jonkman, "en voor niets anders."
Zij stonden elkander aan te zien, mijnheer Gradgrind met een gezicht
zoo wit als dat van zijn vervolger.
"Welke reden kunt gij hebben om de vlucht van dezen rampzaligen
jonkman te verhinderen," zeide hij, "en zijn ongelukkigen vader nog
ongelukkiger te maken? Zie zijne zuster hier. Heb medelijden met ons!"
"Mijnheer," antwoordde Bitzer op een droog redeneerenden toon,
"daar gij mij vraagt, welke reden ik heb om den jongenheer Tom naar
Coketown terug te brengen, is het niet meer dan redelijk, dat ik u
die laat weten. Ik heb den jongenheer Tom van den beginne af van dien
diefstal verdacht. Ik had hem al vóór dien tijd in het oog gehouden,
want ik kende zijne manieren. Ik heb mijne waarnemingen voor mij
zelven gehouden, maar ik heb ze toch gedaan; en ik heb nu overvloedige
bewijzen tegen hem, behalve zijn wegloopen en behalve zijne eigene
bekentenis, die ik juist bijtijds heb kunnen beluisteren. Ik heb het
genoegen gehad van gisterochtend op uw huis te passen en u hierheen
te volgen. Ik zal den jongenheer Tom nu naar Coketown terugbrengen,
ten einde hem aan mijnheer Bounderby over te leveren; en ik twijfel
niet, mijnheer, of mijnheer Bounderby zal mij dan tot de plaats van
jongenheer Tom bevorderen; en ik verlang zijne plaats te hebben,
mijnheer, omdat zij mij meer inkomen zal geven en mij dus voordeelig
zal zijn."
"Indien het alleen eene quaestie van eigenbelang bij u is," begon
mijnheer Gradgrind.
"Ik verzoek u verschooning, dat ik u in de rede val, mijnheer,"
liet Bitzer hierop volgen; "maar gij weet zeker wel, dat het geheele
maatschappelijke systeem eene quaestie van eigenbelang is. Iemands
eigenbelang is datgene, waarop men altijd moet neerkomen. Dat is het
eenige, waardoor men vat op hem heeft. Zoo zijn de menschen. Ik ben
in dien catechismus onderwezen toen ik nog heel jong was, mijnheer,
gelijk gij wel weet."
"Welke som gelds," zeide mijnheer Gradgrind, "wilt gij tegen uwe
verwachte bevordering stellen?"
"Ik dank u wel, mijnheer," antwoordde Bitzer, "dat gij hiervan spreekt;
maar ik wil er geheel geene som tegen stellen. Wel wetende, dat uw
helder hoofd deze keus zou voorstellen, heb ik bij mij zelven de
berekening gemaakt; en ik vind, dat over eene misdaad te accordeeren,
zelfs voor eene zeer hooge som, niet zoo veilig en goed voor mij zou
zijn als mijne verbeterde vooruitzichten aan het kantoor."
"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, zijne handen uitstrekkende, alsof
hij wilde zeggen: zie, hoe ellendig ik ben! "Bitzer, ik heb nog maar
ééne kans over om u te vermurwen. Gij zijt vele jaren op mijne school
geweest. Indien de herinnering aan de zorg, die daar aan u besteed is,
u eenigermate kan bewegen om uw tegenwoordig belang achter te stellen
en mijn zoon los te laten, bid en smeek ik u om die herinnering voor
hem te laten spreken."
"Ik verwonder mij waarlijk, mijnheer," antwoordde de leerling op
een stijven redeneertrant, "dat gij zulk eene onhoudbare positie
aanneemt. Mijn schoolgaan werd betaald; het was een koop of accoord;
en toen ik heenging, was het accoord uit."
