De kreet van een adelaar--een zeldzaam geluid, 's zomers in de
wildernis--maakte dat ik haastig mijn commoosie uitkwam, om eens te
zien wat Cheplahgan aanleiding had gegeven de stilte te verbreken. Hij
dreef daar op een ontzaglijke hoogte boven zijn bergtop en wiekte
in kleine, onregelmatige kringen, als een arendsjong dat bezig is
te leeren hoe hij den wind moet gebruiken onder zijn breede vlerken,
en galmde telkens zijn wilden kreet over de opgeschrikte wouden.
Er was klaarblijkelijk iets niet in den haak met Cheplahgan. Dat was
geen jonge arend, die luidkeels om zijn onbekende wijfje riep of voor
het eerst van zijn leven die prachtige spiraal vlucht probeerde. 't
Was evenmin een der twee koninklijke vogels die ik al weken lang had
gadegeslagen en nagegaan, en wier nest met jongen ik ten langen leste
ver weg op een rotsklip had ontdekt. Als ik ze volgde had ik wel
eens een glimp van een anderen arend gezien, van een reusachtigen,
ouden baas, zonder wijfje, wiens eenzame leven mij den heelen zomer
al iets geheimzinnigs, iets raadselachtigs was geweest. _Hij_ galmde
daar nu zijn kreet over den hoogen berg, waar ik hem zoo dikwijls
met zijn kalmen blik op den uitkijk had gezien, over het heerlijke,
wijde gebied, waar hij niet langer heerschte, maar dat hij aan de
jongere adelaars had overgegeven--zijn eigen broed wellicht.
Voor zichzelf eischte hij slechts het recht om op de plek te blijven
jagen waar hij en zijn verdwenen wijfje zoo lang den schepter gezwaaid
hadden. Want de meeste roofvogels en roofdieren houden er hun eigen
jachtgebied op na, waar geen ander komt stroopen, of _zij_ moeten het
hebben prijsgegeven. Dat was mij juist den heelen zomer het grootste
raadsel geweest. Ik snelde dus naar een landtong, ging stilletjes
tegen een verweerden boomwortel zitten, die net de kleur van mijn
grijze jas had, en richtte mijn kijker op Cheplahgan, om hem goed in
't oog te houden en te zien wat hij zou doen.
Al gauw vernauwden die onregelmatige kringen zich om een middelpunt,
waar de groote adelaar omheen vloog alsof 't een spil was. De wilde
kreet zweeg nu en hij hield zijn wieken breed en stijf uitgeslagen,
zooals een adelaar dat doet die op de lucht drijft. Minuten lang kon
ik geen beweging bespeuren; hij was net een donker lijntje, op dien
oneindigen blauwen achtergrond getrokken. Het begon langer te worden,
langer; verbreedde zich--en toen wist ik dat het recht op mij af naar
beneden kwam.
Hij daalde al lager en lager, in schuine richting, langs onzichtbare
treden, zonder een trilling van zijn wijd uitgespannen wieken. Nog
lager, nog dichter bij; toen zag ik tot mijn verbazing dat zijn
kop neerhing, alsof hij zwaar was, en niet op adelaarsmanier een
zuivere lijn met lichaam en staart vormde. Hij zeilde recht over de
landtong, zoo vlak bij, dat ik als ruischen van zware zij het flauwe
geknetter van zijn vleugels kon hooren. Zijn kop zonk nog meer naar
beneden en zijn vurige, wilde oogen hield hij half gesloten in het
voorbijgaan. Eens maar zwenkte hij even, om een hooge boomstomp te
ontgaan die naakt en machtig boven het woud uitstak, juist in zijn
weg. Toen stak hij met stijve wieken de baai over ten zuiden van de
landtong, nog steeds in zacht glooiende richting, om zwijgend in de
armen van het donkere bosch aan den overkant neer te zinken dat zich
boven hem sloot.
