OP WEG NAAR SCHOOL.

't Was voor den tweeden keer, jaren geleden, dat ik zag hoe

een ottermoeder haar niets kwaads vermoedende jongen leerde

zwemmen.--Daarbij droeg zij ze op haar rug het water in, alsof 't

uit de grap gebeurde, en eer ze beseften wat zij eigenlijk in den

zin had, was zij onder hen uitgedoken. Maar als ze dan wanhopig in

dat onbekende element lagen te spartelen, dook zij weer naast hen op

en begon ze te helpen en aan te moedigen, terwijl ze in den wilde

den weg naar het vaste land terugzochten. Toen ze dit eindelijk

bereikten, krabbelden ze naar boven, piepten, schudden zich af,

keken nog eens benauwd naar de rivier en glipten dan hun hol in. Een

poosje later kwamen ze heel behoedzaam weer voor den dag, maar geen

vriendelijke overredingskracht van de moeder kon er hen toe krijgen

nu eens op hun eigen houtje te probeeren in het water te springen;

en al vleide ze nog zoo, al rolde zij jolig in de dorre bladeren,

het gaf alles niets--zij bedankten er dien dag voor weer op haar rug

te klimmen, zooals ik deze en vroeger andere jonge otters zonder zich

een oogenblik te bedenken wel twintig keer had zien doen.

Toen ik na dat merkwaardige voorval door het schemerige bosch naar

huis ging, moest ik er aldoor aan denken hoe ikzelf op net zoo'n manier

had leeren zwemmen van een grooter jongen. Hij van zijn kant was niet

zoo behulpzaam, maar genoot des te meer, en van den mijnen kwam er

heel wat meer geplas en gespartel aan te pas dan bij de vorderingen

van de jonge ottertjes.

Dat merkwaardige tooneeltje aan de kalme rivier--en zoo worden er

's zomers in 't bosch wel duizenden opgevoerd, zonder dat iemand

er op let--opende mijn oogen het eerst voor het feit, hoe het dier

dat in het wild leeft bijna alles wat het weet op dezelfde wijze

moet leeren als wij; en om het te leeren moet een ander het hem

bijbrengen. Daaraan dacht ik toen ik uit mijn oude opschrijfboekjes en

zomersche dagboeken deze schetsen verzamelde. Vanzelf scharen zij zich

om één hoofdgedachte; deze namelijk: van hoe vér-strekkenden invloed

de eerste opvoeding op het verdere bestaan van elk levend wezen is.

Dat een dier dezelfde opvoeding krijgt als wijzelf en deze dus

hoofdzakelijk van het onderwijs afhangt, is misschien een nieuw

gezichtspunt op 't gebied der natuurlijke historie. De meeste menschen

wanen dat een dierenleven in de natuur geheel beheerscht wordt door

zijn instinct; en zij die meenen dat een kinderkarakter al grootendeels

door de erfelijkheid voorbeschikt is hooren tot diezelfde groep van

menschen. Ik voor mij ben er na al die jaren, dat ik de dieren in

hun gewone doen heb waargenomen, van overtuigd dat het instinct lang

zoo'n groote rol niet speelt als wij steeds gemeend hebben; dat het

niet van het instinct afhangt of een dier al dan niet ondergaat in

dien voortdurenden strijd om 't bestaan, maar wel van de leerschool

die het bij zijn moeder heeft doorloopen. En hoe meer ik van kinderen

zie, hoe vaster het bij mij staat dat de erfelijkheid (niets dan een

andere naam voor een geheel van instincten, die langzamerhand een

hoogeren graad van ontwikkeling bereikt hebben) slechts een geringe

rol speelt in de geschiedenis en de bestemming van het kind, maar dat

oefening er voor in de plaats komt, er den voornaamsten factor van

vormt--oefening in de jeugd. Loyola, met zijn zeldzaam diepen kijk op

al wat het kinderleven betreft, had gelijk toen hij zoo ongeveer het

volgende zei: "Geef mij een kind tot zijn zevende jaar, dan doet het

er niet veel meer toe bij wien het later komt, want mij hoort het toe

voor tijd en eeuwigheid". Zet zeven weken in plaats van zeven jaar,

en ge zult een flauw besef krijgen van het plan waarnaar onbewust

elk moedertje in de natuur handelt.

