WAT EEN JONG HERTJE MOET WETEN.

Tot op dezen dag is 't nog haast niet te begrijpen hoe een menschelijk

oog ze ooit heeft kunnen vinden, zóó goed waren ze verstopt. Ik volgde

den loop van een beekje, dat mij met zijn geruisch in het hartje van

de groote bosschen naar een diepe vallei bracht. Er was een zware boom

over mijn pad gevallen, die een brug over den stroom vormde. Nu zijn

bruggen er om er over te loopen; dat is zoo duidelijk als iets, zelfs

voor den onbeduidendsten boschbewoner. Ik ging dus op een bemosten

boomtronk zitten om eens te kijken wie er mijn buren wel zouden zijn,

en wat voor pootjes er zoo al langs 's Heeren wegen wandelden.

Hier naast mij staan indrukken van klauwen in de vermolmde

schors. Zoo'n diepe, forsche prent kan slechts van een beer zijn--en

kijk maar! daar heeft het mos ook al losgelaten, is het afgebrokkeld

onder zijn gewicht. Een rusteloos zwerver, die Mooween! Als zijn

luie aard hem op zoo'n zomerdag toevallig eens een poosje begeeft,

is het op de helling wel veertig mijlen in 't rond na te gaan

waar hij bezig is geweest.--Daar, aan den anderen kant, liggen de

bronsgroene schubben van een pijnappel--spaanders uit de werkplaats

van een eekhoorn. Ze liggen er verspreid, alsof Meeko ze haastig van

zijn gele voorschoot had gestreken, toen hij te voorschijn schoot

om te gluren naar Mooween die voorbijging. Ginds is 't spoor van

een "mink", en 't is zoo klaar als de dag dat Cheokkes daar een

poosje heeft gezeten na zijn kikvorschenontbijt. En kijk eens hier,

terwijl ik lui met mijn beenen boven de trage beek zit te bengelen,

hangt er aan een boomstomp, waar ik met mijn elleboog tegenaan kom,

een gekronkeld geel haar. Dit verraadt mij hoe Eleemos, de Leeperd,

zooals Simmo hem noemt, er een hekel aan heeft om zijn pooten nat

te maken en daarom een omgevallen boom of een steen in de beek als

brug gebruikt, net als zijn soortgenooten bij de kolonisten.--Vlak

voor mij lag nog een gevallen boom zóó langs het water dat geen

dier er over zou loopen, of 't moest een "mink" zijn op roof

uit--gevaarlijker beest zou er niet over denken. Onder de wortels

die van de beek lagen afgewend was een verborgen en ruim kamertje,

waar de uiteinden der neerhangende sparretakken als een gordijn voor

de deuropening hingen. "Wat een mooie plaats voor een hol," dacht ik,

"want niemand zou je daar ooit vinden"; maar--alsof 't gebeurde om

mij tegen te spreken--daar vond me een verdwaalde zonnestraal het

plekje en wekte een geglans en geflonker van dansende schaduw en

spelend licht onder wortels en stam van den gevallen boom.

"Wat mooi!" riep ik uit, toen het licht op die bruine plek viel

en er witte en gouden vlekken tooverde. De zonnestraal glipte weer

weg, maar het was of hij zijn glans achterliet, want daar onder de

wortels was de goudbruine plek nog en de vlekken van wit en geel. Ik

bukte mij om beter te zien, stak mijn hand naar binnen--en de bruine

vlek veranderde plotseling in een fluweelzacht vachtje; de witte,

de gouden lichtglansen waren de geappelde flanken van twee hertjes,

die daar doodstil en angstig bleven liggen op de plaats waar hun

moeder hen bij 't weggaan verstopt had.

Ze waren nog maar pas een paar dagen, toen ik ze vond. Ze hadden elk

als Jozef een "veelvervig" rokje aan; en mij dunkt dat ze ook een

soort van toovermantel omhadden, want ze hoefden maar ergens te gaan

liggen, en ze werden onzichtbaar.

