"Lieve vader," zeide Louisa, toen zij bij hem waren gekomen, "gij hebt

nog drie jonge kinderen over. Zij zullen anders worden, en ik zal met

's Hemels hulp ook nog anders worden."

Zij reikte Sissy hare hand toe, alsof zij toonen wilde, dat zij

daarbij ook op hare hulp rekende.

"Uw rampzalige broeder!" zeide mijnheer Gradgrind. "Denkt gij, dat

hij den diefstal reeds voorhad toen hij met u naar dat huis ging?"

"Ik vrees van ja, vader. Ik weet, dat hij zeer om geld verlegen was

en veel verteerd had."

"En daar die arme man de stad zou verlaten, kwam het in zijne booze

gedachten op, om de verdenking op hem te doen vallen?"

"Ik geloof, dat het hem moet ingevallen zijn terwijl hij daar zat,

vader; want ik had hem gevraagd om met mij daarheen te gaan. Dat

bezoek was geen verzinsel van hem."

"Hij had ook een gesprek met dien armen man. Nam hij hem ter zijde?"

"Hij nam hem buiten de kamer. Ik vroeg hem naderhand waarom hij

dat gedaan had, en hij gaf eene aannemelijke reden op; maar sedert

gisteravond, vader, en als ik mij nu de omstandigheden herinner,

vrees ik, dat ik mij maar al te goed kan verbeelden wat er tusschen

hen is omgegaan."

"Laat mij eens hooren," zeide haar vader, "of uwe gedachten uw

schuldigen broeder in hetzelfde ongunstige licht plaatsen als de

mijne."

"Ik vrees, vader," antwoordde Louisa aarzelend, "dat hij Stephen

Blackpool iets moet hebben wijs gemaakt, misschien in mijn naam iets

beloofd, of in zijn eigen naam--dat den man bewoog om zonder eenig

kwaad opzet en ter goeder trouw, te doen wat hij voorheen nog nooit

gedaan had, en die twee of drie avonden, voordat hij de stad verliet,

voor het kantoor te blijven heen en weer dwalen."

"Maar al te duidelijk!" zeide haar vader. "Maar al te duidelijk!"

Hij hield zijne hand voor zijn gezicht en zweeg eene poos. Zich toen

herstellende, zeide hij:

"En hoe is hij nu te vinden? Hoe is hij uit de handen van het gerecht

te houden? Hoe zullen wij hem vinden, in de weinige uren, die ik met

mogelijkheid kan laten verloopen eer ik de waarheid openbaar maak,

en hoe zullen wij tegelijk zorgen, dat niemand anders hem vindt? Met

geene tienduizend pond zou dat te doen zijn."

"Sissy heeft het reeds gedaan, vader."

Hij sloeg de oogen op naar de plek waar zij stond, als ware zij de

goede fee in zijn huis, en zeide op een toon van weemoedige teederheid

en dankbaarheid: "Altijd zijt gij het, mijn kind!"

"Wij waren er al vroeger dan gisteren voor bevreesd," zeide Sissy,

met een blik naar Louisa; "en toen ik u gisteravond bij de draagbaar

zag komen en hoorde wat er gezegd werd (want ik bleef steeds dicht

bij Rachel), ging ik naar hem toe, terwijl niemand het zag, en zeide:

"Kijk niet naar mij om. Zie met wien uw vader spreekt. Neem terstond

de vlucht, om zijn en uw eigen wil." Hij stond al te beven eer ik hem

dit toefluisterde, en toen schrikte en beefde hij nog meer, en zeide:

"Waar kan ik naar toe gaan? Ik heb maar heel weinig geld, en ik weet

niet wie mij zal verbergen." Toen dacht ik aan het paardenspel,

waar mijn vader in geweest is. Ik heb niet vergeten waar mijnheer

Sleary in dezen tijd van het jaar heen gaat, en ik las pas voor kort

van hem in eene courant. Ik zeide hem dus, spoedig daarheen te gaan,

zijn naam te zeggen, en mijnheer Sleary te vragen om hem te verbergen

totdat ik kwam. "Ik zal nog vóór den ochtend bij hem zijn," zeide hij;

en ik zag hem tusschen de menschen heensluipen."