Om het waarschijnlijke van deze bewering aan te toonen zijn er

van die eigenaardige feiten en kenmerkende trekjes genoeg uit het

dierenleven te zien, zelfs voor hem die maar af en toe in bosch en

veld op verkenning uit is.

De jongen die door een ernstig ongeluk of, nog droeviger, door boos

opzet van hun moeders opvoeding verstoken blijven hebben niet veel

aan hun instinct, want zij zijn steeds de eersten die het onderspit

delven in hun strijd tegen de sterkeren. In de uitgestrekte bosschen

worden zij alleen groot, die hun natuurlijke voorgangers volgen tot

ze wijs genoeg zijn. Wanneer de zomer lang duurt en de opvoeding

van de kleintjes voltooid is, krijgen de dieren nog wel eens jongen,

broeden de vogels voor de tweede maal, maar die worden dan gewoonlijk

tegen den winter aan hun lot overgelaten, eer hun eenvoudige opvoeding

ook maar half voltooid is. Overgelaten aan hun instinct, onvoldoende

voorbereid, vallen _zij_ ten prooi aan de zwervende roofdieren, die

hongerig in de natuur rondsluipen, terwijl de jongen die een betere

leerschool doormaakten leven en gedijen--in dezelfde bosschen, te

midden van dezelfde gevaren. Ja, wat nog meer zegt: huisdieren, wier

natuurlijke aanleg bewaard bleef, maar die de kunstjes niet kennen

welke een wilde moeder hun zou hebben geleerd, denken er niet aan

partij te trekken van hun omgang met den mensch, maar staan bijna

hulpeloos, als ze bij ongeluk het spoor bijster raken of het oude,

vrije leventje in de bosschen moeten hervatten. Dan baat instinct

hun niet; ze weten zich niet zooals hun wilde stamgenooten voor hun

vijanden te verbergen; zij zien ook geen kans om aan voedsel te komen;

en als de havik neerschiet of de boschkat te voorschijn springt,

zijn zij de eersten die er 't leven bij laten.

Waar ge ook in de bosschen komt, overal zal die meening nog bij u

versterkt worden. Ik zat eens op een middag te kijken hoe vijf of zes

rendiermoeders dunkt mij bezig waren hun jongen de eerste regels van

den omgang en het gezellig verkeer te leeren. Tot op dat oogenblik

hadden de jongen in strenge afzondering, elk bij zijn eigen moeder,

geleefd, zooals alle andere dieren in de natuur--een uitstekende

methode, tusschen twee haakjes, waar menschenmoeders misschien nog

een voorbeeld aan kunnen nemen. Nu werden ze voor het eerst bij

elkaar gebracht; vast een voorproefje van het leven 's winters,

als alle rendieren in kudden over de open vlakten zwerven.

Ze werden door de moeders naar een open plek in 't bosch gebracht,

naar 't midden geduwd en daar alleen gelaten om kennis te maken, wat al

heel langzaam en omzichtig in zijn werk ging. Ondertusschen stonden de

moeders uit de schaduw naar hen te kijken; de bedeesde moedigden zij

aan, en die den baas wilden spelen en begonnen te stooten straften

ze of duwden ze op zij. Toen moesten ze spelenderwijs in groepjes

leeren draven en over omgevallen boomen springen--een noodzakelijke,

maar toch een heel moeilijke les voor een rendier, dat nu weliswaar

in de uitgestrekte bosschen woont, maar dat in vroeger eeuwen op de

open noordelijke vlakten leefde, waar zijn spieren zoo'n verandering

hebben ondergaan dat springen iets onnatuurlijks voor hem is geworden,

zoodat hij het met veel geduld en moeite moet leeren. Een andermaal

vindt ge een hertje in 't bosch verstopt--zooals het in het volgende

hoofdstuk beschreven is--en ge staat er versteld van dat het niet

wegspringt, maar zonder de minste vrees op u afkomt, uw handen likt,

u achternaloopt en verlangend, droevig blaat, wanneer ge weer gaat. Ge

moet misschien nog leeren dat vrees geen instinct is; dat de meeste

dieren, als ge ze maar zoo vroeg vindt dat ze nog niets geleerd hebben,

geen angst laten blijken, wanneer er iemand vriendelijk op ze toekomt,

maar een levendige nieuwsgierigheid aan den dag leggen.

