Toen Sissy den volgenden avond weder thuis kwam en Louisa berichtte,

dat Stephen nog niet gekomen was, deed zij dit fluisterend. Den avond

daarna, toen zij met dezelfde tijding thuis kwam, en er bijvoegde dat

men niet van hem gehoord had, deed zij dit even zacht en angstig. Van

het oogenblik af, dat zij dien blik hadden gewisseld, noemden zij

nooit weder overluid zijn naam, en spraken zij nooit verder over den

diefstal, wanneer mijnheer Gradgrind daarvan begon melding te maken.

De twee bepaalde dagen verliepen; drie dagen en nachten verliepen,

en Stephen Blackpool kwam niet en liet niets van zich hooren. Op den

vierden dag ging Rachel, wier vertrouwen ongeschokt bleef, maar die

begreep dat haar brief niet terecht was gekomen, naar het kantoor en

liet daar den brief zien, dien zij vroeger van hem had ontvangen en

waarin zijn adres was opgegeven in een fabriekplaatsje, dat zestig

mijlen ver en niet aan den grooten weg lag. Er werden lieden naar

die plaats gezonden, en de geheele stad verwachtte, dat Stephen den

volgenden dag opgebracht zou worden.

Gedurende dien geheelen tijd had de hondsvot mijnheer Bounderby als

zijne schaduw vergezeld en in alles wat hij deed geholpen. Hij was

in eene geweldige spanning, zeer koortsig, beet zijne nagels tot op

het vleesch toe weg, en sprak met eene harde, ratelende stem en met

droge, als het ware verschroeide lippen. Op het uur, dat de verdachte

verwacht werd, was de hondsvot aan het station, en wilde wedden dat

hij zich uit de voeten had gemaakt vóór de komst van hen, die hem

waren gaan zoeken, en dat hij dus niet zou verschijnen.

De hondsvot had gelijk. De afgezondenen kwamen alleen terug. Rachel's

brief was verzonden en bezorgd; maar Stephen Blackpool had zich

op hetzelfde uur te zoek gemaakt en niemand wist iets meer van

hem. De eenige twijfel, dien men te Coketown koesterde, was, of

Rachel wel te goeder trouw geschreven had om er op aan te dringen

dat hij zou terugkomen, of dat zij hem had gewaarschuwd de vlucht te

nemen. Daaromtrent waren de gevoelens verdeeld.

Zes dagen, zeven dagen, ver in eene volgende week. De rampzalige

hondsvot vatte moed--een akeligen moed--en begon brutaal te

worden. "Was de verdachte kerel de dief? Mooie vraag! Zoo niet,

waar was de man dan en waarom kwam hij niet terug?"

Waar was de man en waarom kwam hij niet terug? In het holste van

den nacht kwam de weerklank van deze zijne woorden, die over dag de

Hemel weet hoe ver weggevlogen waren, in plaats van den man terug,

en hield hem gezelschap tot aan den ochtend.

XXXIII.

GEVONDEN.

Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en nacht. Geen Stephen

Blackpool. Waar was de man en waarom kwam hij niet terug?

Elken avond ging Sissy naar de woning van Rachel en zat bij haar

in haar klein, net kamertje. Den geheelen dag werkte Rachel, gelijk

zulke lieden moeten werken, welken angst zij ook mogen verduren. Voor

de rookslangen was het onverschillig wie verloren of gevonden werd,

met wien het goed of slecht afliep; de zwaarmoedige olifanten weken

evenmin als de mannen van feiten van hun vasten gang af, wat er

ook mocht gebeuren. Wederom een dag en nacht, en wederom een dag en

nacht. De eentonigheid was onafgebroken. Zelfs het verdwijnen van

Stephen Blackpool viel in de gewone sleur, en werd een even eentonig

wonder als ieder stuk machinerie te Coketown.

"Ik twijfel," zeide Rachel, "of er twintig in de geheele stad over

zijn, die nu nog eenig vertrouwen op den lieven, goeden man hebben."

