij zijn gewei schudde; evenmin uit het
booze stampen van zijn voorpooten. Hij was in het volle bewustzijn
van zijn kracht, had de innige overtuiging dat hij handig genoeg
was om voor zichzelf te zorgen bij het nemen der machtige sprongen,
die hem als een vogel over de omgevallen boomtronken lichtten, naar
de zwijgende schuilhoeken van de wijde bosschen; en geen ander gevoel
bezielde hem.
Ik weet wel dat het soms heel anders afloopt, als een hert gewoonweg
afgejakkerd en door honden of wolven gedood wordt. Maar ik heb ze
herhaaldelijk door honden achtervolgd gezien en bijgewoond dat grijze
boschwolven hun op 't spoor waren; en toch heb ik een hert nog nooit
zijn volmaakt zelfvertrouwen of zijn grootsch gevoel van meerderheid
tegenover zijn achtervolgers zien verliezen. Eens, de sneeuw lag
dik, heb ik een hert het leven gered; net op 't nippertje, want de
honden hadden hem al ingesloten. Tot het laatste oogenblik toe dat
hij nog ééns opsprong, om daarna zijn kop rustig neer te leggen op de
sneeuwkorst, heb ik geen enkel blijk waargenomen van den vreeselijken
angst, de angstige opgewondenheid, die wij altijd aan achtervolgde
dieren toeschrijven.
Datzelfde geldt ook bij vossen en zelfs bij hazen en konijnen. De
zwakke en domme eindigen hun leven al jong onder de nagels of de
klauwen van sterker dieren. De rest is al zoo dikwijls ontkomen, heeft
al zoo stelselmatig gespeeld en gedraafd, tot elke spier, elke zenuw
volkomen is afgericht voor haar werk, dat ze er geen oogenblik aan
schijnen te denken hoe er eindelijk een gevaar kan komen en zegevieren.
Let er eens op hoe die honden een vos door het winterwoud jagen. Hun
pooten, opengehaald aan doornstruiken en harde aardkluiten, laten
een rood spoor achter op de sneeuw; ze hebben alle bloedige punten
aan hun staart, doordat het uiteinde er afgeslagen is met hun woest
gekwispel. Het helpt niet of ge al roept; ge kunt ze nauwelijks met
stokslagen van het spoor brengen. Het lijkt wel of ze half dol zijn,
gehypnotiseerd door den geur die hun in den neus dringt. Als ze
blindelings door het bosch rennen, klinkt hun woest geblaf, vooral
wanneer gij er dicht bij zijt, u bijna pijnlijk in de ooren, door de
inspanning die er uit spreekt. En het schijnt voor hen geen verschil
te maken, of ze hun vos vangen of niet, want als hij vlak voor hen
neergeschoten wordt, snuffelen ze slechts een oogenblik verbaasd aan
zijn lichaam, wentelen zich in de sneeuw, en tijgen er weer op uit
om een ander spoor te zoeken. Gewoonlijk rent de vos den geheelen
dag door; dan volgen ze hem tot hun pooten pijn doen en ze moe zijn;
daarna gaan ze een poosje liggen slapen en 's morgens komen ze weer
thuis aanhinken.