"De Hemel zij gedankt!" riep zijn vader uit. "Hij kan dan nog het

land uitgeholpen worden."

Dit was te meer waarschijnlijk, omdat de stad, waarheen Sissy hem

verwezen had, binnen de drie uren reizens van Liverpool was gelegen,

van waar hij met allen spoed naar ieder gedeelte der wereld kon worden

overgebracht. Maar dewijl men nu voorzichtig moest wezen in het houden

van gemeenschap met hem--want met ieder uur steeg het gevaar, dat hij

verdacht zou worden, en niemand kon weten of Bounderby zelf niet, in

zijn bluffenden ijver voor het algemeene welzijn, eene Romeinsche rol

zou willen spelen--werd er afgesproken, dat Sissy en Louisa zich langs

een omweg alleen naar de bedoelde plaats zouden begeven, en dat de

ongelukkige vader, eene geheel tegenovergestelde richting inslaande,

zich langs een nog grooter omweg bij haar zou komen voegen. Verder

werd er bepaald, dat mijnheer Gradgrind zich niet zelf aan Sleary

zou vertoonen, uit vrees dat zijne oogmerken verkeerd begrepen zouden

worden, of dat de tijding zijner komst zijn zoon opnieuw de vlucht zou

doen nemen; maar dat het openen der onderhandeling aan Sissy en Louisa

zou worden overgelaten, en dat deze den rampzalige, die de oorzaak van

zooveel ellende en schande was, zouden onderrichten, dat zijn vader

in de nabijheid was en met welk oogmerk zij gekomen waren. Toen deze

beschikkingen wel overwogen en door alle drie ten volle begrepen waren,

was het ook tijd om een begin met de uitvoering te gaan maken. Vroeg

in den namiddag ging mijnheer Gradgrind van zijn huis af recht het

land door naar een spoorwegstation, van waar hij verder zou reizen;

en in den avond begaven de twee anderen zich naar een geheel anderen

kant op weg, bemoedigd door de gedachte, dat zij geen gezicht gezien

hadden, hetwelk haar bekend was.

Zij reisden den geheelen nacht door, behalve wanneer zij voor zeker

oneffen getal minuten op tusschenstations aan zijwegen werden gelaten,

die boven aan eene eindelooze trap of beneden in een diepte waren

gelegen--het eenige verschil tusschen die stations;--en vroeg in den

morgen werden zij afgezet op een stuk drasland, een paar mijlen van de

stad, die zij zochten. Van deze akelige plek werden zij verlost door

een ruwen ouden postiljon, die toevallig vroeg op was, en met een

paard en sjees aankwam; en zoo werden zij de stad binnengesmokkeld

door al de achterstraatjes waar varkens woonden; een toegang die,

hoewel niet zeer prachtig of welriekend, toch de gewone weg van een

tusschenstation naar een landstadje is.

Het eerste, wat zij bij het inkomen der stad zagen, was het geraamte

van Sleary's paardenspel. De troep was naar eene andere stad, meer

dan twintig mijlen ver, vertrokken, en had daar den vorigen avond

reeds gespeeld. Het middel van gemeenschap tusschen de twee plaatsen

bestond in een heuvelachtigen grindweg, en het bereizen van dien weg

ging zeer langzaam. Schoon zij maar een haastig ontbijt gebruikten en

geene rust namen (welke zij onder zulke beangstigende omstandigheden

toch vruchteloos zouden gezocht hebben), was het middag eer zij de

biljetten van Sleary's paardenspel op schuttingen en schuren aangeplakt

vonden, en één uur voordat zij op de markt stilhielden.

Eene groote ochtend-voorstelling der kunstrijders, die op dat uur zou

beginnen, werd juist toen zij den eersten voetstap op de straatsteenen

deden, door den stadsomroeper aangekondigd. Sissy gaf den raad, ten

einde in de stad geene aandacht te trekken, om naar de deur van het

spel te gaan en plaatsen te nemen. Indien Sleary daar zat om geld aan

te nemen, zou hij haar zeker herkennen en met voorzichtigheid te werk

gaan. Als hij daar niet was, zou hij haar zeker in het spel zien;

en wetende, wat hij met den vluchteling gedaan had, zou hij ook dan

met voorzichtigheid handelen.

