"Dit is een streek om hem uit den weg te houden," zeide mevrouw

Sparsit, van het doffe kantoorvenstertje opstaande, waarvoor zij het

laatst had wacht gehouden.

Deze gedachte was eene ingeving, en zij snelde heen om die ingeving

te volgen. Het station van den spoorweg, die naar het buiten voerde,

was aan het andere eind der stad; de tijd was kort, de weg niet

gemakkelijk; maar zij was zoo vlug om eene nog ledige koets in

beslag te nemen, er weder uit te springen, haar geld te passen,

haar plaatsbriefje te grijpen en een rijtuig van den trein binnen

te stommelen, dat zij over de bogen door het land van gewezene en

tegenwoordige kolenmijnen vloog, alsof zij door eene wolk opgenomen

en weggevoerd was.

Zoolang de reis duurde, ontwaarde zij onbeweeglijk in de lucht, maar

toch nooit verflauwende, ja, even duidelijk voor de scherpe oogen

van haar geest als de electrieke draden, welke de avondlucht als

een kolossale strook muziekpapier linieerden, voor de oogen van haar

lichaam zichtbaar waren, hare trap en de afdalende gedaante--thans

zeer dicht bij den voet, op den rand van den afgrond.

Een betrokken September-avond zag, juist bij het vallen van den nacht,

onder zijne half gelokene oogleden, mevrouw Sparsit uit haar rijtuig

stappen; de houten trap van het kleine station af- en den puinweg

opgaan, een laantje inslaan en tusschen de takken en bladeren van

het zomerloof verdwijnen. Een of twee nog laat wakkere vogeltjes,

die slaperig in hun nestje zaten te tjilpen, eene vleermuis, die

met logge vlucht om haar heen fladderde, en het schoffelen van haar

eigen tred in het dikke stof, dat op het gevoel naar fluweel geleek,

waren al wat mevrouw Sparsit hoorde of zag, totdat zij zeer zacht

een hek achter zich sloot.

Zij sloeg den weg naar het huis in, tusschen het heesterplantsoen

blijvende en ging er omheen, om door de vensters der benedenverdieping

binnen te kijken. De meesten daarvan stonden open, gelijk met zulk warm

weder doorgaans het geval was, maar er was nog geen licht en alles

was stil. Zij doorzocht den tuin met geen beter gevolg. Toen dacht

zij aan het bosch, en sloop daarheen zonder zich aan het lange gras

en struiken, of aan de wormen, slakken en allerlei andere kruipende

dingen te storen. Met hare donkere oogen en haar haakneus voorzichtig

vooruit, drong zij behoedzaam door de dichte struweelen, zoo geheel

vervuld van haar doel, dat zij waarschijnlijk eveneens zou gedaan

hebben al ware het bosch vol adders geweest.

Luister!

De vogeltjes hadden wel uit hunne nestjes kunnen tuimelen, betooverd

door het glinsteren van mevrouw Sparsit's oogen in de duisternis,

toen zij bleef stilstaan om te luisteren.

Zachte stemmen dichtbij. Zijne stem en de hare. De afspraak om hem

op te wachten was dus inderdaad eene list om den broeder weg te

houden! Daar ginds waren zij, bij dien gevelden boom!

Laag bukkende tusschen het bedauwde gras, kroop mevrouw Sparsit

dichter naar hen toe. Zij richtte zich op en bleef achter een boom

staan, gelijk Robinson Crusoë in zijne hinderlaag tegen de wilden;

zoo dichtbij, dat zij met een sprong, en dat geen grooten, beiden had

kunnen aanraken. Hij was daar heimelijk gekomen en had zich niet aan

huis vertoond. Hij was te paard gekomen, en moest door de naburige

velden zijn gereden, want zijn paard was op weinige schreden afstands

buiten aan het staketsel gebonden.

"Mijn liefste lief," zeide hij, "wat kon ik doen? Toen ik wist dat

gij alleen waart, was het toen mogelijk dat ik kon wegblijven?"

