HOE DE KLEINE VISSCHERS LES KREGEN.

Eens op een dag, dat ik weer tusschen de rotsen zat te hengelen

en moeder vischarend op mijn vischwater kwam af zeilen, klonk

haar kreet niet als gewoonlijk: _Tsjip, tsj'wie! Tsjip, tsjip,

tsip, tsj'wie-ie-ie?_ Dat was de groet van den visscher wel, o ja,

duidelijk genoeg, maar het klonk anders, er was iets zegevierends

en voldaans in, zoo iets van: "kijk nu eens hier!" Eer ik mijn hoofd

om kon draaien--want ik had net beet--volgden er nog meer geluiden:

_pip, pip, pip, tsj'wie! pip, tsj'wie! pip, tsj'wie-ie!_ Wonderlijk

verwarde geluiden, die mij alle een "goede vangst" toeriepen. Ik hoefde

mij niet eens om te keeren, maar begreep zoo al wel dat er nog twee

visschers waren bijgekomen om in het gilde te worden opgenomen.

De moeder, die dadelijk aan haar meerdere grootte en donkerder

teekening op de borst is te herkennen, zwenkte op mij af toen ik

mij omkeerde en vloog recht over mij heen, met haar beide kleintjes

achter zich aan, die dapper klapwiekten. Toen ik een paar dagen

tevoren een uitstapje naar een ander meer maakte om grooter forellen

te zoeken, stonden de jonge vischarenden nog op het nest en hielden

zich doof voor de betuigingen van de oude vogels, dat het tijd werd

hun groote vleugels eens te gaan gebruiken. Het laatste wat ik door

mijn verrekijker van hen zag was de moeder in een boom en de vader

in een anderen, elk met een visch in den bek, dien zij den jongen

voorhielden. De leege ruimte tusschen hen in was slechts tergend

klein en in vischarendtaal beduidden ze de jongen dat ze hem maar

moesten komen halen. De kleintjes, van hun kant, rekten hongerig hals

en vleugels uit en probeerden den visch naar zich toe te fluiten,

zooals iemand zou doen die een hond van den overkant der straat

bij zich roept. Tijdens mijn korte afwezigheid hadden moederlijke

list en moederlijk geduld hun goede uitwerking gedaan. De jongen

vlogen al best. Nu waren ze blijkbaar op hun eerste vischles uit,

en ik hield zelfs met hengelen op, om eens op te letten hoe dat in

zijn werk zou gaan (mijn aas zonk in de modder, waar een aal mijn

vischhaken al gauw in een ouden boomwortel verward maakte); want

Ismaques en zijn familie visschen niet uit instinct, maar hebben het

zich eenvoudig aangewend. Evenals de jonge otters weten zij alleen

uit dagelijksche ondervinding dat visch hun eigenlijke voedsel is,

en geen hazelhoenders en geen konijntjes. Stond het aan henzelf,

vooral wanneer ze met vleesch grootgebracht en daarna waren losgelaten,

dan zouden ze dadelijk tot de oude havikengewoonten terugkeeren en in

het bosch gaan jagen--wat veel gemakkelijker is. Dus wanneer ze visch

zullen vangen, moet hun dit van den eersten dag aan dat ze uitvliegen

geleerd zijn; en het is altijd een boeiend gezicht eens na te gaan op

welke wijze dit aangepakt wordt. De jonge vischarenden vlogen zwaar,

in kleine onregelmatige kringen, en tuurden ondertusschen met hun

onervaren oogen onderzoekend over het water om hun eersten slag

te slaan. Boven hen kringde de moeder met breeden, gelijkmatigen

vleugelslag, en gaf den jongen beginnelingen, die ingewijd zouden

worden in de heerlijke, oude geheimen van het visschen, door fluiten

de richting aan. Er was visch bij de vleet, maar dat beteekent voor

een vischarend nog niets, want hij moet zijn prooi tamelijk dicht aan

de oppervlakte zien, eer hij neerschiet. Op het meer stond een vrij

sterke golfslag en de zon scheen er vroolijk over, zoodat de jonge

visschers lang geen gemakkelijk werk hadden, tusschen dat blikkerende

licht en dat rumoerige watervlak. Ze hadden nog niet zoo'n scherpen

blik om dadelijk te weten wanneer ze neer moeten schieten. Bij elk

zilverachtig geglinster daar in de diepte hielden ze plotseling op en

riepen: _pip!_ "daar heb je d'r een!" _Pip, pip!_ "daar gaat-ie!" als

een jongen die voor het eerst beet heeft. Maar een kort, scherp fluitje

van de moeder hield hen in, voordat zij zich nog hadden laten vallen;

en dan klapwiekten ze onder groot protest naar haar toe: ze konden

hem best vangen, als zij het hun maar eens liet probeeren.