Het was duidelijk dat het met Cheplahgan niet in orde was. Zoo had ik
een adelaar nog nooit zien vliegen. Ik prentte mij de plaats waar hij
tusschen twee reusachtige boomen verdwenen was goed in het geheugen
en ging er gauw in mijn kano naar toe. Daar vond ik hem vlak bij den
boschrand liggen, met zijn kop over de moskussens op den wortel van
een ouden ceder, zijn wieken uitgebreid tusschen de koele, groene
varens. Hij rustte zoo vredig voor het eerst van zijn leven bij
moeder aarde,--dood.
Toen ik den vorigen zomer in de wildernis kampeerde, was er achter mijn
tent een kleine bron. Ik ging er vaak heen; niet om te drinken, maar
om er stilletjes een poosje tot rust te komen en te zitten kijken naar
het koele water dat uit de donkere aarde tusschen de dansende keitjes
opborrelde en weggleed in de varens, in het mos, om trouw zijn taak
te vervullen en overal lafenis te brengen. Wanneer ik daar zoo zat
te kijken, kwamen af en toe de kleine boschbewoners haastig op het
zachte geklater dat al wat dorstig was lokte, af om te drinken. Als
ze mij dan zagen, krompen ze terug in de varens, om er door te gluren
en te luisteren; maar de kleine stroom murmelde ongestoord verder,
en het einde was ten slotte altijd dat ze weer voor den dag kwamen
en mij beschouwden als een kameraad, omdat ik naast hun bron zat.
Toen ik weer eens kwam, zat er een zangvogeltje op een sparretak,
die over de bron hing alsof hij haar wilde beschermen. Verscheiden
dagen had ik het daar al zwijgend zien zitten of rondfladderen
in het kreupelhout. Maar zelden dronk het; het scheen er, evenals
ik, alleen te zijn omdat het van dat plekje hield. Het was oud en
eenzaam; tusschen de donkere veeren op zijn kopje schemerde grijs en de
geschubde pootjes waren gerimpeld, wat vogels altijd krijgen wanneer ze
oud worden. Het scheen niet bang voor mij te zijn, alsof het de kalme
berusting geleerd had die den ouderdom kenmerkt, en vloog nauwelijks
op zij als ik naderde, kwam soms zelfs vlak bij mij, wanneer ik in zijn
bron kwam kijken. Dien dag was het lusteloozer dan gewoonlijk. Toen ik
mijn hand uitstak om het op te nemen, spartelde het niet tegen, maar
ging stilletjes op mijn vinger zitten en deed zijn oogjes dicht. Wel
een half uur zat het daar heel tevreden, knipte af en toe slaperig
met de oogen, maar als ik het aan mijn vingertop een droppel water
reikte, gingen ze wijd open. Toen de schemering dichter werd en het
bosch met al zijn stemmen zweeg, zette ik het weer op den sparretak,
waar het knikkebollend in slaap viel eer ik wegging.
Den volgenden dag zat het nog dichter bij de vriendelijke bron, op een
lageren tak van den dikken spar. Weer nestelde het zich in mijn hand
en dronk gretig den droppel van mijn vingertop. In de avondschemering
vond ik het met zijn kopje naar beneden aan een sparrewortel hangen;
zijn pootjes waren er stijf omheen geklemd--nooit meer zouden ze
loslaten--en even raakte zijn snaveltje het leven-wekkende water. Aan
de bron die het zijn heele leven had gekend en liefgehad was het
rustig ingeslapen; haar water welde tot bij zijn bekje en hield zijn
beeld in het hart tot het laatste oogenblik.
Hoe sterven de dieren?--Negentig van de honderd kalm en rustig, zooals
de arend in zijn vrije element, en het zangvogeltje aan de bron die het
liefhad. Want die twee geven eenvoudig den kenmerkenden vorm waaronder
de dood in de bosschen optreedt;--onafgebroken gaat hij zijn gang.--Het
eenige ongewone is dat ze betrapt werden door onbescheiden blikken,
want verreweg de meeste dieren sluipen naar de eenzame plekjes toe
die hun lief zijn, om er zich ongezien neer te leggen; en weldra
zullen de bladeren hen voor het oog van vriend en vijand bedekken.
