"Terwijl uwe dochter," vervolgde Bounderby, "lang geene geborene dame

is--dat weet gij zelf wel. Niet dat ik het minste om zulke dingen

geef, dat weet gij heel goed; maar het is zoo, en gij, Tom Gradgrind,

kunt dat niet veranderen. Waarom zeg ik dit nu?"

"Niet om mij te sparen, vrees ik," merkte mijnheer Gradgrind zachtjes

aan.

"Hoor mij ten einde," zeide Bounderby, "en neem mij het woord niet

uit den mond eer gij weer aan de beurt komt. Ik zeg dit omdat vrouwen

van voorname familie zich verbaasd hebben over de manier, waarop

uwe dochter zich gedragen heeft, en verstomd hebben gestaan over

hare gevoelloosheid. Zij hebben zich verwonderd hoe ik dat verdroeg;

en ik zelf verwonder er mij nu over en wil het niet langer verdragen."

"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind, nu opstaande, "hoe minder wij

van avond zeggen, des te beter, geloof ik."

"Integendeel, Tom Gradgrind, hoe meer wij van avond zeggen, des te

beter, geloof ik. Dat is"--deze bedenking stuitte hem--"totdat ik alles

gezegd heb wat ik op mijn hart heb, en dan kan het mij niet schelen hoe

gauw wij ophouden. Ik kom tot eene vraag, die de zaak zal bekorten. Wat

meent gij met het voorstel, dat gij zoo even gedaan hebt?"

"Wat ik meen, Bounderby?"

"Met dat logeer-voorstel," zeide Bounderby, het hoofd in den nek

werpende.

"Ik voedde de hoop, dat gij u op eene vriendelijke manier zoudt laten

bewegen om Louisa hier een tijd van rust en nadenken te vergunnen,

die in vele opzichten tot eene trapsgewijze verandering en verbetering

der omstandigheden zal kunnen strekken."

"Die de incompatibiliteit, zooals gij ze opvat, wat zal moeten

verhelpen?" zeide Bounderby.

"Als gij het zoo wilt uitdrukken."

"Wat heeft u daaraan doen denken?" zeide Bounderby.

"Ik heb reeds gezegd, ik vrees dat Louisa niet begrepen is geworden. Is

het te veel gevergd, Bounderby, dat gij, die zooveel ouder zijt,

behulpzaam zoudt wezen tot eene poging om haar terecht te brengen. Gij

hebt met haar eene groote verantwoordelijkheid op u genomen. Gij hebt

haar genomen of zij mee- of tegenviel..."

Misschien klonk deze herhaling der woorden, die hij Stephen Blackpool

had toegevoegd, Bounderby onaangenaam in de ooren; hij viel er ten

minste met eene beweging van schrik en gramschap op in:

"Daarover behoeft mij niets gezegd te worden. Ik weet waarvoor ik

haar genomen heb, evengoed als gij. Waarvoor ik haar genomen heb,

gaat u niet aan, dat is mijne zaak."

"Ik wilde alleen maar aanmerken, Bounderby, dat wij mogelijk allen

meer of minder verkeerd gedaan hebben, gij niet uitgezonderd; en

dat eenige inschikkelijkheid van uw kant, als gij bedenkt welk eene

verantwoordelijkheid gij aanvaard hebt, misschien niet alleen een

bewijs van ware genegenheid zou zijn, maar mogelijk ook een plicht,

dien gij Louisa verschuldigd zijt."

"Ik denk er anders over," zeide Bounderby, op zijne winderigste manier;