Terwijl ze over mij heenkringden naar den uitgang van het meer, kreeg

een van die kleine kerels een glimp van mijn zwartvisch tusschen de

rotsen in 't oog. _Pip, tsj'wie-ie!_ floot hij, en daar schoten ze me

met z'n beide als vuurpijlen naar beneden. Ze hadden honger, en daar

lag visch in overvloed, en ze hadden heelemaal niet gemerkt dat ik

daar doodstil tusschen de rotsen zat. _Pip, pip, pip_, hoezee! klonk

schril hun gefluit onder het dalen.

Maar ik en mijn vischvoorraad waren het eerste geweest wat

de vogelmoeder in het oog gekregen had, toen zij om de landtong

heenvloog; dus ze kwam aanschieten om ze op een half boozen, half

angstigen toon te berispen, dien ik nog nooit eerder van haar gehoord

had: _Tsjip, tsjip, tsjip, Tsjip! Tsjip!_--en die elken keer als zij

hem weer slaakte schriller en scherper werd, tot zij er op letten en

omzwenkten. Toen werden zij in een grooten boog apart genomen en wijs

en kalm toegesproken, voordat ze weer mochten gaan visschen.

En als ze daar nu boven een uitstekende zandbank rondwiekten, altijd

maar in de rondte, ziet een van de kleintjes een visch en vliegt wat

lager om hem te volgen. De moeder ziet het, en als ze merkt dat de

visch schuin naar de oppervlakte komt, laat ze heel verstandig den

kleinen visscher zijn gang gaan. Nu is hij toch te dicht bij het

water; het geglinster en de dansende golven maken 't hem lastig;

hij raakt zijn zilveren schittering kwijt als er een golf met witten

schuimkop over hem heenschiet. De moeder stijgt, en fluit dat hij

hooger moet komen, waar hij beter zien kan; maar daar heb je den

visch weer, en de kleine, hongerige baas denkt aan geen overwegingen,

maar spant zijn vleugels om neer te schieten. "_Tsjip, tsip!_ halt,

hij duikt weer," waarschuwt de moeder, maar haar zoon is te hongerig

om te wachten en schiet als een pijl naar beneden. Hij is zoowat een

meter boven het watervlak, als er een groote, schuimende golf naar

hem toespringt. Daar wordt hij bang van; hij aarzelt, wijkt uit,

klapwiekt uit alle macht om zijn leven te redden--als er weer een

zilveren glans onder 't golvenschuim schemert. Onmiddellijk schiet hij

weer neer--_hoe! boe!_--net een jongen die voor het eerst duikt. Een

poos lang zie ik niets meer van hem. Twee golven spoelen er over hem

heen, en ik houd mijn adem in, als ik sta te wachten tot hij weer

bovenkomt. Dan duikt hij er plotseling weer uit te voorschijn, zich

schuddend dat de droppels om hem heen vliegen--maar zonder visch

natuurlijk! Als hij loom opstijgt, staakt de moeder, die aldoor

boven hem kringde, hem raad gaf en aanmoedigde, plotseling met een

enkelen wiekslag haar vlucht. Zij heeft denzelfden visch op 't oog,

heeft er op gelet hoe hij wegschoot toen haar jong neerkwam, en nu

ziet zij zijn zilverglans bij de zandbank flitsen, waar de voorntjes

aan het spelen zijn. Zij begrijpt dat haar kleine leerlingen den

moed verliezen en dat het tijd wordt ze een hart onder den riem te

steken. _Tsjip, tsjip!_--"let eens op; ik zal het jullie eens wijzen,"

fluit zij--_Tsjie-iep!_ met zoo'n plotselingen, schrillen uithaal, dien

ik al gauw als haar aanvalssein leer kennen. Bij dien kreet breidt ze

haar vlerken uit, schiet vast en zeker naar beneden, valt dwars op een

rijzende golf neer, duikt er onder door en komt aan den anderen kant

weer te voorschijn met een dikken zwartvisch in haar klauwen. De jongen

komen achter haar aan en gieren het uit van verrukking. Zij vertellen

haar dat ze nu misschien wel naar het nest terug konden keeren om

dien visch eens te bekijken, voordat ze met visschen doorgaan. Dit

wil natuurlijk zeggen dat ze van plan zijn hem op te eten om daarna,

ten hoogste voldaan over al de pret die ze onderwijl gehad hebben,

te gaan slapen. En dan is het voor vandaag met leeren gedaan.

