heb gedaan wat van mij gevergd kan worden, dat ik zoo ongelukkig ben
om aldus in ballingschap te worden gezonden, zal ik die dame niet
verder lastig vallen. Maar gij zegt, dat gij geen bericht voor mij
van haar hebt. Welk recht of volmacht hebt gij dan om in hare plaats
te spreken?"
"Ik heb geen ander recht dan dat van mijne liefde voor haar en
hare liefde voor mij--geene andere volmacht, dan dat ik bij haar
ben geweest sedert zij thuis is gekomen en zij haar hart voor mij
heeft geopend--geene andere verantwoordelijkheid, dan dat ik met
haar karakter en haar huwelijk vertrouwd ben. O, mijnheer Harthouse,
ik geloof dat die verantwoordelijkheid ook op u rustte!"
Dit verwijt trof hem in de ledige holte waar zijn hart had moeten zijn.
"Ik ben geen moreel mensch," zeide hij, "en ik maak er nooit aanspraak
op, om voor een moreel mensch gehouden te worden. Ik ben zoo immoreel
als maar iemand behoeft te wezen. Maar toch moet ik zeggen, als ik de
dame, die het onderwerp van ons gesprek is, eenig leed heb veroorzaakt,
of haar ongelukkig op eenigerlei manier heb gecompromitteerd, of mij
zelven bij haar heb gecompromitteerd door uitdrukkingen, die niet
geheel en al met den eerbied voor--voor den huiselijken haard waren
overeen te brengen; of als ik er eenigszins partij van heb getrokken,
dat haar vader eene machine, haar broeder een hondsvot en haar
man een beer is, dan verzoek ik u te mogen verzekeren, dat ik geene
bepaalde booze oogmerken had, maar van den eenen stap tot den anderen
ben gekomen, zoo zacht en geleidelijk, dat ik mij volstrekt niet
verbeeldde, dat de roman al zoo lang was, eer ik ze eens begon over te
lezen--en nu vind ik waarlijk, dat zij al verscheidene deelen beslaat."
Hoewel hij dit alles op zijn luchtigsten toon zeide, scheen hij voor
deze enkele maal wel bewust te zijn, dat die toon slechts dienen moest
om iets te verbloemen dat een zeer leelijk aanzien had. Hij zweeg
een oogenblik en vervolgde toen met meer schijn van zelfvertrouwen,
hoewel nog met sporen van verdrietelijkheid en teleurstelling, die
hij niet kon uitwisschen:
"Na hetgeen mij zoo even is voorgehouden, op eene manier, die mij het
twijfelen onmogelijk maakt--ik weet waarlijk haast niet, uit welke
andere bron ik het zoo gereedelijk had kunnen aannemen--gevoel ik
mij verplicht u te zeggen, dat ik niet weigeren kan ernstig aan de
mogelijkheid te denken--hoe onverwacht mij dit ook wezen mag--dat
ik die dame niet meer zien zal. Ik alleen ben er voor te laken, dat
de zaak zoover gekomen is--en--en ik kan niet zeggen," vervolgde
hij, zeer verlegen om een passend slot voor zijne rede te vinden,
"dat ik veel hoop heb om ooit een moreel mensch te worden, of dat ik
eenigszins aan moreele menschen geloof."
Sissy's gezichtje duidde genoegzaam aan, dat zij hem nog meer te
zeggen had.
"Gij hebt," hervatte hij, toen zij hare oogen naar hem opsloeg,
"van een eerste doel uwer komst gesproken. Ik mag dus aannemen dat
gij nog een tweede hebt."
"Ja."
"Wilt gij dan zoo vriendelijk zijn van mij dat te zeggen?"
