"Heb ik? Ik ben blij, dat ge dat zoo vindt. Dat moet ik zeker aan

Sissy te danken hebben."

De arm, dien Louisa om den hals harer zuster wilde slaan, werd weder

teruggetrokken.

"Gij kunt het vader gaan zeggen, als ge wilt," zeide zij; en toen

haar nog even terughoudende, vervolgde zij: "Gij zijt het zeker,

die mijne kamer zoo vroolijk hebt gemaakt, om mij te laten zien,

dat ik welkom was."

"O neen, Louisa, dat was al gedaan eer ik hier kwam. Het was..."

Louisa keerde zich om, drukte haar hoofd in haar kussen en hoorde

niet meer. Toen hare zuster heengegaan was, keerde zij zich weder om

en bleef met haar gezicht naar de deur liggen, totdat haar vader die

opendeed en binnentrad.

Zijn uitzicht gaf angst en afmatting te kennen, en zijne hand,

gewoonlijk zoo vast, beefde in de hare. Hij zette zich naast het bed

neer, vroeg met teedere bezorgdheid hoe zij zich bevond, en sprak

over de noodzakelijkheid om zich, na de aandoeningen van den vorigen

avond, zeer stil te houden. Hij sprak met eene zwakke, haperende stem,

zeer verschillend van zijn gewonen gebiedenden toon, en moest dikwijls

naar woorden zoeken.

"Mijne lieve Louisa, mijne arme dochter..." Hier was hij zoo in de war,

dat hij geheel bleef steken. Hij beproefde het nog eens.

"Mijn ongelukkig kind!" Het was zoo moeielijk over dat begin heen te

komen, dat hij het nog eene derde maal moest beproeven.

"Het zou vruchteloos zijn, Louisa, als ik u poogde te zeggen, hoe

die onverwachte ontdekking van gisteravond mij getroffen heeft en

nog aandoet. De grond, waarop ik sta, is niet vast meer onder mijne

voeten. De eenige steun waarop ik leunde, en waarvan de kracht niet te

betwijfelen scheen en nog schijnt, is in een oogenblik bezweken. Ik ben

bedwelmd en versuft door die ontdekkingen. Het is niet uit eigenliefde,

dat ik zoo spreek; maar ik gevoel dat de slag, die mij gisteravond

heeft getroffen, waarlijk zeer zwaar is."

Zij kon hem in dit opzicht geen troost geven. Geheel haar levensgeluk

had schipbreuk geleden op de rots, waarop het zijne nu had gestooten.

"Ik wil niet zeggen, Louisa, dat het beter voor ons beiden zou zijn

geweest als ge mij door een gelukkig toeval vroeger uit den droom hadt

geholpen--beter voor uwe gemoedsrust, beter voor de mijne; want ik

weet wel, dat het niet tot mijn systeem behoorde een vertrouwen van

dien aard uit te lokken. Ik heb mij voor mij zelven van de waarheid

van mijn systeem overtuigd en mij gestreng daaraan gehouden; en de

verantwoordelijkheid van het valsche daarvan moet ik nu ook dragen. Ik

bidt u alleen, mijn geliefkoosd kind, geloof toch dat ik gedacht heb

wèl te doen."

Hij zeide dit zeer ernstig en hij sprak ook de waarheid. Toen hij de

grondelooze diepte met zijn ellendig maatstokje had willen peilen,

en zijn roestigen, stroeven passer waggelend over het gansche heelal

liet stappen, had hij gemeend groote dingen te doen. Binnen de grenzen

van het korte touw, waarmede hij aan zijn systeem gebonden was,

had hij rondgetrappeld en met grooter oprechtheid van bedoeling,

dan vele der blatende wezens, met welke hij verkeerde, de bloemen

des levens verwoest.

"Daarvan houd ik mij wel verzekerd, vader. Ik weet dat ik uw

geliefkoosd kind ben geweest. Ik weet dat ge mij gelukkig hebt willen

maken. Ik heb u nooit iets verweten en zal dat ook nooit doen."

Hij vatte hare toegereikte hand en hield die in de zijne.