Zij zeide dit tegen Sissy, terwijl zij in haar kamertje zaten, alleen

door de lantaren op den hoek der straat verlicht. Sissy was daar

gekomen toen het reeds donker was, om naar Rachel's terugkomst van

haar werk te wachten; en sedert hadden zij aan het venster gezeten,

waar Rachel haar gevonden had, zonder helderder licht noodig te hebben

om hare treurige taak te beschijnen.

"Als het niet zoo genadig beschikt was, dat ik u had om mede te

spreken," vervolgde Rachel, "zouden er, denk ik, tijden zijn dat

ik niet bij mijn verstand zou zijn gebleven. Maar ik krijg hoop en

kracht door u; en ik geloof, hoewel de schijn tegen hem mag wezen,

dat hij toch nog onschuldig zal blijken."

"Dat geloof ik ook met al mijn hart," antwoordde Sissy. "Ik ben bij

mij zelve zoo verzekerd, Rachel, dat het vertrouwen, dat gij tegen

alle bezwaren in blijft koesteren, niet verkeerd kan wezen, dat ik

evenmin aan hem twijfel alsof ik hem gedurende juist zooveel jaren

van beproeving had gekend als gij gedaan hebt."

"En ik, lieve," zeide Rachel met eene beving in hare stem, "heb door

al die jaren heen ondervonden, dat hij, op zijne stille manier, zoo

getrouw was aan al wat eerlijk en goed is, dat ik, al moest men nooit

iets meer van hem hooren, en al moest ik honderd jaren oud worden,

toch met mijn laatsten adem zou kunnen zeggen: God kent mijn hart,

ik heb nooit opgehouden Stephen Blackpool te vertrouwen."

"Wij op Stone Lodge, Rachel, gelooven allen, dat hij vroeger of later

van alle verdenking zal bevrijd worden."

"Hoe meer ik weet dat men daar zoo gelooft," zeide Rachel, "en hoe

vriendelijker ik het vind, dat gij opzettelijk daar vandaan komt

om mij te troosten en gezelschap te houden, en u bij mij laat zien

terwijl ik zelve nog niet vrij van alle verdenking ben, des te meer

spijt het mij, dat ik ooit die woorden van achterdocht tegen de jonge

mevrouw heb gesproken. En toch...."

"Gij wantrouwt haar toch nu niet meer, Rachel?"

"Nu gij ons weder bij elkander hebt gebracht--neen. Maar ik kan het

niet altijd uit mijne gedachten zetten...."

Hare stem daalde tot eene zachte en langzame alleenspraak, zoodat

Sissy, die naast haar zat, met oplettendheid moest luisteren.

"Ik kan het niet altijd laten den een of ander te verdenken. Ik kan

niet raden wie het is; ik kan niet raden hoe of waarom; maar ik heb

een vermoeden, dat iemand Stephen uit den weg heeft geholpen. Ik heb

een vermoeden, dat hij, door vrijwillig terug te komen, en zich voor

iedereen onschuldig te toonen, iemand anders beschamen zou, die--om

dit te voorkomen--hem opgehouden en uit den weg geholpen heeft."

"Dat is eene schrikkelijke gedachte," zeide Sissy, verbleekende.

"Ja, het is schrikkelijk, te denken dat hij vermoord zou zijn."

Sissy huiverde en werd nog bleeker.

"Als dat mij in het hoofd komt, lieve," vervolgde Rachel, "en dat wil

het somtijds, hoezeer ik ook mijn best doe om het er uit te houden,

door tot hooge getallen toe te tellen als ik werk, of stukken op te

zeggen, die ik van buiten leerde toen ik een kind was--dan word ik

zoo schrikkelijk gejaagd en ongeduldig, dat ik, hoe moede ik ook ben,

wel mijlen en mijlen ver zou willen loopen. Ik moet dit te boven

komen eer ik naar bed ga. Ik zal met u naar huis gaan."

"Hij kan op reis hierheen ziek zijn geworden," zeide Sissy, met eene

flauwe stem een versleten stukje hoop aanbiedende; "en in dat geval,

zijn er onderweg vele plaatsen waar hij zich kon ophouden."

"Maar hij is daar nergens. Men heeft overal naar hem gezocht, en hij

is er niet."

"'t Is waar," luidde Sissy's onwillige toestemming.

