paarden, die door hun dagelijkschen arbeid een kring in den grond
hadden getrapt, waren beiden in rust; de raderen hadden voor eene
korte poos opgehouden te draaien; en het groote rad der aarde scheen
zonder de schokken en het gerucht van een anderen tijd om te wentelen.
Zij wandelden voort, over velden en door beschaduwde lanen, somtijds
over een stuk van een hek stappende, zoo verrot dat het brak als
de voet er tegen aanstiet, somtijds een hoop met gras begroeide
steenen en balken voorbijgaande, die de plaats van een verlaten
werk kenmerkten. Zij volgden paden en sporen, hoe gering zij ook
waren. Kleine hoogten, waarop het gras welig groeide en distels,
netelen en dergelijke planten waren opgeschoten, vermeden zij
steeds; want akelige histories werden in die streek verteld van oude
mijnputten, die onder zulke kenteekenen verborgen waren.
De zon was hoog geklommen, toen zij gingen zitten om te rusten. Zij
hadden in langen tijd geen mensch van nabij of van verre gezien, en
de eenzaamheid bleef nog ongestoord. "Het is hier zoo stil, Rachel,
en het pad schijnt zoo weinig begaan, dat ik geloof dat wij de eersten
zijn, die den geheelen zomer hier zijn gekomen."
Toen Sissy dit zeide, viel haar weder een stuk van een verrot hek in
het oog, dat op den grond lag. Zij stond op om er naar te kijken.
"En toch weet ik het niet," zeide zij. "Dit is nog niet heel lang
geleden afgebroken. Het hout is nog versch gesplinterd. En hier zijn
ook voetstappen.--O, Rachel!"
Zij kwam terugloopen en greep haar om den hals. Rachel was reeds
opgesprongen.
"Wat is er?"
"Ik weet het niet. Daar ligt een hoed in het gras."
Zij gingen te zamen vooruit, Rachel die van het hoofd tot de voeten
beefde, nam den hoed op. Zij barstte in tranen en jammerklachten
uit. Stephen Blackpool had met zijne eigene hand zijn naam in den
hoed geschreven.
"O, de arme man, de arme man! Men heeft hem van kant geholpen. Hij
ligt hier vermoord."
"Is er--is er bloed aan?" bracht Sissy stamelend uit.
Zij waren bang om er naar te zien, maar bezichtigden den hoed toch en
vonden geen spoor van geweld. De hoed had daar eenige dagen gelegen,
want hij was door den regen en den dauw verkleurd en had een indruk
van zijn vorm op het gras gelaten. Zij zagen vreesachtig rond, zonder
zich te bewegen, maar konden niets meer ontdekken.
"Rachel," fluisterde Sissy, "ik zal alleen wat verder gaan."
Zij had hare hand losgelaten en wilde juist een stap voorwaarts doen,
toen Rachel haar met een gil in beide armen greep. Vóór haar, vlak
voor hare voeten, was de afgebrokkelde kant eener zwarte diepte,
door het dichte gras verborgen. Zij deinsden terug, vielen op de
knieën en verborgen beiden haar gezicht aan elkanders hals.
"O goede God! Hij is daar beneden! Daar beneden!" In het eerst was
dit akelig gegil alles, wat men door tranen, gebeden, vermaningen,
door welke poging ook, van Rachel kon bekomen. Het was onmogelijk
haar tot bedaren te brengen; en het was toch noodzakelijk dit te doen;
het was noodzakelijk haar vast te houden of zij zou zich in de diepte
hebben geworpen.
"Rachel, lieve Rachel, goede Rachel, om 's Hemels wil, houd op met
dat schrikkelijke geschreeuw! Denk aan Stephen, denk aan Stephen,
denk aan Stephen!"
Door eene ernstige herhaling dezer bede, met al den angst van zulk
een oogenblik ontboezemd, bracht Sissy haar eindelijk tot stilte,
en nu zag de ongelukkige haar aan zonder tranen en met een gezicht,
dat in steen scheen veranderd te zijn.