Dwaalt ge een week of wat later door het bosch, dan hoort ge plotseling

een noodsignaal en ziet ge datzelfde hertje weer wegstuiven, alsof 't

om zijn leven ging. Toch zijt gij gebleven die ge waart; onveranderd

bleef uw vriendelijkheid; evenmin als vroeger kwam 't in uw hart op ook

maar een schepsel kwaad te doen. Wat is er dan toch met dien zoon van

Kis [2] gebeurd? Eenvoudig dit: dat er op zekeren dag, toen het hertje

achter zijn moeder aan liep, een geur uit het kreupelhout dreef die

niet in het bosch hoorde. Nauwelijks had de hinde dat geroken, of zij

wierp haar kop achterover, stak haar neus in den wind, snoof, en met

een sprong en een doordringenden kreet dat het hertje haar zou volgen

snelde zij weg. Zoo'n les hoeft maar zelden herhaald te worden--van

dat oogenblik af beteekent een bepaalde geur gevaar voor het hertje;

en als de wind het gunstig gezind is en de lucht nog eens in zijn

neusgaten wuift, zal het wegspringen, zooals hem geleerd is. Negen

van de tien herten die in de wildernis bij onze nadering op de vlucht

slaan hebben nog nooit een mensch gezien of kwaad van hem ondervonden;

ze gehoorzamen dus eenvoudig aan een der voorschriften uit hun jeugd.

Ge kunt de waarheid van deze bewering nog eenvoudiger op de proef

stellen. Zoek in 't voorjaar eens een kraaiennest (ik kies de kraai,

omdat zij de slimste vogel is en haar nest niet moeilijk is te vinden)

en als de jongen bijna "vlug" zijn, ga er dan eens stilletjes heen. Op

een gegeven dag zult ge zien hoe de moeder dicht bij het nest staat en

tegenover de jongen haar vleugels uitspreidt; dan duurt het niet lang,

of de kleintjes staan op en doen haar met uitgebreide vlerkjes na. Dat

is de eerste les. Den volgenden dag ziet ge misschien hoe de oude vogel

zich op de teenen opgeeft en zich door heftig fladderen in evenwicht

houdt. Weer doen de jongen dit na, en zoo leeren ze al gauw dat hun

vleugels het vermogen hebben hen te dragen. Den daarop volgenden dag

kunt ge de beide ouden takop, takaf om het nest heen zien springen,

en als de afstand groot is gebruiken ze hun vleugels. De kleintjes

doen aan 't spelletje mee, en--kijk eens aan! ze hebben leeren vliegen,

zonder ook maar in 't minst te beseffen dat ze er les in kregen.

Dit alles heeft natuurlijk slechts op de hooger ontwikkelde

diersoorten betrekking. De dieren die nog op een lagen trap staan

worden in hun jeugd niet onderricht; om de eenvoudige reden dat ze

maar zoo'n schijntje hoeven te weten en 't met hun instinct alleen

wel af kunnen. De meer ontwikkelde echter moeten niet alleen zichzelf

kennen, maar alles weten van de wezens die onder hen staan, omdat ze

van die wezens afhankelijk zijn--het is hun voedsel; en een beetje

moeten ze op de hoogte wezen van de schepsels die hun weer de baas

zijn, omdat ze er zich door list of vlugheid tegen beveiligd moeten

houden. En instinct alleen is voor deze dingen niet voldoende. Slechts

een zorgvuldige, moederlijke opvoeding kan die leemte aanvullen en

dat kleine, wilde goedje klaarmaken voor hun strijd met de wereld.

Voor zoover ik heb kunnen nagaan, krijgen jonge visschen hoegenaamd

geen opvoeding van hun ouders. Sommige laten zich maar gaan, waar ze

den minsten tegenstand ondervinden en zakken stroom-af naar zee. Komt

de tijd van kuitschieten weer, dan zoeken ze den weg van de zee naar

de rivier terug--steeds dezelfde rivier is het--, waar ze werden

uitgebroed. De meening is geuit, als zou dat heen- en weertrekken

uit instinct gebeuren, maar daar ben ik nog zoo zeker niet van. Ik

geloof--en dat geloof berust op de bijzondere studie die ik van

forellen en zalmen gemaakt heb en op onlangs verschenen mededeelingen

over diepzee-onderzoek--dat ze de groote visschen uit dezelfde rivier,

die op grooter of kleiner afstand onder de kust in scholen worden

aangetroffen, volgen, en niet alleen gehoorzamen aan hun instinct.

