hare oudste dochter daar was. Zij lag, door kussens overeind gehouden,
omdat zij dit zoo gewoon was, op eene sofa, zoo nabij mogelijk in hare
gewone houding als men een zoo geheel hulpeloos wezen kon houden. Zij
had volstrekt niet naar bed gebracht willen worden, omdat zij, als
zij dit liet doen, nooit het eind ervan zou hooren.
Hare zwakke stem klonk onder haar hoop omslagdoeken zoo uit de verte,
en de klank eener andere stem, die haar aansprak, scheen zooveel
tijd noodig te hebben om door die doeken tot hare ooren te komen,
dat zij evengoed op den bodem van een put had kunnen liggen. De arme
vrouw was inderdaad dichter bij de waarheid op den bodem van haar put,
dan zij nog ooit geweest was, en dit had veel met de zaak te maken.
Toen men haar zeide, dat mevrouw Bounderby daar was, verstond zij dit
maar half en antwoordde verkeerd, dat zij hem nooit bij dien naam had
genoemd zoolang hij met Louisa getrouwd was; dat zij, terwijl zij zich
bedacht op een naam, waartegen niet het een of ander was in te brengen,
hem maar J. had genoemd, en dat zij, daar zij nog niets beters had
gevonden, niet van dien regel kon afgaan. Louisa had reeds eene poos
bij haar gezeten en verscheidene malen tegen haar gesproken, eer zij
duidelijk begreep wie er was. Toen scheen zij er in eens op te komen.
"Wel, melieve," zeide mevrouw Gradgrind, "ik hoop dat het u wel naar
uw zin gaat. Het was alles uw vaders bedrijf. Hij had er zijn hart
op gesteld. En hij moest het weten."
"Ik wilde van u hooren, moeder, niet van mij zelve."
"Gij wilt van mij hooren, melieve? Dat is waarlijk wel iets nieuws,
dat iemand van mij hooren wil. Lang niet wel, Louisa. Heel flauw
en duizelig."
"Hebt gij ergens pijn, lieve moeder?"
"Ik geloof wel dat er pijn ergens in de kamer is," antwoordde mevrouw
Gradgrind, "maar ik zou niet stellig kunnen zeggen dat ik ze heb."
Na dit zonderlinge gezegde bleef zij eenigen tijd stil liggen. Louisa,
die hare hand vasthield, kon geen pols voelen; maar toen zij er een
kus op drukte, zag zij een dun draadje levens in trillende beweging.
"Gij ziet uwe zuster zeer zelden," zeide mevrouw Gradgrind. "Zij
begint veel naar u te gelijken. Gij moest haar eens aanzien. Sissy,
breng haar hier."
Het kind werd gehaald, gaf hare zuster de hand en bleef zoo
staan. Louisa had haar met haar arm om Sissy's hals gezien en gevoelde
het verschil dezer toenadering.
"Ziet gij de gelijkenis, Louisa?"
"Ja, moeder. Ik vind wel dat zij naar mij gelijkt, maar..."
"He? Ja, dat zeg ik ook altijd," riep mevrouw Gradgrind met
onverwachte vlugheid uit. "En dat doet mij bedenken--ik moet u spreken,
melieve. Sissy, goed meisje, laat ons een oogenblik alleen."
Louisa had hare hand losgelaten, had gedacht, dat het gezichtje harer
zuster schooner en helderder was dan het hare ooit geweest was; had
daarna, niet zonder eene opwelling van wrevel, zelfs daar en op dat
oogenblik, iets gezien van de zachtheid die het andere gezichtje in de
kamer eigen was--het lieve gezichtje met de oprechte, vertrouwelijke
oogen, dat door het glanzige donkere haar nog bleeker scheen, dan
het door droevig medelijden en nachtwaken was geworden.
Met hare moeder alleen gebleven, zag Louisa eene akelige kalmte op haar
gelaat, gelijk die van een drenkeling wezen zou, die, zonder eenigen
tegenstand meer te bieden, zich met den stroom liet wegdrijven. Zij
bracht de uitgeteerde hand, slechts de schim eener hand, weder aan
hare lippen, en poogde haar zoo tot bezinning te brengen.