Laten we de honden nu eens vóor zijn en Reintje bij het vossenpad
opwachten. Daar is 't gejaagde dier. Hij komt er aangesprongen, zoo
licht als een veertje op den wind, met zijn staart als een groote,
wuivende veer achter zich aan, staat stil om naar het plompe gedraaf
van zijn vervolgers te luisteren, maakt een paar bokkesprongen,
zelfvoldaan als hij is, jaagt--wanneer het een jonge vos is--zijn
staart achterna, loopt kris en kras zijn spoor door elkaar, draaft naar
de beek en springt van den eenen steen op den anderen; kiest daarna
voorzichtig zijn weg over droge plekken, die den reuk niet vasthouden,
naar den top van den heuvel, waar hij het gevaar prachtig kan overzien,
en rolt zich op een warme rots ineen voor een dutje. Zoodra het geblaf
hem te dichtbij komt glipt hij aan den anderen kant de helling af, waar
het is alsof de wind hem naar den volgenden heuvel blaast. Ook hier
bestaan er uitzonderingen; maar zij bevestigen slechts dien grooten
regel van het dierenleven: vroolijkheid overal, zelfs dan wanneer wij
een wilden doodsangst zouden verwachten. Onder alle vossen die ik met
woest jachtgeweld achter zich aan mijn blikken zag voorbijgaan, heb ik
er slechts éen ontdekt, die niet den indruk gaf alsof hij veel meer
pret had dan de honden die op hem joegen. Dat is de reden waarom hij
zoo zelden in zijn hol vlucht, dat hem zoo eenvoudig en gemakkelijk
tegen alles zou vrijwaren, als hij maar wilde. Is het mooi weer,
dan blijft hij den geheelen dag op de been, maar als het loopen hem
zwaar valt of zijn staart nat wordt in de brijige sneeuw, draaft hij
een poosje om zijn spieren los te maken, en glipt dan in zijn hol,
waar hij rustig gaat liggen. De honden mogen blaffen wat ze willen:
de grond is bevroren en zij kunnen hem niet uitgraven.
Ik vertel deze drie verhalen--van den patrijs, van het hert, van den
vos--en ondertusschen duiken er in mijn herinnering nog wel twintig
andere op, die ik wel niet hoef op te schrijven, en die alle zooveel
bewijzen zijn dat het leven heerlijk is voor de kinderen der natuur;
zoo heerlijk, dat de blijdschap door de koude niet kan worden bekoeld;
dat het gevaar ze niet kan overstelpen, de honger haar zelfs niet
doodt. Dit blijkt uit al wat in 't wild leeft, van het allerkleinste
zangvogeltje, dat bij 't zonnegloren te midden van tallooze vijanden
zijn zoete liedje aanheft, tot den grooten adelaar, die daar veilig op
de lucht rust, wel duizend voet boven de hoogste bergspits; en van het
boschmuisje, dat zijn sneeuwgangen dapper vlak onder de klauwen van
den hongerigen vos, van de wilde kat graaft, tot den grooten eland,
die met zijn borst een berkeboom neerduwt om van den top te eten,
als de takken van eschdoorn en lederhout [4] tijdens de noorderstormen
diep onder de sneeuw begraven zijn.
Ik heb herten gezien, zoo mager als de Indianen op afbeeldingen uit
een streek door hongersnood geteisterd; zoo uitgeteerd, dat al hun
ribben als hoepels uit hun ingezonken flanken staken. En toch speelden
de jongen met elkaar, toen zij door de kale, onttakelde bosschen
rondzwierven om voedsel te zoeken. En ik heb in het Noorden aan den
zoom gestaan van de wanhopig eenzame vlakten, als de ijzige rukwinden
over die verlatenheid gierden en het was alsof alle behaaglijkheid
zoo diep begraven lag, dat alleen de raad van Jobs vrouw: "zegen
God en sterf", er toepasselijk scheen te zijn; en midden in die
godslastering... fladderende vlerkjes, geglim en gefonkel van heldere
oogjes, getwetter van zwartkopmeesjes, verheugd aan 't roepen tegen
elkaar, druk bezig de takken die de vorst in ijs genepen hield van
onder tot boven na te zoeken, naar het beetje dat de natuur daar in
't najaar wel ergens verstopt zou hebben, in de dagen van overvloed. Op
eens een aardig, helder geluid, alsof er een engel op een fluitje had
geblazen, een liefdesbetuiging, dat het tinkelde over de troostelooze
verlatenheid, om mij te vertellen dat het lente werd en dat het leven
ondertusschen wel het leven waard was--zelfs hier.