Het was een grondregel der Gradgrindsche philosophie, dat alles
betaald moest worden. Niemand mocht ooit om de eene of andere reden
iemand iets geven of eenige hulp bewijzen, zonder dat er voor betaald
werd. Dankbaarheid moest afgeschaft worden, en alle deugden, die
daaruit voortsproten, behoorden niet te bestaan. Elke duim lengte van
het geheele aanzijn des menschdoms, van de geboorte tot aan den dood,
moest een koop over eene toonbank zijn. En indien wij zóó niet in
den hemel kwamen, dan wist men daar niets van de staathuishoudkunde,
en hadden wij daar niets te maken.
"Ik ontken niet, dat mijn schoolgaan goedkoop was," vervolgde
Bitzer. "Maar dat doet aan de zaak niet af, mijnheer. Ik werd op de
goedkoopste markt gevormd en moet mij zelven op de duurste verkoopen."
Hij werd hier een weinig gehinderd door het schreien van Louisa
en Sissy.
"Och, doe dat niet," zeide hij; "het baat tot niets; het verveelt
iemand maar. Gij schijnt te denken, dat ik vijandschap tegen den
jongenheer Tom voed; maar dat is in 't geheel het geval niet. Ik ga
hem maar, om de gegronde redenen die ik vermeld heb, naar Coketown
terugbrengen. Als hij tegenstand mocht bieden, zou ik roepen: Houd
den dief! Maar hij zal geen tegenstand bieden; daar kunt gij op aan."
Mijnheer Sleary had met open mond naar deze wijsheid staan luisteren,
zoo aandachtig, dat zijn rollend oog even onbeweeglijk vast in zijn
hoofd stond als het strakke; nu echter trad hij voorwaarts.
"Jonker," zeide hij, "gij weet heel wel, en uwe dochter weet ook heel
wel (beter nog dan gij, omdat ik het haar gezegd heb), dat ik niet wist
wat uw zoon gedaan had, en dat ik het niet wilde weten--ik zeide dat
het beter was van neen, hoewel ik toen dacht, dat het maar een beetje
rinkelrooien was. Maar nu die jonkman heeft bekend gemaakt dat het
een diefstal in een kantoor is geweest, nu is het eene ernstige zaak,
eene veel te ernstige zaak voor mij om te accordeeren, zooals die
jonkman het heel mooi gezegd heeft. Bijgevolg, jonker, moet gij het
niet kwalijk nemen als ik den kant van dien jonkman kies, en zeg dat
hij gelijk heeft en dat er niet aan te doen is. Maar ik zal u zeggen
wat ik doen wil, jonker; ik zal uw zoon en dezen jonkman zelf naar
den spoorweg rijden, en zoo maken dat hier geen schandaal komt. Meer
kan ik niet beloven, maar dat wil ik voor u doen."
Louisa hief nieuwe jammerklachten aan en mijnheer Gradgrind verzonk
nog dieper in zijn leed bij deze afvalligheid van hun laatsten
vriend. Maar Sissy zag hem oplettend aan, en haar hart verstond hem
niet verkeerd. Toen zij allen weder naar buiten gingen, begunstigde
hij haar met een lonkje uit zijn beweeglijk oog, dat haar duidelijk
verzocht wat achter te blijven, en toen hij de deur sloot, zeide hij
met groote opgewondenheid:
"De jonker heeft u bijgestaan, Cecilia, en ik zal den jonker
bijstaan. Bovendien, die knaap is een verduivelde schelm, en hij
behoort aan dien gemeenen blaaskaak, dien mijn volkje eens haast
uit het venster had gesmeten. Het zal een donkere avond zijn. Ik heb
een paard, dat alles geleerd heeft behalve spreken; ik heb een hit,
die vijftien mijlen in het uur loopt, als Childers hem rijdt; en
ik heb een hond, die iemand vier en twintig uren lang op de plek kan
vasthouden. Maak dat gij een woordje met den jongen jonker spreekt. Zeg
hem, als hij ziet dat ons paard begint te dansen, dat hij dan niet
bang moet wezen voor omslaan, maar uitkijken of er geen sjees met
een hit aankomt. Zeg hem, als hij die sjees dichtbij ziet, dat hij
dan moet afspringen, en hij zal er mee wegrijden als de wind. Als
mijn hond dien jonkman een voet laat verzetten, geef ik hem verlof
om te gaan. En als mijn paard een duimbreed verder komt dan de plek
waar het begint te dansen, al duurde het tot morgenochtend, dan ken
ik het niet. Nu voortgemaakt!"