"Hij kon de reis te voet in twee dagen doen; en als hij niet te voet

kon gaan, heb ik hem in den brief, dien hij kreeg, geld gezonden om te

kunnen rijden, uit vrees, dat hij zelf geen geld te missen zou hebben."

"Laten wij hopen, dat morgen iets beters zal aanbrengen, Rachel. Kom

mede in de lucht."

Hare zachte hand hing Rachel's doek over hare glanzig zwarte haren op

de gewone manier waarop zij dien droeg, en zij gingen naar buiten. Daar

het een fraaie avond was, stonden hier en daar troepjes werklieden

op de hoeken der straten te drentelen; maar voor de meesten was het

etenstijd, en er waren maar weinig menschen op straat.

"Ge zijt nu zoo gejaagd niet meer, Rachel, en uwe hand is koeler."

"Ik word altijd beter, lieve, als ik maar kan loopen en wat frissche

lucht inademen; maar als ik dat niet kan, word ik flauw en duizelig."

"Maar gij moet niet beginnen te bezwijken, Rachel, want gij zult

misschien op een of anderen tijd noodig zijn om Stephen bij te

staan. Morgen is het zaterdag. Als er morgen geen nieuws komt, laten

wij dan zondagochtend eene verre wandeling door het veld doen, opdat

gij kracht verzamelt voor de volgende week. Wilt gij dat?"

"Ja, lieve."

Zij waren nu in de straat gekomen waar het huis van Bounderby

stond. Sissy's weg liep de deur voorbij, en zij waren niet ver meer

daar vandaan. Er was pas een spoortrein aangekomen, die een aantal

rijtuigen in beweging bracht en een aanmerkelijk gewoel door de stad

verspreidde. Verscheidene koetsen ratelden voor en achter de twee

wandelaarsters, toen zij het huis van Bounderby naderden, en juist

toen zij het voorbijgingen, hield eene koets zoo plotseling op, dat zij

onwillekeurig omkeken. Het heldere gaslicht boven de stoep van mijnheer

Bounderby deed haar mevrouw Sparsit herkennen, die in de koets zat en

driftige pogingen aanwendde om het portier te openen. Mevrouw Sparsit

zag beiden op hetzelfde oogenblik en riep ze om te blijven wachten.

"Dat is eene beschikking der Voorzienigheid," riep mevrouw Sparsit

uit, toen de koetsier haar uit hare gevangenis had verlost. "Kom er

uit, juffrouw," vervolgde zij tegen iemand, die nog in de koets zat;

"kom er uit, of wij zullen er u uit laten slepen."

De persoon, die hierop te voorschijn kwam, was niemand anders dan de

geheimzinnige oude vrouw, en mevrouw Sparsit greep haar dadelijk bij

haar kleed vast.

"Blijft van haar af, allemaal!" riep mevrouw Sparsit met grooten

ijver. "Laat niemand haar aanraken. Zij behoort mij. Kom binnen,

juffrouw," vervolgde zij daarop, haar vorig commando omkeerende;

"kom binnen, of wij zullen u laten binnenslepen."

Het schouwspel van klassieke deftigheid, die eene oude vrouw bij

de keel greep en een huis binnensleepte, zou altijd voor alle echt

Engelsche nieuwsgierigen, gelukkig genoeg om daarvan getuigen te

zijn, eene groote verzoeking zijn geweest om dat huis mede binnen

te dringen en te zien hoe de zaak afliep. Maar nu het merkwaardige

van dit verschijnsel nog vergroot werd door de ruchtbaarheid van

den bekenden diefstal in het kantoor, moest het alle toevallige

voorbijgangers met onweerstaanbare kracht in huis lokken, al had men

ook kunnen verwachten, dat het dak hun op het hoofd zou vallen. Alle

toevallig aanwezige getuigen, die uit de nieuwsgierigsten der buren

ten getale van omtrent vijf en twintig bestonden, sloten zich dus

achter den trein aan, toen mevrouw Sparsit en hare gevangene, door

Sissy en Rachel gevolgd, het huis binnengingen, en de geheele troep

drong in een verwarden drom de eetzaal van mijnheer Bounderby in,

terwijl de achtersten niet draalden met op de stoelen te klimmen,

om zoo over de voorsten te kunnen heenzien.