Eén ding is zeker: de natuur zorgt zoo goed voor haar kinderen--geeft
ze eten zonder zorgen, stille kleuren om niet in 't oog te loopen,
en rappe pootjes om mee weg te snellen--dat ze zelden over iets
anders denken dan over de gewone levensbehoeften en levensvreugden,
voor zoover ik heb opgemerkt. Slechts dan als we het dier van boven
af beschouwen, het eens een oogenblik zielkundig bestudeeren, en
bedenken hoe prachtig de natuur haar voorzorgen genomen heeft om hem
alle ellende van een angstwekkend voorgevoel te besparen, kunnen wij
ons zijn blijdschap begrijpen.
In de eerste plaats mist hij het leed dat wijzelf inwendig lijden,
ook door ons medelijden met onze naasten. Tenminste drievierde van al
ons leed is geestelijk, komt voort uit een overwerkt zenuwgestel of
een overspannen verbeelding. Wanneer het alleen uit die werkelijke
pijn bestond die we in onze beenen, in onzen rug voelen, dan zouden
wij ons geplaagd bestaan nog wel een poosje kunnen voortsleepen en een
even hoogen leeftijd bereiken als beren of eekhoorntjes. Want het dier
bezit geen groote geestvermogens--niet genoeg in alle geval om daardoor
zijn zorg meer dan te verdubbelen--en geen greintje verbeelding om
het hem lastig te maken. Uw vriend die aan Christian-Science doet
zou weinig houvast aan hem hebben, zou hem even glad en moeilijk te
vatten vinden als een kerkkoepel. Is hij ziek, dan beseft hij dit
ook en gaat als een verstandig dier slapen; is hij gezond, dan heeft
hij geen geloof van noode om hem van die waarheid te overtuigen. Hij
heeft stellig ook zijn smart wel, maar deze bestaat alleen uit pijn in
zijn pooten en in zijn rug, en ook in dit opzicht is zijn zenuwgestel
veel grover dan het onze en zijn pijn minder hevig. Dan houdt hij er
een uitstekenden, kerngezonden aanleg op na, wijdt slechts zoo weinig
mogelijk aandacht aan zijn pijn en maakt er geen drukte van.
Bij het behandelen van gewonde dieren heeft het mij herhaaldelijk
getroffen dat ze mij toestonden hun wonden te verbinden, de gebroken
botjes weer op hun plaats te duwen, zelfs het vleesch weg te knippen,
zoodra ik maar eenmaal hun vertrouwen gewonnen had en zij niet bang
waren dat ik ze moedwillig kwaad zou doen; ze lieten dan bijna niet
merken dat ze pijn leden. Het is een feit, dat die pijn bij de onze
vergeleken slechts zeer gering is.
Ik heb in de bosschen wel eens gekneusde en gewonde dieren gevonden,
die bloedden ten gevolge van een dier woeste gevechten welke ze in
den paartijd met elkaar houden. De eerste gedachte die bij iemand
opkomt, is natuurlijk: hoe vinnige pijn die vreeselijke wonden zullen
doen als ze koud worden; maar nu komt de natuur, die ervaren dokter,
en binnen tien minuten heeft zij ze in haar macht door haar bekwame
behandeling. Zij verzinken in een loome sluimering en droomen even
pijnloos en zonder zorgen als een opiumschuiver. Uren-, dagenlang
blijven zij daar dan in dien kalmen toestand van verdooving liggen,
tot ze weer in staat zijn door het bosch te zwerven om voedsel te
zoeken, of totdat de Dood zachtkens nadert en ze doet inslapen.
Ik heb wel eens dieren met een leelijke kogelwond gezien, die bedaard
aan het eten waren of kalm lagen te rusten; wel forellen, waar de
halve kaak van afgescheurd was en die doodgewoon naar dezelfde vlieg
kwamen happen die hen gewond had; ik heb gezien hoe een muskusrat
met haar tanden haar eigen poot afbeet om los te komen uit een val
waar zij tusschen geklemd zat (geheel tegen mijn zin, waarde lezer,
want ik heb net zoo'n hekel aan die dingen als u); maar nog nooit heb
ik een dier gezien, dat ook maar een honderdste van de pijn voelde
die een gewoon mensch onder zulke omstandigheden zou lijden.
