EEN KREET IN HET DONKER.

Nu komt de rest van de geschiedenis der kleine hertekalfjes,

die ik aan de beek onder den bemosten tronk vond--net zooals ik

het zag gebeuren. Ge weet nog wel dat er twee waren; en al leken

ze op 't eerste gezicht als twee droppels water op elkander, ik

ontdekte gauw dat hertekalfjes net zooveel van elkaar verschillen

als kleine menschen. Oogen, snuitje, aanleg, aard--dat alles was bij

hen zoo verschillend als de maagden in de gelijkenis. Het een was

een verstandig en 't ander een dom klein ding. Het een was volgzaam

en bevattelijk, nooit vergat het zijn tweede voorschrift; het tweede

volgde van 't begin af alleen zijn eigenwijze kopje en pootjes, tot het

eindelijk ontdekte dat gehoorzaamheid zijn eenige behoud was--maar toen

was het te laat. Voordat de beer hem te pakken kreeg,--ik geloof zeker

dat het op zijn manier, dwaas en zwijgend, meende dat gehoorzaamheid

slechts voor de zwakken en de dommen dient; en dat al die moeders

in de wildernis zooveel te zeggen hebben is eigenlijk misbruik maken

van haar macht, om jonge diertjes te beletten hun eigen gang te gaan.

Toen de wijze, oude moeder wist dat ik ze gevonden had, haalde zij hen

allebei weg en verstopte ze op een plekje waar het nog eenzamer was,

in 't hartje van het groote woud, dichter bij het meer, waar zij haar

voedsel haalde en hen dus des te gauwer bereiken kon. Nog dagenlang

na die merkwaardige ontdekking ging ik er bij 't krieken van den dag,

of laat in den middag, als de hertemoeders gewoonlijk langs de oevers

aan 't weiden zijn, op uit om het dal van 't begin tot het einde af

te zoeken, in de hoop de kalfjes terug te vinden en hun vertrouwen

te winnen. Maar ze waren er niet, en in plaats van verder te zoeken

wijdde ik mijn aandacht aan een otterfamilie, die in een hol onder een

boomwortel huisde, en aan een grooten uil, die altijd in dienzelfden

spar kwam slapen. Op zekeren dag echter lokte een koppel patrijzen

mij uit de wilde frambozen naar een oase, koel en groen te midden van

het verzengde land rondom, waar ik plotseling voor de hinde met haar

kalfjes stond, die daar op dien warmen dag samen onder de kruin van

een gevallen boom lagen te dommelen, tot de hitte wat voorbij was.

Mij hadden ze niet gezien, maar ze waren opgevlogen, toen een tak

waarop ik stond uit te kijken naar mijn patrijzen onder mijn voeten

bezweek, zoodat ik met groot gekraak onder den omgevallen boom

terechtkwam. Toen ik daar op den uitkijk stond kon ik ze prachtig

waarnemen, terwijl zelfs Kookooskoos _mij_ nauwelijks ontdekt zou

hebben; maar bij 't eerste gekraak sprongen ze alle drie overeind,

als duiveltjes in een doosje, wanneer 't haakje los wordt gemaakt. De

moeder stak haar witte vaantje in de lucht--den sneeuwwitten onderkant

van haar nuttige staartje, die bij dag en bij nacht als een baken

licht--en sprong weg met een heesch _ka-a-a-a-h!_ tot waarschuwing. Een

van de kleintjes volgde dadelijk dapper in het voetspoor van de moeder,

terwijl het met zijn eigen witte vaantje wuifde om den weg te wijzen

aan al wat achter hem aan mocht komen. Maar het andere hertje ging er

op staanden voet van door; stond echter al gauw weer stil om ons aan

te staren en te roepen en met zijn teere pootjes te stampen, in een

grappige mengeling van nieuwsgierigheid en uitdaging. Tot tweemaal

toe moest de moeder in een kring terugkomen, eer hij haar eindelijk

onwillig volgde. Elken keer als ze weer aan kwam sluipen kwispelde

haar hangend staartje zenuwachtig--

Als ge dat ziet, kunt ge er zeker van zijn dat er een flauwe

menschengeur door het bosch drijft, dien het hert in zijn scherpen

neus heeft gekregen, zoodat het voor uw tegenwoordigheid gewaarschuwd

is.--Maar wanneer ze weer wegsprong, ging het witte vaantje steil

overeind, floep!--vlak voor den neus van haar domme kalfje, en beduidde

het, zoo goed als elke andere taal, welk sein het maar te volgen had

om aan 't gevaar te ontkomen en zijn pootjes niet te breken in het

verwarde kreupelhout.