"Roep mijnheer Bounderby beneden!" riep mevrouw Sparsit. "Gij, Rachel,

weet gij wie dit is?"

"Dit is juffrouw Pegler," antwoordde Rachel.

"Dat zou ik ook denken!" riep mevrouw Sparsit zegevierend uit. "Roep

mijnheer Bounderby. Gaat uit den weg, allemaal." Hier poogde de

oude juffrouw Pegler, die zich dicht had ingemoffeld en zooveel

mogelijk wegkroop, fluisterend en smeekend iets te zeggen. "Praat

mij van niets,", zeide mevrouw Sparsit hardop. "Ik heb u onderweg al

twintigmaal gezegd, dat ik u niet loslaat eer ik u aan hem in eigen

persoon heb overgegeven."

Nu verscheen mijnheer Bounderby, vergezeld door mijnheer Gradgrind

en den hondsvot, met welke twee hij boven had gesproken. Bounderby's

gezicht gaf meer verbazing dan gastvrijheid te kennen, toen hij het

ongenoodigde gezelschap in zijne eetzaal ontwaarde.

"Wat is er nu aan de hand, mevrouw Sparsit?" zeide hij.

"Mijnheer," zoo begon die brave vrouw hare opheldering, "ik vertrouw

dat ik het geluk heb u iemand voor oogen te plaatsen, die gij zeer

gewenscht hebt te vinden. Geprikkeld door mijn verlangen om uw

gemoed gerust te stellen, mijnheer, en afgaande op die onvolkomene

aanwijzingen van de plaats, waar die persoon zou kunnen wonen,

door dat meisje, Rachel, gegeven, die gelukkig juist hier is, om

te zeggen of zij haar herkent, is het mij gelukt haar te vinden en

hier te brengen--ik behoef niet te zeggen zeer tegen haar wil. Het

is niet zonder moeite geweest dat ik dit gedaan heb, mijnheer; maar

moeite in uw dienst is mij een vermaak, en honger, dorst en koude

een wezenlijk genot."

Hier bleef mevrouw Sparsit steken; want niet zoodra kreeg mijnheer

Bounderby de oude juffrouw Pegler te zien of zijn gezicht nam eene

tegenstrijdige mengeling van kleuren en uitdrukkingen aan, waaronder

echter verslagenheid de overhand had.

"Wat heeft dat te beduiden?" was de hoogst onverwachte vraag, die

hij haar gramstorig toebulderde. "Ik vraag wat dat te beduiden heeft,

juffrouw?"

"Mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit flauw.

"Waarom houdt gij u op met dingen, die u niet raken, juffrouw?" viel

Bounderby uit. "Hoe durft gij hier komen en uw bemoeizieken neus in

mijne familiezaken steken?"

Deze toespeling op het lichaamsdeel, waaraan zij zooveel waarde

hechtte, overweldigde mevrouw Sparsit geheel en al. Zij zette zich

stijf op een stoel, alsof zij bevroren was; en mijnheer Bounderby

strak aanstarende, liet zij langzaam hare mofjes over elkander krassen,

alsof zij ook bevroren waren.

"Mijn lieve Josiah!" riep juffrouw Pegler bevend uit. "Mijn beste

jongen! Ik kan het niet helpen. Het is mijne schuld niet, Josiah. Ik

heb die juffrouw dikwijls genoeg gezegd, dat ik wel wist, dat het

u niet aangenaam zou zijn wat zij deed, maar zij wilde er niet van

afzien."

"Waarom hebt gij u laten brengen? Kondt gij hare muts niet aftrekken,

of haar een tand uitslaan, of haar op eene andere wijze van u

afmaken?" zeide Bounderby.