"en ik zal de zaak afdoen zooals ik ze begrijp. Ik wil er geene

ruzie met u over maken, Tom Gradgrind. Om u de waarheid te zeggen,

ik geloof niet dat het bij mijne reputatie zou passen, over zulk een

geval ruzie te maken. Wat uw fatsoenlijken en voornamen vriend betreft,

hij mag heenloopen waar hij maar wil. Als hij mij in den weg komt,

zal ik hem zeggen hoe ik over hem denk; als hij mij niet in den weg

komt, zal ik het niet doen, want dan zou het niet de moeite waard

zijn. Wat uwe dochter aangaat, die ik tot Louisa Bounderby gemaakt

heb, en misschien liever maar Louisa Gradgrind had moeten laten

blijven, als zij morgenmiddag om twaalf uur niet thuis is, zal ik

het er voor houden, dat zij liever wegblijft, en zal ik hare kleeren

en andere dingen hier aan huis zenden, en dan kunt gij voortaan op

haar passen. Wat ik de menschen over het algemeen zal zeggen over de

incompatibiliteit, die mij haar zoo de wet heeft doen stellen, zal dit

wezen: Ik ben Josiah Bounderby, en ik heb mijne opvoeding gehad; zij

is de dochter van Tom Gradgrind, en zij heeft hare opvoeding gehad;

en die twee paarden willen niet samen trekken. Ik ben hier tamelijk

wel bekend als een man, die buitengemeen is, geloof ik; en de meeste

menschen zullen gauw genoeg begrijpen, dat eene vrouw ook eenigszins

van eene buitengemeene soort moet wezen, om het mij op den duur naar

mijn zin te maken."

"Laat ik u ernstig mogen verzoeken, Bounderby, om dit nog eens

te overwegen," zeide mijnheer Gradgrind, "eer gij tot zulk eene

beslissing overgaat."

"Ik beslis altijd dadelijk," antwoordde Bounderby, zijn hoed op

het hoofd smijtende, "en wat ik doe, doe ik terstond. Het zou mij

verwonderen, Tom Gradgrind zoo iets tegen Josiah Bounderby van Coketown

te hooren zeggen, daar ik toch weet, dat hij hem wel kent, als ik mij

nog kon verwonderen over iets, dat Tom Gradgrind doet, nadat hij zich

met sentimenteele lorrendraaierij begint op te houden. Ik heb u mijn

besluit gemeld en heb niets meer te zeggen. Goedenavond!"

Aldus ging Bounderby naar zijn huis in de stad en naar bed. Des anderen

daags vijf minuten over twaalven gaf hij last om het goed van mevrouw

Bounderby zorgvuldig op te pakken en naar Tom Gradgrind te zenden,

adverteerde in de couranten dat zijn buitengoed uit de hand te koop

was, en hervatte zijne levenswijs als vrijgezel.

XXXII.

VERLOREN.

De zaak van den diefstal in het kantoor was intusschen niet uit het oog

verloren en hield ook nu niet op eene eerste plaats in de aandacht van

den voornaamsten deelhebber aan dat etablissement te beslaan. Om als

een uitstekend man, die zich zelven tot een man gemaakt had, als een

commercieel wonder, meer bewonderenswaardig dan Venus, daar hij uit

het slijk in plaats van uit de zee was opgerezen, een brallend bewijs

van zijne voortvarendheid en werkzaamheid te geven, wilde hij toonen

hoe weinig zijne huiselijke aangelegenheden zijn ijver voor zijne

beroepszaken konden verzwakken. In de eerste weken na de scheiding van

zijne vrouw was hij dus nog woeliger, luidruchtiger en ongeduldiger dan

gewoonlijk, en dagelijks maakte hij zooveel beweging over het onderzoek

naar den diefstal, dat de politiebeambten, wien hij de zaak in handen

had gegeven, bijna wenschten, dat zij maar nooit gepleegd was.

Bovendien waren zij geheel van het spoor en wisten niet wat te

doen. Hoewel zij zich sedert lang zoo stil hadden gehouden, dat de

meeste menschen dachten dat zij de zaak als hopeloos hadden laten

varen, was er niets nieuws voorgevallen. Niemand, die in het geval

betrokken was, vatte ontijdig moed tot een stap, waardoor hij zich

zelven verried, en wat nog opmerkelijker was, men kon niets van Stephen

Blackpool vernemen, en de geheimzinnige oude vrouw bleef een raadsel.