Pas veel later, toen ik de hertjes al verscheiden keer had bespied,

besefte ik van hoeveel gewicht die laatste gissing is. Wie een

opgeschrikt hert achtervolgt, het met een halsbrekende vaart ziet of

hoort wegspringen over losse rotsblokken en afgeknapte boomstronken,

over het dooreengestrengelde kreupelhout--nu in snellen sprong zwevend

aan dezen kant van een omgewaaiden boom, terwijl hij bij 't dalen pas

weet hoe 't aan den anderen kant is, dan als een pijl uit den boog

voortschietend over een terrein waar gij als een slak moet volgen

om geen voet te verstuiken of een enkel te breken,--vraagt zich te

vergeefs in stomme verbazing af hoe een hert een kwart jaar in de

wildernis kan leven zonder al zijn pooten te breken. En wie 's nachts

een hert hoort wegspringen onder hevig gekraak, misschien wel over een

woest terrein, waar de laatste storm links en rechts de boomen geveld

heeft, zoodat ge er u bij dag nauwelijks een weg door kunt banen,

dien wordt het plotseling duidelijk dat het wonderbaarlijkste van

een hertenopvoeding niet uit een scherp gezicht of trompetooren of

zijn fijne, geschoolde reukorganen (honderdmaal gevoeliger dan elke

barometer) blijkt, maar hieruit dat het niet voortdurend aan zijn

pootjes denkt. 't Is haast alsof ze oogen en zenuwen en verstand in

hun harde hoeven hebben, in plaats van de gevoellooze stof die er te

zien is.

Let er eens op hoe die hinde wegspringt, en door 't kwispelen van haar

staart haar zorgelooze jong beduidt dat het volgen moet. Zij denkt

slechts aan hem, en ge kunt zien hoe haar pootjes voor zichzelf mogen

zorgen. Als ze boven den zwaren boomstam zweeft, hangen ze zoo slap

als een handschoen waar de hand uitgetrokken is in 't enkelgewricht

en wachten en loeren. Daar raakt een van de hoeven een takje aan:

bliksemsnel splijt hij en komt neer; slechts een ondenkbaar klein

oogenblik heeft hij langs dat ding daar, dat hem in den weg kwam,

getast, om te weten of hij weer moet hangen of zich schrap zetten,

weer de hoogte in, of nog lager om goed terecht te komen. Let eens

op die wonderlijke hoeven der achterpooten, net voor ze grond raken,

hoe ze naar voren zwaaien en op den tast het terrein verkend hebben,

hoe ze zich schrap hebben gezet--in zoo'n ondeelbaar oogenblik, dat

het onzichtbaar blijft voor het oog--voor den schok op steenen of

vermolmd hout of veerend mos, of wat daar aan dien anderen kant ook

ligt. De voorpootjes hebben aan de oogen daarboven gehoorzaamd en

schieten vast en zeker op hun landingsplaats neer; de hoeven van de

achterpooten moeten zelf maar zien waar ze onder 't dalen terechtkomen,

en voordat ze nog een plek gevonden hebben bijna, weer samentrekken

om zich af te zetten met de krachtiger spieren van het dijbeen.

Maar ééns vond ik een jong hertje met een gebroken poot--dat was nog te

weinig geoefend; en ik hoorde eens hoe een gewonde bok, ten doode toe

door honden gejaagd, zoo gestruikeld was om nooit weer op te staan;

maar dit waren uitzonderingen. Merkwaardig toch dat het niet met elk

hert zoo gaat, wanneer de angst het door de wildernis jaagt.

Dat is dus nog een reden waarom de jonge hertjes een wijzer hoofd

moeten leeren gehoorzamen dan hun eigen kopje. De moeder moet den

weg voor hen zoeken, totdat hun pootjes geoefend genoeg zijn, en een

verstandig hertekalf zal precies haar spoor volgen. Dit verklaart

ook waarom herten de gewoonte hebben zoo dikwijls achter elkaar te

loopen--zelfs als ze al lang volwassen zijn--soms wel een stuk of

zes achter een wijzen leidsman aan, zoo zorgvuldig in zijn spoor,

dat ze maar een enkele prent achterlaten. Misschien gebeurt dit ten

deele om hun ouden vijand, den wolf, en hun nieuwen, den mensch,

om den tuin te leiden: het spoor van de zwakke is dan in de stappen,

in de hoefprenten van een grooten bok verborgen; maar het geschiedt

ook ouder gewoonte en wijst op den oefentijd, als de hertjes voor

't eerst het vaantje leeren volgen.