In alle geval gaat dit zoo bij de vogels. Het instinct, dat hen

tot den trek drijft, is eenvoudig een aandrift, die nauwelijks méér

met het verstand te maken heeft dan bij ratten, bij eekhoorntjes,

bij kikkers, bij wie zich op sommige tijden dezelfde sterke neiging

tot trekken openbaart. Als ze aan zichzelve werden overgelaten,

zouden de jonge vogels in het Noorden of in 't Zuiden nooit hun nest

terugvinden. Er is echter iets anders dat hen drijft, nog sterker,

en wel dit: ze willen met den troep meevliegen. De jonge sluiten

zich dus aan bij de trekkende vogelscharen en leeren door de oude,

die meer ervaring hebben, en _niet_ door hun instinct, den veiligen

weg naar de kust kennen--de zeeën over, wildernissen door, nog door

geen menschelijken voet betreden, tot daar waar hen een ongestoorde

rustplaats en voedsel wacht.

De eenige uitzondering op dien regel, voor zoover mij bekend is,

maken de plevieren misschien. De jonge trekken een dag of tien of

twaalf vroeger dan de oude naar het Zuiden, het groote gebied van

Labrador tot Patagonië over. In een groote vlucht jonge goudpluvieren,

die door een plotselingen zuidoosterstorm gedwongen waren op onze

kust aan land te gaan, heb ik er een enkelen keer twee, drie oude

waargenomen, kenbaar aan hun zwarte borst; en ik twijfel er geen

oogenblik aan of deze oudere vogels zijn de gidsen. Ook komt het

mij voor alsof zij bevelen geven bij de eindelooze vliegoefeningen,

die de plevieren zoo geregeld houden als een peloton soldaten.

Onze bewering krijgt nog steviger bewijsgronden, wanneer we bij de

hoogere soorten komen. Het voornaamste en krachtigste instinct is daar,

evenals bij kinderen, de gehoorzaamheid--maar er bestaat een belangrijk

verschil tusschen die twee, tusschen het jonge menschelijke en het

jonge wilde dier. De eenige gedachte die het dier bezielt, die door

dagelijksche oefening bij hem was gewekt en versterkt, is deze: dat

het er voor hem alleen op aankomt in de wereld op bevelen te letten

en ze oogenblikkelijk te gehoorzamen, totdat hij groot is geworden en

langzamerhand op zichzelf leert passen. Het kind daarentegen, dat tot

in het oneindige toe verwend en vertroeteld wordt, dat maar geluid

hoeft te geven en iedereen luistert er naar en er wordt een drukte

van gemaakt alsof het een bevel van den koning zelf was, het kind

verliest daardoor dikwijls genoeg het reddende gehoorzaamheidsinstinct

en groeit op bij de gedachte, dat het in de wereld slechts bevelen

heeft uit te deelen die anderen moeten gehoorzamen. En is het kwaad

gebeurd, is het drie of vijf of twintig jaar, dan moeten wij het de

gehoorzaamheid gaan bijbrengen die nooit had mogen verloren gaan;

want zonder gehoorzaamheid is het leven een last.

Wij wenden ons zoo dikwijls weer tot het dierenleven, met de gezonde,

weldadige gewaarwording, hoe de levenswet in _dat_ rijk wordt gekend

en geëerbiedigd. Gehoorzaamheid is alles voor het dier, dat zijn

bestaan in de natuur heeft. Het is de cijns, dien de onwetendheid

onbewust en ongemerkt aan de wijsheid, de zwakke aan den sterke

betaalt. Dat begrijpen alle moeders in de natuur, van den patrijs

af tot den panter toe; en steeds maar weer, op lange zomerdagen,

in stille, ster-heldere nachten, geven zij er onderricht in, totdat

de jongen van hun gehoorzaamheidsinstinct leeren partijtrekken,

tot zij, dank zij hun zorgvuldige opvoeding, verstandig en krachtig

opgroeien. Dit is in één woord, dunkt mij, het geheele geheim van

het dierenleven. En wie er op let hoe zich dat alles afspeelt,

wie er in meeleeft, hoe het wijfje van den vischarend ginds de

natuurlijke neiging van haar jongen om in de bosschen te jagen

overwint en hen inwijdt in de edeler geheimen van de vischvangst;

hoe daar een ottermoeder haar jongen voor het eerst met het water

vertrouwd maakt, waar ze van nature achterdocht tegen koesteren,

en hun later wijst hoe ze diep en geruischloos moeten zwemmen,--die

moet zich wel verbazen en tot nadenken komen. Wat hij daar om zich

heen ziet gebeuren, als hij zijn oogen openzet, zal maken dat hij

zijn onvolledige theorieën over instinct en erfelijkheid herziet.