"Ja, gij moogt uw hoofd wel laten hangen om u meer aantrekkelijk

te maken; ik weet niet wat zij aan u zien als gij het ophoudt,"

dacht mevrouw Sparsit, "maar gij denkt weinig, mijn liefste lief,

wie u in het oog houdt!"

Dat zij haar hoofd liet hangen, was zeker. Zij drong hem om heen te

gaan; zij beval hem heen te gaan; maar zij keerde haar gezicht niet

naar hem toe, hief het zelfs niet op. En toch was het opmerkelijk,

dat zij zoo stil zat als de goede vrouw in de hinderlaag haar ooit

had zien zitten. Hare handen lagen in elkander, gelijk de handen van

een steenen beeld; en zelfs hare manier van spreken was niet haastig.

"Kindlief," zeide Harthouse (mevrouw Sparsit zag met verrukking,

dat hij zijn arm om haar heen sloeg), "wilt ge dan mijn gezelschap

niet een kort poosje dulden?"

"Hier niet."

"Waar dan, Louisa?"

"Hier niet."

"Maar wij hebben zoo weinig tijd om ons ten nutte te maken, en

ik ben zoo ver gekomen, en ben zoo onrustig en verlangend. Nooit

werd een slaaf, zoo getrouw en onderdanig, zoo door zijne meesteres

mishandeld. Uwe vroolijke welkomst te verwachten, die mij levenswarmte

heeft gegeven, en zulk eene ijskoude ontvangst te vinden, is

hartverscheurend."

"Moet ik nog eens zeggen, dat ik hier alleen gelaten moet worden?"

"Maar wij moeten elkander wederzien, dierbare Louisa. Waar zullen

wij elkander spreken?"

Beiden schrikten. De luisteraarster schrikte insgelijks, want

zij dacht, dat er nog iemand anders tusschen de boomen stond te

luisteren. Het was slechts de regen, die met zware droppels begon

te vallen.

"Zal ik zoo straks naar het huis rijden, in de eenvoudige meening,

dat de meester thuis en verheugd zal zijn mij te zien?"

"Neen."

"Uwe wreede bevelen moeten onvoorwaardelijk gehoorzaamd worden; hoewel

ik, naar mij dunkt, de ongelukkigste man van de wereld ben, dat ik voor

alle andere vrouwen ongevoelig ben gebleven, en eindelijk neergevallen

ben voor en onder den voet van de schoonste, de innemendste en de

heerschzuchtigste van allen. Dierbare Louisa, ik kan niet heengaan,

of u laten gaan, terwijl gij uwe macht zoo onbarmhartig misbruikt."

Mevrouw Sparsit zag hoe hij haar met den arm, die haar omringde,

vasthield, en hoorde hoe hij voor hare (mevrouw Sparsit's) gretig

luisterende ooren verklaarde dat hij haar beminde, en dat zij de

prijs was, waarvoor hij vurig verlangde al wat hij op de wereld bezat

en het leven hem aanbood te verspelen. Het doel, waarnaar hij in den

jongsten tijd had gestreefd, verloor, bij haar vergeleken, alle waarde;

de zegepraal, die bijna in zijn bereik was, wierp hij om harentwil

als eene ellendige beuzeling weg. Evenwel, dat doel te vervolgen,

als het hem in hare nabijheid hield, of er van af te zien als het

hem van haar verwijderde, of de vlucht, wanneer zij daarin deelde,

of geheimhouding, wanneer zij hem die gebood, of welk lot het ook

wezen mocht, alles was hem onverschillig, als zij hem maar trouw

bleef--den man, die gezien had hoe eenzaam zij was en hoe weinig

gewaardeerd, wien zij bij hunne eerste ontmoeting eene bewondering

en belangstelling inboezemde, waartoe hij zich zelven buiten staat

had geacht, wien zij in haar vertrouwen had genomen, die geheel aan

haar was toegewijd en haar aanbad. Dit alles en meer, haastig en zacht

gesproken, hoorde mevrouw Sparsit aan in de bedwelming harer bevredigde

boosheid, onder den indruk der vrees van ontdekt te worden, en onder

het toenemende gedruisch van den regen tusschen het gebladerte en van

eene naderende onweersbui; en zoo verward en onduidelijk moest alles

daardoor voor haar worden, dat zij, toen hij eindelijk het staketsel

overklom en zijn paard aan de hand heenleidde, niet zeker wist waar

zij elkander zouden opwachten of wanneer, behalve dat hij gezegd had

dat het dien nacht zou zijn.