Na die tweede ontdekking ging ik 's middags vaak naar een bepaald

punt op het meer, het dichtst bij de schuilplaats der hinde, wachtte

dan in mijn kano tot de moeder te voorschijn kwam en zoo verried

waar ze haar kleintjes verborgen had. Het leek wel alsof de hinde

altijd uitgehongerd was, doordat haar jongen grooter werden en zij

ze nog steeds moest zoogen. Als ik daar in mijn kano zat te wachten,

hoorde ik gekraak in 't struikgewas, wanneer ze rechttoe, rechtaan,

onachtzaam bijna, op het meer aandraafde, en zag ik haar door het ruige

kreupelhout langs den wateroever breken. Dan gunde zij zich nauwelijks

den tijd om even rond te kijken en te snuffelen of er geen gevaar in

de lucht was, en sprong op de bladeren van de waterlelies af. Soms

lag mijn kano in 't volle gezicht; ze lette er echter niet op, maar

rukte de sappige knoppen en stengels af en slikte ze door met een

graagte alsof ze een uitgehongerde wolf was. Daarop roeide ik weg,

sloeg de richting in waar zij vandaan gekomen was en ging ijverig

naar de kleintjes zoeken tot ik ze vond.

Dit gebeurde echter maar twee of drie keer. Ze waren al schuw geworden,

herinnerden zich niets meer van onze eerste ontmoeting, zoodat ze,

als ik mij vertoonde of te dicht in hun buurt een takje liet knappen,

in een ommezien in 't kreupelhout gesprongen waren. Het eene ging

er altijd halsoverkop van door, met zijn witte vaantje wuivend

om te toonen dat hij zijn les had onthouden; het andere liep in

een zigzaglijn weg en hield op elken hoek dien hij maakte stil, om

achterom te kijken en mij nieuwsgierig met oogen en ooren op te nemen.

Zoo'n ongehoorzaamheid kon maar op éen manier afloopen--dat bleek

mij op een middag ten duidelijkste. Was ik toen zoo'n bloeddorstig

roofdier geweest, zooals er in de wildernis rondsluipen, dan zou de

klauw van Upweekis, den schimachtigen lynx van de streken waar een

dichte, lage plantengroei is ontstaan na den brand die er overging,

plotseling aan 't verhaal over dien kleinen baas een einde hebben

gemaakt. Het was laat op den middag, toen ik op weg naar het meer

langs een hertenpad een hoogte over kwam, en neerkeek in een lang,

nauw dal, waar 't vol frambozen stond met hier en daar wat geblakerde

boomen, die slechts dienden om de eenzaamheid, het wanhopig verlatene

van die plaats te doen uitkomen.

Vlak onder me stond een hinde hongerig te grazen; alleen haar

achterlijf stak uit het kreupelhout. Ik stond dat een poosje zoo aan te

kijken; toen liet ik mij op handen en voeten glijden en begon er heen

te kruipen om eens te zien hoe dicht ik bij haar kon komen, en wat

ik misschien nog verder voor merkwaardigs zou ontdekken. Maar bij de

eerste beweging die ik maakte, (ik had als een oude boomstomp boven

op den heuvel gestaan) sprong er met een snerpenden alarmkreet een

hertekalf te voorschijn, dat mij klaarblijkelijk van het kreupelhout

uit, waar ik het niet zien kon, had gadegeslagen. De hinde wierp haar

kop in den nek en keek mij strak aan, alsof zij uit die waarschuwing

meer begrepen had dan ik voor mogelijk had gehouden. Zij aarzelde of

zocht ook geen oogenblik, maar haar blikken richtten zich onmiddellijk

op mij, alsof dat geluid van het hertekalfje beteekende: "Achter je

moeder, op het pad bij de tweede grijze rots!" Toen sprong ze weg,

vlug als de wind den heuvel aan den overkant op, boomwortels en

rotsblokken over, alsof ze op stalen veeren ging; en bij elken sprong

klonk haar heesche schreeuw, terwijl haar waakzame kleintje prachtig

zooals 't hoorde haar volgde.