Er werd zoo goed voortgemaakt, dat binnen tien minuten Childers, die
op zijne pantoffels over de markt kuierde, wist wat hij te doen had,
en Sleary's equipage gereed was. Het was een fraai gezicht, den hond
blaffend om het rijtuig te zien springen, terwijl Sleary hem met zijn
eenig daartoe bruikbaar oog onderrichtte, dat Bitzer het voorwerp
zijner bijzondere oplettendheid moest wezen. Kort na het vallen van
den donker stapten de drie in en reden voort, terwijl de geleerde hond
(een geducht beest) Bitzer reeds met zijne oogen vasthield en dicht
bij het wiel aan zijn kant bleef, om voor hem gereed te zijn indien
hij de minste geneigdheid toonde om af te stappen.
De andere drie bleven in de herberg den geheelen nacht in angstige
spanning opzitten. Tegen acht uur in den ochtend kwamen Sleary en de
hond de kamer in, beiden zeer vroolijk.
"Alles klaar, jonker," zeide Sleary. "Uw zoon kan nu al aan boord van
een schip wezen. Childers heeft hem gisteravond meegenomen, anderhalf
uur nadat wij hier vandaan reden. Het paard danste de polka tot het
dood af was (het zou gewalst hebben, als het niet ingespannen was
geweest) en toen gaf ik het sein en ging het gerust slapen. Toen die
verduivelde bleeke schelm zeide, dat hij te voet verder wilde gaan,
hing de hond in eens aan zijne das met alle vier de pooten in de
lucht, trok hem neer en rolde hem om en om. Hij kwam dus maar weer
in het wagentje, en daar bleef hij zitten, tot ik van morgen half
zeven het paard liet omkeeren."
Mijnheer Gradgrind overstelpte hem natuurlijk met dankbetuigingen,
en sprak ook met zooveel kieschheid als hem maar mogelijk was van
eene ruime belooning in geld.
"Ik zelf heb geen geld noodig, jonker," antwoordde Sleary, "maar
Childers is een man met een huishouden, en als gij hem eene banknoot
van vijf pond woudt presenteeren, zou dat misschien niet onaannemelijk
zijn. Ook als gij een halsband voor den hond en een tuig met bellen
voor het paard overhad, zou het mij groot pleizier doen. Brandewijn
met water neem ik altijd aan."--Hij had reeds een glas genomen en
bestelde er nu nog een.--"Als ge dacht dat het niet te veel was,
jonker, een vroolijken maaltijd aan den geheelen troep te geven,
tegen zoo wat drie en een halven schelling de persoon, behalve den
drank, zouden zij er heel blij mee zijn."
Al deze kleine bewijzen van dankbaarheid beloofde mijnheer Gradgrind
zeer gewillig te zullen geven, hoewel hij ze veel te gering achtte,
zeide hij, voor zulk een dienst.
"Welnu, jonker, als ge dan soms eens een paardenspel eene besprokene
representatie laat geven, wanneer ge kunt, zult ge de rekening meer
dan effen maken. En nu, jonker, als uwe dochter het niet kwalijk neemt,
zou ik tot afscheid gaarne een woordje met u alleen spreken."
Louisa en Sissy gingen naar eene andere kamer; en mijnheer Sleary
vervolgde, toen hij staande zijn glas omroerde en uitdronk:
"Jonker, ik behoef u niet te zeggen, dat honden verwonderlijke
beesten zijn."
"Hun instinct is zeker verbazend," zeide mijnheer Gradgrind hierop.
"Hoe gij het ook noemen wilt--en ik mag zalig wezen als ik weet hoe
ik het moet noemen--het is verwonderlijk, hoe ver een hond u zal
komen opzoeken en vinden."