"Gij hadt mij willen spreken, moeder?"
"He? O ja zeker, melieve. Gij weet wel, uw vader is tegenwoordig
haast altijd weg, en ik moet er hem dus over schrijven."
"Waarover, moeder? Ontrust u maar niet. Waarover?"
"Gij moet nog wel weten, kind, dat ik, als ik ooit iets over iets
zeide, er nooit het eind van hoorde, en dat ik dus al sedert lang
nooit meer iets over iets gezegd heb."
"Ik hoor u wel, moeder." Maar het was alleen door laag te bukken en
tegelijk oplettend naar de lippen der kranke te zien, dat zij zulke
flauwe afgebrokene klanken tot eenigen samenhang kon brengen.
"Gij hebt veel geleerd, Louisa, en uw broeder ook. Ologies van allerlei
soort, van den ochtend tot den avond. Als er nog eene ologie over is,
van wat soort ook, die hier in huis niet is afgezaagd, kan ik er niets
meer van zeggen, dan dat ik hoop, dat ik ze nooit zal hooren noemen."
"Ik kan u wel hooren, moeder, als gij kracht hebt om voort te
spreken." Dit diende slechts om haar te verhinderen nog verder af
te dwalen.
"Maar er is toch iets--geen ologie, gansch niet--dat uw vader gemist
of vergeten heeft, Louisa! Ik weet niet wat het is. Ik heb er dikwijls
over gedacht, terwijl Sissy bij mij zat. Ik zal er nu wel niet meer
opkomen. Maar uw vader misschien. Dat maakt mij zoo rusteloos. Ik
wil hem schrijven, dat hij om 's Hemels wil poogt te vinden wat het
is. Geef mij eene pen, geef mij eene pen."
Zelfs het vermogen om rusteloos te zijn was verdwenen, behalve uit
het arme hoofd, dat zich nog even heen en weder kon keeren.
Zij verbeeldde zich echter, dat er aan haar verzoek voldaan was en
zij de pen, die zij niet had kunnen vasthouden, in de hand had. Het
is van weinig belang, welke verwonderlijke figuren zonder beteekenis
zij op haar dek begon te schrijven. Weldra hield hare hand te midden
daarvan stil; het licht, dat altijd zoo flauw en zwak had gebrand,
ging uit; zelfs mevrouw Gradgrind, uit die schaduw gekomen waarin de
mensch wandelt en zich vruchteloos ontrust, verkreeg een voorkomen zoo
statig en ontzagwekkend als dat van een der oude wijzen en patriarchen.
XXVI.
DE GROOTE TRAP.
Daar de zenuwen van mevrouw Sparsit zich slechts zeer langzaam
herstelden, werd het verblijf dezer brave vrouw op het buiten van
mijnheer Bounderby tot verscheidene weken gerekt, en in weerwil van
hare zucht tot een streng en treurig kluizenaars-leven, schikte zij
zich met eene edele grootheid van ziel naar de noodzakelijkheid,
om zich als het ware in eene klaverweide te legeren en zich met het
vette des lands de voeden. In dit geheele tijdperk der schorsing van
hare verantwoordelijkheid als voogdes van het kantoor, bleef mevrouw
Sparsit zich in haar gedrag zoo volkomen gelijk, dat zij in dit
opzicht tot een voorbeeld kon gesteld worden; bij voortduring bewees
zij mijnheer Bounderby in zijn gezicht zulk een medelijden als maar
zelden iemand bewezen wordt, en bleef zij hem voor het geschilderde
gezicht van zijn portret met de bitterste verachting een domkop noemen.
Nu mijnheer Bounderby eens was gewaar geworden, dat mevrouw Sparsit
eene hoog begaafde vrouw moest wezen, om zoo te ontdekken dat hij
niet naar verdienste werd gewaardeerd en in een of ander opzicht
bitter teleurgesteld was (in welk opzicht had hij nog niet met zich
zelven uitgemaakt) en verder dat Louisa zich zeker tegen haar zoo
lang gerekt verblijf zou verklaard hebben, indien zijne grootheid had
geduld, dat zij zich tegen iets verklaarde wat hij verkoos te doen,
besloot hij, zijne vroegere huishoudster niet licht weder geheel uit
het oog te verliezen. Toen zij dus hare zenuwen sterk genoeg voelde
om weder in eenzaamheid bestellen te gaan eten, zeide hij, terwijl
men daags voor haar vertrek aan tafel zat:
"Ik zal u eens wat zeggen, juffrouw. Gij moet, zoolang het mooi weer
blijft, alle zaterdagen hier komen en tot maandag blijven."