Die eigenaardige teekening--net het spelen van licht en schaduw door de

bladeren--verborg de beestjes volkomen, zoolang zij zich stilhielden en

de zonnestralen over zich heen lieten dansen. Hun mooie kopjes waren

een studie voor een kunstenaar, zoo teer, zoo sierlijk, zoo fijn van

kleur. En hun groote, zachte oogen hadden een uitdrukking van zoo

vragende onschuld, toen ze de mijne ontmoetten, dat het regelrecht

naar mijn hart ging en maakte dat ik die mooie wezentjes dadelijk

als mijn eigendom beschouwde. In 't heele bosch bestaat er niets

dat zoo stormenderhand ons hart verovert als 't snoetje van een jong

hertje. Ze waren eerst bang en bleven doodstil liggen; niets bewoog

er. Het eerste en krachtigste instinct van elk schepsel dat er op

deze wereld geboren wordt is het gehoorzaamheidsinstinct. Dit was de

oorzaak dat ze zoo trouw deden wat moeder bevolen had: blijven waar

ze waren en stilliggen, tot zij terugkwam. Dus toen het gordijn van

sparregroen was weggeschoven, toen mijn oogen naar hen keken en mijn

handen ze aanraakten, hielden ze hun kopjes nog stijf tegen den grond

gedrukt en deden alsof ze maar een stukje waren van den bruinigen

boschgrond, de teekening op hun glanzende velletjes maar vlekken van

zomerschen zonneschijn.

Toen besefte ik dat ik een indringer was, dat ik dadelijk heen behoorde

te gaan en hen alleen laten; maar het waren zulke mooie beestjes,

zooals ze daar in hun mooie, oude hol lagen, angst en verbazing en

vragen tintelend in hun zachte oogen, toen zij mij weer aankeken als

een schalksch kind dat kiekeboe speelt. Het komt door onzen hoogeren

aanleg, dat wij nergens iets moois kunnen zien of wij willen er naar

toe om te kijken, om het aan te raken, om het te hebben. En dit was

zoo mooi als men maar zelden iets ziet, en al was ik een indringer,--ik

kon niet weggaan.

De hand die de kleine boschbewoners aanraakte gaf het gevoel niet dat

er gevaar dreigde. Ze zocht achter hun fluweelzachte ooren de plekjes

uit waar ze zoo graag gekrieuweld worden; ze gleed met zachte, golvende

beweging streelend over hun ruggen; ze legde haar holle palm onder

hun vochtige snoetjes en bracht in een wip hun tongen te voorschijn,

omdat deze er flauw een ziltigen smaak aan proefden. Plotseling staken

ze hun kopjes op. 't Was nu geen spelletje meer, want ze hadden hun

eerste les vergeten, vergeten dat zij zich moesten verbergen. Zij

wendden hun blik weer naar mij en keken mij open aan met hun groote,

onschuldige vraagoogen. Het was zoo heerlijk mooi dat ik geheel

verslagen stond. Zoo'n diertje hoeft ons maar eenmaal zoo te hebben

aangekeken, en we zouden er, als 't noodig was, ons leven voor

overhebben om het te beschermen.

Toen ik ze naar hartelust geliefkoosd had en eindelijk opstond, kwamen

zij ook wankel overeind en liepen hun kamertje uit. Hun moeder had

ze gezegd er in te blijven, maar dit leek ook een vriendelijk groot

beest, dat ze stellig wel konden vertrouwen. "Aanvaard de gaven die

de goden u schenken,"--die gedachte ging door hun kopjes, en wat

ze proefden, toen ze met het tipje van hun tong mijn hand belikten,

was het lekkerste dat ze nog hadden gesmaakt. Toen ik mij afwendde,

draafden ze met een klagend geluidje achter mij aan om mij terug te

halen. Ik stond stil en ze kwamen nader, nestelden zich dicht tegen

mij aan, elk aan een kant, en lichtten hun kopjes op om weer te worden

geaaid en gekrieuweld.