Nu de zaken zoover waren gekomen en het scheen, dat men op deze

manier niet verder zou vorderen, kwam Bounderby tot het besluit om

een stouten maatregel te wagen. Hij liet een aanplakbiljet drukken, om

eene belooning van twintig pond uit te loven voor den aanbrenger van

Stephen Blackpool, verdacht van medeplichtigheid aan den diefstal,

die in het kantoor was gepleegd. Hij beschreef den genoemden

Stephen Blackpool--zijne kleeding, kleur, lengte (naar gissing) en

voorkomen--zoo nauwkeurig mogelijk, vermeldde wanneer hij de stad had

verlaten en waar men hem het laatst had gezien en liet het reusachtige,

met groote zwarte letters bedrukte blad in het holle van den nacht

overal aanplakken, zoodat het de geheele bevolking op eens onder de

oogen moest komen en met verbazing vervullen.

De werkklokken der fabrieken moesten dien ochtend veel harder luiden

dan anders, om de groepen werklieden te verstrooien, die bij deze

plakkaten bleven staan en ze met gretige oogen verslonden. Niet de

minst gretigen van die vergaderde oogen waren de oogen van hen, die

niet konden lezen. Terwijl deze lieden naar de vriendschappelijke

stem luisterden, die hardop voorlas--en zulk eene hulp was overal

gereed--staarden zij de letters, die zooveel te beduiden hadden, met

zekere vreesachtige verwondering en eerbied aan, die bijna comisch

zouden zijn geweest, indien eenig blijk van zulke algemeene onkunde

ooit anders dan dreigend en onheilspellend kon wezen. Uren later, onder

het draaien van spillen, het kletteren van weefgetouwen en het snorren

van raderen, hadden zij die plakkaten nog voor de oogen en klonken

de woorden hun nog in de ooren; en toen de arbeiders des middags naar

huis gingen, waren er wederom evenveel lezers als in den ochtend.

Slackbridge, de afgevaardigde, moest dien avond in eene vergadering het

woord voeren, en verschafte zich bij den drukker een overgeschoten

biljet, dat hij in zijn zak medebracht. O, mijne vrienden en

landgenooten, in het stof vertredene werklieden van Coketown, o mijne

medebroeders, medearbeiders, medeburgers en medemenschen, welke oogen

zette men op, toen Slackbridge dat "doemvonnis", gelijk hij het noemde,

openvouwde, en ter verfoeiing der vergadering omhoog hield.