Op 't eerste sein van onraad ontstond er een geritsel in 't

kreupelhout, waar zij gestaan had, en sprong nog een hertje te

voorschijn. Ik herkende het dadelijk--het zieltje zonder zorg--en

begreep dat het al te lang dat volgen van 't vlaggetje veronachtzaamd

had. Nu was het zijn kopje kwijt, nu was het angstig, verschrikt, wist

niet wat te beginnen, en kwam net den verkeerden kant uit rennen het

hertenpad op, recht naar mij toe, tot het nog maar twee sprongen van

mij af was. Toen pas kreeg het den man in 't oog, die daar voor hem

op 't pad geknield lag en hem rustig gadesloeg. Bij die vreeselijke

ontdekking stond het stokstijf stil en scheen ineen te krimpen onder

mijn blik; dan schoof het langzaam op zij naar een grooten boomstronk,

verschool zich tusschen de wortels en bleef roerloos staan,--een

alleraardigst beeld van onschuld en nieuwsgierigheid, omlijst door de

ruige bruine wortels van den sparretronk. Dit had hij eerst geleerd:

zich te verstoppen en zich stil te houden, maar zijn tweede voorschrift

was hij heelemaal vergeten, juist toen het zoo hoog noodig was.

Wij keken elkaar een volle vijf minuten aan, zonder een wimper te

bewegen. Toen ontglipte hem langzamerhand ook zijn eerste lesje: hij

schoof weer zijwaarts naar het pad, kwam aarzelend..., sierlijk...,

twee passen naar mij toe, en stampte grappig met zijn linkerpoot. 't

Was een jonge bok en dat stampkunstje kende hij zonder dat het

hem ooit geleerd was. Het is al zoo'n oude krijgslist, iemand een

beweging te laten maken, iemand door dat geluid en dat dreigende

gebaar te verschrikken, en zoo te laten merken wie je bent en wat

je voorhebt. Maar die man daar bewoog zich nog steeds niet, zoodat

het hertje bang werd voor zijn eigen durf en er van doorging, het

pad af. Heel in de verte op den heuvel aan den overkant hoorde ik de

moeder om hem roepen; maar hij stoorde er zich niet aan, hij wilde er

't zijne van hebben. Daar stond hij mij al weer aan te kijken op het

pad. Ik haalde mijn zakdoek te voorschijn en wuifde er zachtjes mee;

dat wonder deed hem weer verder trippelen, maar dadelijk daarop stond

hij weer stil en keek en stampte met zijn pootje, om mij te toonen

dat hij niet bang was.

"Kleine, dappere baas, jou mag ik zien," dacht ik bij mezelf, en

mijn hart ging uit naar hem, zooals hij daar met zijn pootje stond

te stampen, zooals hij daar stond met zijn zachte oogen en zijn mooie

snuitje. "Maar," dacht ik verder, "wat zou er nu al lang met je gebeurd

zijn, als er eens een beer of een lynx over den heuvelrug was komen

kijken? De volgende maand zal de jacht helaas open zijn; dan komen er

hier jagers in de bosschen, die soms mèt vrouw en kinderen ook hun

hart hebben achtergelaten. Geloof me maar, kleine baas, die kun je

niet vertrouwen. Je moeder heeft gelijk: die kun je niet vertrouwen."

De nacht daalde snel. 't Geroep der moeder galmde hoe langer hoe

angstiger, hoe langer hoe dringender langs de helling, waar de

duisternis toenam. Met plotselinge gewetensknaging en schrik dacht

ik: "Misschien heb ik je wel op den verkeerden weg gebracht, kleine

baas, toen ik je dien dag zout heb leeren proeven en je op iets

leeren vertrouwen dat je in de wildernis tegenkwam." Zoo gaat het

gewoonlijk wanneer wij ons bemoeien met moeder Natuur, die er haar

gegronde redenen wel voor heeft, om de dingen te doen zooals zij ze

doet. "Neen, toch niet; je was dien dag met je beiden onder dien ouden

boomstam, en het andere--dat is ginds bij je moeder op 't oogenblik,

waar jij ook hoorde te wezen,--dat begrijpt dat oude wetten veiliger

zijn dan nieuwe bedenksels, vooral als die opkomen in het kopje van

zoo'n jongen kijk-in-de-wereld. Je hebt het glad bij 't verkeerde eind,

kleine baas, al lijkt je nieuwsgierigheid nog zoo aardig, en al heb

je mijn hart gestolen door 't gestamp met je pootje. Misschien is

het alles bij elkaar genomen toch mijn schuld nog; in elk geval zal

ik het je nu wel anders leeren."