Kinderen die aan dezelfde ziekte lijden als oudere menschen hebben
veel minder uit te staan dan de laatsten, en wilde volken minder
dan beschaafde. Deze feiten leveren dus een nog sterker bewijs,
hoe het dier, dat onze geestvermogens, onze verbeeldingskracht of
ons teerbesnaarde zenuwgestel ten eenenmale mist, aan onze pijn en
aan ons leed ook zoo goed als ontkomt. En dat is maar een van de vele
verstandige maatregelen die de natuur neemt, om degenen die het minst
in staat zijn pijn te verdragen bijna geheel te sparen.
Louter geestelijk lijdt het dier slechts in een enkel opzicht:
wanneer het treurt over het verlies van metgezel of -gezellin, of van
zijn jongen. En daar hebben wij ook alleen nog de uitzonderingen van
gelezene--dan nog heel zeldzame uitzonderingen,--die ook al gekleurd
waren door de menschelijke verbeelding; dat is nu eenmaal niet anders,
en op die wijze zijn wij tot onze schromelijk overdreven voorstellingen
omtrent dierenleed gekomen.
Het nest van een vogelwijfje is verstoord. De storm werpt het
naar beneden, of de zwarte slang [5] kronkelt er zich om heen,
of een kwajongen haalt het uit zonder er veel bij te denken, of de
beroeps-eierverzamelaar--verwenscht zij zijn naam en bezigheid!--bergt
het in zijn gruwelkast. Het wijfje blijft maar zelden langer dan
een paar uur op de plek rondvliegen; dan glipt ze weg naar grooter
eenzaamheid. Over een dag of wat heeft ze alweer een ander nest en
heeft ze de eieren waarop ze zit te broeden handiger verborgen. Dit is
geen zeldzaamheid, maar overal regel in het blijde vogelleven. Gelukkig
maar, voor hen en voor ons, dat het zoo gaat, want anders zou er
geen jubelend morgenkoor weerklinken, zou het woud steeds vervuld
zijn van klaagliederen.
Wanneer de jongen van vogels en andere dieren door hongerige
sluipers worden geroofd of gedood, duurt het verdriet van de
moeder wat langer. Ook dan is de natuur weldadig. Het moederlijk
genegenheidsgevoel voor de hulpelooze jongen, waardoor het 's
zomers zoo'n genot is in de wildernis rond te kijken, is slechts een
voorbijgaand instinct, dat op zijn langst een week of wat duurt. Daarna
verdwijnen de jongen om voor zichzelf te zorgen, en de moeder laat
ze graag gaan, want ze beseft dat ze nu zichzelf eens een beetje in
het vleesch kan zetten tegen den kouden winter.
Als er een ongeluk heeft plaats gehad en de tijd om te nestelen nog
niet is verstreken, verspilt het wijfje slechts een paar uur met
nutteloos getreur, bouwt dan een nieuw nest of graaft een beter hol,
brengt haar jongen in een nog eenzamer schuilhoek ter wereld en vergeet
haar verlies spoedig geheel onder het grootbrengen en lesgeven van haar
nieuwe kleintjes. Dit gaat gauwer in zijn werk en er wordt minder zorg
aan besteed, omdat de tijd maar kort is. Het is in 't oog loopend,
hoeveel minder goed er voor die latere jongen gezorgd wordt dan voor
de vorige;--elken nazomer kunt ge dit in de bosschen waarnemen. Het
wijfje moet een bepaalden tijd aan zichzelf hebben, om voor den winter
gereed te komen, en dien neemt ze gewoonlijk zonder er zich om te
bekommeren of haar jongen klaar zijn of niet. In tijden van hongersnood
en schaarschte zijn het nu voornamelijk die tweede soort van jongen,
waar roofvogels en roofdieren van leven. Hun onderricht is niet zoo
in de puntjes geweest, zoodat ze gemakkelijker gesnapt worden; en
weer is dit geen zeldzaamheid, maar de groote wet in het dierenleven.