Doch een van hen bleef nog binnen haar bereik in de duisternis,

en zoolang zij deze in het oog hield, moest zij op den rechten weg

zijn. "O mijn liefste lief," dacht mevrouw Sparsit, "weinig denkt

gij hoe goed er op u gepast wordt."

Mevrouw Sparsit volgde haar het bosch uit en zag haar het huis

binnengaan. Wat verder te doen? Het stortregende nu. Mevrouw Sparsit's

witte kousen hadden allerlei kleuren aangenomen, waaronder het groen

den boventoon had; er waren stekelige dingen in hare schoenen geraakt;

rupsen hingen in hangmatten van eigen maaksel aan verschillende deelen

harer kleeding te wiegelen; beekjes liepen langs haar hoed en haar

Romeinschen neus af. In zulk een toestand stond mevrouw Sparsit in het

dichtst van het heesterplantsoen verborgen en overwoog wat nu te doen.

Zie, daar komt Louisa het huis uit. Haastig, in een mantel gewikkeld,

sluipt zij heen. Zij neemt met haar minnaar de vlucht! Zij valt van

de laagste trede en wordt door den afgrond verzwolgen!

Onverschillig voor den regen en met snelle en vaste schreden

voorstappende, sloeg zij een zijpad in, dat evenwijdig met de oprijlaan

liep. Mevrouw Sparsit volgde haar tusschen het geboomte op zeer korten

afstand; want het was niet gemakkelijk eene gedaante, die zich snel

door de beschaduwde duisternis bewoog, in het oog te houden.

Toen zij bleef stilstaan om het zijhekje zonder gerucht te sluiten,

stond mevrouw Sparsit ook stil. Toen zij weder voortstapte, stapte

mevrouw Sparsit insgelijks voort. Louisa volgde den weg, dien mevrouw

Sparsit gekomen was, ging het groene laantje door, den puinweg over

en de houten trap van het station op. Een trein naar Coketown zou

spoedig voorbijkomen, dit wist mevrouw Sparsit, en zij begreep dus,

dat Coketown hare eerste plaats van bestemming was.

Druipnat en gehavend als zij was, behoefde mevrouw Sparsit geene

uitgebreide voorzorgen aan te wenden om haar gewoon voorkomen te

veranderen; maar zij bleef toch bij den muur van het station in

de schaduw staan, trok haar doek op eene vreemde manier over hare

schouders en sloeg hem over haar hoed. Zoo vermomd, was zij niet

bevreesd herkend te zullen worden, toen zij insgelijks de houten trap

opging en in het kantoortje haar geld betaalde. Louisa bleef in een

hoek zitten wachten, mevrouw Sparsit in een anderen hoek. Beiden

luisterden naar de zware donderslagen en naar den regen, die over

het dak stroomde en kletterend over de goten stortte. Twee of drie

lantarens waren uitgeregend en uitgewaaid, en zoo konden beiden

den bliksem, die over de ijzeren sporen heen en weder speelde, zeer

voordeelig zien uitkomen.

Het trillen van het station, langzamerhand in een dreunend schokken

overgaande, kondigde de nadering van den trein aan. Vuur, stoom, rook

en rood licht; een gesis, een gekraak, een klokgelui en een gillend

fluiten; Louisa stapte in een rijtuig, mevrouw Sparsit in een ander,

en het kleine station was weder eene eenzame plek in den donderstorm.

Hoewel de vochtige koude haar deed klappertanden, verheugde mevrouw

Sparsit zich bovenmate. De gedaante was van de steilte afgestort,

en zij hield als het ware de wacht bij het lijk. Kon zij, die zoo

werkzaam was geweest om een statelijke begrafenis aan te leggen, minder

doen dan inwendig juichen? "Zij zal lang vóór hem te Coketown zijn,"

dacht mevrouw Sparsit, "al heeft hij nog zulk een goed paard. Waar

zal zij hem wachten? Geduld. Wij zullen zien."