Zooals ze daar stonden, een en al gretigheid en verwondering, kon ik

prachtig aan hen gadeslaan hoe ze de eerste indrukken van de wereld

opnamen. Hun ooren hadden het kunstje van de herten al geleerd,

bij 't minste geluid zenuwachtig te trillen en zich luisterend

naar voren te steken. Er hoefde slechts een blad te ritselen, een

takje te knappen; het ruischen van de beek hoefde maar even aan te

zwellen, als een drijvende tak een oogenblik den stroom stremde, en

dadelijk waren de hertjes op hun hoede. Oogen, ooren, neus vroegen

naar de oorzaak van het verschijnsel; dan ging hun blik langzaam

naar boven en keken zij mij aan. "Wat een merkwaardige wereld is

dit. Dat groote bosch is hier vol muziek. Wij weten nog niets. Toe,

vertel ons er alles eens van,"--dat zeiden die mooie oogen, toen

ze weer opblikten, vol onschuld, vol verrukking over het heerlijke

leven. De handen, die liefkoozend elk op een zacht halsje rustten,

gleden weer streelend naar beneden en namen een vochtig snoetje

in hun holte. Oogenblikkelijk verdween het bosch en zijn muziek,

vluchtten de vragen uit hun oogen. Begeerig kwamen hun tongetjes voor

den dag, en al die onbekende klanken waren vergeten door de nieuwe

gewaarwording van te likken aan een menschenhand, waar, ergens onder

dat streelende ruwe, zoo'n heerlijke smaak verborgen is. Zij waren

nog bezig mijn handen te belikken, dicht tegen mij aan genesteld,

toen er ver achter ons, nauwelijks hoorbaar, een takje knapte.

Nu verklapt een krakende tak alles wat er in de wildernis gebeurt

want, merkwaardig genoeg, er zijn geen twee dieren die zich op

dezelfde manier verraden, zelfs niet als ze op het dunste twijgje

trappen. Een beer gaat met zwaar, onverschillig gekraak, behalve

wanneer hij zijn prooi besluipt. De hoef van een eland dempt het

geluid van den tak dien hij verpletterde, nog eer het hem eigenlijk

goed verraden kan. Als een hert een takje breekt, wanneer het door

't bosch snelt, geeft dat een licht, kort, knappend geluid, als 't

"_plop_" van een regendroppel in het meer. En het geluid dat wij nu

achter ons hoorden kon onmogelijk iets anders zijn: de moeder van

mijn onschuldige kleintjes was in aantocht.

Ik wilde haar niet graag verschrikken en de oorzaak zijn dat zij hun

dat jeugdige vertrouwen voor goed ontnam. Daarom haastte ik mij naar

het hol terug, met de kleintjes naast mij huppelend. Eer ik halverwege

was, brak er weer met een korten knap een tak; er schoot een geritsel

door het kreupelhout, een hinde sprong tevoorschijn, en blaatte

zachtjes, toen ze den stam in 't oog kreeg waar haar leger was. Toen

ze mij zag bleef ze als aan den grond genageld staan, trillend over

haar heele lichaam, haar ooren als twee beschuldigende vingers naar

voren gericht en een vreeselijken angst in haar zachte oogen, als zij

haar jongen ontdekte met haar aartsvijand tusschen zich in, die zijn

handen op hun onschuldige halsjes hield. Haar lichaam wendde zich

om te vluchten, elke spier gespannen tot den sprong, maar 't was of

haar pooten in den grond waren vastgeworteld. Langzaam ontspanden de

spieren zich en hernam ze haar evenwicht, haar oogen vast in de mijne;

zoodra de gevaarlijke geur haar echter in den neus drong, zwenkte haar

lichaam weer. Toch bleven de pootjes nog staan; ze _kon_ niet heengaan,

_kon_ haar oogen niet gelooven. Maar, terwijl ik rustig stond af te

wachten en alles wat ik aan vriendelijkheid voelde in de uitdrukking

mijner oogen poogde te leggen, barstte het met scherp keelgeluid

_k-a-a-h! k-a-a-h!_--het noodsein der herten--als trompetgeschal door

de bosschen en snelde zij 't beschermende kreupelhout weer in.

Bij dat geluid sprongen de kleintjes op alsof ze gestoken waren en

doken aan den tegenovergestelden kant in het kreupelhout. Maar die

vreemde omgeving maakte hen angstig; de schorre kreet, die maar door

de opgeschrikte bosschen snerpte, vervulde hen met een naamlooze

ontzetting. Dadelijk waren ze terug, nestelden zich weer tegen mij

aan en langzamerhand werden ze weer rustig, doordat mijn handen,

zonder beven, kalm hun flanken streelden.

Waanzinnig van angst dwaalde de moeder steeds roepend om ons heen,

maar wij konden haar niet zien; nu eens vertoonde zich haar kopje

met doodsangst in de oogen,--dan weer stoof ze weg met haar witte

staartvlaggetje overeind, om haar kleintjes te wijzen welken weg

ze moesten nemen. Maar de hertjes letten niet meer op dat eerste

noodsein. Zij voelden de verandering. Hun ooren schokten zenuwachtig;

hun oogen, die nog niet scherp genoeg waren om afstanden te berekenen

en hun moeder in haar schuilplaats te vinden, stonden ontzet, hadden

een uitdrukking van achterdochtigen angst, toen ze vragend in de

mijne keken. Onder al hun schrik voelden ze mijn goede gezindheid toch

nog,--die de arme moeder nooit had leeren kennen, gejaagd als ze was

door honden en belaagd door geweren--en zij bleven waar zij zich veilig

wisten, in hun groote wijsheid, die al haar ondervinding te boven ging.