"Omdat zijn reuk zoo fijn is," zeide mijnheer Gradgrind.
"Ik weet waarachtig niet hoe ik het noemen moet," hervatte Sleary;
"maar eens is een hond mij komen opzoeken, jonker, op eene manier, die
mij deed denken of die hond ook naar een anderen hond was gegaan en
gezegd had: "Gij kent bijgeval niet een man die Sleary heet? Een man
die Sleary heet en een paardenspel heeft--een dik man, met een raar
oog?" En of die andere hond toen gezegd had: "Sleary, Sleary! O ja,
wel zeker, een vriend van mij heeft mij eens van hem gesproken. Ik kan
u terstond zijn adres bezorgen." Omdat ik zooveel voor het publiek
kom en zooveel uitga, ziet ge, moeten er machtig veel honden zijn
die mij kennen, jonker, dat weet ik."
Mijnheer Gradgrind scheen door deze bespiegeling geheel van zijn
stuk gebracht.
"In allen gevalle," hervatte Sleary, nadat hij zijne lippen nog
eens had bevochtigd, "het is nu veertien maanden geleden, jonker,
dat we te Chester waren. Wij gaven op een ochtend juist onze
Kinderen in het Bosch, toen er door de tooneeldeur een hond de
manege kwam inloopen. Hij had ver geloopen, en was in heel slechten
staat--kreupel en welhaast blind. Hij liep rond bij onze kinderen,
de een na den ander, alsof hij naar een kind zocht dat hij kende;
en toen kwam hij naar mij toe, gooide zich van achteren op en bleef
op zijne voorpooten staan, zoo zwak als hij was; en toen kwispelde
hij met zijn staart en stierf. Nu, jonker, die hond was Merrylegs."
"De hond van Sissy's vader."
"De oude hond van Cecilia's vader. Nu, jonker, kan ik er op zweren,
want zoo ken ik dien hond, dat de man dood en begraven was, eer de hond
naar mij ging zoeken. Josephine, Childers en ik hebben er lang over
gepraat, of ik het schrijven zou of niet; maar wij dachten: "Neen! Er
is niets pleizierigs te zeggen; waarom zouden wij haar onrustig en
bedroefd maken?" Hoewel, of haar vader haar laaghartig verlaten heeft,
of dat hij maar alleen van verdriet wilde sterven, liever dan haar
mee in het graf te trekken, dat zal nooit bekend worden, jonker,
voordat--neen, niet voordat wij weten hoe de honden ons opzoeken."
"Zij bewaart tot nog toe het fleschje, waarom hij haar had uitgezonden;
en zij zal tot het laatste oogenblik van haar leven aan zijne liefde
gelooven," zeide mijnheer Gradgrind.
"Dit schijnt iemand twee dingen in de gedachten te brengen, niet
waar, jonker?" hervatte Sleary, peinzende, terwijl hij in de diepte
van zijn glas keek; "vooreerst dat er toch liefde in de wereld is,
niet alles eigenbelang, maar iets geheel anders; en ten tweede dat
die liefde hare eigene manier van rekenen heeft, waaraan het, hoe
het dan ook komen mag, ten minste even moeielijk is een naam te geven
als aan die manier van denken."
Mijnheer Gradgrind keek het venster uit en gaf geen antwoord. Sleary
ledigde zijn glas en riep de dames weder binnen.
"Cecilia, mijn liefje, geef mij nu een kus en vaarwel dan! Mevrouwtje,
dat ik u haar zoo als eene zuster zie behandelen, en eene zuster,
die gij met al uw hart vertrouwt en hoogacht, is een heel pleizierig
gezicht voor mij. Ook hoop ik, dat uw broeder nog lang genoeg mag leven
om u beter waardig te zijn en u tot meer blijdschap te wezen. Jonker,
geef mij de hand, voor het eerst en het laatst! Wees niet kwaad op ons,
arme landloopers. De menschen moeten geamuseerd worden. Zij kunnen
niet altijd aan het leeren of aan het werken zijn; daarvoor zijn zij
niet gemaakt. Gij moet ons hebben, jonker. Als ge dus doen wilt wat
wijs en goed is tegelijk, denk dan het beste van ons en niet altijd
het slechtste."