Maar de moeder heeft een ander plannetje in haar wijzen kop. Zij weet

dat de jongen nog niet moe zijn, alleen hongerig, en dat er nog een

boel te leeren valt, eer de scholen zwartvisschen van de zandbanken

verdwijnen en zij met hun allen naar de kust moeten trekken. Zij weet

ook dat ze tot nu toe nog twee dingen niet geleerd hebben, waar zij

hen juist voor hier gebracht heeft: een visch altijd te grijpen zoodra

hij boven komt, en steeds aan den voorkant, onder den schuimkam, op

een golf neer te komen. Daarom pakt ze haar visch stevig vast, buigt

langzaam wiekend haar kop voorover, verlamt hem door één houw van haar

krommen snavel in de ruggegraat en laat hem dan weer in de schuimende

golven vallen, waar ik hem zoo nu en dan aan de oppervlakte kan zien

worstelen, want ik ben boven op mijn rots gesprongen. _Tsjie-iep!_

"probeer 't nu eens," fluit zij. _Pip, pip!_ "daar gaat hij!" roept het

jong, wien het daar straks mislukte. Zzzzt! gaat het naar beneden,

heelemaal er onder, ongeduldig als hij door zijn honger is. Aan

geen voorschrift of voorbeeld denkt hij; probeeren vindt hij niet

meer noodig.

Weer schieten de golven over hem heen, maar er klinkt voldoening

uit het gefluit van de moeder, waaruit ik opmaak dat zij hem in

't oog heeft en dat hij 't er netjes afbrengt. In een wip is hij

er weer uit, met veel geflodder en lawaai, gierend van verrukking,

den visch in zijn klauwen. Voort gaat het naar het nest, in lage,

langzame vlucht. De moeder kringt een poosje boven hem, om er zeker

van te zijn dat hij niet te zwaar beladen is, en keert dan weer met

den anderen beginneling terug, om heen en weer te zweven boven het

ondiepe van de zandbank.

Het blijkt nu duidelijk--zelfs mijn oogen kunnen het zien--dat er

een groot onderscheid in de karakters van jonge vischarenden kan

bestaan. De eerste was vurig, koppig, ongeduldig; de tweede is kalmer,

flinker, gehoorzamer. Hij kijkt wat zijn moeder doet; hij let op de

seinen die zij geeft, en een oogenblik later schiet hij in een mooien,

zekeren boog neer om weer met een visch voor den dag te komen. De

moeder prijst hem, als zij daalt om naast hem te gaan vliegen.

Mijn blikken volgen hen, zooals zij daar langzaam over de dansende

schuimkoppen voortwieken, redeneerend als een paar oude kameraden,

en boven de glooiing van boomkruinen naar hun nest stijgen. Het

leeren is nu voor vandaag gedaan; ik ga dus maar weer aan het

visschen voor de beren, opnieuw in bewondering voor die gevleugelde

gildebroeders. Misschien schuilt er ook wel een greintje naijver

of spijtigheid in mijn overpeinzingen, wanneer ik een nieuwen haak

bevestig om den ouden te vervangen, waar een gekwelde aal zich beneden

in de modder van tracht te bevrijden. Had _ik_ maar iemand gehad om

mij dat zoo te leeren, dan zou ik nu stellig beter kunnen visschen!

Toen de moeder den volgenden dag met haar twee jongen het meer kwam

opvliegen naar de zandbank toe, wachtte hen daar een verrassing. Wel

een halfuur had ik op de landtong staan uitkijken om hun voor te zijn

als ze kwamen. Er was voor mij iets raadselachtigs in de manier waarop

Ismaques vischt, en dat is er nog. Ving hij nu zijn visch nog met zijn

bek, net als "mink" en otter dit doen, dan zou ik het beter begrijpen;

maar om een visch--die zoo vlug is als een bliksemflits--onderwater

met zijn klauwen te grijpen, waar hij toch geen visch en geen pooten

meer onderscheiden kan, als hij er in geplonsd is, daartoe is toch

een berekening noodig, verbijsterend in een vogel. Om er nu eens

achter te komen hoe dat toch gaat, had ik een list bedacht.