't Gebeurt maar zelden dat wij ze dan ontdekken, want het dierlijk
instinct drijft hen in de diepste schuilhoeken, zoo ver mogelijk
weg. Wij zien slechts de uitzonderingen: den kwartel in de klauwen
van den havik, het eekhoorntje verlamd, onbeweeglijk in den greep van
kat of wezel; maar de ontelbare beesten die zich hun eigen rustplaats
uitzoeken en voor het laatst hun oogen sluiten even kalm als altijd,
wanneer ze gaan liggen slapen, zijn voor onzen blik verborgen.
Er heerscht een merkwaardige gewoonte onder de dieren, die dit
misschien verklaart en tevens kan ophelderen waarom wij toch zoo'n
dwaze, zonderlinge voorstelling hebben, alsof de dood van een dier iets
tragisch of gewelddadigs was. Dieren, zonder uitzondering, vogels ook,
koesteren een sterk wantrouwen tegen alles wat ook maar eenigszins
vreemd of ongewoon is onder hun soortgenooten. Nooit zullen zij een
kreupel, een mismaakt of ziekelijk lid in hun gemeenschap dulden,
enkele bijzondere gevallen uitgezonderd. Zij vallen er nijdig op aan
en jagen hem op de vlucht. Dus als een dier, oud en zwak geworden,
de zonderlinge gewaarwording krijgt van iets vreemds, iets ongekends
dat hem besluipt, gehoorzaamt hij aan een verdedigend instinct
waar hij zijn heele leven naar geluisterd heeft, en verdwijnt. Wat
"dood" is weet hij niet; dus hij meent dat hij maar onaangenaamheden
ontduikt door daar ergens verscholen te gaan liggen, en--het is
voor den laatsten keer. Zoo heb ik het herhaaldelijk bij wilde, zoo
heb ik het bij tamme dieren waargenomen en mij afgevraagd wat het
toch zou kunnen wezen. Soms geschiedt het geheel onbewust, als bij
een ouden beer dien ik 's zomers eens vond. Hij was als gewoonlijk
onder een boomwortel gaan liggen om zijn winterslaap te houden,
maar niet ontwaakt toen de sneeuw was verdwenen en de lentezon hem
vroolijk wakker riep. 't Gebeurt ook wel eens met het zegevierende
bewustzijn van eigen geslepenheid, als bij sommige eenden, die wanneer
ze gewond zijn onder water een wortel beetpakken en daar sterven met
de gedachte dat ze daar prachtig aan hun vijanden ontkomen zijn. Dan
weer is het een instinct dat hen roept zonder dat ze weten waarheen,
vaag en onbeschrijfelijk. Zoo is het bij de rendieren, die dikwijls
ver wegloopen naar een plaats waar ze nooit zijn geweest, waar vroegere
geslachten hun voorgegaan zijn; en daar gaan ze liggen, zich afvragend
waarom zij zoo slaperig zijn en waarom lekker mos en drinkwater hun zoo
niets kunnen schelen, terwijl boven hen de lorkeboomen zachtjes heen
en weer schommelen. Een enkelen keer is het ook een blinde aandrift om
maar weg te komen. Verscheiden vogels voelen zoo; die vliegen recht de
zee in, totdat ze niet meer kunnen; dan vouwen zij hun moede vleugels
op en zijn in slaap gevallen eer de oceaan ze nog aanraakt.
Het kon wel eens wezen dat uw kanarie op zekeren dag met zijn
ongeoefende wiekjes onophoudelijk tegen de tralies van zijn kooi
opfladderde--zijn kooi waar hij zoo lang tevreden leefde. Als ge
verstandig waart zoudt ge het deurtje openzetten, want een stem,
veel machtiger dan er bestaat in het kunstmatige verband der dingen
dat _gij_ u geschapen hebt, roept hem tot zich--de stem van de
vergeten geslachten vóór hem. Den volgenden dag ligt hij dood op den
bodem van zijn kooi, en er rest voor hem slechts een begrafenis nog
onnatuurlijker dan zijn arme leventje.