Zij begaven zich dus met angstig kloppende harten naar de nog

welbekende tent. De vlag was er, en de gothieke nis was er; maar

mijnheer Sleary was er niet. De jongeheer Kidderminster, die eigenlijk

al te veel van den stal had overgenomen om door de welwillendste

lichtgeloovigheid nog langer voor Cupido te worden aangezien, had

zich naar de onweerstaanbare macht der omstandigheden (waaronder ook

zijn baard) gevoegd, en als een man, die zich overal bruikbaar wist te

maken, had hij bij deze gelegenheid het beheer over de schatkist--en

ook nog eene trom bij de hand, waaraan hij zijne ledige oogenblikken

en zijne overtollige kracht kon besteden. Door de nauwlettendheid,

waarmede mijnheer Kidderminster, als hij deze betrekking waarnam,

op de valsche munt toezag, die men hem somtijds in de handen wilde

stoppen, had hij voor niets anders oogen dan voor het geld; aldus

ging Sissy hem onopgemerkt voorbij en kwamen zij binnen.

De keizer van Japan, op een oud en mak wit paard, met zwarte vlekken

beschilderd, rondrijdende, liet vijf waschkommen tegelijk door de

lucht draaien,--de geliefkoosde uitspanning van dien monarch. Sissy,

schoon welbekend met zijn vorstelijk geslacht, had geene persoonlijke

kennis aan den tegenwoordigen keizer, en zijne regeering bleef

ongestoord. Miss Josephine Sleary, die haar vermaarden Tiroler

Bloemendans zou uitvoeren, werd daarop door een nieuwen clown

aangekondigd (die met schertsende geestigheid Bloemkooldans zeide)

en door mijnheer Sleary binnengeleid.

Nog pas één slag had mijnheer Sleary met zijne lange zweep naar den

clown gedaan, en pas had de clown gezegd: "Als ge dat weer doet,

zal ik je het paard naar den kop smijten!" toen Sissy door vader en

dochter beiden herkend werd. Beiden bleven echter met de grootste

zelfbeheersching in hunne rol; en behalve in het eerste oogenblik, was

er in het beweeglijke oog van mijnheer Sleary niet meer uitdrukking

te bespeuren dan in het daarop volgende. De voorstelling kwam

Sissy en Louisa wel wat lang voor, inzonderheid toen zij gestaakt

werd om den clown gelegenheid te geven aan mijnheer Sleary (die

ieder gezegde op den bedaardst mogelijken toon met een: "Ei zoo,

mijnheer!" beantwoordde, en gestadig het publiek in het oog hield)

eene vertelling te doen van tweebeen, die op driebeen naar eenbeen

zat te kijken, toen vierbeen aankwam en eenbeen pakte, en tweebeen

opstond en driebeen opnam en hem naar vierbeen gooide, die met eenbeen

weg liep. Want hoewel deze geestige allegorie betrekking had op een

slager, een driestal, een hond en een schapebout, kostte dit verhaal

wel wat veel tijd voor hun ongeduld. Eindelijk echter maakte de blonde

Josephine onder een algemeen gejuich haar compliment; en de clown,

alleen in de manege gebleven, had zich juist in de handen gewreven

en gezegd: "Nu is het mijne beurt!" toen Sissy op haar schouder werd

getikt en gewenkt om buiten te komen.

Zij nam Louisa mede; en zij werden door mijnheer Sleary ontvangen in

een zeer klein afzonderlijk vertrekje met een vloer van gras, wanden

van zeildoek, en eene hellende zoldering, waarop een gedeelte van

het publiek zijne goedkeuring stampte alsof het er doorheen zou komen.