"Kindlief, ik ben den geheelen nacht aan mijne tafel blijven zitten,

onophoudelijk nadenkende over de smartelijke ophelderingen, die er

tusschen ons hebben plaats gehad. Als ik uw karakter beschouw, als ik

overweeg, dat hetgeen ik nu sedert eenige uren weet, jarenlang door

u is verborgen gehouden; als ik bedenk, door welken onmiddellijken

drang het u eindelijk is afgeperst, kom ik tot het besluit, dat ik

niet anders doen kan dan mij zelven wantrouwen."

Hij had er nog meer dan dit alles kunnen bijvoegen, toen hij bemerkte

hoe zijne dochter hem nu aanzag; en hij deed dit misschien metterdaad,

toen hij hare hangende haren zacht van haar voorhoofd streek. Zulke

kleine bedrijven, bij een ander onbeduidend, waren bij hem iets

opmerkelijks; en zijne dochter nam dit van hem aan, als ware het eene

betuiging van het diepste naberouw geweest.

"Maar," zeide mijnheer Gradgrind langzaam en aarzelend, en tevens

met een rampzalig gevoel van hulpelooze verlegenheid; "als ik reden

zie, mij zelven ten opzichte van het verledene te wantrouwen, moet

ik dat ook voor het tegenwoordige en de toekomst doen. Om zonder

achterhoudendheid met u te spreken, doe ik dat ook waarlijk. Ik gevoel

mij thans verre van overtuigd, hoe geheel anders ik gisteren ook

daarover mag gedacht hebben, dat ik geschikt ben om het vertrouwen,

dat gij in mij stelt, te beantwoorden; dat ik zal weten te voldoen

aan den rechtmatigen eisch, dien gij mij zijt komen doen; dat ik

het rechte instinct heb--om voor een oogenblik te vooronderstellen,

dat er eene eigenschap van dien aard bestaat--om u te helpen en den

rechten weg te wijzen, mijn kind."

Zij had zich op haar kussen omgekeerd en lag met haar gezicht

op haar arm, zoodat hij het niet zien kon. Al hare woestheid en

hartstochtelijkheid was verdwenen; maar hoewel haar gemoed was

verzacht, kon zij nog niet tot tranen komen. De grootste verandering,

die er bij haar vader was voorgevallen, bestond daarin, dat hij nu

blijde zou geweest zijn als hij haar had zien schreien.

"Sommigen beweren," vervolgde hij, nog aarzelende, "dat er eene

wijsheid van het hoofd en ook eene wijsheid van het hart is. Ik heb

zoo niet gedacht; maar, gelijk ik gezegd heb, ik wantrouw nu mij

zelven. Ik heb ondersteld, dat het hoofd alleen voor alles voldoende

was. Misschien is het dat niet; want hoe zou ik dezen morgen durven

zeggen, dat het voor alles voldoende is? Indien eens die andere soort

van wijsheid juist datgene mocht zijn wat ik verzuimd heb, juist het

instinct, dat mij ontbreekt, Louisa..."

Hij zeide dit zeer weifelend, als ware hij zelfs nu nog half onwillig

om het toe te stemmen. Zij gaf geen antwoord, en bleef voor hem op

het bed liggen, nog half gekleed, bijna gelijk hij haar den vorigen

avond in zijne kamer op den grond had zien liggen.

"Louisa," hervatte hij, en zijne hand rustte weder op haar hoofd, "ik

ben in den laatsten tijd veel van huis geweest, en schoon de opvoeding

uwer zuster volgens het--het systeem is ingericht"--hij scheen thans

dit woord telkens met grooter tegenzin uit te spreken--"is zij toch

noodwendig gewijzigd geworden door den invloed van een dagelijkschen

omgang, die bij haar reeds op vroeger jaren begonnen is. Ik vraag

u--nederig en als een onkundige, mijne dochter---denkt gij, dat dit

tot haar bestwil zou zijn geweest?"

"Vader," antwoordde zij zonder zich te bewegen, "als er in hare

jeugdige borst eene harmonie is opgewekt, die in de mijne stom is

gebleven tot zij in wanklanken veranderde, laten wij dan den hemel

daarvoor danken, haar stil op haar gelukkigen weg laten voortgaan,

en het den grootsten zegen voor haar achten, dat zij mijn weg heeft

vermeden."