"Maar," brengt een lezer hiertegen in, "die vreeselijke dingen, die
treurtooneelen dan?" Misschien komen ze wel eens voor, als we meer
door onze verbeelding dan door onze oogen kijken, maar ze zijn veel
zeldzamer dan de noodlottige gebeurtenissen onder de menschen. En
zooals verreweg het grootste gedeelte van de menschheid vredig in bed
sterft en niet met een aardbeving of hongersnood omkomt, zoo eindigen
verreweg de meeste dieren hun leven ook kalm op een leger dat zij
zichzelf kiezen. De natuur kent geen treurspelen, behalve wanneer de
mensch tusschenbeide komt, zich bemoeit met den natuurlijken gang van
zaken, wreedaardig een broedende of zoogende moeder vermoordt.--Een
patrijs wordt door een uil beetgegrepen. Dat is een leelijk ding
voor den patrijs,--maar het is bijna altijd een van de zwakkere of
domme, die niet geleerd hebben om gehoorzaam te wezen zooals hun
broertje,--en ginds, boven in dien boom, zitten twee jonge uilen,
die zich zullen verkneukelen en blij zijn met het lekkere maaltje,
dat een zorgzame, liefhebbende moeder hun thuisbrengt.
Gewoonlijk beschermt de natuur haar broedende moeders van wie
hulpelooze levens afhankelijk zijn, met een overleg en een eindelooze
zorg, evenals wij menschen in zoo'n geval doen. Zelfs de vos kan ze
in zoo'n tijd niet ruiken, al komt hij er vlak langs. Maar mocht de
moeder er het leven bij inschieten--en bij die veronderstelling is
zooeven onze verbeelding al met ons op hol gegaan--dan verhongerden de
jongen toch niet, zooals wij ons dat vol medelijden denken. Zij roepen
hard om eten; de moeder is niet in de buurt om ze tot stilte te manen,
om ze te leeren dat zwijgen het groote gebod is voor de weerloozen
in het bosch. Ze schreeuwen weer; de kraai of de wezel hoort ze,
en--in een oogwenk is er snel en pijnloos een einde gemaakt aan dit
gezin. Zoo gaat het in het woud.
Zeker, er zijn ook gevallen van gewelddadigen dood, maar daarbij komen
zij er gewoonlijk nog het genadigst, het minst pijnlijk af. Een hert
valt, doordat een panter op hem springt die boven het hertenpad op
de loer lag. Wij verbeelden ons dat het zóo een vreeselijke dood is,
en schilders hebben het zoo tragisch mogelijk afgebeeld, maar in
werkelijkheid wordt er waarschijnlijk zoo goed als niet geleden. Toen
Livingstone met een verpletterden schouder onder een leeuwenklauw lag,
zijn arm overdekt met gapende wonden, waarvan hij de litteekens tot
aan zijn graf met zich meedroeg, voelde hij geen pijn, wist hij zelfs
niet dat hij gewond was. Hij was de eerste om de aandacht te vestigen
op het feit dat het toespringen en beetgrijpen van een wild beest een
soort weldadige verdooving meebrengt, die de pijn volkomen wegneemt
en alle gevoel, den geheelen wil schijnt te verlammen, zoodat iemand
maar blij is stil te kunnen blijven liggen--het eenige, tusschen twee
haakjes, wat hem nog hoop op ontkomen kan geven. Wanneer dit van
den mensch geldt, dan geldt het wel tienmaal zoo sterk van dieren,
die niets van onze zenuwachtigheid of verbeelding bezitten.
