_Oewit, oewit, tsjwie?_ _Oewit, oewit, oewit, tsjwie-ie-ie!_ zoo klonk
gierend en snerpend Ismaques' jachtkreet boven mijn hoofd. Toen ik van
mijn visschen opkeek, kon ik zijn breede wieken over mij heen zien
zwieren en trof mij de glinstering in zijn stralend oog, als het in
mijn kano spiedde of naar het koele plekje tusschen de rotsen achter
mij, om te kijken of ik ook wat ving. Zoodra hij echter al die visch
in 't oog kreeg--een zilveren wade over de donkere rotsen, waar ik
mijn zwartvisch [3] wegborg om ze voor berenaas te gebruiken--schoot
hij verbaasd een eind naar beneden om eens te kijken hoe ik dat
klaarspeelde. Als de forellen niet bovenkwamen en zijn scherpe blik
geen flikkertje rood of goud in mijn kano ontwaarde, vloog hij weer weg
met een aanmoedigend _k'wie-ie!_--dat is zooveel als "goede vangst"
van een broeder van 't visschersgilde. Want er is geen kwaad haar
aan Ismaques, er schuilt geen aasje schrielheid bij hem. Hij leeft
in vrede met de wereld en schijnt blij te wezen als gij een dikkerd
ophaalt, zelfs al is hij hongerig en al klinkt het geweeklaag uit
het nest waar zijn jongen om eten roepen, ook zoo doordringend dat
zijn gemoedsrust er door verstoord wordt.
Ik zou wel eens willen weten wat er toch in dat uit visschen gaan
schuilt, dat zelfs het oude bijbelwoord: "zal een luipaard zijne
vlekken veranderen?" schijnt te logenstraffen en tot een ander
mensch schijnt te maken wie als de knoppen zwellen zich haast bij 't
verscholen beekje te komen. Daar heb je Keeonekh, den otter. Voordat
hij visscher werd was hij een woeste, bloeddorstige wreedaard, die
een walglijken stank verspreidde, zooals alle andere wezels, maar
nu leeft hij met iedereen op goeden voet, is helder, is zachtaardig,
en wanneer ge een huisdier van hem maakt, wordt hij zoo speelsch als
een poesje en zoo trouw als een hond. En dan Ismaques, de vischarend:
voordat die visscher werd was hij net zoo gehaat als alle andere
roofvogels om zijn wreedheid en zijn rooversmanieren. De schaduw
van zijn wieken was voor alle schuwe dieren het sein om zich te
verbergen. Dan riepen gaai en kraai: "dief, dief!" Dan liet de
koningsvogel zijn krijgskreet weerschallen en schoot voor den dag om
't gevecht te beginnen. En nu--de kleine vogels bouwen hun nestjes
tusschen de takken van zijn groote woning en de schaduw van zijn
wieken is een veilige bescherming, want uil en havik en wilde kat
hebben al lang geleerd dat het maar 't verstandigst is goed op een
afstand te blijven van Ismaques' woonplaats.
Niet de vogels alleen, maar ook de menschen voelen de verandering in
zijn aard. Ik ken bijna geen jager, of hij zal een omweg maken als
hij een roofvogel onder schot kan krijgen; dezen gevleugelden visscher
echter, van hetzelfde bloeddorstige geslacht, roepen ze allen hartelijk
"goede vangst" achterna, zelfs al zien ze hem zwaar beladen opstijgen
uit de eigen waterkom waar de dikke forellen huizen en waar zij van
plan zijn bij zonsondergang in te gooien.
De visschers aan de zuidelijke kust van Nieuw-Engeland juichen het
uit bij zijn terugkomst--zoo geregeld als de maanden van het jaar. In
éen staat tenminste, waar hij het meest voorkomt, wordt hij door de
wet beschermd; en onze Puriteinsche voorouders zelfs, die niet aan
jachtwetten schijnen te hebben gedaan, zagen hem met gunstig oog
aan en maakten met hem een uitzondering op dat algemeene verlof tot
dooden. Laat het tot hun eer gezegd zijn, dat ze eens een jongen,
een zekeren Eliphalet Bodman, een Belialskind klaarblijkelijk,
"openbaarlijk gestraft" hebben, omdat hij gewelddadig met kruit en
lood een vischarend om het leven had gebracht en het nest met de
eieren van een anderen boosaardig vernield had.