Met die gedachte raapte ik een grooten steen op en gooide dien, krakend

en hobbelend, met geweld den heuvel af naar hem toe. Oogenblikkelijk

was 't met zijn heldenmoed gedaan; òp ging zijn staartje en weg

stoof hij over de boomstronken en de rotsblokken op de helling. Daar

hoorde ik weldra zijn moeder in een wijden kring draven, tot zij hem,

dank zij de boschtelegraaf en den wind die de berichten overseint,

in den neus kreeg en hem buiten gevaar gebracht.

Wie met open oog en oor een week of wat in de wildernis leeft merkt

al gauw dat alles er niet is overgeleverd aan wetteloosheid en blind

toeval, zooals het lijkt, maar dat hij er te midden van wetten en

regels woont--een staat van zaken die al van veel ouder datum is

dan die waaraan hij is gewend en waar het ook niet geraden is in te

grijpen. Ik voelde mij niet op mijn gemak, toen ik in den stillen

schemeravond langs het hertenpaadje liep; en mijn onrust verminderde

niet, toen ik op een boomtronk, een meter of wat van de plek verwijderd

waar het hertje den eersten keer voor den dag kwam, de prent van een

grooten lynx ontdekte. Het hertenhaar en de versplinterde botjes die

er overal lagen verrieden mij waarmee hij zijn middernachtelijk maal

gedaan had. In de laagte, waar datzelfde hertenpad op het meer uitliep

om de boschbewoners te laten drinken, stroomde een beekje. Buiten de

monding van dat beekje lag een diepe waterkom tusschen de rotsen,

en in die kom woonden een stuk of wat dikke forellen. Daar was ik

eens op een avond--een dag of veertien later--bezig om te probeeren

of ik niet een paar van die forellen voor mijn ontbijt kon bemachtigen.

Het waren leeperds. Overdag hoefde je al niet meer naar hen te

hengelen, want ze kenden alle kunstvliegen uit mijn verzameling:

de nieuwe soorten konden ze al van de oude onderscheiden, voor ze 't

water nog raakten; en ze schenen best te weten, èn door hun instinct

èn door hun ondervinding, dat het toch maar bedrog was, dat ze voor

hun part net andersom genoemd mochten worden dan ze heetten. Dan kwam

er nog bij dat de forellen lui waren en niet boven wilden komen.

Maar 's nachts was het anders; dan kwamen er forellen uit de kom om

in 't ondiepe water langs den oever rond te loeren en af te wachten

wat voor lekkere hapjes de duisternis wel schafte--in den vorm van

nachtkevers, van kikkers, die onbezorgd zaten te kwaken, van slaperige

voorntjes. Wie dan een vuur op het strand brandde en een vlieg met

zilveren vlerkjes in de lichtstreep die over 't water viel uitgooide,

ving wel eens een dikkerd.

Het was altijd heel spannend, of de forellen boven zouden komen of

niet. Ik moest als 't ware met mijn ooren visschen en al mijn verstand

bijna in mijn handen hebben--klaar om gauw en krachtig op te halen,

als het juiste oogenblik gekomen was na een uur lang vergeefsch

ingooien. De helft van den tijd zag je den visch niet eens, hoorde

je alleen den harden plons, als hij met de vlieg naar beneden schoot

dat het water wielde. Haalde ik een anderen keer bij zoo'n plons

met een ruk op, dan kreeg ik mijn vlieg terug of ze raakte verward

op den bodem in onzichtbare boomstronken; en heel in de verte, waar

het schijnsel van 't vuur wegrimpelde in de duisternis, zag ik dan

een wigvormige golflijn wegschieten, om me te beduiden dat die forel

van me niets dan een muskusrat was. Toen zij rustig kwam aanzwemmen,

had zij mij en mijn vuur gezien en hard met haar staart op het water

geslagen om mij te doen opspringen. Die manier houdt Musquash er 's

nachts op na om er achter te komen wat voor raar ding dat toch is en

wat het uitvoert. Den heelen tijd dat ik aan 't visschen ben staan de

groote, donkere bosschen dicht om mij heen stil te luisteren. Overal

zijn geuren die alleen 's nachts rondzweven, als de lucht zwaar is van

dauw. Langs de helling ritselt het, klinken wonderlijke kreten, geroep,

gepiep; ook uit het water glijden die geluiden, of ze komen boven uit

de lucht, zoodat wij ons verwonderd afvragen welke boschbewoners er zoo

bij nacht en ontijd op uitzijn en wat ze toch uitvoeren. Daarom is het

even prettig 's nachts te visschen als overdag, en met hart en hoofd

vol indrukken weer naar huis te keeren, al is de vischben dan leeg.