Deze gevolgtrekking stemt aangenaam, en er is nog van allerlei dat
haar aannemelijk maakt. Soldaten worden in de hitte van een vliegende
charge of van een overhaaste vlucht vaak doodelijk gewond, en ze weten
er niets van, totdat zij een uur later in zwijm vallen. Iedereen heeft
wel eens een muis in den greep van een kat, of een pad in de kaken van
een slang gezien, en weet dat ze den indruk niet geven dat ze lijden
of besef hebben van den dood. En ik heb wel grooter beesten--konijnen,
hazelhoenders, herten--, zoo lijdelijk onder de klauwen of de nagels
die ze half verpletterden zien liggen, dat ik slechts de barmhartigheid
der natuur kon bewonderen. De dood was niet wreed, maar weldadig, en
gehuld in iets zoo vaags, iets zoo onwezenlijks, dat de beteekenis er
van geheel voor het dier verborgen bleef en het er zich over verbaasde
wat er nu zou gebeuren. Soms sterven de dieren van koude. Ik heb vaak
uilen, kraaien, kleine vogeltjes, op zoo'n bitter kouden morgen dood
en bevroren aan een tak vinden hangen, met de nagels van een pootje
er omheen geklemd. Zoo'n einde is ook barmhartig en pijnloos. Ik
ben zelf wel 's winters in de bosschen verdwaald geraakt en heb die
heerlijke matheid ondervonden die de koude geeft, mij zacht voelen
sluiten in de armen der sneeuw, die zoo rustig wenkten toen het ging
schemeren en de stilte over het woud lag en menschelijke spieren niet
meer konden. Dat is een zachte dood als de tijd daar is.
Soms sterven de dieren van honger, wanneer een ijzige storm alle
voerplaatsen bevroren houdt,--en dit is ook nog veel minder erg dan
ziekte, onder welken vorm dan ook--; dat weet iedereen die wel eens
dagenlang zonder eten is geweest. Lang voordat de pijn begint, wordt
elke gevoelsprikkel al afgestompt door een droomerige loomheid.--Soms
zijn brand of overstrooming de oorzaak, maar dan vertrouwt het dier
vast en zeker op zijn pooten of wieken--dat doet hij immers altijd--en
gaat op de vlucht, totdat het einde hem snel en zeker inhaalt. Die aan
't gevaar ontsnappen, kruipen dicht bij elkaar op de veilige plaatsen
en vergeten alles, hun natuurlijke vijandschap zelfs; niets dan een
groote verbaasdheid blijft hun bij over wat er toch gebeurd is. In
één woord, zoolang de dieren het eeuwige leven nog niet bezitten
en lastig of gevaarlijk konden worden door hun groeiend aantal, is
de natuur barmhartig; ook dan wanneer zij onverbiddelijk optreedt,
want zij zorgt dat de dood voor haar kinderen niet pijnlijk of
verschrikkelijk is. En wat van de dieren geldt gold ook eenmaal van
den mensch, totdat hij op allerlei uitvindingen zon om van ziekte
iets ondraaglijks te maken en een vijand van den dood.
Het dient wel in herinnering te worden gehouden dat al die laatste,
hier genoemde gevallen treffende afwijkingen zijn en geen regel in
het bosch. Verreweg de meeste dieren zonderen zich rustig af als hun
tijd gekomen is; en niemand vermeldt iets over hun dood--omdat een
mensch slechts oog heeft voor uitzonderingen. Hij verlangt een wonder,
maar ziet de zonsondergangen niet. Er komt iets dat het dier uit
zijn dagelijksche doen roept: de ouderdom of een natuurlijke ziekte
raakt hem zachtjes aan, op een wijze zooals hij 't nog nooit eerder
gevoeld heeft. Hij sluipt, gehoorzaam aan het waarschuwende instinct
van zijn geslacht, weg en zoekt een plaatsje uit waar niemand hem
vinden zal eer hij weer beter is. De beek murmelt, terwijl ze naar de
zee gaat; het water kabbelt en frutselt op de kiezelsteentjes, als
de koelte het wiegelt; de wind suizelt in de pijnboomen--het oude,
lieve slaapliedje, dat hij hoorde toen zijn ooren voor het eerst de
wereldharmonie in zich opnamen. De schaduwen lengen, de schemering
wordt dichter; zijn oogen worden zoo zwaar; hij sluimert in. En zijn
laatste bewuste gedachte--van den dood weet hij immers niets af--is
dat hij 's morgens weer zal ontwaken, als het licht hem roept.