"O, mijne medemenschen, ziet waartoe een verrader in het leger dier

edele geesten, die hunne namen op de heilige rol der vereeniging

hebben laten inschrijven, in staat is! O, mijne bejammerenswaardige

vrienden, die het knellend juk van dwingelanden op den hals voelt,

die door den ijzeren voet der tirannie in het stof der aarde wordt

vertreden, waarin uwe onderdrukkers u gaarne al de dagen van uw

leven op den buik zien kruipen gelijk de slang in den hof--o mijne

broeders, en zal ik als een man ook niet zeggen, o mijne zusters,

wat zegt gij nu van Stephen Blackpool, een weinig rond van schouders

en ongeveer vijf voet zeven duim lang, gelijk in dit vernederende,

dit walgelijke, dit schandvlekkende, dit verfoeielijke papier te

lezen staat; en met welk eene majesteit van ontwaardiging zult gij

de adder verpletteren, die zulk eene schande zou willen brengen

over het naar Gods beeld geschapene geslacht, dat hem gelukkig voor

eeuwig heeft uitgebannen! Ja, mijne lotgenooten, gelukkig hebt gij

hem van u afgezonderd en uitgebannen! Want gij herinnert u wel,

hoe hij hier op dit spreekgestoelte voor u stond; gij herinnert u,

hoe ik hem toen, van aangezicht tot aangezicht en voet voor voet,

door al zijne ingewikkelde kronkelpaden volgde; gij herinnert u, hoe

hij zich wond en wrong, hoe hij woorden ziftte en haarkloofde, tot

hij geen duim breed gronds meer had om zich aan vast te klampen, en ik

hem uitdreef van onder ons, als een voorwerp van eeuwigdurenden smaad,

van wrekend verdelgende, zengende en brandende verfoeiing voor ieder

vrij gemoed en elken denkenden geest! En nu, mijne vrienden--mijne

arbeidende vrienden--want ik verheug en beroem mij in dien scheldnaam

van werkman--mijne vrienden, wier hard, maar eerlijk bed door noesten

arbeid wordt gespreid, wier schrale, maar vrije pot in diepen druk

wordt gekookt; en nu, zeg ik, mijne vrienden, welken naam heeft die

lafhartige verrader zich zelven gegeven, nu hij, met het masker van

het aangezicht gerukt, in al zijne aangeborene wanstaltigheid voor

ons staat--wat is hij nu? Een dief! Een roover! Vogelvrij verklaarde

vluchteling, op wiens hoofd een prijs gezet is; een vuile kanker

voor den edelen naam der werklieden van Coketown! Daarom, mijn

kring van broederen in een heilig verbond, waaronder uwe kinderen en

uwe nog ongeborene kindskinderen reeds hand en zegel hebben gezet,

doe ik u, uit last van het vereenigd gemeenschappelijk Tribunaal,

altijd waakzaam en ijverig voor uw welzijn, het voorstel, dat deze

vergadering zal besluiten: Dat, dewijl de wever Stephen Blackpool, in

dit plakkaat bedoeld, alreeds door de vereeniging der fabriekarbeiders

van Coketown plechtig is uitgebannen, deze arbeiders vrij zijn van

de schande zijner wanbedrijven en hunne klasse de schuld niet kan

dragen van zijne oneerlijke handelingen."

Slackbridge zweeg nu, nadat hij zich buiten adem en in het zweet had

geschreeuwd. Eenige weinige ernstige stemmen riepen: "Neen!" en toen

een man zeide: "Slackbridge, ge zijt al te overijld daarin; ge haast

u veel te veel!" riepen eenige anderen goedkeurend: "Hoor, hoor!" Maar

dit waren slechts enkelen tegen een geheel leger; de vergadering bleek

de woorden van Slackbridge algemeen voor een evangelie te houden,

en beantwoordde hem met een driewerf herhaald gejuich, hetwelk hij

met hijgend welgevallen aanhoorde.

Deze lieden waren nog op straat en gingen stil naar huis, toen Sissy,

die eenige minuten vroeger van Louisa was weggeroepen, weder bij

haar kwam.

"Wie is er?" vroeg Louisa.

"Het is mijnheer Bounderby," antwoordde Sissy, beschroomd om dien

naam uit te spreken, "en mijnheer Tom, en eene jonge vrouw, die zegt

dat zij Rachel heet, en dat gij haar kent."

"Wat willen ze hebben, lieve Sissy?"

"Zij willen u spreken; Rachel heeft geschreid en schijnt boos te zijn."

"Vader," zeide Louisa, want hij was in de kamer, "ik kan niet weigeren

hen te zien, om eene reden die ik zelf verklaren zal. Mogen zij

hier binnenkomen?"

Toen hij toestemmend antwoordde, ging Sissy hen halen en kwam terstond

met hen terug. Tom was de laatste en bleef in het donkerste gedeelte

van het vertrek, vlak bij de deur staan.

"Mevrouw Bounderby," zeide haar echtgenoot, met een koel knikje

binnenkomende, "ik stoor u niet, hoop ik. Het is een onbehoorlijk

uur, maar hier is eene jonge vrouw, die verklaringen heeft gedaan,

welke mijn bezoek noodzakelijk maken. Tom Gradgrind, daar uw zoon,

de jonge Tom, om eene of andere reden hardnekkig weigert om iets

hoegenaamd, goed of kwaad, over die verklaringen te zeggen, ben ik

genoodzaakt haar met uw dochter te confronteeren."

"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien, mevrouw," zeide Rachel, zich

vlak voor Louisa plaatsende.

Tom kuchte.

"Gij hebt mij vroeger nog eens gezien," herhaalde Rachel, toen Louisa

geen antwoord gaf.

Tom kuchte nog eens.

"Ja, dat heb ik," zeide Louisa nu.

Rachel sloeg met fierheid hare oogen naar Bounderby op en zeide toen:

"Wilt gij nu ook bekend maken, mevrouw, waar dat was en wie daar

waren?"

"Ik ging naar het huis, waar Stephen Blackpool op een bovenkamer

woonde, op den avond toen hij was afgedankt, en zag u daar. Hij was

daar ook; en eene oude vrouw, die niet sprak, en die ik ternauwernood

kon zien, stond in een hoek. Mijn broeder was bij mij."