Of dit laatste ook gewelddadig gebeurd was, door het nest met kruit
en lood uit een oud geweer in stukken te schieten, of eenvoudig op
jongens-manier: door in den boom te klimmen, vermeldt die wonderlijke,
oude stedelijke oorkonde niet. Dit dient hier echter alleen, om aan
te toonen dat onze voorouders aan de kust in hun hart vriendelijke
menschen waren; dat die brave, eenvoudige visscher, met zijn nest bij
hun deur, vrijwel dezelfde beteekenis voor hen had als de ooievaar bij
de Duitsche dorpsbewoners, waar hij op de schoorsteenen nestelt,--en
zijn komst werd door de visschers als een voorteeken van een goede
vangst beschouwd.
Diep in de wildernis, waar Ismaques nestelt en uit visschen gaat,
zooals zijn voorouders een duizend jaar geleden, vindt ge door weelde
noch armoede geschaad dienzelfden trouwen vogel, die toen wij nog
jong waren al op onze verbeelding werkte en zich een goede gezindheid
verwierf bij onze voorvaderen aan de kust. In zekeren zomer had ik
mijn tent aan het meer opgeslagen; ik kon er maar niet toe besluiten
op te breken, geheel bekoord door die heerlijke omgeving en het goede
vischwater. Tegenover mij hadden een paar vischarenden in den top
van een hoogen spar aan de berghelling hun nest gebouwd. _Zij_ waren
het die elken dag boven mijn kano of boven de rotsen, waar ik naar
zwartvisch hengelde, kwamen kringen, om te zien hoe ik het maakte,
en om mij een verheugd _Tsj'wie! tsjip, tsj'wie-ie!_ "goeie vangst,
en visch plezierig!" toe te roepen, wanneer ze weer wegzwenkten. Er
zou nu heel wat bewijskracht noodig zijn, om er mij van te overtuigen
dat ze mij ten slotte niet als broeder van het gilde erkenden en
niet oprecht belang stelden in de manier waarop ik te werk ging,
en in het succes dat ik er mee behaalde.
Niet zoozeer om de vischarenden te bestudeeren ging ik eerst naar
dat nest toe, maar om daar zoo nu en dan eens een glim op te vangen
van een schuw natuurleven der bosschen, dat voor de meeste blikken
verborgen is. Het ging goed met het visschen, want de beide vogels
kenden hun vak in de puntjes. Toen de jongen nog in hun groei waren,
was er altijd meer dan genoeg in 't groote nest op den sparretop. Wat
er van dien overvloed restte, in den vorm van koppen, graten,
overblijfsels waar ze voor bedankten, werd over den rand van het nest
gegooid en leverde een uitgezochte lekkernij voor allerlei hongerig
rondsluipende dieren. "Minken" staakten hun kikkerjacht in de beek, en
door den lekkeren geur in de lucht aangelokt kwamen zij er op af. Pof,
pof, daalden bunzings den heuvel af, met een eigenaardig hol, dof
geluid, waar ze hun komst mee aankondigen. Wezels en een oude, grijze
boommarter, die te langzaam of te rheumatisch was om op de boomen
nog een dier te vangen, gleden uit het kreupelhout te voorschijn en
tastten toe zonder verlof te vragen. Wilde katten vochten als duivels
om de heerlijke kluifjes; meer dan eens hoorde ik ze 's nachts te keer
gaan. En eens, laat op een middag, toen de schaduwen dieper werden
en ik er nog niet toe besluiten kon mijn schuilplaats tusschen de
rotsen te verlaten, kwam er heel behoedzaam, alsof hij voor zichzelf
een beetje met zijn figuur verlegen was, een groote lynx uit het
kreupelhout, die kieschkeurig aan de vischgraten begon te snuffelen.