"O, mijn kind, mijn kind!" zeide hij, met wanhopige neerslachtigheid

in zijn toon; "ik ben een ongelukkig man, dat ik u zoo zie! Wat

baat het mij, dat gij mij niets verwijt, als ik mij zelven zulke

bittere verwijten doe!" Hij boog zijn hoofd, en vervolgde, zeer zacht

sprekende: "Louisa, ik twijfel er aan, of er niet hier in huis en

om mij heen langzamerhand eene verandering is bewerkt, alleen door

liefde en dankbaarheid; of niet datgene, wat het hoofd ongedaan heeft

gelaten en niet kan doen, stilzwijgend door het hart is verricht. Zou

het zoo kunnen zijn?"

Zij gaf hem geen antwoord.

"Ik ben niet te trotsch om het te gelooven, Louisa. Hoe zou ik nog

eigenwijs kunnen zijn, terwijl gij daar zoo voor mij ligt! Kan het

zoo zijn? Is het werkelijk zoo, kindlief!"

Hij zag haar nog eens aan, gelijk zij daar als weggeworpen lag, en

zonder een woord verder te spreken, ging hij de kamer uit. Hij was

niet lang heengegaan, of zij hoorde een lichten tred bij de deur en

begreep, dat er iemand anders bij haar gekomen was.

Zij hief haar hoofd niet op. Eene wrevelige gramschap, dat zij in hare

zielesmart gezien werd, en dat de onwillekeurige blik, die haar eens

zoo verstoord had, tot zulk eene vervulling moest komen, smeulde in

haar gelijk een dreigend vuur. Alle kracht, in een kerker opgesloten,

wordt verwoestend. De lucht, die heilzaam voor de aarde zou zijn, het

water dat haar vruchtbaar zou maken; de hitte, die haar zou koesteren,

rijten haar vaneen, wanneer zij in enge holen besloten blijven. Zoo was

het ook nu in haar hart; de krachtigste eigenschappen, die zij bezat,

lang tegen zich zelven gekeerd, sloegen tot eene hardnekkigheid over,

die wrokkend tegen eene vriendin opstond.

Het was gelukkig, dat eene zachte hand om haar hals geslagen werd,

en dat zij begreep, dat men haar voor slapend hield. Die medelijdende

hand tergde haar wrevel niet. Zij mocht daar blijven.

Zoo bleef zij daar, en deed door hare koesterende warmte een aantal

zachtere aandoeningen langzamerhand het leven ontvangen; en Louisa

bleef steeds stil liggen. Terwijl de stilte en de bewustheid van

zoo bewaakt te worden haar zachter stemden, welden er eenige tranen

in hare oogen op. Het gezichtje raakte het hare aan, en zij wist,

dat ook daarop tranen stonden en dat zij die deed vloeien.

Toen Louisa veinsde te ontwaken en overeind kwam, trad Sissy achteruit

en bleef stil bij het bed staan.

"Ik hoop, dat ik u niet gestoord heb. Ik kom maar eens vragen, of

gij hebben wilt dat ik bij u blijf."

"Waarom zoudt gij bij mij blijven? Mijne zuster zal u missen. Gij

zijt alles voor haar."

"Ben ik dat?" antwoordde Sissy, haar hoofdje schuddende. "Maar ik

zou ook zoo gaarne iets voor u willen zijn, als ik mocht."

"Wat voor mij zijn?" zeide Louisa bijna stuursch.

"Wat gij het meest noodig hebt, indien ik daartoe in staat ben. In

allen gevalle zou ik gaarne willen beproeven om daar zoo nabij te komen

als ik kan. En hoe ver ik er ook vandaan mag blijven, ik zal nooit

moede worden om opnieuw mijn best te doen. Wilt ge mij dat toelaten?"

"Mijn vader heeft u zeker gezonden om mij dat te vragen?"

"Neen, zeker niet," antwoordde Sissy. "Hij heeft mij nu gezegd,

dat ik mocht binnenkomen, maar van morgen heeft hij mij uit de kamer

gezonden--of ten minste..." Zij aarzelde en zweeg.