"Cecilia!" zeide mijnheer Sleary, die een glas brandewijn met water

bij de hand had, "het doet mij goed, dat ik u zie. Gij zijt altijd

een lieveling van ons geweest, en gij hebt ons sedert dien ouden

tijd eer aangedaan, dat geloof ik zeker. Gij moet onze lieden zien,

liefje, eer wij over zaken spreken, of het zal hun het hart breken,

vooral de vrouwen. Daar is Josephine, die is nu met E. W. B. Childers

getrouwd, en zij heeft een kleinen jongen, die pas drie jaar oud is,

maar toch op elken hit blijft zitten dien men maar bij hem brengen

kan. Hij heet het Kleine Wonder van Academische Rijkunst, en als

gij bij Astley niet van dien jongen hoort, zult ge te Parijs van hem

hooren. En gij zult Kidderminster nog wel kennen, die men dacht dat

een oogje op u had? Wel, hij is ook getrouwd. Hij heeft eene weduwe

genomen, oud genoeg om zijne moeder te zijn. Zij was op de stijve

koord, maar nu kan ze niets meer, omdat ze te dik is. Zij hebben

twee kinderen, en dus zijn wij goed voorzien van toovergodinnetjes en

kleine wichtjes. Als ge onze Kinderen in het Bosch eens kondt zien,

met hun vader en moeder, die allebei te paard sterven--hun oom, die

ze als voogd onder zijne bescherming neemt, ook te paard--zij zelven,

die braambessen gaan zoeken, ook te paard--en de roodborstjes, die hen

met bladeren komen bedekken, ook te paard--dan zoudt ge zeggen, dat

het ding zoo compleet was als ge ooit iets gezien had. Gij herinnert u

Emma Gordon nog wel, liefje, die haast zoo goed als eene moeder voor u

was? Natuurlijk doet gij het, dat behoef ik niet te vragen. Wel, Emma

heeft haar man verloren. Hij deed een zwaren val van een olifant in

eene soort van pagode als de Sultan van Indië, en dat is hij nooit te

boven gekomen; zij is toen voor de tweede maal getrouwd--zij heeft een

kaaskooper gekregen, die van de voorste bank af zin in haar kreeg--en

die nu opzichter is van een werkhuis en fortuin maakt."

Deze verschillende veranderingen verhaalde Sleary, die nu zeer

kortademig was, met groote hartelijkheid en eene verwonderlijke

soort van naïveteit, als men bedacht welk een veteraan in het

brandewijn-drinken hij was. Naderhand bracht hij Josephine en

E. W. B. Childers binnen (wiens wangen bij daglicht al vrij diepe

plooien hadden) en ook het Kleine Wonder van Academische Rijkunst,

kortom den geheelen troep. Vreemd zagen de vrouwen er in Louisa's

oogen uit, zoo wit en rood van kleur, zoo karig gekleed en zoo gul

met het vertoonen harer beenen; maar het was iets streelends te zien,

hoe zij elkander om Sissy verdrongen, en zeer natuurlijk dat Sissy

zich niet van tranen kon onthouden.

"Komaan! Nu heeft Cecilia al de kinderen gezoend, en al de vrouwen

omhelsd, en al de mannen de hand gegeven; maakt nu allen dat ge

wegkomt, en laat de muziek beginnen voor de tweede afdeeling,"

zeide Sleary.

Zoodra de anderen weg waren, vervolgde hij zacht: "Nu, Cecilia, ik

vraag naar geen geheim, maar ik geloof, dat ik deze dame toch voor

de jongejuffrouw van den jonker mag houden?"

"Dit is zijne zuster. Ja."

"En de dochter van den anderen? Dat is wat ik meen. Ik hoop, dat ik

u wél zie, juffrouw. En ik hoop, dat de jonker ook wel is?"

"Mijn vader zal spoedig hier zijn," antwoordde Louisa, zeer verlangend

om ter zake te komen. "Is mijn broeder veilig?"

"Gezond en frisch," antwoordde hij. "Ik wilde u eens even naar de

manege laten kijken, hier door de reet. Cecilia, gij kent het kunstje;

zoek maar een kijkgaatje voor u zelf."

Beiden tuurden door eene reet in de planken.

"Dat is Jack de Reuzendooder--een comisch kinderstukje," zeide Sleary.