"Waarom kondt gij dat niet zeggen, Tom?" vroeg Bounderby.

"Ik had mijne zuster beloofd, dat ik het niet zou doen." En toen Louisa

dit haastig bevestigd had, vervolgde de hondsvot met bitterheid:

"En bovendien, als zij hare eigene historie zoo goed--en zoo

volledig--vertelt, wat had ik haar die dan uit den mond te nemen?"

"Zeg nu, mevrouw, als het u belieft," hervatte Rachel, "waarom gij

tot zijn ongeluk dien avond bij Stephen zijt gekomen?"

"Ik had medelijden met hem," antwoordde Louisa met verhoogde kleur,

"en ik wenschte te weten wat hij zou gaan doen en hem mijne hulp aan

te bieden."

"Dank je wel, mevrouw," viel Bounderby hierop in. "Zeer vereerd

en verplicht."

"Hebt gij hem toen eene banknoot aangeboden?" hervatte Rachel.

"Ja, maar hij weigerde die en wilde niet meer dan twee pond in goud

aannemen."

Rachel sloeg hare oogen weder naar mijnheer Bounderby op.

"O ja wel," zeide Bounderby. "Als gij vragen wilt of uw belachelijk

en onwaarschijnlijk bericht waar was of niet, moet ik zeggen, dat

het nu bevestigd is."

"Mevrouw," hervatte Rachel, "Stephen Blackpool wordt nu in een

gedrukt papier door de geheele stad, en waar niet al meer, openlijk

een dief genoemd. Er is van avond eene vergadering geweest, waar men

op dezelfde schandelijke manier over hem gesproken heeft. Stephen--de

eerlijkste, de trouwste, de beste man van de wereld!" Hier werd hare

verontwaardiging door droefheid overmeesterd, en zij brak snikkend af.

"Het spijt mij, het spijt mij zeer," zeide Louisa.

"O mevrouw, mevrouw," antwoordde Rachel, "ik hoop, dat het u

spijt, maar ik weet het niet! Ik kan niet zeggen wat gij misschien

gedaan hebt! Menschen als gij kennen ons niet, geven niet om ons,

behooren niet tot ons. Ik weet niet waarom gij dien avond misschien

gekomen zijt. Ik kan niet anders zeggen, of gij zult misschien uwe

eigene oogmerken daarmede gehad hebben, zonder u te bekommeren om

de ongelegenheid, waarin gij zoo iemand als dien armen man zoudt

brengen. Ik zeide toen: God zegene u, dat gij gekomen zijt; en dat

zeide ik met al mijn hart, omdat gij zooveel medelijden met hem

scheent te hebben; maar nu weet ik het niet, nu weet ik het niet."

Louisa was niet in staat om haar over haar onbillijk vermoeden

te misprijzen; haar vast vertrouwen op haar vriend en hare innige

droefheid strekten haar tot voldoende verontschuldiging.

"En als ik bedenk," zeide Rachel tusschen haar snikken door, "dat

de arme man zoo dankbaar was en dacht, dat gij zoo goed voor hem

waart--als ik bedenk, dat hij zijne hand voor zijn gezicht hield om

de tranen te verbergen, die gij hem in de oogen hadt gebracht--o,

dan hoop ik dat het u spijten mag, en dat gij geene grootere reden

tot spijt moogt hebben; maar ik weet het niet, ik weet het niet."

"Het staat u mooi," bromde de hondsvot, in zijn donkeren hoek onrustig

heen en weer schuivende, "om met zulke lasterlijke praatjes aan te

komen. Gij moest terstond de deur worden uitgesmeten; dat zou niet

meer zijn dan gij verdient."

Zij gaf geen antwoord hierop, en haar zacht schreien was het eenige

geluid dat men hoorde, totdat mijnheer Bounderby het woord nam.

"Komaan," zeide hij, "gij weet waartoe gij u verbonden hebt. Denk

liever daarom en niet om wat anders."