"Ten minste--wat?" zeide Louisa, haar gewonen uitvorschenden blik op

haar vestigende.

"Ik hield het zelf voor best dat ik weggezonden werd, want ik was

geheel onzeker of ge mij wel gaarne hier zoudt vinden."

"Heb ik u altijd zoozeer gehaat?"

"Ik hoop van neen, want ik heb u altijd liefgehad, en altijd gewenscht

dat gij dat weten zoudt. Maar kort voordat gij het huis uitgingt,

zijt ge een weinigje voor mij veranderd. Niet dat ik mij daarover

verwonderde. Gij wist zooveel en ik zoo weinig, en het was om vele

redenen zoo natuurlijk, daar gij toen onder andere vrienden zoudt

komen, dat ik over niets te klagen had en mij ook geheel niet gekrenkt

gevoelde."

Zij kreeg eene hoogere kleur terwijl zij dit bedeesd en haastig

zeide. Louisa begreep die liefderijke geveinsdheid en haar hart gaf

haar een scherp verwijt.

"Mag ik het beproeven?" zeide Sissy, moed vattende om hare hand op

te heffen, naar den hals, die onwillekeurig naar haar werd overgebogen.

Louisa vatte den arm, die gereed was om haar te omhelzen, en Sissy's

hand in de hare sluitende, antwoordde zij:

"Eerst nog dit, Sissy: weet gij wel wat ik ben? Ik ben zoo trotsch

en zoo verhard, zoo verward en verbijsterd, zoo vol wrevel en

onbillijkheid voor iedereen en mij zelve, dat alles in mijn binnenste

even donker, woest en ellendig is. Schrikt u dat niet af?"

"Neen!"

"Ik ben zoo ongelukkig, en alles wat mij anders moest gemaakt hebben

is zoo verwoest, dat, al was ik tot op dit oogenblik geheel zonder

eenige kennis gebleven, en al moest ik, in plaats van zoo geleerd te

zijn, als gij mij acht, nu eerst de eenvoudigste waarheden beginnen

te leeren, ik geen jammerlijker gebrek kon hebben aan een gids tot

zielevrede, vergenoegdheid, eergevoel, aan een gids naar al het goede

dat mij geheel ontbreekt. Schrikt dat u niet af?"

"Neen!"

In de onschuld harer onverschrokkene liefde, in den rijkdom van haar

edel gemoed schitterde het eens verachte meisje als een heerlijk licht,

dat de duisternis der andere verhelderde.

Louisa beurde nu zelve Sissy's hand op, om haar hals te omvatten. Toen

viel zij op hare knieën, en zich aan de dochter van den potsenmaker

vastklemmende, zag zij bijna met eerbied naar haar op.

"Vergeef mij, heb medelijden met mij, help mij. Heb barmhartigheid

met mijn grooten nood, en laat ik mijn hoofd tegen uw liefdevol hart

mogen te rust leggen!"

"O, leg het hier," riep Sissy uit, "leg het hier te rust!"

XXX.

ZEER BELACHELIJK.

Mijnheer James Harthouse sleet een geheelen nacht en dag in zulk een

toestand van opgewondenheid, dat de wereld met haar beste lorgnet

voor de oogen, hem in dat tijdperk van waanzin bezwaarlijk voor Jem,

den broeder van het achtbare en luimige parlementslid, had kunnen

herkennen. Hij was werkelijk in heftige gemoedsbeweging, en sprak

verscheidene malen met een nadruk, die naar de manier van gemeene

lieden geleek. Hij liep op eene onverklaarbare manier uit en in,

als iemand die een werkelijk doel had. Hij reed alsof hij gejaagd

werd. Kortom, de omstandigheden verveelden hem zoo schrikkelijk, dat

hij vergat op de manier van fijn beschaafde gentlemen zijne verveling

te toonen.