Hij kwam daar blijkbaar voor 't eerst, en wist niet dat Jan en
alleman er mocht komen smullen, maar verkeerde al dien tijd in de
meening dat hij den een of ander zijn buit opat. Dat was duidelijk uit
zijn houding, uit de verschrikte bewegingen die hij maakte, uit zijn
geluister, uit de wijze waarop hij zachtjes in zichzelf zat te brommen
op te maken. Hij was grooter dan elk ander dier dat er was en hoefde
dus niet bang te wezen; maar voor het jachtrecht en voor een andermans
eigendom koesteren de dieren een geweldig ontzag; en dit voelde ook
die groote kat. Hij had trek in visch, maar zoo groot als hij was,
gaven toch al zijn bewegingen te kennen dat hij klaar stond om zijn
hielen te lichten voor het eerste het beste kleine beest, dat op zou
komen dagen en hem toebijten: "Dat is van mij!" Toen hij later wat
op zijn gemak raakte en ook aan de edelmoedigheid van den vischarend
wende, die een feestmaal aanricht voor al wat langs de sluipwegen en
door het dichte kreupelhout van de wildernis aankomt, trad hij brutaal
genoeg op en eischte hij wat hem toekwam. Zooals hij daar nu echter
steelsgewijze rondsloop en telkens angstig stilstond om te luisteren,
bood hij gelegenheid om het recht onder de dieren te bestudeeren,
wat op zichzelf al een vergoeding voor die lange uren wachtens
was. Maar de arenden zelf boezemden mij meer belangstelling in dan
hun ongevraagde gasten. Ismaques--trouwe baas die hij is--paart voor
zijn heele leven en keert jaar in jaar uit tot zijn oude nest terug. De
eenige afwijking van dien regel, waarvan ik weet, is dat geval met een
vischarend dien ik als jongen goed gekend heb, en die zekeren zomer
door een noodlottig toeval zijn wijfje verloor. Het ongeluk gebeurde
met een geweer, dat een onnadenkend jager hanteerde. Het was duidelijk
dat Ismaques verdriet had; dat zagen zelfs menschen die anders niet
hard over de dingen nadenken. Uit dien verlaten, vragenden kreet die
over het stille zomerwoud schalde was het te hooren; het was te zien
aan het klapwieken van zijn vleugels, als hij ver het land in vloog
naar andere meren--niet om te visschen, want Ismaques vischt nooit
in het vischwater van zijn buurman, maar om zijn verloren wijfje te
zoeken. Wekenlang bleef hij op de oude, bekende plaatsen toeven, aan
alle kanten roepen en zoeken, maar eindelijk werden hem de eenzaamheid
en al die herinneringen te machtig, en verliet hij, lang voordat
de trektijd gekomen was, dat oord. Den volgenden zomer kwam er een
vreemd paar zijn plaats innemen, herstelde het oude nest en ging in
het meer visschen. Gewoonlijk eerbiedigen de vogels elkaars vischwater
en vooral elkaars oude nesten; maar deze twee kwamen er zoo zonder
aarzeling bezit van nemen, alsof ze op de een of andere wijze een
schikking getroffen hadden met den eigenaar, die nooit meer terugkwam.
Al jarenlang woonden mijn vischarenden op dien ouden spar aan de
helling. Zooals 't gewoonlijk gaat, had de boom zich aan zijn meesters,
de vogels, opgeofferd. Het vet van hun vele smulpartijen was door
den bast gesijpeld, al meer en meer naar beneden getrokken, zoodat de
sappen, verhinderd op te stijgen, ten langen leste ontmoedigd werden
en niet meer naar boven kwamen. Toen stierf de boom en stond zijn
takken een voor een af, om het nest daarboven te herstellen. Overal
was het aan de scherpe, puntige uitsteeksels te zien, hoe ze waren
afgebroken als de arend ze noodig had.