"Dat is een huisje voor Jack, om in te kruipen, en dat is mijn clown

met een potdeksel en een spit, als de knecht van Jack; en daar is

kleine Jack zelf in eene prachtige wapenrusting; en daar zijn twee

comische zwarte knechts, tweemaal zoo groot als het huisje, om er bij

te staan en het binnen te brengen en weer weg te dragen; en de reus

(van mandewerk, die mij veel geld gekost heeft) is er nog niet. Ziet

gij ze allemaal?"

"Ja," zeiden beiden.

"Kijk nu nog eens," hervatte Sleary, "en kijk goed. Ziet gij ze

allemaal? Heel goed! Nu, juffrouw," hij zette een bank voor haar om

op te zitten, "ik heb mijne begrippen, en de jonker uw vader heeft

de zijne. Ik behoef niet te weten wat uw broeder heeft uitgevoerd;

het is beter zelfs, dat ik het niet weet. Al wat ik zeg is: de jonker

heeft Cecilia bijgestaan, en ik sta den jonker bij. Uw broeder is

een van die zwarte knechts."

Louisa liet een uitroep hooren, half van schrik, half van blijdschap.

"Zoo is het," zeide Sleary, "en zelfs nu gij het weet, zoudt ge hem

niet kunnen aanwijzen. Laat de jonker maar komen. Ik zal uw broeder na

de voorstelling hier houden. Ik zal hem zich niet laten verkleeden of

de verf afwasschen. Laat de jonker dan na de voorstelling hier komen,

of kom zelf hier; gij zult uw broeder hier vinden en de geheele tent

hebben om hem te spreken. Gij moet er u niet aan storen hoe hij er

uitziet, als hij maar goed verscholen is."

Louisa bedankte mijnheer Sleary met een verruimd hart, en hield hem

toen niet langer op. Zij gaf haar groet aan haar broeder, met oogen

vol tranen, en ging toen met Sissy heen tot later in den namiddag.

Mijnheer Gradgrind kwam een uur later aan. Ook hij had niemand ontmoet

die hij kende, en hoopte nu zeker, dat hij zijn geschandvlekten

zoon, met hulp van Sleary, in den nacht naar Liverpool zou kunnen

krijgen. Daar geen van drieën hem kon vergezellen, zonder aanleiding te

geven dat hij, hoezeer ook vermomd, ontdekt werd, schreef hij een brief

aan een correspondent, wien hij vertrouwen kon, waarin hij verzocht om

den brenger, wat het ook kosten mocht, naar Noord- of Zuid-Amerika,

of eenig ander afgelegen werelddeel te zenden, waarheen hij maar op

de spoedigste en heimelijkste manier kon verzonden worden. Nadat dit

gedaan was, gingen zij rondwandelen om te wachten dat het paardenspel

geheel ledig was; namelijk tot niet alleen de toeschouwers, maar

ook de rijders en de paarden het ontruimd hadden. Eindelijk zag hij

Sleary een stoel buiten brengen en bij de zijdeur gaan zitten rooken,

als een teeken dat zij konden naderen.

"Uw dienaar, jonker," was zijn voorzichtige groet toen zij

binnengingen. "Als ge mij noodig hebt, zult ge mij hier vinden. Gij

moet er u niet aan storen dat uw zoon eene comische livrei draagt."

Zij gingen alle drie naar binnen; en mijnheer Gradgrind zette zich

neerslachtig neer op het bankje van den clown in het midden der

manege. Op een der achterste banken, veraf in het schemerende licht

van die vreemde plaats, zat de ellendige hondsvot, ook nu nog stug

en wrevelig, wien hij het verdriet had zijn zoon te moeten noemen.

Daar zat hij, in een allerzotsten rok, naar dien van een kerkeknecht

in groot kostuum gelijkende, met onbeschrijfelijk overdrevene panden

en opslagen; met een vervaarlijk vest, korte broek, schoenen met

gespen en een razenden steekhoed; met niets dat hem paste, en alles

van grove stof, door de motten afgeknaagd en vol gaten; met strepen

over zijn zwart gezicht, waar angst en warmte het vettige mengsel,

waarmede het besmeerd was, had doen smelten. Iets zoo akeligs,

verfoeielijks, belachelijks en schandelijks, als de hondsvot in zijne

comische livrei, had mijnheer Gradgrind nooit mogelijk kunnen achten,

indien hij het niet als een tastbaar feit voor zich had gezien. En

een van zijne model-kinderen was zoover gekomen!