Nadat hij door den storm naar Coketown was gerend, bleef hij den

geheelen nacht opzitten, van tijd tot tijd met de grootste woede aan

de schel trekkende en den knecht, die de wacht had, beschuldigende,

dat hij brieven of boodschappen achterhield, die zeker voor hem

bestemd waren, en die hij nu eischte dat hem terstond zouden worden

overgeleverd. Toen de dageraad kwam, de morgenstond kwam en de dag

kwam, en geen van deze drie brief of boodschap medebracht, begaf

hij zich naar het buiten. Daar vernam hij, dat mijnheer Bounderby

op reis en mevrouw Bounderby naar de stad was. Zij was gisteravond

onverwacht daarheen vertrokken. Men had dit niet eens geweten, voordat

men eene boodschap had ontvangen, dat men haar vooreerst niet terug

moest verwachten.

Onder deze omstandigheden schoot hem niets anders over dan haar naar de

stad te volgen. Hij ging naar het huis in de stad. Mevrouw Bounderby

was er niet. Hij bezocht het kantoor. Mijnheer Bounderby was weg,

en mevrouw Sparsit was weg. Mevrouw Sparsit weg? Hoe is het mogelijk,

dat iemand plotseling het gezelschap van dat serpent noodig had!

"Ja, dat weet ik niet," antwoordde Tom, die zijne eigene redenen had

om zich in dit opzicht ongerust te maken. "Zij is van morgen eer de

dag nog aankwam vertrokken; niemand weet waarheen. Zij is altijd zoo

geheimzinnig. Ik heb een hekel aan haar, en ook aan dien vlasharigen

kerel, die iemand met zijne knippende oogen overal nakijkt."

"Waar zijt gij gisteravond geweest, Tom?"

"Waar ik gisteravond geweest ben!" zeide Tom. "Wel, nu nog mooier! Ik

heb naar u staan wachten, mijnheer Harthouse, tot het begon te

stortregenen zooals ik het nog nooit in mijn leven had zien doen. Waar

ik was! Gij zult meenen: waar gij gebleven zijt?"

"Ik werd verhinderd, Tom--opgehouden."

"Opgehouden!" mompelde Tom. "Dan werden wij allebei opgehouden. Ik

werd opgehouden met naar u te wachten, tot alle treinen voorbij waren

behalve de posttrein. Het zou een aardig karreweitje zijn geweest in

zulk weer daarmede te rijden en dan door een vijver heen naar huis

te moeten kuieren. Ik moest dus wel in de stad blijven slapen."

"Waar?"

"Waar? Wel in mijn eigen bed bij Bounderby."

"Hebt gij uwe zuster gezien?"

"Hoe drommel," antwoordde Tom, hem verwonderd aanstarende, "kon ik

mijne zuster zien, die vijftien mijlen hier vandaan was?"

Met een vloek over de bitse antwoorden van den jongenheer, van wien

hij zulk een trouw vriend was, maakte mijnheer Harthouse met de minst

mogelijke plichtplegingen een einde aan het gesprek, en overdacht voor

de honderdste maal wat dit alles kon beteekenen. Slechts één ding werd

hem duidelijk, dat hij namelijk, hetzij ze in de stad of uit de stad

was, hetzij hij bij eene vrouw, die zoo moeielijk te begrijpen was,

te voorbarig was geweest, of dat zij den moed had verloren, of dat men

hen ontdekt had, of dat er eene voor het oogenblik onbegrijpelijke

misvatting of vergissing had plaats gehad--dat hij evenwel zijn lot

moest blijven afwachten, hoe dat dan ook wezen mocht. Het hotel,

dat hij gewoonlijk betrok, wanneer hij tot dat gewest van kolenzwart

was verwezen, was de martelpaal waaraan hij was vastgebonden. Voor

het overige--wat gebeuren moest, moest gebeuren.

"Of ik dus hier wacht naar eene gramstorige boodschap, of een

rendez-vous, of een teerhartig berouw, of eene vechtpartij met mijn

vriend Bounderby--hetgeen in den tegenwoordigen staat van zaken

even waarschijnlijk is als iets anders--ik wil dineeren," zei James

Harthouse. "Bounderby heeft het voordeel van zwaarder te zijn dan

ik: en als er iets van echt Engelschen aard tusschen ons moet plaats

hebben, zal het wel goed zijn mij een beetje te versterken."