Die afgeknapte takken wijzen op een merkwaardig staaltje van bouwkunst,
dat ge elk jaar zelf kunt leeren kennen door de vogels gade te slaan
onder het bouwen. Voor den bodem van het nest zijn dikke takken noodig,
waar de grond mee bezaaid ligt. Maar Ismaques komt nooit op den grond,
als hij het even vermijden kan. Wanneer hij boven de boomen in zijn
vlucht een buitengewoon zwaren visch laat vallen, gaat hij er zelfs
nooit heen, maar kijkt hem spijtig achterna. Het kan wel wezen dat
hij honger heeft, maar hij zal nooit met zijn reusachtige klauwen
op den grond komen, want loopen kan hij niet; hij is er volslagen
machteloos. Dan verdwijnt hij dus maar weer en gaat nog eens urenlang
geduldig aan 't visschen om zich schadeloos te stellen voor zijn
verloren buit. Wanneer hij takken voor zijn nest noodig heeft, zoekt
hij een boom uit en breekt door zijn gewicht het doode af. Wil de
tak niet, dan stijgt hij de lucht in, schiet als een kanonskogel naar
beneden, grijpt hem met zijn klauwen beet, en door de kracht waarmee
hij neerkomt knapt hij hem meteen af. Tweemaal vond ik den weg naar de
plaats waar Ismaques en zijn wijfje bouwmateriaal verzamelden, door
een geknal alsof er pistoolschoten in het bosch weerklonken, elken
keer dat de groote vogels zich op de doode takken lieten neervallen
en ze afknapten. Eens, toen er een te hard neerkwam, zag ik hem bijna
op den grond vallen en wild met zijn wieken klappen, eer hij weer op
streek geraakte en zegevierend met zijn vier voet langen tak wegvloog.
Ik heb hier zekeren najaarsdag nog eens zoo'n merkwaardige
vogelgewoonte ontdekt, toen ik veel later dan gewoonlijk over het meer
terugkeerde. Wanneer Ismaques voor zoo'n heelen winter naar het Zuiden
trekt, levert hij zijn woning maar niet zoo op genade of ongenade aan
de winterstormen over zonder haar eerst te hebben hersteld. Nieuwe,
dikke takken worden stevig in het dak van het nest gedreven; oude,
verdachte er uitgetrokken en zorgvuldig door andere vervangen; het
geheele gebouw kant en klaar gemaakt voor stormweer. Dit zorgvuldig
herstellen, gevoegd bij het feit dat het nest steeds in vet gedrenkt
is, wat het voor waterschade bewaart, bespaart Ismaques heel wat
moeite. Hij bouwt voor zijn heele leven, en wanneer hij in den herfst
weggaat, weet hij dat--behoudens onvoorziene omstandigheden--zijn
woning daar bij zijn terugkeer in het voorjaar zoo rustig, vriendelijk
op hem staat te wachten; dat hij welkom is in de oude omgeving. Of
dit een gewoonte is van alle vischarenden, of alleen van die twee
aan het Groote Squatuk-meer--die ook in andere opzichten merkwaardig
verstandig waren--weet ik niet te vertellen.
Wat er van de jongen wordt is mij ook nog een geheim. Er bestaat een
sterke familieband, en de jongen blijven veel langer bij de oude dan
bij andere vogels gewoonlijk het geval is; maar wanneer het lente
wordt, zult ge alleen vader en moeder bij 't oude nest aantreffen. Ik
geloof wel dat de jongen in de vroegere omgeving mee terugkomen, maar
als het meer klein is, bouwen ze nooit aan hetzelfde water--indringen
doen ze zich niet. Elk paar schijnt er--even als de ijsvogels--zijn
eigen meer, of gedeelte van een meer, op na te houden; maar aan welke
waterwet zij hun recht ontleenen, waarop zij hun aanspraken gronden,
staat nog te ontdekken.
Toen ik dat nest voor den eersten keer vond, waren er twee jongen
in; en ik nam ze gewoonlijk waar in die tusschenpoozen dat niets
zich bewoog in het kreupelhout bij mijn schuilplaats. Het waren
voorspoedige, twetterende beestjes, goed doorvoed en voldaan over de
wereld. Ze konden soms urenlang op den nestrand, over de boomtoppen
langs de helling, naar het meer staan kijken; en naar hun houding
en hun getierelier te oordeelen, vonden ze die groote, ruischende,
groene wereld, de vogels die voorbijtrokken, de lichtflitsen op
het sparkelende water, het wazige blauw van de bergen in de verte,
buitengewoon merkwaardig--totdat er een paar breede wieken in 't
zicht zwenkten, en zij hun vleugels wijd opensloegen en losbarstten
in een gretig gesjilp: _piep, piep, tsj'wie? tsj'wie-ie-ie?_ "Heb
je hem gevangen? Is 't een groote, moeder?" En dan richtten zij zich
voorzichtig op langs den rand van het groote nest en rekten begeerig
hun halsjes uit om vast een glimp van den buit op te vangen.