"En ik had nooit gedacht," vervolgde Sleary, zijn hoofd weder
binnenstekende om dit nog te zeggen, "dat ik zoo zou kunnen babbelen."
XXXVII.
BESLUIT.
Het is gevaarlijk binnen den kring van een opgeblazen bluffer iets
te zien, voordat die opgeblazene bluffer het zelf ziet. Mijnheer
Bounderby begreep, dat mevrouw Sparsit zeer vermetel was geweest
met hem voor te komen en wijzer te willen zijn dan hij. Ten
uiterste op haar verontwaardigd over hare zegepralende ontdekking
van juffrouw Pegler, keerde hij deze verwatenheid van eene vrouw
in hare afhankelijke betrekking zoo lang in zijne gedachten om en
om, tot zij gelijk een sneeuwbal door dit omwentelen hoe langer hoe
grooter was geworden. Eindelijk kwam hij tot de ontdekking, dat hij,
als hij deze aanzienlijk geparenteerde dame haar afscheid gaf--als hij
het in zijn macht had om te zeggen: "Zij was eene vrouw van familie
en wilde zich aan mij opdringen, maar dat wilde ik niet hebben en ik
maakte mij van haar af"--de grootst mogelijke mate van glans uit die
betrekking zou halen, en mevrouw Sparsit tegelijk de straf geven,
die zij verdiend had.
Voller dan ooit van dit groote denkbeeld, kwam mijnheer Bounderby
binnen om zijn twaalfuurtje te gebruiken, en zette zich in de eetzaal
van vroeger tijd, waar zijn portret hing. Mevrouw Sparsit zat bij het
vuur, met den voet in haar katoenen stijgbeugel, weinig denkende waar
zij heen reed.
Sedert het gebeurde met juffrouw Pegler had de goede vrouw haar
medelijden voor mijnheer Bounderby met een sluier van stille
berouwvolle treurigheid bedekt. Om die reden had zij zich een
jammervollen blik aangewend; en met dezen jammervollen blik zag zij
nu haar beschermer aan.
"Wat scheelt er nu aan, juffrouw?" zeide Bounderby, op een zeer korten
en barschen toon.
"Wat ik u bidden mag, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "bijt
mijn neus niet af."
"Uw neus afbijten, juffrouw?" herhaalde Bounderby. "Uw neus!" daarmede
meenende, gelijk mevrouw Sparsit begreep, dat haar neus daartoe veel
te groot was. En na dezen hatelijken schimpscheut sneed hij een stuk
brood voor zich af en smeet het mes met een slag op de tafel.
Mevrouw Sparsit haalde haar voet uit den stijgbeugel en zeide:
"Mijnheer Bounderby!"
"Wel, juffrouw?" antwoordde Bounderby. "Waar kijkt ge zoo verbaasd
van op?"
"Mag ik vragen, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit: "heeft iets u van
morgen verstoord?"
"Ja, juffrouw."
"Mag ik weten, mijnheer," hernam de verongelijkte dame, "of ik de
ongelukkige oorzaak ben, dat gij uit uw humeur zijt geraakt?"
"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw," antwoordde Bounderby. "Ik ben
niet hier gekomen om mij te laten overbluffen. Eene dame mag van
aanzienlijke familie zijn, maar het past haar toch niet een man als
ik ben te sarren en te plagen en ik wil dat niet velen." Bounderby
gevoelde, dat het noodig was ter zake te komen, daar hij voorzag,
dat hij uit het veld geslagen zou worden als hij in voorloopige
bijzonderheden trad.
Mevrouw Sparsit trok hare donkere wenkbrauwen eerst naar omhoog en
toen naar omlaag, pakte haar werk in haar mandje en stond op.
"Mijnheer," zeide zij statig, "het komt mij voor, dat ik u op het
oogenblik in den weg ben. Ik zal mij naar mijn eigen vertrek begeven."