En mevrouw Sparsit, hoewel zij niet tot de Mahomedaansche religie
behoorde, antwoordde daarop met een duidelijk gebaar: "Hooren is
gehoorzamen."
Nu had mevrouw Sparsit geene poëtische verbeelding, maar toch kreeg
zij een denkbeeld in het hoofd, dat veel van een allegorisch tafereel
had. Haar gedurig bespionneeren van Louisa en het waarnemen van
de ondoordringbare terughouding dezer jonge dame, moet haar vernuft
gescherpt en haar eene soort van inspiratie hebben gegeven. Zij schiep
in haar geest eene reusachtige trap, met een donkeren afgrond van
schande en ongeluk aan den voet daarvan; en langs die trap zag zij
van dag tot dag en van uur tot uur Louisa al verder en verder naar
beneden dalen.
Het werd nu de hoofdzaak van haar leven naar die trap te staren en
acht te geven hoe Louisa die afdaalde--somtijds langzaam en
somtijds snel, somtijds verscheidene treden op eens, somtijds
stilstaande, maar nooit terugkeerende. Als zij ooit ware omgekeerd,
had mevrouw Sparsit het van spijt en kwaadheid kunnen besterven.
Tot aan dien dag en zelfs op dien dag, toen mijnheer Bounderby de
bovengemelde wekelijksche noodiging uitvaardigde, was Louisa steeds
lager en lager afgedaald; en mevrouw Sparsit was dus zeer opgeruimd
en had lust tot een gezellig praatje.
"Ei, mijnheer," zeide zij, "als ik het wagen mag iets te vragen
aangaande eene zaak waarover gij het stilzwijgen schijnt te bewaren--en
dat zou ik waarlijk haast niet durven, want ik weet wel, dat gij eene
reden hebt voor al wat gij doet--hebt gij ook al nadere inlichtingen
aangaande dien diefstal gekregen?"
"Neen, juffrouw, nog niet. Onder de bestaande omstandigheden had ik
het ook nog niet verwacht. Rome is niet op één dag gebouwd, juffrouw."
"Wel waar, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, haar hoofd
schuddende.
"En niet in ééne week, juffrouw."
"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit op een
droevigen toon.
"Dus kan ik ook wel wachten, weet ge," hervatte Bounderby. "Als Romulus
en Remus konden wachten, kan Josiah Bounderby ook wel wachten. Zij
waren er evenwel in hunne jeugd beter aan toe dan ik. Zij hadden eene
wolvin tot voedster; ik had maar eene wolvin tot grootmoeder. En zij
gaf geene melk; zij gaf stompen en stooten. In dat opzicht stond ze
met de beste koe gelijk."
"Ach!" zuchtte mevrouw Sparsit en huiverde.
"Neen, juffrouw," vervolgde Bounderby, "ik heb er nog niets meer van
gehoord. Maar het blijft onderhanden; en de jonge Tom, die tegenwoordig
tamelijk wel op zijne zaken past--dat is iets nieuws voor hem; hij
is niet zoo gedresseerd als ik--helpt daaraan mee. Ik zeg maar, houd
het stil en laat het schijnen als ware het overgewaaid. Doe wat gij
wilt onder de roos, maar laat niet blijken waar gij het op toelegt,
of honderd van dat volk zullen zich combineeren en dien kerel, die
zich te zoek heeft gemaakt, geheel buiten bereik helpen. Houd het
stil en de dieven zullen langzamerhand brutaal worden, en zoo zullen
wij hen krijgen."
"Zeer schrander overlegd, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit, "en zeer
interessant. De oude vrouw, van wie gij gesproken hebt, mijnheer..."