Hij trok dus aan de schel, en zich achteloos op een sofa werpende,

bestelde hij een diner tegen zes uur, "onverschillig wat, maar een

beefsteak er bij;" en daarna sleet hij den tusschentijd zoo goed

hij kon. Dit gelukte hem niet bijzonder goed; want hij bleef nog

in de grootste verbijstering, en terwijl de uren verliepen en hij

geenerlei opheldering ontving, vergrootte zich die verbijstering als

een kapitaal, dat interest op interest is uitgezet.

Hij nam echter de zaak zoo koelbloedig op als het maar iemand mogelijk

zou zijn geweest, en vermaakte zich met het koddige denkbeeld om zich

op eene vechtpartij met Bounderby voor te bereiden. "Het zou niet kwaad

zijn," dacht hij al geeuwende, "den knecht vijf schellingen te geven

en mij te oefenen om hem op den grond te werken." En daarna viel het

hem in: "of men zou ook een kerel van behoorlijke zwaarte bij het uur

kunnen huren." Deze aardigheden droegen echter niet veel van aanbelang

bij om den namiddag te verkorten of zijne onrust te verminderen,

en om de waarheid te zeggen, beiden duurden hem schrikkelijk lang.

Zelfs nog vóór den maaltijd kon hij onmogelijk nalaten dikwijls over

de bloemen van het tapijt rond te stappen, uit het venster te kijken,

bij de deur naar voetstappen te luisteren, en nu en dan eenigszins heet

te worden als die voetstappen de kamer naderden. Maar na den maaltijd,

toen de dag in schemering, en de schemering in duisternis overging, en

hij nog niets nieuws vernam, begon het, gelijk hij zelf het uitdrukte,

"naar de Inquisitie en een langzaam doodmartelen te gelijken." Evenwel

nog getrouw aan zijne overtuiging, dat onverschilligheid het kenmerk

van fijne beschaving was (de eenige overtuiging die hij had), nam hij

deze crisis waar als eene gelegenheid om zich licht en eene courant

te laten brengen.

Hij had een half uur gesleten met vruchtelooze pogingen om deze

courant te lezen, toen er een knecht van het hotel verscheen en op

een tegelijk geheimzinnigen en bedremmelden toon zeide:

"Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Er wordt met uw welnemen naar

u gevraagd."

Eene flauwe herinnering, dat dit de uitdrukking was, die de politie

tegen een gauwdief bezigde, deed mijnheer Harthouse den knecht met

verontwaardiging toebijten, "wat duivel hij daarmede meende."

"Ik verzoek wel verschooning, mijnheer. Eene jongejuffrouw daar buiten

vraagt u te spreken."

"Daar buiten? Waar?"

"Hier buiten de deur, mijnheer."

Den knecht als een domkop, die niet beter waardig was, naar den zoo

pas genoemden persoon heenzendende, stond Harthouse haastig op en ging

naar de gang. Daar stond een meisje, dat hij nog nooit had gezien,

eenvoudig gekleed, zeer zedig van uitzicht en zeer bevallig. Toen

hij haar in de kamer bracht en een stoel voor haar zette, zag hij

bij het licht der kaarsen, dat zij nog bevalliger was dan hij in

het eerst had gedacht. Haar gezichtje was onschuldig en jeugdig,

en de uitdrukking daarvan buitengemeen innemend. Zij was niet bang

voor hem en volstrekt niet verlegen; haar gemoed scheen geheel vol te

zijn met het oogmerk van haar bezoek, zoodat daardoor alle gedachte

aan zich zelve werd bedwongen.

"Ik spreek immers met mijnheer Harthouse?" zeide zij toen zij alleen

waren.

"Ja," antwoordde hij, en voegde er in gedachten bij: "En gij spreekt

tegen hem met de vertrouwelijkste oogen die ik ooit gezien heb, en

de zachtste stem, al is de toon zoo zonderling ernstig, die ik ooit

heb gehoord."

"Hoewel ik niet weet of begrijp," zeide Sissy, "waartoe uwe eer als

gentleman u in andere opzichten verbindt," en het bloed steeg haar

naar de wangen toen zij met deze woorden begon, "zal ik er toch zeker

op mogen vertrouwen, dat gij mijn bezoek geheim zult houden, en ook

geheel verzwijgen wat ik u verder zeggen wilde. Als gij mij belooft,

dat ik u zoover vertrouwen mag, zal ik er mij op verlaten."