"Mijnheer Harthouse," antwoordde Sissy, met eene mengeling van
zachtheid en stroefheid, die hem geheel uit het veld sloeg, en met
een zoo naïef vertrouwen, dat hij verplicht was om te doen wat zij
eischte, dat het weigeren hem daardoor uiterst moeielijk werd, "de
eenige herstelling, die er voor u overschiet, is, dat gij terstond en
voorgoed van hier vertrekt. Ik ben volkomen zeker, dat gij op geene
andere wijs het kwaad en het leed, hetwelk gij veroorzaakt hebt,
kunt verzachten. Ik ben volkomen zeker, dat dit de eenige vergoeding
is, die gij in uw vermogen hebt. Ik zeg niet dat het veel is, of dat
het genoeg is; maar het is toch iets en het is noodzakelijk. En dus,
zonder andere volmacht te hebben dan die ik u genoemd heb, en zelfs
buiten weten van iemand behalve u en mij, verzoek ik, dat gij dezen
avond nog van hier vertrekt en u verbindt om nooit terug te komen."
Indien zij eenigen invloed op hem had willen doen gelden behalve
haar eenvoudig geloof aan de waarheid van hetgeen zij zeide en de
rechtmatigheid van haar eisch; indien zij heimelijk den minsten
twijfel had gekoesterd, of zelfs met het beste doel iets had willen
achterhouden of veinzen; indien zij den minsten zweem van vrees had
getoond voor zijne bespotting, zijne verbazing of eenige tegenspraak,
die hij mocht beproeven, dan zou hij nu zeker de overhand op haar
hebben gewonnen. Maar het zou hem even mogelijk zijn geweest eene
heldere lucht te doen betrekken door verwonderd daarnaar op te zien,
als eenigen indruk op dit meisje te maken.
"Maar weet gij wel," zeide hij, geheel verlegen, "wat het is dat
gij vraagt? Het is u zeker niet bekend, dat ik om zoo te zeggen om
staatszaken hier ben, die op zichzelf wel dwaas genoeg zijn, maar
waaraan ik mij toch verbonden heb, waarvoor ik eeden heb gedaan,
en waaraan men denkt dat ik wanhopig verkleefd ben? Gij weet dat
waarschijnlijk niet, maar ik verzeker u, het is een feit."
Het maakte geen indruk op Sissy, het mocht een feit wezen of niet.
"Bovendien," hervatte Harthouse, nadat hij een paar malen, altijd nog
twijfelende, de kamer op en neer had gestapt, "het is zoo geweldig
absurd. Het zou iemand zoo belachelijk maken, als hij zich eerst met
die kerels verbond en zich dan op zulk eene onbegrijpelijke manier
terugtrok."
"Ik weet zeker," herhaalde Sissy, "dat dit de eenige herstelling is,
die gij in uwe macht hebt, mijnheer. Ik ben daarvan volkomen verzekerd,
of ik zou niet hier zijn gekomen."
Hij zag haar aan, stapte nog wat op en neer en zeide: "Bij mijne ziel,
gij weet niet wat gij vraagt. Zoo schrikkelijk absurd!"
Het was nu zijne beurt om geheimhouding te bedingen.
"Als ik iets zoo belachelijks deed," zeide hij, weder stilstaande en
tegen den schoorsteenmantel leunende, "zou het alleen kunnen zijn in
het onschendbaarste vertrouwen..."
"Ik zal u vertrouwen, mijnheer," antwoordde Sissy, "en gij zult
mij vertrouwen."
Terwijl hij zoo tegen den schoorsteenmantel leunde, herinnerde hij
zich den avond met den hondsvot. Het was dezelfde schoorsteenmantel,
en hoe het kwam wist hij niet, het was hem eenigszins alsof hij nu
de hondsvot was. Hij wist zich volstrekt niet te helpen.
"Ik geloof haast, dat nog nooit iemand zich in zulk eene gekke positie
heeft bevonden," zeide hij, nadat hij naar omhoog en naar omlaag had
gekeken, had gelachen en zuur gezien, naar het andere eind der kamer
was gestapt en weer was teruggekomen; "maar ik weet er toch niet
uit te komen. Wat gebeuren moet, moet gebeuren; en dit moet dan maar
gebeuren, zou ik haast denken. Ik zal mij dan maar moeten wegmaken,
verbeeld ik mij--kortom, ik beloof het."
Sissy stond op. Zij was niet verwonderd over den afloop, maar zij
was verblijd en haar gezichtje blonk van genoegen.