In het eerst wilde de hondsvot niet naderbij komen, maar bleef

hardnekkig daar omhoog zitten. Eindelijk toegevende, indien zulk een

wrevelig gehoorzamen toegeven kon genoemd worden, aan de vriendelijke

beden van Sissy--want Louisa wilde hij niet zien of hooren--kwam

hij bank voor bank naar beneden, tot hij aan den uitersten rand der

manege in het mulle zand stond, zoo ver mogelijk van de plek waar

zijn vader zat.

"Hoe is het er mee toegegaan?" vroeg zijn vader.

"Waarmee toegegaan?" antwoordde de zoon met norsche neerslachtigheid.

"Met dien diefstal," zeide de vader, bij dat woord zijn stem

verheffende.

"Ik opende de kist zelf in den avond en liet haar op eene reet staan

toen ik heenging. Ik had den sleutel, die gevonden is, lang te voren

laten maken. Ik liet hem dien ochtend daar vallen, om te doen denken,

dat hij er voor gebruikt was. Ik nam het geld niet op eens. Ik hield

mij elken avond alsof ik mijn overschot wegsloot, maar deed het

niet. Nu weet gij alles."

"Als een donderslag mij getroffen had," zeide de vader, "zou het mij

minder ontzet hebben dan dit."

"Ik zie niet in waarom," bromde de zoon. "Zooveel menschen worden in

vertrouwde betrekkingen gebruikt; en zooveel van de zooveel zullen

oneerlijk zijn. Ik heb er u honderdmaal van hooren praten, dat dit

een regel was. Hoe kan ik tegen regels aan? Gij hebt anderen met

zulke dingen getroost, vader. Troost u zelven nu."

De vader verborg zijn gezicht in zijne handen, en de zoon stond in

zijn schandelijk hansworstenpak op een strootje te bijten: zijne

handen, waarvan het zwart aan den binnenkant half afgewreven was,

geleken naar de handen van een aap. De avond naderde snel; en van tijd

tot tijd keerde hij het wit zijner oogen met rusteloos ongeduld naar

zijn vader. Die oogen waren het eenige van zijn gezicht, dat leven

of uitdrukking vertoonde, zoo dik was de verf daarop gesmeerd.

"Gij moet naar Liverpool worden geholpen en het land uitgezonden."

"Dat zal wel moeten. Ik kan toch ergens anders niet ongelukkiger zijn

dan ik hier geweest ben zoolang mij heugt," jankte de hondsvot. "Dat

is één geluk."

Mijnheer Gradgrind ging naar de deur en kwam met Sleary terug, aan

wien hij de vraag voorstelde, hoe dat jammerlijke voorwerp uit den

weg te helpen?

"Wel, daarover heb ik al gedacht, jonker. Er is niet veel tijd te

verliezen, maar gij moet toch ja of neen zeggen. Het is over de twintig

mijlen naar den spoorweg. Over een half uur rijdt er een diligence,

die de passagiers op den posttrein moet brengen. Die trein rijdt

rechtdoor naar Liverpool."

"Maar zie hem eens aan," zuchtte mijnheer Gradgrind. "Hoe..."

"Ik meen niet dat hij met de comische livrei moet gaan," zeide

Sleary. "Zeg het maar, en ik zal hem binnen vijf minuten uit onze

garderobe tot een joskin maken."

"Ik begrijp u niet," zeide mijnheer Gradgrind hierop.

"Een joskin--een karreman. Neem spoedig uw besluit, jonker. Er moet

nog bier gehaald worden. Ik heb nooit iets gevonden zoo goed als bier,

om een geschilderden moor schoon te wasschen."

Mijnheer Gradgrind gaf snel zijne toestemming; Sleary haalde even

snel een linnen kiel, een vilten hoed en andere benoodigdheden uit

eene kist; de hondsvot ging achter een scherm en verwisselde snel

van kleederen; en Sleary haalde bier en wiesch hem snel weder blank.