"Rachel, Stephen kan nog leven. Gij wilt hem toch geen oogenblik
langer hulpeloos op den grond van dien akeligen put laten liggen,
als gij hem hulp kunt bezorgen!"
"Neen, neen, neen!"
"Ga dan om zijnentwil niet hier vandaan. Laat ik gaan luisteren."
Zij huiverde om den put te naderen, maar zij kroop er op handen en
knieën naar toe en riep hem zoo hard zij roepen kon. Zij luisterde,
maar geen geluid gaf haar antwoord. Wederom riep en luisterde zij;
nog geen geluid. Zij deed dit twintig-, dertigmaal. Zij nam eene
kluit aarde van den afgebrokkelden grond, waar hij gestruikeld was,
en wierp dien in de opening. Zij kon niets hooren vallen.
Het ruime uitzicht, waarvan de stilte weinige minuten geleden zoo
bekoorlijk was, vervulde haar moedig hart bijna met wanhoop, toen
zij opstond, overal rondkeek en geene hulp zag.
"Rachel, wij moeten geen oogenblik verliezen. Wij moeten in
verschillende richtingen hulp gaan zoeken. Neem gij den weg dien wij
gekomen zijn; ik zal langs dit pad verder gaan. Zeg iedereen, wien
gij ontmoet, wat er gebeurd is. Denk aan Stephen, denk aan Stephen!"
Zij zag aan Rachel's gezicht, dat zij haar nu kon vertrouwen. Nadat
zij eene poos was blijven staan om haar na te zien, terwijl zij haastig
voortstapte en al voortstappende hare handen wrong, keerde zij zich om
en begon zelve haar tocht om hulp te zoeken. Bij de heg bleef zij even
staan en bond haar doek daaraan vast, om de plek te herkennen; toen
wierp zij haar hoed op zijde en liep gelijk zij nog nooit had geloopen.
Loop, Sissy, loop, in 's Hemels naam! Sta niet stil om adem te
halen! Loop, loop voort! Zich zelve aansporende, door zulk een biddend
roepen in hare gedachten te houden, liep zij van veld tot veld,
en van laan tot laan, en van plek tot plek, gelijk zij nog nooit
geloopen had, tot zij bij een afdakje aan een machinengebouw kwam,
waar twee mannen in de schaduw lagen te slapen.
Hen eerst te wekken, en daarna te zeggen, overspannen en ademloos als
zij was, wat haar daar gebracht had, had vrij wat moeielijkheden in;
maar niet zoodra begrepen zij haar, of zij waren even vol ijver als
zij. Een van die mannen lag in den doffen slaap der dronkenschap,
maar toen zijn makker hem toeschreeuwde, dat er iemand in de Oude
Helschacht was gevallen, snelde hij heen naar een plas vuil water,
dompelde zijn hoofd daarin en kwam nuchter terug.
Met deze twee mannen liep zij naar een ander, een halve mijl verder,
en met dezen weder naar een ander, terwijl de eerste twee elders
heen liepen. Toen werd er een paard gevonden, en kreeg zij een ander
man, om op leven of dood naar den spoorweg te rijden, en zond zij
eene boodschap aan Louisa, die zij opschreef en hem medegaf. Tegen
dien tijd was er een geheel dorp op de been; en windassen, touwen,
staken, emmers, kaarsen, lantarens en alle benoodigdheden werden snel
bijeengehaald om naar de Oude Helschacht gebracht te worden.
Het scheen nu uren geleden sedert zij den verlorene verlaten had in
het graf, waar hij levend begraven lag. Zij kon niet langer van hem
vandaan blijven--het was alsof zij hem aan zijn lot overliet--en zij
haastte zich terug, vergezeld door een zestal arbeiders, waaronder de
dronken man, die door het nieuws nuchter was geworden en die de knapste
en ijverigste van allen was. Toen zij aan de Oude Helschacht kwamen,
vonden zij die zoo eenzaam als zij haar gelaten had. De arbeiders
riepen en luisterden, gelijk zij gedaan had, en bezichtigden den rand
van den afgrond, en beredeneerden hoe het gebeurd was, en gingen
toen zitten wachten, tot de gereedschappen, die zij noodig hadden,
gebracht werden.