De geweldige regen veroorzaakte eene geduchte verwarring, toen de

trein op de plaats zijner bestemming stilhield. Goten en waterpijpen

waren gebarsten, riolen waren overgeloopen en straten stonden onder

water. Terwijl zij afstapte, richtte mevrouw Sparsit hare verbijsterde

oogen naar de wachtende koetsen, waarvan men zich om strijd meester

wilde maken. "Zij zal in een daarvan stappen," dacht zij, "en voort

zijn eer ik haar met eene andere kan narijden. Al zou ik overreden

worden, ik moet het nommer zien en hooren wat zij tegen den koetsier

zegt."

Doch mevrouw Sparsit maakte eene verkeerde berekening. Louisa

stapte niet in eene koets en was reeds weg. De zwarte oogen, die het

spoorrijtuig, waarmede zij gekomen was, bewaakten, hadden zich een

oogenblik te laat daarop gevestigd. Daar het portier na verloop van

verscheidene minuten niet geopend werd, ging mevrouw Sparsit het een

paar malen voorbij, zag niets, keek binnen en vond het ledig. Door

en door nat, terwijl het water met elken stap, dien zij deed, uit

hare doorweekte schoenen spoot, en de regen nog steeds hare classieke

trekken bleef bekletteren; met een hoed, die naar eene onrijpe vijg

geleek; met al hare kleederen bedorven; met vochtige indrukselen van

elken knoop, ieder bandje, elk haakje en oogje op haar aanzienlijk

geparenteerden rug; met een schimmelig groen, gelijk zich op een

oud staketsel langs een vochtig laantje aanzet, over geheel haar

uitwendigen mensch--had mevrouw Sparsit geene andere toevlucht meer dan

in bittere tranen uit te barsten en te jammeren: "Ik ben haar kwijt!"

XXVIII.

ONDERAAN.

De nationale aschlieden waren, na zich met een groot aantal

luidruchtige maar weinig beduidende vechtpartijtjes onder elkander

te hebben vermaakt, voorloopig uiteengegaan, en mijnheer Gradgrind

was voor de vacantie naar huis gekomen.

Hij zat in de kamer met de statistieke klok te schrijven, zonder

twijfel om het een of ander te bewijzen--waarschijnlijk dat de

barmhartige Samaritaan een slecht staathuishoudkundige was. Het gerucht

van den regen stoorde hem niet veel; maar het trok toch genoeg zijne

aandacht om hem tusschenbeide zijn hoofd te doen opheffen, alsof hij

de elementen eenigszins wilde berispen. Bij een zeer zwaren donderslag

keek hij eens naar Coketown, dewijl het hem in de gedachten kwam,

dat wel eens een van de hooge schoorsteenen door den bliksem kon

worden getroffen.

De donder rolde nog in de verte, en de regen stortte als een zondvloed

neer, toen de deur zijner kamer geopend werd. Hij keek om de lamp heen,

die op de tafel stond, en zag met verbazing zijne oudste dochter.

"Louisa!"

"Vader, ik moet u spreken."

"Wat is er gebeurd? Hoe vreemd ziet gij er uit! En goede Hemel,"

zeide mijnheer Gradgrind, zich al meer en meer verwonderende, "zijt

ge door dat noodweer te voet hier naar toe gekomen?"

Zij sloeg hare handen aan hare kleeren, alsof zij het bijna zelve

niet wist, en antwoordde: "Ja!" Daarna ontdekte zij haar hoofd, liet

mantel en kap maar vallen waar zij wilden, en bleef hem staan aanzien,

zoo kleurloos, met zoo verward hangende haren, zoo trotsch en wanhopig,

dat hij bang voor haar werd.

"Wat is het? Ik bezweer u, Louisa, zeg mij wat is er gebeurd?"

Zij liet zich op een stoel vallen, die bij hem stond, en legde hare

koude hand op zijn arm.

"Vader, gij hebt mij van mijne wieg af opgebracht en onderwezen."

"Ja, Louisa."

"Ik vloek het uur, waarin ik tot zulk eene bestemming geboren werd."