"Dat kunt gij, dit verzeker ik u."

"Ik ben jong, gelijk gij ziet; en ik ben alléén, gelijk gij ziet. Om

zoo bij u te komen, mijnheer, heeft niets mij geraden of aangemoedigd

behalve eene stille hoop die ik voed."

"Maar die moet zeer sterk zijn," dacht hij, toen hij haar voor

een oogenblik hare oogen naar boven zag richten. "Dit is een

allerwonderlijkst begin," dacht hij verder. "Ik begrijp niet waar

dat heen moet."

"Ik denk," zeide Sissy, "dat gij al raadt wie ik zoo even verlaten

heb."

"Ik ben vier en twintig uren lang--die mij zoo lang zijn gevallen

alsof het jaren waren--zeer ongerust geweest ten opzichte van zekere

dame," antwoordde hij. "De hoop, die ik meende te mogen opvatten,

dat gij van die dame komt, heeft mij niet bedrogen, naar ik vertrouw."

"Ik ben nog geen uur geleden van haar weggegaan!"

"Waar?"

"Bij haar vader in huis."

In spijt van zijne koelbloedigheid werd het gezicht van mijnheer

Harthouse veel langer en zijne verbijstering veel grooter. "Nu begrijp

ik volstrekt niet waar het heen moet," dacht hij.

"Zij is gisteravond in groote ontsteltenis daar gekomen en heeft den

geheelen nacht in flauwte gelegen. Ik woon bij haar vader en ben bij

haar gebleven. Gij kunt zeker zijn, mijnheer, dat gij haar nooit zult

wederzien zoolang gij leeft."

Harthouse haalde diep adem; en indien iemand zich ooit in de positie

bevond van niet te weten wat hij zeggen moest, maakte hij buiten kijf

thans de ontdekking, dat hij in zulke omstandigheden verkeerde. De

kinderlijke openhartigheid, waarmede het meisje sprak, hare bescheidene

onbeschroomdheid, hare oprechtheid, die alle omwegen vermeed, hare

volkomene zelfvergetelheid, die haar met ernstige kalmte rechtstreeks

deed afgaan op het doel waartoe zij gekomen was, dit alles met haar

ernstig vertrouwen op zijne losweg gegevene belofte--waarmede zij

hem alleen reeds beschaamde--was iets, waarvan hij nog in het geheel

geene ondervinding had gehad, en waartegen hij begreep dat al zijne

gewone wapenen zoo machteloos zouden zijn, dat hij geen woord kon

bedenken om zich te helpen.

Eindelijk zeide hij:

"Zulk een onverwacht bericht, met zooveel zekerheid en door zulke

lippen gegeven, is inderdaad zeer verrassend. Mag ik vragen of de

dame, van wie wij spreken, u belast heeft om mij dat bericht in die

hopelooze bewoordingen over te brengen?"

"Zij heeft mij niets belast."

De drenkeling grijpt zich aan een stroohalm.

"Zonder uw oordeel te willen wantrouwen of uwe oprechtheid te

verdenken, vertrouw ik te mogen zeggen, dat ik meen nog te mogen

hopen, dat de bewuste dame mij niet voor altijd uit hare oogen zal

willen verbannen."

"Er is geene de minste hoop. Het eerste doel van mijne komst, mijnheer,

is u te verzekeren dat gij gelooven moet, dat er even weinig hoop

voor u bestaat om haar ooit weder te spreken, als er bestaan zou

indien zij terstond gestorven was, toen zij gisteravond thuis kwam."

"Gelooven moet? Maar als ik niet kan--of als ik ongelukkig wat

stijfhoofdig van karakter ben en niet wil?"

"Het is toch waar. Er is geene hoop."

James Harthouse zag haar aan met een ongeloovigen glimlach op de

lippen; maar de oogen van haar geest zagen verder en hooger, dan

naar den man die voor haar stond, en die glimlach werd dus nutteloos

verspild.

Hij beet op zijne lippen en nam een poosje tijd om zich te bedenken.

Slechte Tijden · 第 20 / 27 段