Er is nog een verstandige maatregel dien de Natuur neemt. Zij heeft
voor het hert en den patrijs te zorgen, maar moet ook aan den panter
en den uil denken, die haar aanroepen als ze hongerig zijn. En hoe
kon zij dat wonder van tegenstrijdigheid doen geschieden zonder onzen
haat, onzen hartgrondigen afkeer op te wekken, als ze haar andere
kinderen ook het menschelijk leed en de menschelijke smart toekende,
waar onze fijngevoelige verbeelding ze zoo dikwijls mee bedeelt.
Hoe 't ook zij met die kleine grieven en kwellingen, zij vallen
alleen aan de wijfjes ten deel. Ik heb bijna zonder uitzondering bij
de mannetjes niet alleen geen verdriet kunnen waarnemen, maar zij
schijnen het verlies van hun jongen zelfs wel prettig te vinden. Ten
deele omdat ze nu weer op hun eigen houtje voedsel mogen zoeken--want
het mannetje is uit den aard der zaak een zelfzuchtig zieltje zonder
zorg--maar ook omdat het heerlijk vooruitzicht hun wijfje nog eens
voor zich te winnen daardoor opnieuw voor hen opengaat.
De tweede groote oorzaak van die blijdschap in het dierenleven
is deze: dat het dier geen vrees kent. Zijn bezorgdheid, heinde
en ver onder zijn soortgenooten verbreid, is eigenlijk het behoud
van al dat kleine goedje in de natuur, en verschilt zoo volkomen
van onzen wereldschen angst en zorgen, dat we misschien liever van
waakzaamheid of schuwheid of achterdocht moesten spreken om strikt waar
te zijn. Het dient nog eens in herinnering gebracht dat die dierlijke
angst niet instinctmatig is, maar eenvoudig een zaak van al of niet
goed leeren, en nieuwsgierigheid een veel sterker trek bij de dieren
is dan vrees. De wereld is zoo vol dingen die zij niet begrijpen, dat
ze er steeds naar hunkeren om er nog een beetje meer van te snappen.
Eens op een dag zat ik in het bosch op een boomstomp een paar patrijzen
te plukken voor mijn middagmaal, waar ik geheel in verdiept was, toen
een licht geritsel in het kreupelhout mij opschrikte, en daar stond me
een groote mannetjeseland, half tusschen de dwergsparretjes verscholen,
naar mij en de stuivende veeren te kijken, met een uitdrukking van
gespannen nieuwsgierigheid en verbazing op zijn leelijke zwarte
tronie. Herhaaldelijk heb ik beren en herten en kraaien en eekhoorns
en kleine zangvogeltjes uit het bosch op datzelfde spelletje: "eens
kijken wat hij daar uitvoert", betrapt. Ga eens ergens in het bosch
zitten, en ga heel gewoon uw gang met de een of andere bezigheid;
dan zal het niet lang duren, of ge merkt dat er overal in het rond
schuwe, heldere oogen naar u kijken. En als ge u dan maar rustig weet
te houden en uw belangstelling te verbergen, is het een genot te zien
hoe grappig ze weifelen tusschen hun schuwheid, die tot weggaan noopt,
en hun nieuwsgierigheid, die ze steeds weer terugdrijft.