Nauwelijks kwamen de visschers in 't zicht en klonk hun gretig gepiep

hun al flauw vooruit over het meer, of ik pagaaide haastig van

wal af en liet een stuk of zes zwartvisschen in het ondiepe water

los. Die had ik, zoo lang ik kon, in een grooten emmer in 't leven

gehouden, en ze hadden nog wel zooveel fut dat ze zoo'n beetje aan

de oppervlakte konden rondzwemmen. Toen de visschers naderden, zat

ik als gewoonlijk tusschen de rotsen en keerde mij om, om de moeder

voor haar _Tsj'wie?_ te bedanken. Maar mijn listig beraamde plan, om

er achter te komen hoe zij te werk gingen, liep op niets uit, of het

moest wezen dat het lesgeven er door verstoord werd. Zij kregen mijn

lokaas onmiddellijk in 't oog. Een van de jongen schoot er dadelijk

zonder eenige overweging op los, dook zonder zijn visch te grijpen,

steeg weer op, plonsde er nog eens in, en ditmaal had hij hem en

ging er druipend mee van door. De tweede nam er zijn tijd voor,

schoot toen pijlsnel schuin naar beneden en ving zijn visch zonder

duiken. Het onderricht was al bijna afgeloopen nog eer het begonnen

was. De moeder bleef een poosje rondkringen, alsof het haar een raadsel

was, terwijl ze de jeugdige visschers nakeek, die klapwiekend over

de helling naar hun nest vlogen. Er was iets niet in den haak. Zij

had genoeg gevischt om te weten dat slagen nog iets anders beteekent

dan boffen; en vanmorgen was het te gemakkelijk gegaan. Zij kringde

langzaam boven de zandbanken, waar zij de visch bekeek, die daar

klaarblijkelijk niet thuis hoorde, en daalde om eens achterdochtig

een dikken zwartvisch te onderzoeken, die met zijn buik naar boven

op het water dreef. Toen dook zij bliksemsnel, op een plaats die ik

niet zien kon, kwam weer te voorschijn met een visch voor zichzelf

en toog haar jongen achterna naar het nest.

Den volgenden morgen was ik van plan ze er op dezelfde wijze in te

laten loopen, maar de moeder, die goed wist wat ze wilde met haar

onderricht, herinnerde zich hoe prachtig het gisteren gegaan was,

zonder dat ze er iets voor hadden hoeven te doen, en kwam daarom

eerst een onderzoek instellen. De jongen liet zij een eind verder

langs den afgelegen oever rondvliegen.--Daar had je de visch weer, in

't ondiepe; en daar--dat was nu toch veel te gemakkelijk!--dreven er

twee dood tusschen de schuimende golven. Plotseling zwenkte zij om,

alsof zij niets gezien had, kringde weg, floot haar leerlingen bij

zich en trok naar ander vischwater.

Weldra hoorde ik hun gegier en het schrille, uitgehaalde _tsj'ie-iep!_

waarmee de moeder het sein tot den aanval gaf, boven de naaste

landtong. Toen ik mijn kano er bijna heengepagaaid had, ontdekte ik

ze alle drie, kringend en duikend boven een zandbank, waar ik wist dat

de visch kleiner en vlugger was en bladen van waterlelies een veilige

schuilplaats boden, waar geen arend bij hen kon komen. Wel twintig

keer zag ik ze neerschieten, zonder dat ze iets kregen, terwijl de

moeder boven of naast hen rondwiekte om hun raad te geven en moed in

te spreken. Toen ze echter ten langen leste hun visch gehaakt hadden

en wegdroegen naar den berg, sprak er een verrukking uit hun kloeken

vleugelslag en uit den kreet dien zij mij fluitend toezonden, die er

den vorigen dag in ontbroken had.

De moeder volgde hen op een afstand, en toen zij in de buurt van

mijn zandbank kwam, vloog ze op zij af om er nog eens naar de visch

te kijken. Er dreven er nu drie in plaats van twee; de andere--de

paar die er nog van waren overgebleven--worstelden zoo'n beetje

aan de oppervlakte. "_Tsjip, tsj'wie-ie!_" riep ze minachtend;

"er is hier visch genoeg; maar wat een armzalige manier om ze te

krijgen!" Toen schoot zij neer, dook, kwam weer te voorschijn met een

dikken zwartvisch en was verdwenen. Voor mij liet zij niets achter dan

een oogverblindenden watersluier en groeiende kringen van lachende,

dansende, tergende golfjes, waaruit ik maar moest opmaken hoe zij

visch vangt.

Dierenleven in de wildernis · 第 14 / 19 题