Ik stond doodstil bij mijn vuur op een groote forel te wachten, die

al tweemaal boven was gekomen om eens te kijken of 't weer vertrouwd

was, toen ik een behoedzaam geritsel achter mij in 't kreupelhout

hoorde. Dadelijk draaide ik mij om, en daar zag ik twee groote,

gloeiende plekken uit het donkere bosch schitteren--de oogen van

een hert. Een vlug geritsel--en een beetje lager nog twee kolen,

die glinsterden en fonkelden in wonderlijke kleuren; en daarna nog

twee. Toen begreep ik dat het de hinde met haar kalfjes was. Zij

waren gekomen om te drinken, en stonden nu plotseling als aan den

grond genageld, door dat wonderlijke licht en de dansende schaduwen

betooverd, die op de schichtige boschbewoners komen aanschieten alsof

zij ze bang wilden maken; maar ze springen slechts over hen heen en

glijden weer terug, dat het wel een uitnoodiging lijkt om mee te doen

met hun stille spel.

Ik ging bedaard op mijn knieën bij het vuur liggen en legde er

voorzichtig een groote rol berkebast op, die vroolijk opvlamde en

het bosch helder verlichtte. Onder dien spar, waar een oogenblik

te voren nog een zwarte schaduw was geweest, stond de moeder, met

gloeiende oogen, glinsterend van verbazing over dat lichtwonder. Nu

eens staarde ze strak in het vuur, dan weer sprong ze zenuwachtig

heen en weer, met zachte, vragende geluiden, als er een troep

schaduwen kwam aansnellen om hinkepink met de kleintjes te spelen,

die aan weerszijden vlak achter haar stonden. Het duurde maar een

oogenblik. Toen kwam een van de hertjes--zelfs bij het schijnsel

van het vuur herkende ik het onvoorzichtige aan zijn snuitje en zijn

vroolijk geappelde velletje--recht op mij aan, om bij het oplaaien van

't vuur met glinsterende oogen stil te staan en daarna met zijn pootje

te stampen tegen de schaduwen: dan zagen ze dat hij niets bang was.

De moeder riep hem angstig, maar toch kwam het nog meer naar voren

met zijn grappige gestamp. Zij begon onrustig te worden en trippelde

nu eens nader, dan weer verder weg in een halven cirkel, waarschuwend,

roepend, smeekend. Maar toen hij tusschen haar en het vuur in kwam en

zijn kleine schaduwbeeld een eind den heuvel op reikte, waar zij was,

en haar deed beseffen hoe ver haar kleintje van haar was afgedwaald en

hoe dicht het bij het vuur was gekomen, rukte zij zich met geweld los

uit die betoovering, en haar heesche kreet _k-a-a-ah! k-a-a-ah!_ galmde

als een pistoolschot door de opgeschrikte bosschen. Ze sprong weg,

terwijl haar staartje in de duisternis glansde als het schuimkroontje

op een golf om haar kalfjes den weg te wijzen.

Het tweede hertje volgde haar onmiddellijk; het onvoorzichtige

verdraaide alleen zijn kopje maar eens om te zien waar zij bleef, en

ging toen weer verder op 't licht af, turend en stampend van louter

dwaze verwondering.