"Maar, mijn jongen, zij dreigde mij, als ik mij te weer stelde, zou

ik door constables hier gebracht worden, en het was beter stilletjes

te komen dan tumult te maken in zulk"--hier zag juffrouw Pegler

beschroomd en toch trotsch in het rond--"in zulk een mooi huis als

dit is. Waarlijk, waarlijk, het is mijne schuld niet. Mijn beste,

brave, deftige zoon! Ik heb altijd stil en verscholen geleefd, lieve

jongen. Ik heb geen enkelen keer de conditie gebroken. Ik heb nooit

gezegd, dat ik uwe moeder was. Ik heb u maar in de verte bewonderd;

en als ik somtijds naar de stad ben gekomen, met lange tusschenpoozen,

om eens met verrukking naar u te kijken, heb ik het onbekend gedaan,

lieve jongen, en ben dan stil weer heengegaan."

Mijnheer Bounderby stapte met de handen in de zakken en een gezicht

vol verdriet en ongeduld langs de lange eettafel op en neer, terwijl

de toeschouwers ieder woord van juffrouw Pegler gretig opvingen en

hunne oogen hoe langer hoe wijder opensperden. Daar Bounderby nog

bleef op en neer stappen toen juffrouw Pegler geëindigd had, sprak

mijnheer Gradgrind de zwaar belasterde vrouw aldus aan:

"Het verwondert mij, juffrouw," zeide hij met strengheid, "dat gij

op uwe jaren nog het hart hebt, mijnheer Bounderby hier uw zoon te

komen noemen, nadat gij zoo onnatuurlijk en onmenschelijk met hem

hebt gehandeld."

"Ik onnatuurlijk!" riep de arme juffrouw Pegler uit. "Ik

onmenschelijk! Voor mijn dierbaren zoon!"

"Dierbaar!" herhaalde mijnheer Gradgrind. "Ja, dierbaar, nu hij door

eigen arbeid tot fortuin gekomen is, juffrouw, dat geloof ik wel. Maar

toch niet heel dierbaar, toen gij in zijne kindsheid van hem zijt

weggeloopen en hem aan de mishandelingen eener dronken grootmoeder

hebt overgelaten."

"Ik mijn Josiah verlaten!" riep juffrouw Pegler uit, hare handen

ineenslaande. "Nu, God vergeve u uwe slechte gedachten, mijnheer,

en uw laster tegen de nagedachtenis van mijne goede moeder, die in

mijne armen gestorven is eer Josiah geboren was. Ik hoop dat gij er

berouw van zult hebben, mijnheer, en beter leeren."

Zij zeide dit zoo ernstig en op zulk een smartelijken toon, dat

mijnheer Gradgrind, schrikkende van de mogelijkheid, die hij begon

te begrijpen, met eene veel zachtere stem zeide:

"Ontkent gij dan, juffrouw, dat gij uw zoon in--in de goot hebt

laten liggen?"