"Gij zult mij veroorloven te zeggen," hervatte James Harthouse,
"dat ik twijfel, of een ander ambassadeur of ambassadrice wel zoo
goed geslaagd zou zijn. Ik moet mij niet alleen in eene belachelijke
positie schikken, maar ook bekennen, dat ik van alle kanten uit het
veld geslagen ben. Wilt ge mij het voorrecht vergunnen van den naam
mijner vijandin te mogen onthouden?"
"Mijn naam?" vroeg de ambassadrice.
"De eenige naam, die mij van avond ten minste kan schelen."
"Sissy Jupe."
"Verschoon mijne nieuwsgierigheid bij het afscheid. Zijt gij van
de familie?"
"Ik ben maar een arm meisje," antwoordde Sissy. "Ik werd van mijn
vader gescheiden--hij was maar een kunstrijder--en toen had mijnheer
Gradgrind medelijden met mij. Sedert ben ik bij hem in huis gebleven."
Zij was verdwenen.
"Dit alleen ontbrak er nog aan om mijne nederlaag te voltooien,"
zeide James Harthouse, en liet zich met een gezicht vol neerslachtige
berusting op de sofa zinken, nadat hij eene poos als versteend was
blijven staan. "Ik ben nu zoo goed als vernietigd. Maar een arm
meisje--maar een kunstrijder--James Harthouse maar tot niemendal
gemaakt--James Harthouse maar eene Groote Piramide van mislukking."
De Groote Piramide bracht hem in het hoofd om naar den Nijl te
gaan. Hij nam dadelijk eene pen op en schreef het volgende briefje
(in voegzame hieroglyphische teekenen) aan zijn broeder:
"Waarde Jack. Alles afgedaan in Coketown. Door verveling
weggejaagd. Ik ga naar de kameelen. Uw liefhebbende
Jem."
Hij schelde.
"Laat mijn knecht hier komen."
"Hij is naar bed, mijnheer."
"Zeg hem dan, dat hij moet opstaan en mijn goed pakken."
Hij schreef nog twee briefjes, een aan mijnheer Bounderby, om dezen
te berichten dat hij vertrok en op te geven waar hij de eerstvolgende
veertien dagen zou te vinden zijn, en een ander, van dergelijken
inhoud, aan mijnheer Gradgrind. Bijna zoodra de inkt der adressen
droog was, had hij de hooge schoorsteenen van Coketown reeds achter
zich en zat hij in een der rijtuigen van een spoortrein, die hem met
vliegende vaart door de duisternis heenvoerde.
Moreele menschen zullen misschien denken, dat deze snelle aftocht
van James Harthouse hem naderhand stof gaf tot eenige troostrijke
gedachten, als een zijner weinige bedrijven, waardoor hij ooit
iets kwaads had vergoed, en als een blijk, dat-hij eens aan het
allerergste van eene zeer slechte zaak was ontsnapt. Maar dit was
volstrekt het geval niet. Een geheim gevoel, dat hij zich door eene
mislukte onderneming belachelijk had gemaakt, en de vrees, wat andere
heeren van zijn stempel wel van hem zouden zeggen als zij het wisten,
waren hem zoo onaangenaam, dat de beste daad van geheel zijn leven
juist diegene was, welke hij voor geene schatten had willen bekennen,
en de eenige, waarover hij zich voor zich zelven schaamde.
XXXI.
ZEER BESLISSEND.
De onvermoeibare mevrouw Sparsit, die nu eene geweldige verkoudheid
in het hoofd had, zoodat zij niet harder dan fluisterend kon spreken,
en haar onophoudelijk niezen hare deftige gestalte in gevaar scheen te
brengen van in stukken uiteen te vallen, joeg haar patroon zoolang na,
tot zij hem in de hoofdstad gevonden had; en daar trad zij hem toen
in zijn logement in St. James' Street met dreigende statigheid onder
de oogen, legde de lont aan de brandstof, waarmede zij geladen was,
en liet hare mijn springen. Aldus hare taak met onbeschrijfelijke
zelfvoldoening volbracht hebbende, liet de edelaardige vrouw haar
hoofd op mijnheer Bounderby's schouder zinken en viel in zwijm.