Ik bleef een poosje naar hem kijken, bekoord als ik zelf was door

zoo iets moois: die sierlijke bewegingen, die zachte ooren met dat

glanzende ovaal van helder licht er omheen, die oogen, gloeiend als

tintelende regenbogen door het vlammende vuur ontstoken. Achter hem,

in de verte, schalde de kreet van zijn moeder langs de helling, nu

eens dichter bij, dan weer ver weg. Plotseling kwam er een wijziging,

een andere klank in, alsof er gevaar dreigde, en weer hoorde ik

dat roepen om te volgen, en 't gekraak in het kreupelhout als ze

wegsnelde. De lynx schoot mij weer te binnen en de korte, droevige

geschiedenis die daar boven op den boomtronk geschreven stond. Ik

schopte mijn vuur uit elkaar en stapte op het hertje toe--dat was de

snelste manier om het dwaze, kleine ding te redden. Ja, toen al die

pracht in duisternis verdween en de reuk van een mensch hem op het

koeltje dat uit het meer steeg in den neus kwam, ging de kleine baas

er springend vandoor--helaas! recht het hertenpad op, denzelfden kant

uit waar zijn moeder een oogenblik te voren was heengegaan.

Een poosje later hoorde ik de hinde op een eigenaardigen toon roepen,

in de richting waar het hertekalf verdwenen was, en ik liep kalm

het hertenpad op, om te onderzoeken wat er gebeurd was. Boven op den

heuvel, waar het dalende pad verloren ging in een nauw, donker dal

met licht kreupelhout aan weerskanten begroeid, hoorde ik beneden mij

onder de hooge boomen het hertje antwoorden en begreep dadelijk dat

er iets niet in den haak was. Uit de zwarte duisternis der sparren

riep het al maar door; 't was een klagende angstkreet. De moeder

draafde in een grooten kring om hem heen en riep dat het komen moest,

maar het bleef hulpeloos op dezelfde plaats liggen en riep dat het

niet kon, dat zij bij hem moest komen. Zoo ging het geroep heen en

weer in den luisterenden nacht.--_Woe-woe_, "kom hier." _Bla-a-a,

bl-r-t_, "ik kan niet; kom bij me." _Ka-a-ah!, ka-a-ah!_ "onraad,

volg me!"--en daarna kraakte het in de takken, terwijl zij wegsnelde

met het andere hertje achter zich aan; dat zou ze redden, al moest

ze het onvoorzichtige kalfje ook in den steek laten, ten prooi aan de

sluipende wilde beesten in den nacht. Het was duidelijk genoeg wat er

gebeurd was. Elke kreet in de wildernis heeft zijn beteekenis, als

ge de taal slechts kent. Toen het door de donkere bosschen draafde,

waren zijn ongeoefende pootjes verkeerd terechtgekomen, en daar lag

hij nu onder den een of anderen omgewaaiden, ruwen boomstam, met

gebroken pootje, om hem het voorschrift te herinneren dat hij zoo

lang in den wind sloeg. Terwijl ik op den tast naar hem toesloop,

mijn weg tusschen de boomen zoekend in het donker, en elk oogenblik

stilstond om naar zijn geroep te luisteren, dat ik er op af kon gaan,

kwam er iets met gedruisch langzaam, zwaar, van den heuvel, en ging

vlak voor mij heen. Iets in 't geluid misschien--een log en toch bijna

geruischloos voortbewegen, waartoe slechts één dier in de wildernis

in staat is--ook misschien iets van een flauwen geur die er eerst

niet was in de vochtige lucht, verried mij dadelijk dat scherper

ooren dan de mijne den kreet gehoord hadden, dat Mooween, de beer,

zijn boschbessenterrein in den steek had gelaten om het niets kwaads

vermoedende hertje te besluipen. Hij wist--zooveel hadden zijn ooren

hem wel verteld--dat het in de duisternis van zijn waakzame moeder

was afgeraakt.

Stilletjes keerde ik op mijn schreden terug--ofschoon Mooween eigenlijk

op niets let, als zijn wild op de been is--en snelde naar mijn kano

om mijn buks te halen. Gewoonlijk is een beer zoo bang als een haas,

maar ik was er nog nooit eerder 's nachts zoo laat een tegengekomen,

en wist niet wat hij zou doen, als ik hem soms zijn wild afnam. Alles

hangt trouwens van uw gemoedsgesteldheid af wanneer ge een dier

nadert. Komt iemand schuw, aarzelend aan, dan merkt het dier dit;

en doet ge het vlug, zwijgend, onverschrokken, met vastberaden moed,

met gespannen haan en den wijsvinger los aan den beugel onder den

trekker, dan merkt het dier dat ook, wees daar maar verzekerd van.