Langzaam leidde ik ze naar hun schuilplaats terug, liet ze voor

het laatst aan mijn handen likken en schoof ze zachtjes weer achter

't gordijn van sparregroen. Toen ze er weer uit probeerden te komen,

duwde ik ze nog eens terug. "Daar blijven, en naar je moeder luisteren;

daar blijven en doen wat je moeder zegt," bleef ik maar fluisteren;

en ik geloof altijd nog half en half dat ze het begrepen--niet de

woorden, maar den zin die er achter stak--want na een poosje werden

ze kalm en gluurden met verbaasde, wijdopen oogen naar buiten. Ik

maakte als een haas dat ik uit het gezicht kwam, sprong over den

gevallen boomstam heen, om ze van 't spoor af te brengen als ze er soms

uitkwamen, stak de beek over en gleed het kreupelhout in, waar ze mij

niet konden zien. Eenmaal veilig buiten gehoor, ging ik recht op de

open plek af, een paar meter verder, waar de witgezengde stammen op

de verbrande helling door het groen van 't groote bosch schemerden,

en ik klauterde en keek uit, en veranderde net zoo lang van plaats,

totdat ik den omgevallen boom kon zien waar mijn onschuldige kleintjes

zich onder de wortels verstopt hadden.

De schorre noodkreet zweeg; rondom in het bosch was 't weer stil

geworden. Een beweging in 't kreupelhout--en daar kwam de hinde

voorzichtig weer te voorschijn aan den anderen kant der beek, waar

ze stond rond te kijken en te luisteren. Zij blaatte zachtjes:

het gordijn van sparregroen werd op zij geduwd en de kleintjes

vertoonden zich. Zoodra zij hen zag schoot zij vooruit. Elke lijn van

haar sierlijke lijfje drukte welsprekend genoeg uit hoe blij ze was,

terwijl ze op hen aansnelde, haar kop boog en ze scherp besnuffelde,

van de ooren tot den staart, langs hun flanken en weer terug, om toch

vooral maar zeker, heel zeker te zijn dat het haar eigen jongen wel

waren en dat hun niets scheelde. Al dien tijd nestelden de hertekalfjes

zich dicht tegen haar aan, zooals ze nog een oogenblik geleden bij mij

hadden gedaan, en beurden hun kopjes op om haar flanken aan te raken

met hun neus, en in hun stomme taal te vragen waar al die drukte toch

om was en waarom zij was weggesneld.

Maar toen de menschenlucht uit het kreupelhout tot haar doordrong,

die nare lucht, ging de gewaarwording plotseling als een golf over haar

heen, hoe volstrekt noodzakelijk het was hun die veronachtzaamde tweede

les te leeren, eer ze weer voor een gevaar stonden. Met een grooten

sprong schoot ze op zij en heesch snerpte het _ka-a-a-h! ka-a-a-h!_

weer door het bosch. Haar staartje had zij weer rechtop gestoken:

dit diende als baken, terwijl ze wegsprong. Een oogenblik stonden

de hertjes verschrikt achter haar te trillen, opnieuw verbaasd, maar

toen gingen hun vlaggetjes ook naar boven en hobbelden ze weg op hun

ranke pootjes, door het warrelnet van struiken en de ruigten van het

bosch hun leidsvrouw dapper achterna. En ik zat er naar te kijken

uit mijn schuilplaats, met een vaag gevoel van spijt dat ze mij nooit

meer zouden toehooren, geen enkel oogenblikje meer, en ik zag niets

dan de golvende lijnen in het kreupelhout en hier en daar den flits

van een wit vaantje. Zoo trokken zij den heuvel op en verdwenen uit

het gezicht.

Eerst stilliggen en dan het witte vaantje volgen.--Toen ik ze weer

zag, was de noodkreet der moeder niet meer noodig om hen aan die

twee dingen te herinneren die elk hertje moet weten, als het groot

wil worden in het uitgestrekte bosch.

Dierenleven in de wildernis · 第 11 / 19 题