Daarom zou ik dit boek "de Boschschool" kunnen noemen; want 's zomers

is de natuur net een groot schoolgebouw, waar in lokaal aan lokaal

allerlei verstandige, geduldige moeders hun kleintjes les geven, en

waarvan onze bewaarscholen slechts gebrekkige, tweederangs-navolgingen

zijn. Dit is eerst eens een praktische school, waar alles gaat volgens

de regelen der kunst; en zoo'n oppervlakkig Fransch of letterkundig

vernisje kan er hier niet mee door! Gehoorzaamheid doet leven: dat

is voorschrift nº. 1. Wat jammer dat wij menschen het niet beter

geleerd hebben! In de natuur kent elke moeder het; zij dankt er

haar leven aan; zij stampt het haar jongen in. Andere voorschriften

komen pas in de tweede plaats: wanneer ze zich moeten verstoppen en

wanneer vluchten; hoe ze moeten neerschieten en hoe beetgrijpen;

hoe ze die groote verscheidenheid van dingen die ze in de wereld

zien--klanken die ze hooren, geuren die ze ruiken--uit elkaar moeten

houden en in hun geheugen prenten, om oogenblikkelijk de daad te

laten volgen, zoodra iets tot hun bewustzijn doordringt--nog eens:

al die verrichtingen die niet zoozeer een zaak van 't instinct zijn

als wel van zorgvuldige oefening en nabootsing.

Bij de opleiding die ze daar in 't bosch krijgen gaat het om het

leven; daarom heerscht er ook een tucht zoo onverbiddelijk als de

dood. Iemand die lang zoo'n troepje jonge boschbewoners waarneemt moet

soms den adem in zijn keel voelen stokken, wanneer hij ziet met welk

een barbaarschen ernst zelfs het eenvoudigste onderricht gegeven wordt.

Er zullen slechts weinig moeders in de natuur zijn die ook maar de

geringste speelschheid of eigenwijsheid in hun schooltjes dulden;

en die vlugger van begrip zijn--de kraaien en wolven bijv.--maken

onmeedoogend hun zwakke en koppige leerlingen dood. Toch kennen

ook _zij_ teederheid en geduld, wordt er van de jongen nooit meer

geëischt dan ze kunnen. Zitten de lessen er eenmaal in, dan blijven

zij nog een paar dagen onder de hoede hunner onderwijzeressen en

worden daarna de wereld ingestuurd om de proef op de som te nemen,

en, dank zij hun opvoeding, in hun eigen onderhoud te voorzien en in

't leven te blijven.

Er is nog iets. Het is in 't oog loopend hoe vroolijk het op die

bijeenkomsten, op die merkwaardige bewaarschooltjes in de natuur

toegaat. Hoe meer ik die moeders met haar leerlingen gadesla, hoe

sterker het verlangen bij mij wordt, eens te kunnen nagaan _hoe_

vrij zij zich wel voelen, _hoe_ zij genieten onder 't spelen, _hoe_

levenslustig zij zijn. En dat is de groote les, die iemand met hart

en oogen open al gauw in de boschschool leert.

Ginds ligt een weidespreeuw neergedoken in 't dorre gras, en zijn

kleur maakt hem onzichtbaar voor den grooten havik, die al maar

boven hem rondkringt. Gisteren heb ik wel een uur naar dien spreeuw

gekeken. Lang geleden heeft zijn moeder hem het verstandige van dat

stilliggen geleerd, en zijn eenige gedachte is nu maar--voor zoover

ik er over kan oordeelen--hoe volkomen hij voor dien scherpen blik,

waaraan hij al zoo dikwijls is ontkomen, gedekt is door zijn kleur en

zijn roerloosheid. Negen en negentig van de honderd keer is hij er ook

heelemaal door gedekt en kan hij weer vroolijk zijn gang gaan. Als hij

eenig begrip van de natuur had, (wat niet zoo is) zou hij dankbaar van

die merkwaardige kleur wezen, _èn_ voor het feit dat de natuur ook nog

aan haar andere kinderen dacht, toen ze den valk een scherpen blik

gaf en maakte dat die oogen niet in staat zijn iets waar te nemen,

wanneer het niet beweegt of geen sprekende kleur heeft. Maar _nu_

meent de spreeuw dat het slim overleg van hem zelf was en lacht hij

in zijn vuistje, zooals elk ander dier in de natuur doet.