Elk geluid van insekten in de lucht, elk geritsel der bladeren,
elk gefluister onder die mannen deed Sissy beven, want dan dacht zij
eene stem te vernemen uit den put. Maar de wind woei ledig daarover
heen, en geen geluid kwam naar omhoog, en zij zaten te wachten en
te wachten. Nadat dit eenigen tijd had geduurd, begonnen er enkele
menschen te komen, die van het ongeluk hadden gehoord, en weldra begon
men ook de wezenlijke hulp van gereedschappen aan te brengen. Onder
dat alles kwam Rachel terug, en in haar gezelschap was een chirurgijn,
die wijn en eenige medicijnen medebracht. Doch de verwachting onder
de aanwezigen, dat de man nog levend zou gevonden worden, was waarlijk
al zeer gering.
Dewijl er nu menschen genoeg bijeen waren om het werk te belemmeren,
plaatste de nuchter geworden man zich aan het hoofd der anderen, of
werd met algemeene bewilliging daaraan geplaatst, en maakte een grooten
kring om de Oude Helschacht en stelde eenigen aan om die ruimte vrij te
houden. Behalve de vrijwilligers, die voor het werk werden aangenomen,
mochten in het eerst alleen Rachel en Sissy binnen den kring komen;
maar later op den dag, toen de boodschap van Sissy een expressetrein
van Coketown had doen afrijden, kwamen mijnheer Gradgrind en Louisa,
en mijnheer Bounderby en de hondsvot insgelijks daarbinnen.
De zon was vier uren lager gedaald dan toen Sissy en Rachel zich
het eerst op het gras neerzetten, voordat men van palen en touwen
een toestel had vervaardigd, waarmede twee mannen veilig konden
afdalen. Men had bezwaren gehad om dit werktuig samen te stellen,
zoo eenvoudig als het was; men had bevonden, dat het aan sommige
benoodigdheden ontbrak, en boodschappen hadden heen en weder moeten
gaan. Het was vijf ure in den namiddag van een helderen zondag in den
herfst, voordat er eene brandende kaars werd afgelaten om de lucht
te beproeven, terwijl drie of vier grove gezichten zich bij elkander
drongen om het licht na te zien, en de mannen aan het windas het touw
lieten schieten. De kaars werd flauw brandende weder opgehaald en toen
wierp men wat water in de diepte. Daarna werd de emmer aangehaakt;
en de nuchter geworden man en een ander stapten met licht daarin,
en gaven het woord: "Laat zakken!"
Terwijl het touw, stijf gespannen, afdaalde, en het windas kraakte, was
er onder die honderd of tweehonderd mannen en vrouwen niemand, wiens
adem ging gelijk die gewoon was te gaan. Het sein werd gegeven, en het
windas stond stil, terwijl men nog touw genoeg overhad. Schijnbaar
zulk een lange tijd verliep er, terwijl de mannen aan het windas
ledig stonden, dat sommige vrouwen begonnen te gillen dat er een
nieuw ongeluk gebeurd was. Maar de chirurgijn, die zijn horloge in
de hand hield, zeide, dat er nog geen vijf minuten verloopen waren,
en vermaande haar op barschen toon zich stil te houden. Hij had
nauwelijks uitgesproken, toen het windas weder in beweging gebracht
en het touw opgehaald werd. Geoefende oogen zagen, dat het niet zoo
zwaar ging alsof beide werklieden werden opgeheschen, en dat er maar
één terugkwam.
Het touw kwam strak gespannen naar boven; ring op ring wond zich om het
windas; en aller oogen waren op den put gevestigd. De nuchter geworden
man werd opgehaald en sprong vlug op het gras. Er was een algemeene
kreet van "Levend of dood?" en daarop volgde eene diepe stilte.
Toen hij "levend!" zeide, ging er een groot gejuich op, en velen
kwamen de tranen in de oogen.