"Komaan," zeide Sleary, "ga nu maar mee naar de diligence, en spring

achterop. Ik zal u brengen, en zij zullen denken dat gij een van

mijn volk zijt. Zeg uwe familie nu vaarwel, en maak wat voort!" En

daarmede was hij kiesch genoeg om zich te verwijderen.

"Hier is uw brief," zeide mijnheer Gradgrind. "Alle noodige middelen

zullen u verschaft worden. Vergoed door berouw en een beter gedrag

het kwaad dat gij bedreven hebt en de schrikkelijke gevolgen waartoe

het geleid heeft. Geef mij de hand, mijn arme jongen, en moge God u

vergeven gelijk ik doe."

De schuldige werd door deze woorden en hun hartroerenden toon tot

eenige lafhartige tranen bewogen. Maar toen Louisa hare armen opende,

stiet hij haar opnieuw terug.

"Gij niet. Ik wil niets met u te maken hebben."

"O, Tom, Tom, moet het zoo tusschen ons eindigen, na al mijne liefde?"

"Na al uwe liefde?" herhaalde hij met onverzettelijke

hardnekkigheid. "Mooie liefde! Ouden Bounderby los te laten, en mijn

besten vriend, mijnheer Harthouse, van de hand te zenden, en naar huis

te loopen, juist op den tijd dat ik in het grootste gevaar was. Mooie

liefde! Alles uit te babbelen, ook dat wij te zamen daarnaar toe

waren geweest, toen gij zaagt, dat ik hoe langer hoe meer in het net

geraakte. Mooie liefde! Gij hebt mij zoo goed als overgeleverd. Gij

hebt nooit om mij gegeven."

"Maak wat voort!" riep Sleary bij de deur.

Allen gingen verward naar buiten. Louisa zeide schreiende, dat zij hem

vergaf en hem nog liefhad, en dat het hem eens spijten zou, dat hij

haar zoo verlaten had, en dan blij zou zijn te kunnen denken, dat dit

hare laatste woorden waren; toen er iemand hen tegenkwam. Mijnheer

Gradgrind en Sissy, die beiden voor hen uit waren, terwijl zijne

zuster hem nog bij den arm hield, bleven staan en deinsden terug.

Want daar was Bitzer, geheel buiten adem, zijne dunne lippen

opengesperd, zijne dunne neusgaten uitgezet, zijne witgehaarde oogleden

trillende, zijn kleurloos gezicht nog kleurloozer dan ooit, alsof hij

zich wit-gloeiend had geloopen, terwijl anderen zich rood-gloeiend

loopen. Daar stond hij te hijgen, alsof hij nooit had stilgestaan

sedert dien avond toen hij vroeger eens tegen hen was aangeloopen.

"Het spijt mij dat ik verhindering in uw plan moet brengen," zeide

Bitzer, zijn hoofd schuddende, "maar ik kan mij toch door geene

paardrijders laten foppen. Ik moet den jongenheer Tom hebben; en geene

paardrijders zullen hem weghelpen. Hier is hij in dien linnen kiel,

en ik moet hem hebben."

Hij greep hem bij den kraag en nam hem aldus in bezit.

XXXVI.

PHILOSOPHISCH.

Zij gingen terug in de tent, en Sleary sloot de deur om indringers

buiten te houden. Bitzer, die den van schrik verstijfden misdadiger

nog bij den kraag hield, stond in de manege zijn ouden patroon in de

schemering met knippende oogen aan te gluren.

"Bitzer," zeide mijnheer Gradgrind, geheel verslagen en met jammerlijke

onderdanigheid voor den kantoorknecht, "hebt gij een hart?"

"De bloedsomloop, mijnheer," antwoordde Bitzer, glimlachende

over het zonderlinge dier vraag, "zou zonder hart niet kunnen

voortgaan. Niemand, mijnheer, die bekend is met de feiten aangaande

den omloop van het bloed, welke Harvey heeft ontdekt, kan twijfelen

of ik een hart heb."

"Is het toegankelijk," riep mijnheer Gradgrind uit, "voor den invloed

van het medelijden?"

Slechte Tijden · 第 25 / 27 段