Soms trok er maar een van de vogels op uit om te visschen, terwijl de
andere op het nest paste; als de vangst echter dunnetjes was, togen
ze alle twee naar het meer. Bij zoo'n gelegenheid vischte de moeder,
die grooter en sterker is dan het mannetje, langs de kust, waar ze
haar jongen hooren kon en een oogje op ze houden; terwijl het mannetje
het meer over zeilde naar de forellenkolken in de monding der beek,
waar de zwartvisch zat, om er een beter vischwater te zoeken. Wanneer
hij met zijn visch terugkwam en er stond een stevige bries, dan
was er een merkwaardig staaltje van zeemanschap te zien. Nooit zou
hij pal tegen den wind in vliegen, maar steeds laveert hij, alsof
hij dat kunstje had afgekeken van de visschers aan de kust, wanneer
deze met tegenwind naar land terugzeilen. En wie hem door zijn kijker
gadesloeg zou zien dat hij zijn visch altijd overlangs droeg, met den
kop vooruit, om zoo weinig mogelijk weerstand aan den wind te bieden.
Wie de jongen zag voeren en merkte hoe netjes Ismaques ze opvoedde,
kreeg stellig nog meer eerbied voor hem. Was het een groote visch,
dan werd hij aan flarden gescheurd en bij stukken en brokken aan de
jongen gegeven, die met voorbeeldig geduld elk hun beurt afwachtten;
geen gedrang, geen geduw om den eersten, grootsten hap, zooals we dat
in een roodborstjesnest zien. Was het een kleine visch, dan kreeg een
van de jongen hem in zijn geheel, die hem dan zoo goed en zoo kwaad
als 't ging naar beneden werkte, terwijl de moeder weer naar het meer
schoot om er nog een te halen. Het tweede jong stond onderwijl op den
rand van het nest, piepte haar een goede vangst na en wachtte, tot
het zijn beurt zou wezen, zonder er blijkbaar ook maar een oogenblik
aan te denken van zijn broertje naast hem wat af te grijpen.
Vlak beneden de arenden, tusschen de takken van hun woning, hadden een
paar blauwe gaaien hun nest gebouwd en hun jongen grootgebracht met de
kruimels, die er overvloedig van "den disch des rijken" vielen. Het
was buitengewoon merkwaardig de verandering gade te slaan, die er
door deze ongewone vriendschap in den aard van de gaai scheen plaats
te grijpen. Deedeeaskh, de gaai, telt geen enkelen vriend onder de
boschbewoners. Ze weten alle dat zij een dievegge en een bemoeial
is, en jagen haar onverbiddelijk weg, als ze haar bij hun nest
aantreffen. Maar de groote vischarenden hebben haar vriendelijk en
zonder erg ontvangen; en zij heeft dit ongewone blijk van vertrouwen
edelmoedig beantwoord.
Nooit heeft zij getracht den jongen iets af te stelen, zelfs niet
als de moeder weg was, maar zich steeds vergenoegd met de kliekjes
die ze hadden overgelaten. En haar schuld aan Ismaques heeft zij
ruimschoots voldaan door de trouwe wijze waarop zij de wacht hield
over het nest en eigenlijk over de geheele berghelling. Er gebeurt
niets in het bosch zonder dat de gaai het weet; en hier leek zij
ook net een waakzame fox, die wist dat hij maar hoefde te blaffen om
machtige vleugels en klauwen te doen verschijnen, in staat elk gevaar
af te weren. Als er dieren den berg af kwamen sluipen om aan den voet
van den boom aan de koppen en graten te smullen, die daar verspreid
lagen, liet Deedeeaskh zich tusschen hen in vallen, en scharrelde
daar rond, roepend, vragend--want nooit is haar nieuwsgierigheid
bevredigd. Zoolang ze alleen namen wat hun toekwam, maakte zij er geen
herrie over, maar zij was er om de wacht te houden en zij peperde ze
geducht hun vergissing in, als ze lieten blijken dat ze wat kwaads
in den zin hadden tegen 't nest daarboven.