"Maar hij is heel erg bezeerd," voegde hij er bij, zoodra hij zich
weder kon doen hooren. "Waar is de dokter? Hij is zoo erg bezeerd,
mijnheer, dat ik niet weet hoe wij hem zullen ophalen."
Allen hielden te zamen raad en zagen den chirurgijn bekommerd aan,
toen hij eenige vragen deed en na het hooren der antwoorden zijn hoofd
schudde. De zon ging nu onder, en het roode licht in de avondlucht
bescheen alle gezichten, zoodat men hen in al hunne angstige spanning
kon onderscheiden.
Het beraad eindigde daarmede, dat de lieden naar het windas
terugkeerden en de mijnwerker nogmaals afdaalde, thans wat wijn en
eenige andere kleinigheden medenemende. Toen kwam de andere man naar
boven. Ondertusschen hadden eenige lieden, op last van den chirurgijn,
eene horde gehaald, waarop anderen van hunne opperkleederen, met los
stroo bedekt, een dik bed maakten, terwijl hij zelf eenige verbanden en
windsels van omslagdoeken en zakdoeken vervaardigde. Toen deze gereed
waren, werden zij den mijnwerker, die het laatst was bovengekomen,
over den arm gehangen, met onderrichtingen hoe ze te gebruiken; en
terwijl hij daar stond, in het schijnsel van het licht, dat hij droeg,
met zijne forsche ledige hand op een der palen leunende, en nu in den
put neerziende, dan in het rond naar de menschen kijkende, was hij
vooral niet de minst in het oog loopende gedaante van dit tooneel. Het
was nu donker geworden en er werden flambouwen aangestoken.
Uit het weinige, dat deze man tot de naaste omstanders zeide en
dat spoedig door den geheelen kring verspreid werd, bleek het,
dat de verlorene op een hoop aarde was gevallen, die den put half
verstopt had, en dat zijn verdere val gebroken was door eenige aan
de kanten uitstekende aardkluiten. Hij lag op den rug, met den eenen
arm samengevouwen onder zich, en had zich, naar hij zelf geloofde,
sedert zijn val nauwelijks bewogen, behalve dat hij zijne vrije hand
naar zijn zijzak had gebracht, waarin hij zich herinnerde wat brood
en vleesch te hebben (waarvan hij een weinig had gebruikt), en ook
met die hand nu en dan wat water had opgeschept. Hij was terstond
van zijn werk gekomen, zoodra er om hem geschreven was, en had de
geheele reis te voet gedaan; en hij was na den donker op weg naar
het buiten van mijnheer Bounderby, toen hij in den put viel. Hij
was op dien gevaarlijken tijd deze gevaarlijke streek doorgegaan,
omdat hij, in het gevoel zijner onschuld aan hetgeen hem te last
werd gelegd, niet rusten kon, of hij moest den naasten weg komen
om zich te rechtvaardigen. De Oude Helschacht, zeide de mijnwerker,
met een vloek op dien moorddadigen put, was tot het laatste toe haar
slechten naam waardig gebleven; want hoewel Stephen nu nog spreken
kon. geloofde hij toch dat hij het niet lang meer zou maken.
Toen alles gereed was, verdween de man weder in de diepte, nog onder
het afdalen de laatste haastige aanwijzingen van den chirurgijn en
zijne makkers aannemende. Het touw werd gevierd gelijk te voren, het
sein werd weder gegeven, en het windas stond stil. Niemand trok er nu
de hand van af. Ieder wachtte met vastgeklemde vuist en reeds naar
het werk gebogen lichaam om weder op te winden. Eindelijk werd het
sein gegeven, en de geheele kring van omstanders boog zich voorover.
Want nu kwam het touw, ten uiterste gespannen, naar het scheen, naar
boven; het werk ging zwaar, en het windas piepte en kraakte. Het was
bijna onuitstaanbaar naar het touw te zien en te denken, dat het zou
kunnen breken. Maar ring op ring werd veilig om het windas gewonden,
en de kettingen kwamen te voorschijn, en eindelijk de emmer met de
twee mijnwerkers, die zich aan de kanten vasthielden--een gezicht
om het hart te beklemmen en het hoofd te doen duizelen--en tusschen
hen in, behoedzaam vastgehouden en vastgebonden, de gedaante van een
mensch--bijna verbrijzeld.