"De oude vrouw, van wie ik gesproken heb, juffrouw," viel Bounderby
er op in, de zaak kort afbrekende, daar zij geene gelegenheid gaf
om te snoeven, "is nog niet gepakt, maar zij mag er wel op zweren
dat zij het zal worden, als dat zulk eene kwaadaardige heks eenig
pleizier doet. Ondertusschen, juffrouw, ben ik van gevoelen, als gij
naar mijn gevoelen vraagt, dat het best is maar zoo weinig mogelijk
van haar te spreken."
Dienzelfden avond zat mevrouw Sparsit, nadat zij haar goed had gepakt,
voor het venster harer kamer van haar arbeid uit te rusten en zag
Louisa steeds lager en lager afdalen.
Deze zat bij mijnheer Harthouse in een priëeltje in den tuin. Hij
stond, terwijl zij te zamen fluisterden, zoo laag over haar heen
gebukt, dat zijn gezicht bijna hare haren aanraakte. "Zoo het dat niet
werkelijk doet!" zeide mevrouw Sparsit, terwijl zij hare valkenoogen
zooveel mogelijk inspande. Zij zat te ver af om een woord van hun
gesprek te hooren, of zelfs te kunnen weten, dat zij zacht met elkander
spraken, als zij het niet aan de beweging hunner lippen had gezien;
maar wat zij zeiden, was dit:
"Gij herinnert u dien man wel, mijnheer Harthouse?"
"O ja, volkomen."
"Zijn gezicht, zijne manieren en wat hij zeide?"
"Volkomen, en ik vond hem een schrikkelijk vervelend personage. Zoo
langdradig en temerig als maar mogelijk was. Het was heel slim van
hem zoo te declameeren alsof hij de nederige deugd in eigen persoon
was; maar ik verzeker u, ik dacht toen al bij mij zelven: "Goede man,
gij overdrijft uwe rol."
"Het is mij zeer moeielijk geweest van dien man kwaad te denken."
"Lieve Louisa--gelijk Tom zegt," (hij zeide dit nooit) "gij weet toch
geen goed van den man?"
"Neen, dat zeker niet."
"Of van een van die lieden."
"Hoe kan ik," antwoordde zij, met meer van haar vroegeren toon dan
hij in den laatsten tijd bij haar had waargenomen, "als ik geheel
niets van hen weet?"
"Waarde mevrouw Bounderby, wees dan zoo goed om naar de onderdanige
meening van uw getrouwen vriend te luisteren, die wel iets van de
verschillende variëteiten zijner brave medemenschen weet--want braaf
zijn zij, daaraan twijfel ik niet, in spijt van hunne kleine zwakheden,
bijv. die van altijd te nemen wat zij maar kunnen krijgen. Die man
praat. Welnu, iedereen praat. Dat hij zich voor zoo gemoedelijk
uitgeeft, verdient slechts daarom een oogenblik in aanmerking te
worden genomen, omdat het eene zeer verdachte omstandigheid is. Alle
soorten van bedriegers geven zich voor gemoedelijk uit, zij mogen
in het huis der gemeente of het huis van correctie zitten, behalve
onze lieden, en dat is juist de uitzondering, die onze lieden zoo
onderhoudend maakt. Gij hebt de zaak gezien en gehoord. Het was een
gemeen man, buitengewoon kort gehouden door mijn hooggeachten vriend,
mijnheer Bounderby--die, gelijk wij weten, niet in het bezit is van
die kieschheid, welke hem zijn forschen greep eenigszins zou leeren
verzachten. De gemeene man was gekrenkt, verbitterd, gaat brommend
de deur uit, ontmoet iemand, die hem voorstelt om op eene of andere
manier aan het karreweitje in het kantoor deel te nemen, doet mede,
steekt iets in zijn zak, die eerst leeg was, en gevoelt zijn gemoed
buitengemeen verlicht. Hij zou inderdaad een ongemeen, in plaats van
een gemeen man zijn geweest, als hij zulk eene gelegenheid niet had
waargenomen. Of hij mag die ook geheel en al zelf uitgevonden hebben,
als hij daartoe knap genoeg was. Even waarschijnlijk!"