Wie een jongen vogel of een ander jong dier in nest of hol aantreft,
zoo klein dat moeders voorbeeld nog geen uitwerking heeft gehad, zal
waarschijnlijk slechts twee instincten ontwaren. Over het voornaamste,
het belangrijkste, heeft de mensch geen macht, al is er misschien
al heel mooi een indruk van te krijgen door stilletjes nader te
sluipen en heel voorzichtig een zacht geluid te laten hooren zooals
de moeder maakt. De twee instincten die ge stellig zult ontdekken
zijn: het eetinstinct en het instinct om stil te blijven liggen,
waarbij hun natuurlijke kleur voor een goede dekking zorgt. (Er
bestaat voor een vogel nog een reden om zich rustig te houden:
wanneer hij zich namelijk niet beweegt en zijn poriën gesloten zijn,
geeft hij geen geur van zich; andere dieren evenmin, al is het bij
deze niet zoo sterk. Hij ligt stil, niet alleen om aan den _blik_
van zijn vijand te ontkomen, maar ook aan diens reukorgaan. Dit is
echter iets anders). Angst ontdekt ge echter niet, want wanneer het
jonge dier tijdig genoeg gevangen wordt, zal het even graag uit een
menschenhand als van zijn moeder voedsel aannemen. Later komt het
onderricht in waakzaamheid en schuwheid--die wij angst noemen--,in
het onderscheiden der geluiden van al wat er in de bosschen te zien
en te ruiken is; wordt hem geleerd hoe hij daarnaar handelen moet:
nu eens stilliggen, dan al zijn stoppelige veeren overeind zetten
om er groot uit te zien en een indringer af te schrikken; nu eens
sissen of grommen of krabben of hard moeder roepen; ten slotte weer
wegduiken in een schuilplaats of beenen maken en halsoverkop de vlucht
nemen. Zij kennen het allemaal, maar door onderricht en voorbeeld,
en niet door hun aanleg.
En het zijn geen blijken van angst--in de beteekenis die wij aan dat
woord hechten--maar het is een gedragslijn die hun voorgeschreven
is. Zoo staat een karrepaard stil als de bel tjingelt; zoo wijkt de
mensch rechts uit omdat hem dit geleerd is, zoo buigt hij zich onder
het draven of schiet hij naar voren, wanneer hij vlak achter zich
een onbekend geluid hoort.
Om het nu maar eens ruwweg en gebrekkig samen te vatten: al onze
menschelijke vrees welt uit die groote bronnen op: de gedachte aan
pijn of lichamelijk letsel, de gedachte aan toekomstige droefheid en
de gedachte aan den dood. Nu heeft de natuur in haar barmhartigheid
dat alles aan de dieren gespaard, want zij kunnen er zich niet tegen
wapenen, en zij zijn evenmin in staat tot een geloof, het eenige
waardoor die angst overwonnen kan worden.
Eerst dus met betrekking tot lichamelijk lijden of letsel: het dier
leeft zijn natuurlijke leven en kent in den regel geen pijn, in welken
vorm dan ook. Geen schepsel heeft hem ooit kwaad gedaan--behalve
dat zijn moeder hem af en toe eens een knauw gaf om hem te leeren
gehoorzamen--; hij draaft of vliegt dus maar door de uitgestrekte
bosschen zonder dat de gedachte aan pijn bij hem opkomt; die heeft
hij immers nooit gevoeld; die kent hij niet.