Hij zag haar vol angst en twijfel aan en herhaalde verbijsterd:

"Vloek het uur? Vloek het uur?"

"Hoe waart gij in staat mij het leven te geven, en mij te berooven

van al die onschatbare gaven, die het leven boven een toestand van

zelfbewusten dood verheffen? Waar is al het edele mijner ziel? Waar

is het gevoel van mijn hart? Wat hebt gij gedaan, vader, wat hebt

gij gedaan met den tuin, die eens in deze groote woestijn hier had

moeten bloeien?"

Zij sloeg zich zelve met beide handen op de borst.

"Als die hier maar eens bestaan had, zou zelfs zijne asch alleen mij

bewaren voor de ledigheid, waarin geheel mijn leven verzinkt. Ik had

dit niet willen zeggen, vader; maar gij herinnert u wel de laatste

maal toen wij in deze kamer met elkander spraken?"

Hij was zoo geheel onvoorbereid op hetgeen hij nu hoorde, dat hij

slechts met moeite kon antwoorden: "Ja, Louisa."

"Wat mij nu op de lippen is gekomen, zou mij toen op de lippen gekomen

zijn, als gij mij maar even hadt geholpen. Ik doe u geen verwijt,

vader. Wat gij nooit bij mij hebt aangekweekt, hebt gij nooit bij u

zelven aangekweekt; maar o, als gij dit lang geleden hadt gedaan,

of als ge mij maar hadt verwaarloosd, hoeveel beter en gelukkiger

zou ik dan nu zijn geweest!"

Toen hij dit hoorde, na al zijne zorg, liet hij zijn hoofd op zijne

hand zinken en slaakte een kermenden zucht.

"Vader, als gij, toen wij hier de laatste maal bij elkander waren,

datgene geweten hadt, wat zelfs ik vreesde terwijl ik er tegen

worstelde--gelijk ik van mijne kindsheid af heb moeten worstelen

tegen elke natuurlijke neiging, die in mijn hart opkwam; als gij

geweten hadt, dat er nog aandoeningen en verlangens in mijne borst

woonden, zwakheden, die tot kracht konden worden opgekweekt, die alle

berekeningen moesten tarten, welke de mensch ooit gemaakt heeft, en

waarvan zijne rekenkunst even weinig weet als zij van zijn Schepper

weet--zoudt ge mij dan aan den man hebben gegeven, dien ik nu zeker

weet dat ik haat?"

"Neen, neen, mijn ongelukkig kind," antwoordde hij.

"Zoudt ge mij dan ooit gedoemd hebben tot de ijskoude en de verveling,

die mij verhard en bedorven hebben? Zoudt ge mij beroofd hebben--om

er niemand mede te verrijken--alleen om deze wereld des te armer te

maken--van het onstoffelijke deel van mijn leven, de lente en den

zomer van mijn geloof, mijne toevlucht voor al wat laag en slecht

was in de werkelijkheid die mij omringde, mijne school waarin ik zou

geleerd hebben nederiger te zijn en anderen meer te vertrouwen, en in

mijn kleinen kring de hoop te koesteren, dat ik hen beter kon maken?"

"O neen, neen, Louisa."

"En toch, vader, indien ik stekeblind ware geweest; indien ik op

den tast naar mijn weg had moeten zoeken, en mij maar vrijheid was

gelaten; wanneer ik de oppervlakkige gedaante der dingen kende, om

mijne verbeelding eenigszins met hen bezig te houden, zou ik millioenen

malen wijzer, gelukkiger, liefderijker, tevredener, onschuldiger en

in een goeden zin menschelijker zijn geweest, dan ik nu ben met de

oogen die ik heb. Hoor nu wat ik ben komen zeggen."

Hij maakte eene beweging om haar met zijn arm te ondersteunen. Zij

rees op toen hij dit deed, en zoo bleven zij dicht bij elkander staan,

zij met hare hand op zijn schouder en hem strak in de oogen ziende.

"Door een honger en dorst gekweld, vader, die nooit voor een

oogenblik bevredigd zijn; door een vurig verlangen gejaagd naar een

of ander gewest, waar regels, cijfers en definitiën geene volstrekte

heerschappij voerden, ben ik opgegroeid onder gedurigen zelfstrijd

en onrust."