Een zacht gemompel van medelijden liep door de menigte heen, en de
vrouwen schreiden hardop, toen deze gedaante, bijna zonder vorm,
zeer langzaam uit den ijzeren verlosser werd getild en op het bed van
stroo nedergelegd. In het eerst ging niemand dan de chirurgijn er dicht
bij. Hij deed wat hij kon om het lichaam in gemakkelijker houding te
schikken, maar het beste, wat hij doen kon, was het te bedekken. Toen
hij dit met eene zachte hand gedaan had, riep hij Rachel en Sissy. En
toen zag men het bleeke, uitgeteerde, geduldige gezicht naar den
hemel opzien, terwijl de gekneusde rechterhand bloot op het dek van
kleederen lag, als wachtende om door eene andere hand gevat te worden.
Zij gaven hem te drinken, bevochtigden zijn gezicht met water,
en dienden hem eenige droppels van een opwekkend middel met wijn
toe. Hoewel hij geheel roerloos naar de lucht lag te staren, glimlachte
hij en zeide: "Rachel!"
Zij knielde bij hem op het gras en boog zich over hem heen, tot hare
oogen tusschen de zijne en de lucht waren, want hij kon ze zelfs niet
verdraaien om naar haar te zien.
"Rachel, melieve!"
Zij nam zijne hand. Hij glimlachte wederom en zeide: "Laat ze niet
los."
"Hebt ge veel pijn, lieve Stephen?"
"Die heb ik gehad, maar nu niet meer. Ik heb schrikkelijk erg en lang
pijn gehad, lieve--maar het is nu over. Och, Rachel, 't is alles een
warboel! Van het begin tot het einde een warboel!"
Eene schim van zijn vroeger uitzicht scheen voorbij te zweven toen
hij dit zeide.
"Ik ben in den put gevallen, lieve, die, gelijk oude lieden nog
heugt, honderden en honderden menschenlevens gekost heeft--vaders,
zonen en broeders, dierbaar aan duizenden en duizenden, en die
ze voor honger en gebrek bewaarden. Ik ben in den put gevallen,
die met zijn vuurdamp wreeder dan een oorlog geweest is. Ik heb er
van gelezen in de petitie van de lieden, die in de putten werken,
gelijk iedereen ze lezen kan, waarin zij de wettenmakers om Christus'
wil bidden om te maken dat hun werk hen toch niet vermoorden zal, maar
hen te sparen voor de vrouwen en kinderen, die zij even liefhebben als
voorname lieden de hunne hebben. Toen die put bewerkt werd, bracht
hij buiten noodzaak vele menschen om het leven, en nu hij verlaten
is, doet hij dat nog. Zie hoe wij altijd buiten noodzaak sterven,
op de eene of de andere manier--altijd in een warboel."
Hij zeide dit met eene flauwe stem, zonder eenige gramschap tegen
iemand--alleen als eene waarheid.
"Uw zusje, Rachel--gij hebt haar niet vergeten. Het is niet denkelijk,
dat gij haar nu vergeten zult, nu ik zoo dicht bij haar ben. Gij
weet--dat arme, geduldige, lieve kind--hoe gij voor haar gewerkt hebt,
toen zij den geheelen dag op haar stoeltje voor het venster zat,
en hoe zij stierf, jong en mismaakt, ondermijnd door die ongezonde
lucht, die er niet behoefde te zijn, en de ellendige woningen, die
de werklieden hebben. Een warboel! Alles een warboel!"
Louisa naderde hem, maar hij kon haar niet zien, daar zijn gezicht
naar de donkere nachtlucht omhoog gekeerd was.