"Laat ik de deur voor u opendoen, juffrouw."
"Verplicht, mijnheer, dat kan ik zelf wel."
"Laat het mij liever doen, juffrouw," zeide Bounderby, haar
voorbijstappende en zijne hand aan de kruk slaande, "omdat ik dan
de gelegenheid kan waarnemen om u nog een woordje te zeggen, eer gij
heengaat. Mevrouw Sparsit, ik geloof eenigszins, dat het u te bekrompen
is, weet ge dat wel? Het komt mij voor, dat er onder mijn nederig dak
bezwaarlijk ruimte genoeg is voor eene dame van uwe talenten voor de
zaken van anderen."
Mevrouw Sparsit wierp hem een blik van de diepste verachting toe,
en zeide met groote beleefdheid: "Inderdaad, mijnheer?"
"Ik heb er over gedacht, ziet ge, sedert die laatste zaken gebeurd
zijn, juffrouw," zeide Bounderby, "en het komt mij voor, zoover mijn
gering oordeel reikt..."
"O, mijnheer!" viel mevrouw Sparsit er met schertsende vroolijkheid op
in, "verklein uw oordeel niet. Iedereen weet hoe onbedrieglijk mijnheer
Bounderby's oordeel is. Iedereen heeft bewijzen daarvan gehad. Het
moet een algemeen onderwerp van gesprek zijn. Verklein alles van u
zelven, behalve uw oordeel, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit lachende.
Mijnheer Bounderby hervatte, zeer rood en ongemakkelijk: "Het komt
mij voor, juffrouw, zeg ik, dat het een geheel ander soort van
huishouden zou moeten zijn, waarin eene dame van uwe vermogens zou
kunnen uitblinken. Zulk een huishouden als dat van uw tante, Lady
Scadgers, bij voorbeeld. Denkt gij niet, juffrouw, dat gij daar meer
zaken zoudt vinden om u mede te bemoeien?"
"Het is mij nog nooit ingevallen, mijnheer," antwoordde mevrouw
Sparsit, "maar nu gij er van spreekt, zou ik het zeer waarschijnlijk
achten."
"Als gij het dan eens gingt probeeren, juffrouw," zeide Bounderby
terwijl hij een papiertje met een kassiersbriefje er in op haar
werkmandje legde. "Gij hebt den tijd aan u zelve om heen te gaan,
juffrouw; maar misschien zal het intusschen eene dame van uwe
geestvermogens aangenamer zijn alleen te eten, zonder door iemand
gehinderd te worden. Ik moest u waarlijk verschooning verzoeken,
dat ik, die niets meer dan Josiah Bounderby van Coketown ben, u zoo
lang in het licht heb gestaan."
"O, gij behoeft u daarover niet te verschoonen, mijnheer," antwoordde
mevrouw Sparsit. "Als dat portret spreken kon, mijnheer--maar het
heeft dàt voorrecht boven het origineel, dat het niet in staat is
zich zelven ten toon te stellen en anderen te doen walgen--zou het
getuigen, dat het reeds lang geleden is sedert ik het eerst gewoon
werd het aan te spreken als het portret van een domkop. Niets, dat een
domkop doet, kan iemands verwondering of verontwaardiging opwekken;
de bedrijven van een domkop kunnen alleen verachting inboezemen."
Zoo sprekende, bekeek mevrouw Sparsit, welker Romeinsche trekken nu
naar een medaille geleken, geslagen ter vereeuwiging harer minachting
voor mijnheer Bounderby, hem met een strakken blik van het hoofd
tot de voeten, streek hem toen met afgewende oogen voorbij, en ging
naar boven. Mijnheer Bounderby sloot de deur en bleef voor het vuur
staan. Zoo staande, verplaatste hij zich met zijne gewone onstuimigheid
in het karakter van zijn portret--en in de toekomst.