"Het is mij bijna alsof ik er kwaad aan doe," antwoordde Louisa,
nadat zij eene poos had zitten peinzen, "dat ik zoo gereed ben u
toe te stemmen wat gij daar zegt en dat ik mijn hart daardoor zoo
verlicht gevoel."
"Ik zeg maar wat redelijk is en niets meer. Ik heb er meer dan
eens met mijn vriend Tom over gepraat--ik blijf natuurlijk op den
vertrouwelijksten voet met Tom--en hij is volkomen van mijn gevoelen,
en ik van het zijne. Wilt gij eens wandelen?"
Zij dwaalden door de lanen om, die reeds door de schemering verdonkerd
werden. Zij leunde op zijn arm, en weinig dacht zij, hoe zij de trap
van mevrouw Sparsit al verder en verder afdaalde.
Nacht en dag hield mevrouw Sparsit die trap in het oog. Wanneer
Louisa aan den voet gekomen en in den afgrond verdwenen was, mocht
zij instorten en op haar nedervallen, maar tot zoolang moest zij daar
blijven staan, als een onwankelbaar gebouw voor mevrouw Sparsit's
oogen. En altijd zag zij Louisa daarop, telkens al verder en verder
afdalende.
Mevrouw Sparsit zag James Harthouse komen en gaan, zij hoorde van
hem hier en daar; zij zag de veranderingen in het gezichtje, dat hij
bestudeerd had; ook zij merkte met de uiterste nauwkeurigheid op,
wanneer en hoe liet bewolkte, wanneer en hoe het ophelderde; zij hield
hare zwarte oogen wijd open, zonder eenigen zweem van mededoogen,
zonder eenigen zweem van leedwezen, geheel in het belangrijke
schouwspel verdiept, van haar, zonder dat eenige hand haar stuitte, al
nader en nader bij den voet van deze nieuwe Reuzentrap te zien komen.
Met al hare eerbiedige gehechtheid aan mijnheer Bounderby, wel te
onderscheiden van zijn portret, had mevrouw Sparsit niet het geringste
voornemen, om die afdaling te stuiten. Gretig om die volbracht te
zien, en toch geduldig, wachtte zij naar den laatsten val, als naar
de rijpheid en volheid van den oogst harer hoop. Met stille aandacht
hield zij haar bespiedenden blik op de trap gevestigd, en slechts
zelden schudde zij haar dreigend rechtermofje, met hare vuist er in,
tegen de nederdalende gedaante.
XXVII.
AL LAGER EN LAGER.
De gedaante daalde de groote trap af, steeds lager en lager
aangetrokken, naar het scheen, gelijk een zwaar gewicht in diep water,
door den zwarten afgrond beneden.
Mijnheer Gradgrind onderricht van het overlijden zijner vrouw, kwam van
Londen over en begroef haar naar behooren. Daarna keerde hij met allen
spoed naar de nationale aschbelt terug en ging weder aan het ziften,
om de nesterijen, die hij zocht, er uit te halen, en andere lieden, die
andere nesterijen zochten, het stof in de oogen te strooien--kortom,
begaf zich weder aan de vervulling zijner parlementaire plichten.
Ondertusschen hield mevrouw Sparsit onvermoeid de wacht. Hoewel zij de
geheele week door zoo ver van hare trap verwijderd was, als de geheele
lengte van den spoorweg tusschen Coketown en het buitengoed bedroeg,
bleef zij toch door haar man, door haar broeder, door James Harthouse,
door het adres van brieven en pakjes, door alles wat nu en dan naar de
trap ging, eene katachtige waakzaamheid over Louisa uitoefenen. "Uw
voet op de laatste trede, mevrouwtje," zeide mevrouw Sparsit, de
nederdalende gedaante aansprekende en met haar mofje dreigende,
"en al uwe kunsten zullen mij niet verblinden."