Het eerste wat mijnheer Bounderby deed, was mevrouw Sparsit van zich
af te schudden, en haar op den grond, zoo goed zij dit alleen kon, de
verschillende trappen van een zenuwtoeval te laten doorgaan. Vervolgens
begon hij eenige krachtige opwekkende middelen aan te wenden, wrong
de lijderes de duimen open, sloeg haar in de handen, goot haar een
overvloed van water in het gezicht en stak haar zout in den mond. Toen
deze hulpmiddelen haar hadden doen bekomen (hetgeen zij trouwens
spoedig deden), pakte hij haar, zonder haar eenige andere verkwikking
aan te bieden, in eene koets en bracht haar met den eersten spoortrein,
meer dood dan levend, naar Coketown terug.
Op het eind harer reis bood mevrouw Sparsit, als eene klassieke
ruïne beschouwd, een belangwekkend schouwspel aan; maar uit elk ander
oogpunt bezien, was zij sterk beschadigd geworden en hare aanspraak
op bewondering zeer verminderd. Zonder zich om de slijtage harer
kleederen en van haar gestel te bekommeren, en zoo gevoelloos als een
keisteen voor haar zielroerend niezen, pakte Bounderby haar terstond
weder in eene koets en voerde haar verder naar Stone Lodge.
"Tom Gradgrind," zeide Bounderby, laat in den avond de kamer van zijn
schoonvader binnenstuivende, "hier is eene dame--mevrouw Sparsit--gij
kent mevrouw Sparsit wel--die u iets te zeggen heeft, dat zal u doen
verstomd staan."
"Gij hebt dan mijn brief niet ontvangen!" riep mijnheer Gradgrind uit,
verrast door deze verschijning.
"Een brief van u ontvangen!" grauwde Bounderby hem toe. "Het is nu
geen tijd van brieven. Als Josiah Bounderby van Coketown in zulk een
humeur is als nu, moet niemand hem van brieven spreken."
"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind op een misnoegden maar gematigden
toon, "ik spreek over een zeer gewichtigen brief, dien ik u geschreven
heb en die Louisa betrof."
"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, verscheidene malen met de
vlakke hand op de tafel slaande, "ik spreek van eene zeer gewichtige
boodschap, die mij iemand van Louisa is komen brengen. Mevrouw Sparsit,
spreek op, juffrouw!"
De ongelukkige dame poogde nu hare getuigenis af te leggen, maar daar
het haar geheel aan stem ontbrak, en hare keel van binnen rauw scheen
te zijn, kon zij weinig anders doen dan pijnlijke gebaren maken en
leelijke gezichten trekken, waarover Bounderby zoo driftig werd,
dat hij niet kon nalaten haar bij den arm te vatten en te schudden.
"Als gij het niet kunt uitbrengen, juffrouw," zeide hij, "laat mij
het dan uitbrengen. Het is nu geen tijd voor eene dame, al is zij
van nog zoo voorname afkomst, om onverstaanbaar te fluisteren en te
doen alsof zij knikkers slikte. Tom Gradgrind, mevrouw Sparsit heeft
toevallig gelegenheid gehad om een gesprek in de opene lucht tusschen
uwe dochter en uw kostbaren voornamen vriend, mijnheer James Harthouse,
te beluisteren."
"Inderdaad!" zeide mijnheer Gradgrind.
"Ja inderdaad," beet Bounderby hem toe. "En in dat gesprek..."
"Het is niet noodig mij den inhoud er van te zeggen, Bounderby. Ik
weet wat er is voorgevallen."
"Doet ge?" zeide Bounderby, zijn zoo bijzonder stillen en zoetsappigen
schoonvader met groote oogen aanstarende. "Misschien weet gij dan
ook waar uwe dochter tegenwoordig is?"
"Zonder twijfel. Zij is hier."
"Hier?"