"Als alle dingen, die ons aangaan, lieve, niet zoo in de war lagen,
had ik niet hier behoeven te komen. Als wij onder ons zelven niet in
een warboel zaten, zouden mijne eigene makkers mij niet zoo verkeerd
beoordeeld hebben. Als mijnheer Bounderby mij ooit recht gekend
had--als hij mij ooit eenigszins gekend had--zou hij zich niet boos
op mij gemaakt hebben. Dan zou hij mij niet verdacht hebben. Maar
zie daar omhoog, Rachel! Zie daar boven!"
Zijne oogen volgende, zag zij, dat hij naar eene ster tuurde.
"Die heeft mij beschenen," zeide hij eerbiedig, "in mijne pijn en mijn
nood daar beneden. Zij heeft in mijn gemoed geschenen. Ik heb naar
haar opgezien en aan u gedacht, Rachel, tot de warboel in mijn geest
is opgeruimd, meer dan een weinigje, hoop ik. Als sommigen gedwaald
hebben door mij niet beter te verstaan, heb ik ook gedwaald door hen
niet beter te verstaan. Toen ik uw brief kreeg, geloofde ik terstond,
dat wat de jonge mevrouw tegen mij gezegd en gedaan had, eenerlei was,
en dat er een goddeloos komplot tusschen hen bestond. Toen ik viel,
was ik kwaad op haar, en haastte ik mij voort, om zoo onbillijk voor
haar te zijn als anderen voor mij geweest waren. Maar in ons oordeel,
evenals in ons doen, moeten wij dragen en verdragen. In mijne pijn en
mijn nood daarheen opziende--terwijl zij mij bescheen--heb ik alles
duidelijker ingezien, en heb het tot mijn stervend gebed gemaakt,
dat de geheele wereld dichter tot elkander mocht komen en elkander
beter mocht leeren verstaan, dan toen ik zwakke man er nog in was."
Toen Louisa hoorde wat hij zeide, boog zij zich over hem heen, aan
den kant tegenover Rachel, zoodat hij haar kon zien.
"Gij hebt het gehoord?" zeide hij na eene korte poos van stilte. "Ik
heb u niet vergeten, mevrouw."
"Ja, Stephen, ik heb u gehoord, en uw gebed is het mijne."
"Gij hebt een vader. Wilt gij een paar woorden van mij aan hem
overbrengen?"
"Hij is hier," zeide Louisa met angst. "Zal ik hem bij u brengen?"
"Als het u belieft."
Louisa kwam met haar vader terug. Hand in hand zagen beiden neer op
het ernstige gelaat des lijders.
"Mijnheer, gij zult mij zuiveren en mijn naam weder goed maken bij
alle menschen. Dit laat ik aan u over."
Mijnheer Gradgrind ontstelde en vroeg hoe.
"Mijnheer," was het antwoord, "uw zoon zal u zeggen hoe. Vraag het
hem. Ik beschuldig niemand; ik zeg er niets bij, geen enkel woord. Ik
heb uw zoon op zekeren avond gezien en gesproken. Ik vraag niet
meer dan dit: zuiver gij mij van de beschuldiging--en ik vertrouw,
dat gij het doen zult."
Daar de dragers nu gereed waren om hem op te nemen en de chirurgijn
verlangde, dat hij zoo spoedig mogelijk vervoerd werd, plaatsten zij,
die flambouwen of lantarens hadden, zich voor de draagbaar. Eer die
werd opgenomen, en terwijl men schikkingen maakte hoe men gaan zou,
zeide hij tot Rachel, terwijl hij naar de ster omhoog zag:
"Dikwijls, als ik bij mij zelven kwam en haar mij zag beschijnen in
mijn nood, dacht ik dat zij de ster was, die den weg wees naar het huis
van onzen Zaligmaker. Ik denk haast, dat het dezelfde ster moet wezen."
Zij namen hem nu op en hij verheugde zich dat men hem wegdroeg in de
richting welke die ster scheen aan te wijzen.
"Rachel, bemind meisje! Laat mijne hand niet los. Dezen avond mogen
wij wel samen gaan, lieve!"
"Ik zal uwe hand vasthouden en naast u blijven, Stephen, den geheelen
weg."