"Josiah in de goot!" riep juffrouw Pegler uit. "Wel zeker ontken ik

dat, mijnheer. Foei, gij moest u schamen zoo iets te zeggen. Mijn

lieve jongen weet, en hij zal het u zeggen ook, dat hij wel van

nederige ouders, maar toch van ouders is gekomen, die hem zoo lief

hadden als de beste maar konden doen, en wie het nooit zuur viel zich

zelven wat te bekrimpen, om hem zoo heerlijk te laten schrijven en

cijferen leeren; ik heb zijne boeken nog thuis, waarin gij dat zien

kunt. Ja, dat heb ik!" zeide zij met trotsche verontwaardiging. "En

mijn lieve jongen weet, en zal het u ook wel zeggen, mijnheer, dat,

toen zijn lieve vader gestorven was, toen hij acht jaren oud was,

zijne moeder zich ook wel wat kon bekrimpen, gelijk het haar plicht,

haar vermaak en haar trots was te doen, om hem in de wereld voort

te helpen en hem in de leer te bestellen. En een oppassende jongen

was hij, en een goed meester had hij om hem een handje te helpen,

en braaf heeft hij gewerkt om een rijk en gezeten man te worden. En

ik zal u zeggen, mijnheer--want mijn lieve jongen zal dat niet willen

doen--dat, hoewel zijne moeder maar een klein dorpswinkeltje hield,

hij haar toch nooit vergat, maar haar een pensioen gaf van dertig

pond 's jaars--meer dan ik noodig heb, want ik houd er nog van

over--alleen het beding makende, dat ik zou blijven waar ik woonde,

en niet op hem roemen en hem niet lastig vallen. En dat heb ik ook

nooit gedaan, behalve dat ik eens in het jaar naar hem kwam kijken,

zonder dat hij het ooit geweten heeft. En het is goed, dat ik moet

blijven wonen waar ik woon," vervolgde de goede oude vrouw, haar zoon

met hartelijken ijver voorsprekende, "want ik twijfel er niet aan,

of ik zou, als ik hier was, maar vele ongemanierde dingen doen, en ik

ben nu weltevreden, en kan mijn hoogmoed op mijn Josiah voor mij zelve

houden en hem lief hebben, alleen omdat ik hem liefheb. En ik schaam

mij voor u, mijnheer," zoo besloot zij, "over uwe kwaadsprekendheid en

ergdenkendheid. Ik ben hier nog nooit geweest, en heb hier nooit willen

wezen, als mijn lieve zoon neen zeide. En ik zou hier ook nu niet

wezen, als ik niet gebracht was. Gij moest u schamen, ja, dat moest

gij, om mij te betichten eene slechte moeder voor mijn zoon geweest

te zijn, terwijl mijn zoon daar staat om geheel iets anders te zeggen."

De omstanders op den grond en op de stoelen gaven door hun gemompel

hunne sympathie met juffrouw Pegler te kennen, en mijnheer Gradgrind

gevoelde zich op eene onschuldige manier in een zeer onaangenamen

toestand geplaatst, toen mijnheer Bounderby, die zonder ophouden op

en neer was blijven stappen en met ieder oogenblik rooder en meer

opgezwollen was, op eens pal bleef staan.

"Ik weet niet recht," zeide hij, "hoe ik aan de eer van het aanwezige

gezelschap kom, maar daarnaar vraag ik ook niet. Als zij nu voldaan

zijn, zullen zij misschien zoo goed wezen van heen te gaan; en al

mochten zij niet voldaan zijn, dan zullen zij misschien toch zoo goed

wezen van heen te gaan. Ik ben niet verplicht eene voorlezing over

mijne familiezaken te houden; dat heb ik niet aangenomen te doen,

en dat zal ik ook niet doen. Zij, die eenige opheldering over dat

gedeelte van het geval verwachten, zullen teleurgesteld worden--vooral

Tom Gradgrind, en dat kan hij niet te spoedig weten. Wat den diefstal

in het kantoor betreft, heeft er ten aanzien van mijne moeder eene

vergissing plaats gehad. Zonder iemands overgroote gedienstigheid

zou dat niet gebeurd zijn, en ik heb altijd een hekel aan overgroote

gedienstigheid. Goedenavond!"

Hoewel mijnheer Bounderby zich aldus van de zaak afhielp en de deur

openhield om het gezelschap uit te laten, had hij toch eene bluffende

schaapachtigheid over zich, die tegelijk zeer jammerlijk en uiterst

belachelijk was. Tentoongesteld in zijn snoevende nederigheid,

als een man die zijne winderige reputatie op logens had gebouwd,

en met zijn pochen de waarheid even ver van zich had weggejaagd

alsof hij de lage eerzucht had gehad (en lager is er niet) om zich

een adellijken stamboom te verdichten, maakte hij eene allerzotste

vertooning. Terwijl hij aan de deur stond om de lieden uit te laten,

die hij wist dat het gebeurde door de geheele stad zouden verspreiden,

om het aan de vier winden prijs te geven, had men geen armzaliger

voorbeeld van een tentoongestelden snoever kunnen zien. Zelfs met de

ongelukkige mevrouw Sparsit, die van het toppunt harer zegepraal in

een poel van verslagenheid was gevallen, was het niet zoo ellendig

gesteld als met dien buitengemeenen man, die zich zelven tot een

dommen bedrieger gemaakt had, Josiah Bounderby van Coketown.