Ze doen in alle geval altijd net alsof ze het weten; en ge kunt

u gerust hieraan houden--wat ge ook voelt: angst of twijfel of

vertrouwen--dat de groote, gevaarlijke dieren het altijd merken

en hun optreden juist door het tegenovergestelde gevoel gekenmerkt

zal zijn. Dat heb ik altijd in de wildernissen waargenomen. Ik kwam

eens een beer tegen op een nauw pad--maar dat vertel ik wel op een

andere plaats.

Het geroep zweeg; het bosch was donker en stil toen ik terugkeerde. Ik

liep zoo gauw als ik kon naar de plek waar ik terug was gegaan,

zonder mij in acht te nemen of voorzichtig te loopen, want hoe ik

ook kraakte, de beer zou het toch toeschrijven aan de wanhopige

moeder. Toen ging ik behoedzaam verder en oriënteerde mij naar een

hoogen boom op den heuvel, die tegen den hemel stond afgeteekend; al

langzamer en langzamer, tot er--juist aan dezen kant van den dikken,

omgevallen boom--een tak luid kraakte onder mijn voet. Dadelijk

klonk er tot antwoord, achter den stam vandaan, gegrom en 't geluid

van een sprong--en toen vluchtte er een beer krakend den heuvel op,

met iets in zijn bek dat zwaar tegen het kreupelhout slingerde en in

't voorbijgaan achter de takken bleef haken, totdat het geluid in de

verte met zwak geritsel wegstierf en de bosschen weer stil waren.

Den geheelen nacht hoorde ik van mijn tent uit, die op een anderen

oever aan een zijtak van 't groote meer was opgeslagen, de moeder bij

tusschenpoozen roepen. Zij scheen langs den heuvelrug heen en weer te

loopen, boven de plaats waar het treurspel zich had afgespeeld. Met

haar neus speurde zij den beer en den mensch, maar wat voor vreeselijks

ze met haar kleintje gedaan hadden wist zij niet. Er klonk een angstig

vragen uit het geroep, dat langs de helling, het water over, naar

mijn tent werd voortgedragen. Bij het aanbreken van den dag ging ik

naar de plek terug. 't Kostte mij niet veel moeite te vinden waar

het hertje gevallen was; het mos getuigde zwijgend van zijn strijd

en een paar bloedvlekken toonden aan waar Mooween hem beetgegrepen

had. Verder was het spoor duidelijk te volgen: platgetreden mos en

gebogen grashalmen, bebloede bladeren, en aan de knoestige uitsteeksels

van oude, omgewaaide boomen hier en daar een plukje zacht haar. Zoo

ging het den heuvel op, naar een woeste, wilde streek, waar het geen

nut had het nog verder te volgen.

Toen ik op mijn terugweg naar het meer den laatsten heuvelrug

opklauterde, hoorde ik geritsel in het kreupelhout, daarna 't

geknap van brekende takjes. Ik twijfelde er niet aan of dat deed

een hert. De moeder had mij geroken, en nu kwam ze onder den wind in

kringen achter mij aan, om er achter te komen of haar verloren kalfje

bij mij was. Nog steeds wist ze niet wat er gebeurd was. De beer had

haar zoo verschrikt gemaakt, dat ze haar zorg voor het eene hertje,

waar zij zeker van was, verdubbelde. Het andere was eenvoudig verdwenen

in de stilte van de groote, onnaspeurlijke bosschen.

Waar het pad van het meer af gezien naar beneden boog, kon ik, even

maar, duidelijk waarnemen hoe ze half verborgen in het kreupelhout

scherp naar mijn oude kano stond te turen; op 't zelfde oogenblik

zag ze mij echter en verdween ze met een sprong in mijn richting,

zigzag tegen den heuvel op. Bij een hulstboschje, waar ik juist langs

was gegaan, liet ze haar heesch _ka-a-ah, ka-a-ah!_ hooren en stak

haar staartje naar boven. Er ontstond geritsel in het boschje, een

scherp _ka-a-ah, ka-a-ah!_ beantwoordde het hare; het tweede hertje

drong uit de schuilplaats te voorschijn waar zij hem had verborgen,

en schoot met haarden heuvelrug over. Als een groote roode vos sprong

het van rots op rots, als een valk zweefde het over de omgevallen

stammen, terwijl het zoo goed als het kon zijn moeders spoor hield,

met zijn snuitje strak in de richting van het witte vaantje, om toch

maar niet af te wijken van dat nuttige voorschrift.

Dierenleven in de wildernis · 第 12 / 19 题