"God zegene u! Wil iemand zoo goed zijn om mijn gezicht toe te dekken?"
Zij droegen hem zeer behoedzaam de velden door en de lanen langs,
door de uitgestrekte vlakte; en Rachel hield steeds die hand in
de hare. Zeer weinige gefluisterde woorden stoorden de treurige
stilte. Spoedig was het een lijkstoet. De ster had hem gewezen
waar den God der armen te vinden; en door nederigheid, droefheid en
vergevensgezindheid was hij ingegaan tot de rust van zijn Verlosser.
XXXV.
DE HONDSVOT-JACHT.
Eer nog de kring, die zich om de Oude Helschacht gevormd had, gebroken
werd, was een dergenen, die binnen dezen kring waren toegelaten,
verdwenen. Bounderby en Tom, die zijn patroon thans als zijne schaduw
vergezelde, hadden niet bij Louisa gestaan, terwijl zij haar vader
bij den arm vasthield, maar op een afstand ver van de anderen. Toen
mijnheer Gradgrind naar den lijder werd geroepen, sloop Sissy,
oplettend op al wat er gebeurde, achter Tom--wiens gezicht, waarop een
angstig afgrijzen geteekend stond, een belangwekkend schouwspel zou
geweest zijn, indien men oogen had gehad voor eenig ander schouwspel
behalve dat eene--en fluisterde hem iets in het oor. Zonder zijn hoofd
om te draaien, sprak hij eenige oogenblikken met haar en verdween
toen. Aldus was de hondsvot reeds buiten den kring, eer deze zich
begon te verspreiden.
Toen de vader thuis kwam, zond hij eene boodschap naar Bounderby, om
te verzoeken, dat zijn zoon terstond bij hem zou komen. Het antwoord
was, dat Bounderby, daar hij Tom in het gedrang gemist en sedert niet
weder gezien had, gemeend had dat hij zich op Stone Lodge bevond.
"Ik geloof, vader," zeide Louisa, "dat hij van avond niet weder in
de stad zal komen."
Mijnheer Gradgrind keerde zich om en sprak geen woord meer.
Des morgens ging hij zelf naar het kantoor, zoodra dit open was,
en toen hij de plaats van zijn zoon ledig zag (hij had eerst haast
den moed niet om binnen te kijken) ging hij de straat langs terug, om
Bounderby op zijn weg daarheen te ontmoeten, en gaf dezen te kennen,
dat hij het om redenen, die hij spoedig zou openbaren, maar dringend
verzocht hem nu niet af te vragen, noodig had geacht zijn zoon voor
korten tijd elders te plaatsen; en dat hij voorts belast was met de
verplichting om de nagedachtenis van Stephen Blackpool te zuiveren en
den dief bekend te maken. Mijnheer Bounderby, geheel verstomd, bleef,
nadat zijn schoonvader hem verlaten had, stokstijf op de straat staan,
zwellende als eene reusachtige zeepbel, maar lang zoo fraai niet.
Mijnheer Gradgrind ging naar huis, sloot zich in zijne kamer op en
bleef daar den geheelen dag. Toen Sissy en Louisa aan zijne deur
klopten, zeide hij, zonder die te openen: "Nu niet, lieve kinderen,
van avond." Toen zij des avonds terugkwamen, zeide hij: "Ik ben er nog
niet toe in staat--morgen." Hij at den geheelen dag niets, en liet,
toen het donker werd, geen licht komen; en zij hoorden hem tot laat
in den nacht heen en weder stappen.
In den ochtend kwam hij echter op het gewone uur aan het ontbijt en
zette zich aan de tafel op zijne gewone plaats. Hij zag er verouderd
en vervallen uit, en was geheel terneergebogen; en toch zag men het
hem aan, dat hij een wijzer en beter man was, dan in de dagen toen
hij in dit leven niets anders noodig had dan feiten. Eer hij de
kamer verliet, bepaalde hij een tijd dat zij bij hem zouden komen;
en zoo ging hij heen, met het grijze hoofd op de borst gezonken.