"Het spijt mij waarlijk," antwoordde Rachel, hare oogen afdrogende,

"dat iemand mij zoo gezien heeft, maar men zal mij niet weder

zoo zien. Mevrouw, toen ik gelezen had wat er van Stephen gedrukt

is--en dat evenveel waarheid bevat alsof het van u gezegd was--ben ik

rechtstreeks naar het kantoor gegaan, om te zeggen dat ik wist waar

Stephen was, en voor vast en zeker te beloven, dat hij over twee

dagen hier zou zijn. Ik kon mijnheer Bounderby toen niet spreken

en uw broeder zond mij weg; en toen zocht ik u op, maar gij waart

niet te vinden, en zoo ging ik weder naar mijn werk. Zoodra ik van

avond uit de fabriek kwam, haastte ik mij om te hooren wat er van

Stephen gezegd werd--want ik weet, dat hij met glans zal terugkomen

om dat gerucht te schande te maken--en toen ging ik weer om mijnheer

Bounderby op te zoeken, en ik vond hem en zeide hem al wat ik wist;

en hij geloofde niets van wat ik zeide en bracht mij hier."

"Zoo ver is alles waar," zeide Bounderby, met de handen in de zakken

en den hoed op het hoofd. "Maar ik ken ulieden langer dan vandaag,

moet ge weten, en ik weet, dat gij uit gebrek aan praatjes nooit

sterven zult. Maar nu raad ik u niet zooveel aan praten te denken

als aan handelen. Gij hebt op u genomen iets te doen, en al wat ik

voor het oogenblik te zeggen heb, is--doe het."

"Ik heb dezen namiddag met de post aan Stephen geschreven, gelijk

ik vroeger nog eens aan hem geschreven heb," antwoordde Rachel,

"en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn."

"Dan zal ik u eens wat zeggen," liet Bounderby hierop volgen. "Gij weet

misschien niet, dat men nu en dan ook op u gepast heeft, daar men u

niet vrij van verdenking hield, omdat de menschen meestal beoordeeld

worden naar het gezelschap waarin zij verkeeren. Het postkantoor is

ook niet vergeten geworden. Wat ik u nu zeg, is, dat er nooit een

brief aan Stephen Blackpool door u verzonden is. Waar dus uw brief

gebleven is, moet gij zelf maar raden. Misschien vergist gij u en

hebt gij er nooit een geschreven."

"Hij was nog geene week hier vandaan geweest, mevrouw," zeide Rachel,

zich naar Louisa keerende, alsof zij zich op deze wilde beroepen, "of

hij zond den eenigen brief, dien ik ooit van hem gehad heb, om mij te

zeggen, dat hij genoodzaakt was onder een anderen naam werk te zoeken."

"Zoo waarachtig!" riep Bounderby uit, nadat hij fluitende zijn hoofd

had geschud, "heeft hij zijn naam veranderd! Dat is eenigszins

ongelukkig voor zulk een onberispelijk persoon. Het wordt in ons

gerechtshof een weinigje verdacht gehouden, geloof ik, als een

onschuldig man toevallig verscheidene namen heeft."

"In naam der barmhartigheid, mevrouw," zeide Rachel, wederom met

tranen in de oogen, "wat zou de arme man doen? De meesters tegen hem

aan den eenen kant, de werklieden aan den anderen, terwijl hij niets

anders verlangde dan in vrede te werken en te mogen doen wat hij voor

recht hield. Kan iemand dan geene eigene ziel, geen eigen geweten

hebben? Moet hij het, door goed en kwaad heen, geheel met den eenen

of met den anderen kant houden, of anders gejaagd worden als een haas?"

"Waarlijk, ik beklaag hem met al mijn hart," zeide Louisa, "en ik hoop,

dat hij zich zal kunnen zuiveren."

"Daarvoor behoeft gij niet bang te zijn, mevrouw. Hij is veilig."

"Des te veiliger zou ik denken," zeide Bounderby, "omdat gij niet

wilt zeggen waar hij is, niet waar?"

"Hij zal door mijn bedrijf niet terugkomen met de onverdiende schande

van teruggebracht te worden. Hij zal vrijwillig terugkomen om zich te

zuiveren, en om allen, die zijn goeden naam beklad hebben, terwijl

hij er niet was om zich te verdedigen, te schande te maken. Ik heb

hem gezegd wat er tegen hem gedaan is," zeide Rachel, op wier gemoed

alle vertrouwen afstuitte, gelijk de golven der zee op eene rots,

"en hij zal ten langste over twee dagen hier zijn."