"Ik heb nooit geweten dat gij ontevreden waart, kind."

"Ik heb altijd geweten dat ik ongelukkig was, vader. In dien zelfstrijd

heb ik mijn goeden engel bijna van mij verdreven en in een boozen

geest doen veranderen. Wat ik geleerd heb, heeft mij met ongeloovige

minachting, en toch met spijt over mijn geest, doen twijfelen aan wat

ik niet geleerd heb; en mijn ellendig redmiddel is geweest te denken,

dat het leven spoedig voorbij zou zijn, en dat niets daarin de smart

en de moeite van een strijd waardig kon wezen."

"En dat zoo jong, Louisa!" zeide hij met medelijden.

"Ja, zoo jong als ik was. In dien toestand was ik, vader--want ik

toon u nu, zonder vrees of verschooning, den gewonen toestand van

mijn gemoed: een levende dood--toen ge mij het voorstel van dat

huwelijk deedt. Ik trouwde dien man, maar ik veinsde nooit voor u of

voor hem, dat ik hem liefhad. Ik wist, en gij wist, vader, en ook

hij wist, dat ik het niet deed. Ik was niet geheel onverschillig,

want ik hoopte, dat ik Tom nuttig zou kunnen zijn en hem het leven

aangenaam zou maken. Ik deed zulk eene ijdele poging om mijn hart

en mijne verbeelding met iets te vervullen, en ik heb langzamerhand

bevonden hoe ijdel dit was. Maar Tom was het eenige voorwerp geweest

van zooveel liefde en teederheid als ik had; en misschien werd hij dat

omdat ik maar al te wel wist, hoeveel medelijden hij verdiende. Dit

is nu van weinig belang, behalve dat het u misschien kan overhalen

om zachter over zijne misstappen te denken."

Terwijl haar vader haar in zijn arm hield, legde zij hare hand op zijn

anderen schouder, en zoo, hem steeds strak aanziende, ging zij voort:

"Toen ik onherroepelijk getrouwd was, kwam de oude zelfstrijd weder

bij mij op en dreef mij tot weerspannigheid tegen dien band, nog

drukkender gemaakt door al die oorzaken van oneenigheid, die uit

onze twee verschillende karakters ontstaan, en die geene algemeene

regelen ooit zullen bepalen of beheerschen, vader, voordat zij een

ontleedkundige kunnen leeren om met zijn mes de geheimen mijner ziel

te treffen."

"Louisa!" zeide hij, en zijn toon was smeekend, want maar al te

wel herinnerde hij zich wat er bij hun vorig gesprek tusschen hen

was omgegaan.

"Ik doe u geen verwijt, vader, en ik klaag niet. Ik ben met een ander

doel hier gekomen."

"Wat kan ik doen, kind? Vraag mij wat gij maar wilt."

"Daar zal ik terstond toe komen. Vader, het toeval plaatste toen een

nieuwe bekende in mijn weg; een man, gelijk ik nog nooit had gezien;

een man van de wereld, luchtig, gepolijst en ongedwongen, die niet

wilde veinzen, die openlijk bekende dat hij alle dingen zoo gering

schatte, als ik dat nauwelijks heimelijk durfde doen; die mij bijna

oogenblikkelijk, hoewel ik niet weet hoe of waardoor, te kennen gaf,

dat hij mij begreep en mijne gedachten las. Ik kon niet vinden, dat

hij erger was dan ik. Er scheen eene nauwe verwantschap tusschen

ons te bestaan. Het verwonderde mij alleen, dat het hem, die zich

anders om niets bekommerde, de moeite waardig was zich zooveel om

mij te bekommeren."

"Om u, Louisa!"

Misschien zou haar vader haar onwillekeurig hebben losgelaten, indien

hij niet gevoeld had, dat hare krachten haar begaven, en een woest

vuur had gezien in de wijd geopende oogen, die hem aanstaarden.