"Mijn beste Bounderby, laat ik u toch mogen bidden om die luidruchtige
uitbarstingen te bedwingen. Louisa is hier. Zoodra zij zich van dat
gesprek met den persoon, van wien gij spreekt, en wien het mij zeer
spijt dat ik bij u geïntroduceerd heb, kon afmaken, is Louisa met
allen spoed hierheen gekomen om bescherming te zoeken. Ik was zelf nog
maar weinige uren thuis geweest, toen ik haar hier zag komen--hier in
deze kamer. Zij was met den spoortrein naar de stad gekomen, door den
woedenden storm van de stad hier naar huis geloopen, en toen zij hier
kwam, was zij buiten zich zelve van ontsteltenis en angst. Natuurlijk
is zij sedert hier gebleven. Laat ik u, om uw eigen en om harentwil,
mogen bidden meer bedaard te zijn."
Mijnheer Bounderby zag eene poos naar alle kanten om zich heen, behalve
naar den kant van mevrouw Sparsit, en zich toen eensklaps naar de
nicht van Lady Scadgers keerende, zeide hij tot die rampzalige vrouw:
"Nu, juffrouw, zullen wij gaarne hooren wat gij tot uwe verschooning
moogt goedvinden te zeggen, dat gij zoo met de vaart van een koerier
door het land vliegt, zonder andere bagage dan een zot vertelseltje."
"Mijnheer," fluisterde mevrouw Sparsit, "mijne zenuwen zijn op het
oogenblik al te zeer geschokt en mijne gezondheid heeft in uw dienst
al te veel geleden, om mij toe te laten iets anders te doen dan mijne
toevlucht tot tranen te nemen."
En dit deed zij ook.
"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, "zonder u iets te zeggen wat men niet
met voegzaamheid tegen eene vrouw van goede afkomst zou mogen zeggen,
wil ik er alleen maar bijvoegen, dat er, naar het mij voorkomt, nog
iets anders is, waarin gij toevlucht kunt nemen, namelijk in eene
koets. En daar de koets, waarin gij gekomen zijt, nog voor de deur
staat, zult gij mij wel vergunnen om u daarin te zetten en naar het
kantoor te laten brengen; en daar gekomen, zult ge niet beter kunnen
doen, dan uwe voeten in het heetste water te steken dat ge verdragen
kunt, en als ge in het bed zijt een glas kokend heete rum met eene
kluit boter er in te drinken."
Met deze woorden reikte Bounderby de schreiende dame zijne rechterhand
toe, en bracht haar, onder een jammerlijk niezen, naar het bedoelde
rijtuig. Spoedig kwam hij alleen terug.
"Daar ik aan uw gezicht kan zien, Tom Gradgrind," hervatte hij, "dat
ge mij woudt spreken, ben ik hier teruggekomen. Maar ik ben in geen
pleizierig humeur, dat zeg ik ronduit; want de zaak, zooals ze nu is,
bevalt mij nog maar volstrekt niet, en ik vind niet, dat ik ooit door
uwe dochter met zooveel gehoorzaamheid en onderdanigheid behandeld ben,
als Josiah Bounderby van Coketown door zijne vrouw behandeld moest
worden. Gij hebt uwe eigene meeningen, kan ik wel denken; ik heb de
mijne, dat weet ik. Als gij mij van avond iets zoudt willen zeggen,
dat met deze oprechte verklaring in strijd is, zoudt ge beter doen
het maar te zwijgen."
Daar Gradgrind, gelijk men zal hebben opgemerkt, veel zachter was
dan gewoonlijk, gaf Bounderby zich bijzondere moeite om zich zooveel
mogelijk te verharden. Dat lag zoo in zijn beminnelijk karakter.
"Mijn lieve Bounderby," begon mijnheer Gradgrind tot antwoord.
"Neem mij niet kwalijk," zeide Bounderby, "maar ik wil niet al te
lief zijn. Dat om te beginnen. Als ik voor iemand lief begin te
worden, vind ik doorgaans dat hij voornemens is mij te bedotten. Ik
spreek niet beleefd tegen u; maar, gelijk ge wel weet, ik ben ook
niet beleefd. Als ge veel van beleefdheid houdt, weet ge waar gij
ze krijgen kunt. Gij hebt fatsoenlijke en voorname vrienden genoeg,
en zij zullen u van dat artikel zooveel leveren als ge maar hebben
wilt. Ik houd het er niet op na."
"Bounderby," hervatte mijnheer Gradgrind dringend; "alle menschen
kunnen dwalen."
"Ik dacht, dat gij het niet kondt," viel Bounderby hem in de rede.