Hoeveel zag hij van de toekomst? Hij zag mevrouw Sparsit een
dagelijksch kampgevecht houden, waarbij al de scherpste wapenen van het
vrouwelijk arsenaal gebruikt werden tegen de gemelijke, wangunstige,
plaagzieke Lady Scadgers, altijd bedlegerig met haar geheimzinnig been,
steeds aan het einde van haar ontoereikend inkomen in het midden van
ieder vierendeeljaars, in een armoedig, benauwd kamertje, dat voor één
persoon een hokje, voor twee nog minder was. Maar zag hij meer? Zag
hij ook een zweem van zich zelven, gelijk hij voor vreemdelingen
met Bitzer praalde, als de veelbelovende jonkman, zoo vol eerbied
voor de groote verdiensten van zijn meester, die de plaats van den
jongen Tom had gekregen, en bijna den jongen Tom zelven had gepakt,
indien hij niet door een troep schelmen was voortgeholpen? Zag hij
een flauwen weerschijn van zijn eigen beeld gelijk hij een pronkend
testament maakte, volgens hetwelk vijf en twintig snoevers boven de
vijf en vijftig jaren, die ieder den naam van Josiah Bounderby van
Coketown zouden aannemen, ten eeuwigen dage in het Bounderby-gesticht
zouden wonen en eten, ten eeuwigen dage onder het gehoor van den
vasten kapelaan in slaap vallen, ten eeuwigen dage uit de stichting
van Bounderby zouden onderhouden worden, en ten eeuwigen dage alle
gezonde magen door een Bounderby-achtig bluffen en bulderen zouden doen
walgen? Had hij eenige voorwetenschap van den dag, vijf jaren later,
waarop Josiah Bounderby van Coketown, te Coketown op straat aan een
beroerte zou sterven, en dat heerlijke testament zijne lange loopbaan
van haarklooverij, valschheid, inhaligheid, slechte voorbeelden,
weinig nut en veel geprocedeer, zou beginnen? Waarschijnlijk niet. Het
portret zou het evenwel alles aanzien.
Mijnheer Gradgrind zat op denzelfden dag en hetzelfde uur peinzend
in zijne kamer. Hoeveel van de toekomst zag hij? Zag hij zich zelven,
als een zwakkelijk grijsaard, terwijl hij zijne tot nog toe onbuigzame
theorieën naar de omstandigheden leerde voegen; zijne feiten en cijfers
aan geloof, hoop en liefde dienstbaar maakte, en niet langer beproefde
dat hemelsche drietal in zijne stofferige molentjes te vermalen? Zag
hij zich zelven om die reden in diepe minachting bij zijne vroegere
politieke medebroeders vervallen? Zag hij deze heeren in den tijd
toen het volkomen was vastgesteld, dat de nationale aschlieden alleen
met elkander te doen hadden, en niets verschuldigd waren aan dat
afgetrokkene denkbeeld, dat men het volk noemt, vijf nachten in de
week, tot laat na middernacht, hun voormaligen medewerker dit en dat
en allerlei voor de voeten werpen? Waarschijnlijk zag hij dit wel
vooruit, daar hij zijne menschen kende.
In den avond van denzelfden dag zat Louisa, gelijk in vroegere dagen,
hoewel met een gezicht dat meer zachtheid en nederigheid teekende,
in het vuur te staren. Hoeveel van de toekomst kon er voor hare
verbeelding oprijzen? Aanplakbiljetten op de straat, met haar vaders
naam onderteekend, waardoor de nu overleden Stephen Blackpool van
ongegronde verdenkingen werd ontheven, en de schuld van zijn eigen
zoon werd bekend gemaakt, met al de verschooningen, die zijne jaren
en de verzoeking (hij kon er niet toe komen om er bij te voegen,
zijne opvoeding) voor hem konden aanvoeren?--Dit behoorde tot het
tegenwoordige. Zóó bijkans ook Stephen Blackpool's grafzerk, met een
door haar vader gesteld opschrift, want zij wist, dat die steen daar
geplaatst zou worden. Deze dingen kon zij duidelijk zien. Maar hoeveel
van de toekomst?