Er bestaat dan ook geen grooter dwaling dan de waan dat een dierenleven

een aaneenschakeling van angstige oogenblikken zou zijn, van schrik

en ontzetting, die het als nachtmerries vervolgen; want het is niet

vreeselijk steeds op zijn hoede te zijn. Het dier maakt eenvoudig

van zijn ongewone gaven gebruik, met de blijdschap en het vertrouwen

die mensch en dier altijd kenmerken als ze hun buitengewone gaven

gebruiken.

De arend, die daar hoog boven zijn steilen bergtop op zijn prooi

loert, geniet niet meer--neen, eer minder--van zijn gezichtsvermogen

dan de hinde van het hare, als ze merkt hoe hij plotseling schuin naar

beneden schiet, zoodat zij er alles van begrijpt, en haar jongen ergens

verstopt waar ze doodstil moeten blijven liggen. Zijzelf draaft dan

maar zoo in 't volle gezicht weg om de aandacht van den roover van

haar kindertjes af te leiden, en op 't laatste oogenblik springt zij

de ruigte in, waar de breede arendswieken niet kunnen volgen. Ze is

ook volstrekt niet overstuur, maar als 't gevaar geweken is en zij

terug komt huppelen, is zij zoo blij als een sijsje en juicht ze als

een koningsvogel.

Het _is_ gewoonlijk ook niet vreeselijk om te vluchten, maar het geeft

een heerlijk gevoel van macht en zegepraal. Let maar eens op dat hert,

hoe prachtig het daar--als een valk zoo licht en vlug--voortsnelt over

een terrein waar elk ander dier met zijn pooten zou verward raken en

aarzelend gaan. Kijk eens naar dien patrijs, als hij met zoo'n zuiver

berekenden boog in de altijd-groene moerasplanten neerduikt om een

schuilplaats te zoeken. 't Is of hoef en wiek om 't hardst het gevaar

uitlachen dat achter hen dreigt, en genieten van hun kostelijke macht,

van hun geoefendheid.

Ik noem dit eenvoudige, op zichzelf zoo heuglijke feit, zoo klaar voor

iedereen die met open oog door 't rijk der natuur gaat, slechts bij

wijze van uitnoodiging: kom in die boschschool, lezer, en ik verzeker

u dat er werkelijk zoo goed als niets te zien zal zijn van al wat u

't hart doet ineenkrimpen in uw eigen droeve wereld; geen treurspelen,

geen tooneeleffect van ellende en strijd; integendeel: een opgewekt,

gezond leven, dat vroolijk stemt en ons met dieper wijsheid, met

hernieuwden moed tot onze eigen leerschool doet terugkeeren.

De schrijver heeft in den laatsten tijd herhaaldelijk brieven gekregen

van vriendelijke, gevoelige menschen, die van dieren houden en wien

de gedachte aan al het leed dat er juist in de dierenwereld bestaat

een marteling is. Sommigen zagen ook de tranen hunner kinderen om het

denkbeeldige verdriet, het denkbeeldige leed van beesten; en al die

menschen vragen: "Is het zoo? Lijden en treuren de dieren in stilte;

komen ze ten slotte droevig om?"

Gedeeltelijk als antwoord aan die verontruste vragers nu, heb ik

twee hoofdstukken van meer algemeenen aard aan deze schetsen, die de

dieren afzonderlijk behandelen, toegevoegd, in plaats van ze te laten

liggen tot er in een lateren bundel opstellen en mededeelingen over

de natuur een plaats voor openkwam. Het zijn: "het blijde Leven" en

"hoe de Dieren sterven". Ze geven er, heel in 't algemeen, een kort

verslag van hoe ik geloof dat het leven en sterven der dieren werkelijk

_is_; en tot die overtuiging ben ik langzamerhand, in al dien tijd

dat ik de wilde bewoners onzer bosschen en velden heb waargenomen en

nagegaan, gekomen.

En heeft mijn inleiding, die wel wat uitvoerig is, den lezer niet

verveeld en hebben zijn kinderen niet te lang op een dierenverhaal

moeten wachten--dit is nu eindelijk de school en dit zijn sommige

van de natuurwezens die er werken en spelen.

Dierenleven in de wildernis · 第 10 / 19 题