En de gedachte aan toekomstig verdriet spookt ook niet in zijn kopje,
want hij weet niet wat droefheid en wat toekomst zijn. Ik spreek
nu niet over wat wij van de toekomst die het dier wacht afweten of
meenen af te weten, maar alleen over wat hij weet en wat hij beseft
te weten. Hij leeft heelemaal bij den dag, behalve dan de paar
dieren die een wintervoorraad verzamelen. Hij voelt zich plezierig,
zijn oogen kunnen scherp zien en zijn spieren zijn in den gunstigsten
toestand. Hij heeft genoeg, of verwacht dat hij bij de eerste kromming
van zijn pad wel genoeg zal krijgen. Dat is de wijsheid die hij uit
zijn ervaring put. Wat den dood betreft--die valt geheel buiten het
gedachtenkringetje van een dier. Er is er niet éen op de duizend dat
ooit den dood ziet--behalve insecten of andere dieren die ze eten,
natuurlijk, en die beschouwen ze niet als dooden, maar als een lekker
hapje, zooals een biefstuk voor ons is. Wanneer ze iets doods zien,
gaan ze er achterdochtig omheen, om een tent ook of een kano, of iets
anders dat ze niet begrijpen, want hun moeder heeft ze niet geleerd
wat ze doen moeten als ze zoo iets tegenkomen. Ik heb zoo dikwijls
vogels en andere dieren bij hun doode jongen, bij een dood mannetje
of wijfje waargenomen. Totdat het lijfje koud begint te worden,
behandelen zij het alsof het sliep; dan krijgen ze echter argwaan,
kijken er met wantrouwige blikken naar, besnuffelen het op een afstand
zonder er met hun neus aan te raken, en glijden eindelijk weg, zich
verbaasd afvragend waarom het zoo koud is, waarom het niet beweegt,
of niet komt wanneer het geroepen wordt. Dan hooren wij ze aan alle
kanten in het kreupelhout roepen en het diertje dat ze net verlaten
hebben elders zoeken.
Voor zoover mij bekend is, zou er in het dierenleven op dien algemeen
geldenden regel maar één uitzondering mogelijk zijn, en wel bij de
mieren, waar de dooden door sommige soorten begraven worden, en bij de
bijen, die de darren als hun tijd gekomen is om het leven brengen. Die
wezentjes zijn echter nog te weinig bekend, zijn nog zoo raadselachtig,
er is zoo'n tegenstrijdigheid in de mengeling van oliedomheid en
verstandig overleg, dat wij er nog geen duidelijke theorie op kunnen
nahouden, in hoeverre zij helder denken of blindelings hun instinct
volgen, of in hoeverre zij de beteekenis beseffen van wat ze hun
geheele leven door elken dag doen.
Lichamelijk letsel, toekomstig leed, dood--ziedaar de drie dingen die
een dier zich nooit bewust in 't hoofd haalt; en zijn ondervinding
geeft hem geen aanleiding om dien laatsten grooten vijand, of vriend,
eenige beteekenis toe te kennen. Zij zijn dus gelukkig, doordat hun
barmhartig de slavernij onzer angsten bespaard bleef.
Daar zit ik nog op het oude houtblok aan het diepe water, waar de
zalm leeft, en de groote rivier snort langs me heen met de witte
schuimlappen die uit het ondiepe komen drijven. Het schildpadje op zijn
wipplank heeft gezelschap van een tweede gekregen; ze zwiepen samen
op en neer, in den stroom, die alles maar goedmoedig toelaat. Beneden
hen wemelt de rivier van insecten; ze zullen wel eten, als ze klaar
zijn--en ondertusschen wippen ze maar en genieten hun leventje. Hoog
boven den berg drijft de groote arend en rust op de winden. De aarde
omlaag heeft eten en drinken--hij zal wel komen, als hij hongerig
is, maar nu kijkt hij neer over de grens van het bestaande en is
voldaan. De vogels in het bosch achter mij hebben hun morgenzang nog
niet gestaakt; ze zijn te gelukkig om te kunnen eten en moeten nog wat
doorjubelen. Daar waar het water in trage wielingen vloeit springen
de zalmen op, krachtig als ze zijn; kikvorschen zitten glimmend
op de leliebladen die voor anker liggen te kwaken, en boven hen,
in den stroomenden zonneschijn, zoemen de myriaden insecten, die
van pret niet zwijgen kunnen. Omhoog en omlaag trilt de natuur van
echte levensblijheid. Als een bron welt die vreugde over den rand,
zoodat iedereen die wil, zelfs al hoort hij tot het menschengeslacht,
dat zijn geboorterecht heeft verloren of vergeten is, terug kan keeren
om van haar overvloed te drinken en voldaan te worden.