Doch het mocht kunst of natuurlijke aanleg zijn--de oorspronkelijke
aard van Louisa's karakter, of de wijziging welke de omstandigheden
daaraan hadden gegeven--hare zonderlinge achterhoudendheid stelde
toch mevrouw Sparsit met al hare schranderheid teleur, terwijl hare
nieuwsgierigheid daardoor nog te meer werd geprikkeld. Er waren
dagen wanneer zelfs James Harthouse niet zeker van haar was. Er waren
dagen, wanneer hij het gezichtje, dat hij zoo lang had bestudeerd,
niet lezen kon, en die eenzame jonge vrouw een geheimzinniger raadsel
voor hem was, dan eenige vrouw uit de groote wereld, door een kring
van satellieten bijgestaan.
Zoo verliep de tijd, tot het gebeurde dat mijnheer Bounderby van
huis werd geroepen door zaken, die voor drie of vier dagen zijne
tegenwoordigheid elders vorderden. Het was op een vrijdag dat hij
dit aan mevrouw Sparsit op het kantoor mededeelde, en erbijvoegde:
"Maar gij gaat morgen toch maar eveneens naar buiten, juffrouw. Gij
gaat maar even alsof ik er ware. Dat zal geen verschil voor u maken."
"O, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "laat ik u mogen verzoeken
om dat niet te zeggen. Uwe afwezigheid zal een groot verschil voor
mij maken, mijnheer, gelijk ik denk dat gij zeer wel weet."
"Wel, juffrouw, dan moet gij het in mijne afwezigheid maar zoo goed
maken als gij kunt," zeide Bounderby lang niet misnoegd.
"Mijnheer Bounderby," hervatte mevrouw Sparsit, "uw wil is mij een
wet; anders zou ik wel genegen zijn mij tegen uw vriendelijk bevel
te verzetten, daar ik mij niet zeker acht, of mijne komst wel zoo
aangenaam voor Miss Gradgrind zal wezen, als zij voor uwe eigene milde
gastvrijheid altijd geweest is. Maar ik zal er niets meer van zeggen,
mijnheer. Op uwe uitnoodiging zal ik gaan."
"Wel, juffrouw," zeide Bounderby, met wijd geopende oogen, "als ik
u bij mij aan huis noodig, zou ik toch denken, dat gij geene andere
uitnoodiging behoeft."
"Neen, waarlijk niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik zou
ook wel denken van neen. Zeg niets meer, mijnheer. Ik wenschte maar,
dat ik u weder vroolijk kon zien."
"Wat meent ge, juffrouw?" viel Bounderby uit.
"Mijnheer," antwoordde zij, "gij placht eene levendigheid van geest
te hebben, die ik nu met leedwezen mis. Gij moest u wat opbeuren,
mijnheer!"
Op dezen raad door een medelijdenden blik aangedrongen, wist mijnheer
Bounderby niets anders te doen dan op eene flauwe, belachelijke manier
zijn hoofd te krabben, en naderhand zijn gevoel van eigenwaarde te
handhaven, door den geheelen ochtend tegen alle ondergeschikten,
die hem in den weg kwamen, uit te bulderen.
"Bitzer," zeide mevrouw Sparsit dien namiddag, toen haar patroon
zijne reis had aanvaard, eer het kantoor gesloten werd, "ga eens mijn
compliment doen aan den jongen heer Thomas, en vraag hem of hij wil
bovenkomen en eene lamskarbonade met een glas oude ale gebruiken?"
De jongeheer Thomas, die doorgaans voor zoo iets te vinden was,
liet een gunstig antwoord terugbrengen en volgde dit zelf op de hielen.
"Mijnheer Thomas," zeide mevrouw Sparsit, "daar ik deze kleinigheid
juist op tafel had, dacht ik dat ge misschien trek zoudt hebben."
"Zeker, dank je wel, mevrouw Sparsit," antwoordde de hondsvot, en
ging met sombere gretigheid aan het eten.
"Hoe vaart mijnheer Harthouse, mijnheer Tom?" vroeg mevrouw Sparsit.
"O, heel wel," antwoordde Tom.
"Waar zou hij tegenwoordig zijn?" vroeg mevrouw Sparsit, op een toon
alsof zij maar een gezellig praatje zocht, nadat zij bij zich zelve den
hondsvot, om zijn gebrek aan spraakzaamheid, aan de Furiën had gewijd.