"Ik zeg niets van de reden waarom hij op mijn vertrouwen aanspraak

maakte. Het is van weinig belang hoe hij het won. Hij won het,

vader. Wat gij van de geschiedenis van mijn huwelijk weet, wist hij

spoedig evengoed."

Haar vaders gezicht was vaalbleek geworden, en hij hield haar met

beide armen vast.

"Ik heb niets ergers gedaan; ik heb u niet onteerd. Maar als gij

mij vraagt of ik hem heb liefgehad, of ik hem nog liefheb, zeg ik u

ronduit, vader, dat het wel zoo kan zijn. Ik weet het niet."

Zij nam hare handen eensklaps van zijne schouders en drukte ze beide

tegen hare zijde; terwijl in hare trekken (zij geleek zich zelve niet

meer), in hare houding, terwijl zij zich oprichtte, met het besluit

om met eene laatste poging nog alles te zeggen wat zij te zeggen had,

hare lang gesmoorde aandoeningen losbarstten.

"Dezen avond, terwijl mijn echtgenoot afwezig was, is hij bij mij

geweest en heeft zich als mijn minnaar verklaard. Op dit oogenblik

verwacht hij mij bij zich, want ik kon mij op geene andere wijs van

zijn bijzijn ontslaan. Ik weet niet of het mij berouwt, ik weet niet

of ik mij schaam, ik weet niet of ik in mijne eigene achting gedaald

ben. Al wat ik weet is, dat uwe geleerdheid en uwe lessen mij niet

zullen redden. Gij, vader, hebt mij hiertoe gebracht. Red mij nu door

andere middelen."

Hij klemde haar nog tijdig vast om te verhinderen, dat zij op den

grond neerzonk; maar zij riep met eene schrikkelijke stem: "Ik zal

sterven als ge mij zoo vasthoudt. Laat mij op den grond vallen!" En

hij liet haar zinken, en zag den trots van zijn hart en den triomf van

zijn stelsel als een bewusteloozen hoop stof voor zijne voeten liggen.

DERDE BOEK. INZAMELEN.

XXIX.

NOG IETS NOODIGS.

Toen Louisa uit hare bezwijming ontwaakte en kwijnend hare oogen

opsloeg, lag zij thuis in haar eigen bed, in hare oude gewone

kamer. Het was haar in 't eerst, alsof al wat er gebeurd was, sedert

den tijd toen die dingen haar gemeenzaam waren, slechts een verwarde

droom was geweest; maar langzamerhand, naarmate de werkelijkheid

dier voorwerpen duidelijker werd, kwam ook het werkelijk gebeurde

haar duidelijker voor den geest.

Haar hoofd was zoo zwaar en pijnlijk, dat zij het nauwelijks kon

oplichten; hare oogen gloeiden, en zij gevoelde zich zeer zwak. Zekere

zonderlinge lijdzame achteloosheid had zich zoozeer van haar meester

gemaakt, dat de tegenwoordigheid harer jeugdige zuster in het vertrek

een tijdlang hare aandacht niet eens trok. Zelfs toen hare blikken

elkander ontmoet hadden, en het meisje bij het bed kwam, lag Louisa

haar nog een poos stilzwijgend aan te zien, en liet haar schroomvallig

hare machtelooze hand vasthouden, eer zij vroeg:

"Wanneer ben ik hier in de kamer gebracht?"

"Gisteravond, Louisa."

"Wie heeft dat gedaan?"

"Sissy, geloof ik."

"Waarom gelooft gij dat?"

"Omdat ik haar van morgen hier heb gevonden. Zij kwam niet bij mij aan

bed om mij wakker te maken, gelijk zij altijd doet, en ik ging daarom

naar haar zien. Zij was ook niet in hare eigene kamer, en ik ging het

geheele huis door naar haar zoeken, tot ik haar hier vond, bezig met

u op te passen en uw hoofd koel te houden. Wilt gij vader zien? Sissy

heeft mij gezegd, dat ik hem roepen moest als ge wakker werdt."

"Welk een lief vriendelijk gezichtje hebt gij toch, Jane!" zeide

Louisa, toen hare zuster nog schroomvallig, zich over haar heen boog

om haar een kus te geven.

Slechte Tijden · 第 19 / 27 段