"Misschien dacht ik ook zoo. Maar ik zeg nu, alle menschen kunnen
dwalen; en ik zou gevoelig en dankbaar voor uwe kieschheid zijn, als
gij mij die toespelingen op Harthouse woudt besparen. Ik zal in ons
gesprek geene melding van hem maken, alsof ik hem voor uw vriend en
vertrouwde hield, en ik verzoek u niet voort te gaan met te spreken
alsof hij de mijne was."
"Ik heb zijn naam niet eens genoemd," zeide Bounderby.
"Goed, goed!" antwoordde mijnheer Gradgrind op een toon van
geduld, zelfs van onderwerping, en bleef toen eene korte poos
peinzen. "Bounderby, ik heb reden om er aan te twijfelen of wij Louisa
wel ooit recht begrepen hebben."
"Wie meent ge met dat wij?"
"Laat mij dan ik zeggen," antwoordde hij op die smalend uitgestootene
vraag. "Ik twijfel er aan, of ik Louisa wel ooit begrepen heb. Ik
twijfel er aan, of ik de rechte manier van opvoeding wel voor haar
heb gekozen."
"Daar hebt gij het aan 't rechte eind," antwoordde Bounderby. "Dat geef
ik u toe. Dat hebt gij nu eindelijk ontdekt, niet waar? Opvoeding!--Ik
zal u eens zeggen wat opvoeding is--dat is, hals over kop de deur te
worden uitgesmeten, en op kort rantsoen te worden gesteld van alles
behalve klappen. Dat noem ik opvoeding."
"Ik geloof, dat uw gezond verstand wel zal zien," bracht mijnheer
Gradgrind met alle nederigheid hiertegen in, "dat, welke verdiensten
zulk een stelsel ook hebben mag, het bij meisjes bezwaarlijk van
algemeene toepassing zou kunnen zijn."
"Dat zie ik geheel niet in," antwoordde de stijfkoppige Bounderby.
"Wel," hervatte mijnheer Gradgrind met een zucht, "wij zullen die
vraag maar niet onderzoeken. Ik verzeker u, dat ik niet naar een
woordenstrijd verlang. Ik zoek alleen maar te herstellen wat er
bedorven is, als ik dat met mogelijkheid kan doen; en ik hoop, dat
ge mij in dat goede voornemen zult bijstaan, Bounderby, want ik heb
groote droefheid gehad."
"Ik versta u nog niet," antwoordde Bounderby, met onverzettelijke
koppigheid, "en daarom wil ik niets beloven."
"In weinige uren tijds, mijn beste Bounderby," vervolgde mijnheer
Gradgrind, op denzelfden treurigen en verzoenenden toon, "schijn
ik beter met Louisa's karakter bekend te zijn geworden dan in al
de vorige jaren. Die inlichting is mij smartelijk opgedwongen, en
de ontdekking is mijn bedrijf niet. Ik geloof, dat er--Bounderby,
ge zult wel verwonderd zijn mij dit te hooren zeggen--ik geloof, dat
er eigenschappen in Louisa schuilen, die--die op eene harde manier
verwaarloosd zijn en--zóó eenigszins eene verkeerde richting hebben
genomen. En--en ik wilde u doen opmerken, dat het--dat het, als gij mij
vriendelijk helpen woudt in de nu nog tijdige proefneming om haar een
tijdlang aan haar beteren geest over te laten--en dien door zachtheid
en inschikkelijkheid aan te moedigen en te ontwikkelen--het--het voor
ons aller geluk beter zou zijn. Louisa," vervolgde hij, zijne hand
voor zijn gezicht houdende, "is altijd mijn geliefkoosd kind geweest."
Bij het hooren dezer woorden werd de driftige Bounderby zoo rood en
zwol zoo geweldig op, dat hij op het punt scheen, en waarschijnlijk ook
was, om eene beroerte te krijgen. Maar hoewel zelfs zijne ooren eene
donkere purperkleur aannamen, bedwong hij toch zijne verontwaardiging
en zeide slechts:
"Gij zoudt haar dan wel een tijdlang hier willen houden?"