"Hij is in Yorkshire aan het jagen," antwoordde Tom. "Hij heeft Louisa
gisteren eene mand met wild gezonden zoo groot als eene halve kerk."
"Hij is juist iemand," zeide mevrouw Sparsit zeer vriendelijk, "van
wien men wel zou durven wedden dat hij een knap schutter moest wezen."
"Duivelsch knap," zeide Tom.
Sedert langen tijd was Tom gewoon meestal voor zich op den grond te
kijken, maar sedert kort was deze gewoonte zoozeer toegenomen, dat
hij nooit meer iemand drie seconden lang in het gezicht zag. Mevrouw
Sparsit had dus ruim gelegenheid om zijn uitzicht waar te nemen,
indien zij daartoe genegen was.
"Ik vind mijnheer Harthouse een heel pleizierig man," zeide zij,
"gelijk ook inderdaad de meeste menschen hem vinden. Zouden wij mogen
hopen hem binnenkort hier te zien, Tom?"
"Wel, ik denk hem morgen te zien," antwoordde de hondsvot.
"Goed nieuws!" zeide mevrouw Sparsit zeer zoetsappig.
"Ik heb afspraak met hem gemaakt, om hem tegen den avond hier aan
het station op te wachten," hervatte Tom, "en zal dan met hem gaan
dineeren, geloof ik. Hij zal nog in geene week op het buiten komen,
want hij is ergens anders gevraagd. Hij zegt zoo ten minste, maar
het zou mij niet verwonderen als hij zondag hier overbleef en dan
eens naar buiten ging."
"Dat doet mij ergens aan denken," zeide mevrouw Sparsit. "Zoudt gij
eene boodschap aan uwe zuster kunnen onthouden, mijnheer Tom, als ik
er een meegaf?"
"Wel, ik zal het probeeren," antwoordde de onwillige hondsvot,
"als de boodschap niet te lang is."
"Het is alleen mijn eerbiedig compliment," hervatte mevrouw Sparsit,
"en dat ik vrees dat ik haar deze week niet met mijn gezelschap zal
lastig vallen, daar ik nog wat zenuwachtig ben en misschien beter in
mijne eenzaamheid blijf."
"O, als dat alles is," merkte Tom aan, "zou het er niet veel op
aan komen, al vergat ik het, want als Louisa u niet ziet, zal zij
waarschijnlijk niet eens aan u denken."
Nadat hij zijn onthaal met dit vleiende compliment had betaald,
verzonk hij weder in zijne norsche stilte, tot de gebottelde ale op
was, en toen zeide hij: "Wel, mevrouw Sparsit, nu moet ik voort." En
daarmede vertrok hij.
Den volgenden dag, zaterdag, zat mevrouw Sparsit den geheelen dag
voor haar venster naar de beweging op straat te kijken, inzonderheid
acht gevende op de brievenbestellers en allen die het kantoor uit-
en ingingen, terwijl zij ondertusschen hare gedachten over allerlei
dingen liet gaan, maar hare aandacht vooral op de trap gevestigd
hield. Toen de avond naderde, zette zij haar hoed op, sloeg haar doek
om, en ging stil uit, daar zij hare redenen had om, zich zooveel
mogelijk schuilhoudende, om het station heen te dwalen, waar een
passagier uit Yorkshire zou aankomen, en liever achter een pilaar,
uit een hoekje of uit het venster eener dames-wachtkamer te gluren,
dan zich openlijk daar te laten zien.
Tom was op zijn post en bleef heen en weder kuieren tot de verwachte
trein aankwam. Deze bracht geen mijnheer Harthouse mede. Tom wachtte
tot de menigte zich verstrooid had en het gewoel voorbij was, bekeek
toen de aangeplakte lijst der treinen en raadpleegde de kruiers;
en dit gedaan hebbende, stapte hij dralend heen, bleef nu en dan op
straat staan om heen en weer te kijken, nam zijn hoed af en zette dien
weder op, geeuwde en rekte zich uit, en vertoonde al de verschijnselen
van doodelijke verveling, welke men van iemand verwachten kon, die
nog moest blijven rondslenteren tot de volgende trein over een uur
en veertig minuten zou aankomen.