Rachel en Sissy lieten juffrouw Pegler voor dien nacht een

nachtverblijf bij haar zoon vinden, en wandelden te zamen naar het

hek van Stone Lodge, waar zij afscheid namen. Mijnheer Gradgrind

kwam haar achterop eer zij nog ver op weg waren, en sprak met veel

belangstelling over Stephen Blackpool, voor wien hij dacht, dat dit

openlijke bewijs, hoe ongegrond de vermoedens tegen juffrouw Pegler

geweest waren, waarschijnlijk gunstige gevolgen zou hebben.

Wat den hondsvot betreft, onder dit geheele tooneel, gelijk sedert

kort bij alle gelegenheden, was hij dicht bij mijnheer Bounderby

gebleven. Hij scheen te denken, dat hij, zoolang Bounderby geene

ontdekking kon doen zonder dat hij er van wist, in zooverre veilig

was. Hij had nooit zijne zuster bezocht, en haar sedert hare thuiskomst

maar eens gezien, namelijk op dien avond, toen hij, gelijk verhaald

is, insgelijks dicht bij Bounderby bleef.

In het gemoed zijner zuster woonde eene duistere, vormlooze vrees,

waaraan zij nooit woorden gaf, en die haar slechten, ondankbaren

broeder met eene akelige geheimzinnigheid omhulde. Dezelfde donkere

mogelijkheid had zich juist dezen dag in dezelfde vormelooze gedaante

aan Sissy vertoond, toen Rachel er van sprak, dat iemand, die door

Stephen's terugkomst beschaamd zou worden, hem uit den weg zou hebben

geholpen. Louisa had nooit gezegd, dat zij haar broeder van eenige

medeplichtigheid aan den diefstal verdacht hield; zij en Sissy hadden

in dit opzicht geene uitwisseling van vertrouwen gehad, behalve dien

enkelen blik, toen de niets vermoedende vader zijn grijs hoofd op

zijne hand liet rusten; maar zij hadden elkander verstaan. Deze andere

vrees was zoo geducht, dat zij als eene spookachtige schim boven haar

bleef zweven, zonder dat een van beiden er aan durfde denken dat die

schrikgedaante haar nabij, veel minder dat zij ook nabij de andere was.

En nog gelukte het den hondsvot zich goed te houden. Als Stephen

Blackpool de dief niet was, moest hij maar voor den dag komen. Waarom

deed hij dat niet?

Nog een nacht. Nog een dag en nacht. Geen Stephen Blackpool. Waar

was de man, en waarom kwam hij niet terug?

XXXIV.

HET STERRENLICHT.

Do zondag was een heldere herfstdag, frisch en koel, toen Sissy en

Rachel in den vroegen morgen, bij elkander kwamen om eene wandeling

over het veld te doen.

Daar Coketown stof en asch strooide, niet alleen op zijn eigen hoofd,

maar ook op den geheelen omtrek--op de manier van die vrome lieden,

die voor hunne eigene zonden boete doen door anderen in zakken te

kleeden--waren zij, die nu en dan naar een teugje zuivere lucht

dorstten (hetgeen niet volstrekt onder de goddelooze ijdelheden des

levens behoort), op dien dag gewoon zich eenige mijlen ver over den

spoorweg te laten brengen en dan hunne wandeling door het veld te

beginnen. Sissy en Rachel hielpen zich op de gebruikelijke manier

uit den rook, en werden bij een station omtrent halverwege tusschen

de stad en het buiten van mijnheer Bounderby afgezet.

Hoewel het groene landschap hier en daar met hoopen steenkool was

bevlekt, was het elders toch groen, en waren er boomen te zien,

en hoorde men leeuweriken zingen (hoewel het zondag was) en waren

er aangename geuren in de lucht, en werd alles overwelfd door eene

heldere blauwe lucht. Aan den eenen kant vertoonde zich Coketown in

het verschiet gelijk een zwarte damp; in een ander verschiet begonnen

er heuvelen op te rijzen; in een derde was er eene flauwe verandering

in het licht langs den gezichteinder, waar het de afgelegene zee

bescheen. Onder de voeten der wandelaarsters was het gras frisch;

sierlijke schaduwen van takken speelden flikkerend daaroverheen;

de heggen stonden weelderig; alles was vrede.

Slechte Tijden · 第 23 / 27 段