Terwijl ik eens in mijn kano langs den oever gleed, hoorde ik de
gaaien alarm slaan; ik kon mij onmogelijk vergissen. De vischarenden
wiekten in groote kringen boven het meer, terwijl ze loerden naar
het geglinster van visch aan de oppervlakte, toen de kreet tot hen
doordrong en ze vlug als de wind op het nest afschoten. Ik zette van
den kant af en zag hoe ze in snelle kringen boven de boomtoppen wielden
met korte, doordringende kreten van woede. Daarna begonnen ze heftig op
het een of andere beest te stooten, dat beneden bezig was in den boom
te klimmen--waarschijnlijk een vischmarter. Ik naderde voorzichtig
om te zien wat het was, maar voordat ik de plaats bereikte, hadden
ze den indringer al verjaagd. Een heel eind het bosch in hoorde ik
een van de gaaien, die tierend achter den roover aantrok, om den
vischarenden te wijzen waar hij was. De andere gaai zat, door de
groote, donkere vleugels boven in de lucht beschaduwd, ineengedoken
bij haar eigen jongen. Weldra kwam Deedeeaskh terug, schetterend van
opwinding, om hun op zijn manier aan het verstand te brengen dat hij
dien schelm heelemaal tot zijn hol achterna was gegaan en dat hij in
't vervolg goed op hem zou letten.
Wanneer er een groote havik in de buurt kwam, of als er op een donkeren
namiddag een jonge uil in de naaste omgeving uit jagen ging, sloegen
de gaaien alarm en kwamen de vischarenden oogenblikkelijk van het
meer aansuizen. Of Deedeeaskhs bezorgdheid over zijn eigen jongen
grooter was dan over de kleine vischarenden zou ik niet kunnen
zeggen. De visscher toonde bij zoo'n gelegenheid in zijn gedrag
een eigenaardige mengeling van angst en uitdaging. De moeder zat op
het nest, terwijl Ismaques er boven kringde en beide een schellen,
gierenden uitdagingskreet lieten hooren. Maar de gevederde roovers
vielen ze nooit zoo aan, als ze den vischmarter gedaan hadden, en
voor zoover ik het beoordeelen kan hoefde dit ook niet. Al waren
Kookooskoos, de uil, en Hawahak, de havik, ook nog zoo hongerig,
ze togen naar een ander jachtgebied, wanneer ze die breede wieken
boven het nest zagen kringen en de schelle uitdaging hun in de ooren
klonk. Slechts één vijand bestond er die den vischarenden werkelijk
last veroorzaakte, en deze deed het dan nog zoo netjes als het
onder zulke omstandigheden mogelijk was. Cheplahgan, de adelaar, was
het. Wanneer hij honger had en zelf niets had kunnen vinden, en zijn
twee jongen daar heel ginder in hun nest op den berg eens een hapje
visch noodig hadden als een kleine afwisseling in hun eten, zette hij
zijn vleugels schrap om tegen wind in te vliegen en steeg de lucht
in, totdat hij de twee vischarenden die aan het visschen waren in het
oog kreeg. Daar bleef hij dan urenlang in groote kringen rondzeilen,
turend en turend, totdat hij Ismaques een dikken visch zag vangen, om
dan snel als de bliksem naar beneden te schieten en hem op de hielen
te blijven, naar echte struikrooversmanier. Een poging tot ontvluchten
diende nergens toe. Soms probeerde Ismaques het, maar dan flapten de
groote, donkere vlerken om hem heen en was er iets in 't geluid van
den vleugelslag dat ontegenzeglijk een waarschuwing beteekende. Het
eindigde altijd op dezelfde manier: Ismaques, die verstandig was,
liet zijn visch vallen, de adelaar schoot er achteraan en greep dien,
nog dikwijls voor hij in het water viel. Maar de vischarenden deed
hij nooit kwaad en het nest verstoorde hij ook niet, zoodat ze best
met elkaar overweg konden. Cheplahgan bezorgde zich op zijn manier
zoo nu en dan eens een hapje visch, en de brave Ismaques, die nooit
lang hongerig hoefde te blijven, schikte zich zoo goed en kwaad als
het ging in zijn toestand. Dit is een bewijs dat het visschen hem
ook geduld en een verstandige levensopvatting heeft geleerd.