"Ik--ik had u willen aanraden, mijn beste Bounderby, dat ge Louisa
zoudt vergunnen om hier wat te blijven logeeren en zich door Sissy te
laten oppassen (ik meen natuurlijk Cecilia Jupe), die haar begrijpt
en in wie zij vertrouwen stelt."
"Tom Gradgrind," antwoordde Bounderby, met het hoofd in den nek en de
handen in de zakken, "ik maak uit dit alles op, dat gij van meening
zijt, dat er zoo iets is wat de menschen incompatibiliteit noemen
tusschen Louisa Bounderby en mij."
"Ik vrees, dat er vooralsnog eene algemeene incompatibiliteit bestaat
tusschen Louisa en--en bijna alle omstandigheden waarin ik haar
geplaatst heb," gaf de vader treurig ten antwoord.
"Luister nu eens, Tom Gradgrind," zeide de bloedroode Bounderby,
zich vlak tegenover hem plaatsende, met de beenen wijd van elkander,
de handen nog dieper in de zakken en een hoofd met haar, dat naar
een hooiveld in een onstuimigen wind geleek. "Gij hebt uitgesproken,
en nu zal ik spreken. Ik ben een Coketowner. Ik ben Josiah Bounderby
van Coketown. Ik ken de steenen van de stad, ik ken de machines van
de stad, ik ken de schoorsteenen van de stad, ik ken den rook van de
stad, en ik ken de werklieden van de stad. Ik ken ze allen tamelijk
wel. Zij zijn geene ingebeelde dingen, en als iemand mij van ingebeelde
hoedanigheden vertelt, zeg ik dien man altijd, wie hij ook wezen mag,
dat ik wel weet wat hij meent. Hij meent schildpadsoep en wildbraad,
met een gouden lepel, en dat hij eene koets met zes paarden wil
houden. Dat is het wat uwe dochter zou willen; en daar gij van meening
zijt, dat zij zou moeten hebben wat zij wil, raad ik u het haar te
bezorgen, want van mij zal zij het nooit krijgen, Tom Gradgrind."
"Bounderby," antwoordde mijnheer Gradgrind, "ik had na mijn dringend
verzoek gehoopt, dat gij een anderen toon zoudt hebben aangeslagen."
"Wacht nog eens even," hervatte Bounderby; "ik heb u laten uitspreken,
geloof ik. Hoor mij nu ook ten einde, als het u belieft. Maak
u zelven niet tot een voorbeeld van onbillijkheid, zoowel als
van inconsequentie, want hoewel het mij spijt, Tom Gradgrind zoo
laag gezonken te zien als hij nu al is, zou het mij dubbel spijten
hem zóó laag te zien dalen. Er is, geeft ge mij te verstaan, eene
incompatibiliteit van eene of andere soort tusschen uwe dochter
en mij. Ik zal u tot antwoord daarop te verstaan geven, dat er
ontwijfelbaar eene incompatibiliteit van de eerste grootte bestaat,
die met deze enkele woorden kan worden verklaard: dat uwe dochter de
verdiensten van haar man niet behoorlijk kent, en niet zooveel gevoel
heeft als wel passen zou, waarachtig, voor de eer der verbintenis
met hem. Dat is rond en duidelijk gesproken, zou ik hopen."
"Bounderby," zeide mijnheer Gradgrind dringend; "dat is onredelijk."
"Is het?" zeide Bounderby. "Ik ben blij u dat te hooren zeggen;
want als Tom Gradgrind met zijn nieuw licht mij zegt, dat, wat ik
zeg onredelijk is, ben ik terstond overtuigd, dat het duivelsch
verstandig moet wezen. Met uw verlof zal ik nu voortgaan. Gij kent
mijne afkomst; en gij weet, dat ik een goed getal jaren van mijn
leven geene laarzentrekkers noodig had, omdat ik geene laarzen had
en schoenen evenmin. En toch moogt gij het gelooven of niet, zooals
het u goeddunkt, dat er dames zijn--geborene dames--die tot familiën
behooren--familiën!--die den grond haast aanbidden, waarover ik ga."
Hij wierp dit gezegde als een vuurpijl zijn schoonvader naar het hoofd.