"Evenwel," liet Bounderby hierop volgen, "als hij vroeger gepakt kan

worden, zal hij ook vroeger gelegenheid hebben om zich te zuiveren. Wat

u betreft, ik heb niets tegen u; wat gij mij zijt komen zeggen, blijkt

de waarheid te zijn, en ik heb u gelegenheid gegeven om te bewijzen,

dat het de waarheid was, en daar mede is het afgedaan. Ik wensch u

allen goedenavond. Ik moet weg om dit wat nader te onderzoeken."

Zoodra mijnheer Bounderby zich omkeerde, kwam Tom uit zijn hoek,

bleef dicht bij hem en ging met hem heen. De eenige afscheidsgroet,

dien hij voor iemand over had, was een stuursch: "Goedenavond,

vader!" Met dat korte gezegde en een donkeren blik naar zijne zuster,

verliet hij het huis.

Sedert zijn plechtanker hem begeven had, was mijnheer Gradgrind zeer

karig met woorden geweest. Hij bleef nog stil zitten, toen Louisa

vriendelijk zeide:

"Rachel, gij zult mij eens niet meer wantrouwen, als gij mij beter

kent."

"Het stuit mij tegen de borst," antwoordde Rachel op zachter toon dan

vroeger, "iemand te moeten wantrouwen; maar als ik zoo gewantrouwd

werd--als wij het allen worden--kan ik zulke dingen niet geheel uit

het hoofd zetten. Ik vraag u verschooning, dat ik u beleedigd heb. Ik

geloof nu niet meer wat ik zoo even zeide. Maar ik zou wel weder zoo

kunnen gaan gelooven, als die arme man zoo verongelijkt wordt."

"Hebt gij hem in uw brief gezegd," vroeg Sissy, "dat men vermoeden

op hem heeft gekregen, omdat men hem des avonds bij het kantoor

had gezien? Hij zou dan weten wat hij zou moeten ophelderen als hij

terugkwam, en daarop voorbereid zijn."

"Ja, lieve juffrouw," antwoordde zij, "maar ik kan niet raden wat

hem daar heeft doen komen. Hij placht nooit daarheen te gaan. Het

was geheel niet in zijn weg. Zijn weg was dezelfde als de mijne,

en niet daar voorbij."

Sissy was reeds naar haar toegekomen, om haar te vragen waar zij

woonde, en of zij morgenavond mocht komen vernemen of er tijding van

hem was.

"Ik twijfel," antwoordde Rachel, "of hij vóór overmorgen wel hier

kan zijn."

"Dan zal ik ook overmorgenavond komen," zeide Sissy.

Toen Rachel hierin had toegestemd en vertrokken was, hief mijnheer

Gradgrind zijn hoofd op en zeide tot zijne dochter:

"Louisa, kindlief, ik heb nooit, zooveel ik weet, dien man

gezien. Gelooft gij, dat hij er in betrokken is?"

"Ik heb er, meen ik, vroeger wel aan geloofd, vader, hoewel met veel

moeite. Maar nu geloof ik het niet meer."

"Dat wil zeggen, dat gij u zelve eens overreed hebt om het te gelooven,

omdat gij wist dat hij verdacht werd. Zijn voorkomen en manier van

doen--zijn die zoo eerlijk?"

"Bijzonder eerlijk."

"En haar vertrouwen op hem was zoo ongeschokt! Ik denk bij mij zelven,"

zeide mijnheer Gradgrind peinzende, "zou de werkelijke misdadiger

van die beschuldigingen weten? Waar is hij? Wie is hij?"

Zijn haar was sedert kort begonnen van kleur te veranderen; en toen

hij weder met het hoofd in de hand bleef zitten, zoo verouderd en

vergrijsd, kwam Louisa, met een blik vol vrees en medelijden, haastig

naar hem toe en zette zich dicht naast hem. Bij toeval ontmoetten

hare oogen juist die van Sissy. Het goede meisje werd rood van schrik,

en Louisa legde haar voorvinger op hare lippen.

Slechte Tijden · 第 22 / 27 段