De blauwe gaaien bemoeiden zich niet met dit geharrewar. Soms lieten ze
wel een doordringenden waarschuwingskreet hooren, als Cheplahgan boven
Ismaques uit de blauwe lucht kwam neerduikelen, maar ze schenen best
te begrijpen hoe die ongelijke strijd moest eindigen, en ze hadden
er met elkaar heel wat over te snateren; ik heb echter nooit kunnen
ontdekken _wat_ ze eigenlijk precies vertelden.
Ik voor mij weet zeker dat Deedeeaskh er nooit achter is kunnen komen
wat hij wel van mij moest denken. In het begin sloeg hij altijd
alarm als ik naderde, waarop de vischarenden in kringen boven hun
nest kwamen zweven en met vlammende, gele oogen in het kreupelhout
tuurden, om te zien welk gevaar er dreigde. Nadat ik mij echter een
paar maal verborgen had, en dan geen aanstalten maakte om het nest
te verstoren of de hongerige gasten kwaad te doen, die aan kwamen
sluipen om zich aan de milde gaven van den vischarend te goed te doen,
maakte Deedeeaskh uit dat ik een lui schepsel was en geen kwaad kon;
maar hij zou toch een oogje op mij houden. Hij raakte nooit over
die nieuwsgierigheid heen, om er achter te komen wat ik er eigenlijk
had te maken. Wanneer ik hem ver weg waande, vond ik hem soms vlak
boven mijn hoofd op een tak, waar hij aandachtig naar mij zat te
kijken. Ging ik heen, dan volgde hij mij fluitend naar mijn kano;
maar de vischarenden riep hij niet weer, behalve wanneer de een of
andere ongewone beweging van mij zijn argwaan opwekte; en na één blik
op mij vlogen ze dadelijk weer in kringen weg, alsof ze beseften dat
ze voor niets bang hoefden te wezen. Ze hadden mij zoo dikwijls aan
het visschen gezien, dat zij mij stellig wel meenden te begrijpen.
Die vogels hielden er een merkwaardige gewoonte op na, die ik nooit
eerder had opgemerkt. Af en toe--als het weer dreigde om te slaan of
als de vogels en hun jongen verzadigd waren--steeg Ismaques de lucht
in, tot hij een geweldige hoogte bereikt had; dan bleef hij langzaam
in kringen rondzeilen, met zijn breede wieken uitgespannen in den
wind, alsof hij een gewone kiekendief was die plezier had en boven
alles verheven op de wereld neerkeek. Plotseling liet hij zich met
een helderen, doordringenden kreet, om aan te kondigen wat hij van
plan was, als een schietlood wel duizend voet naar beneden vallen,
hield zich midden in de lucht weer in evenwicht en laveerde op het
nest beneden in den sparretop aan, draaiend en duikend en duikelend
en onderwijl van verrukking zijn wilde kreten slakend;--net als een
houtsnip naar zijn bruine wijfje, beneden in het elzenhout, komt
neerschieten: wentelend en buitelend en twetterend. Daarna steeg
Ismaques weer naar boven om zijn duizelingwekkenden val opnieuw
te vertoonen, terwijl zijn wijfje, dat grooter is, rustig op den
sparretop stond en de vischarendjes op den rand van het nest heen en
weer sprongen en het uitpiepten van verbazing en verrukking over die
verbijsterende vertooning van _hun_ papa!
Er is geen twijfel aan, of dit is een van de gewoonten die Ismaques
er in het voorjaar op nahoudt om een bewonderenden blik te verwerven
uit de doordringende, gele oogen van zijn wijfje; maar ik merkte dat
hij er meer gebruik van maakte, toen de jonge vischarenden al een
mooie, breede vlucht begonnen te krijgen en hij en zijn vrouw ze er
op alle mogelijke vriendelijke manieren toe trachtten te krijgen het
nest uit te komen. Daarom heb ik wel eens gedacht--zonder ook maar
eenigszins in staat te zijn die veronderstelling te staven--of hij op
deze merkwaardige wijze, door ze te vertoonen hoe wonderbaarlijk mooi
er kan worden gevlogen, bij zijn jongen den lust niet wilde opwekken
het zelf te doen.