Hare grootste kracht evenwel, van het begin tot het einde, lag in

de hardnekkigheid van haar medelijden met mijnheer Bounderby. Het

gebeurde dikwijls dat zij, als zij hem aanzag, onwillekeurig haar hoofd

moest schudden, alsof zij wilde zeggen: "Helaas, arme Job." Nadat zij

zich tot zulk een blijk van aandoening had laten verleiden, dwong zij

zich tot eene opflikkering van vroolijkheid, en zeide dan met in het

oog loopende opgeruimdheid: "Gij zijt altijd nog frisch en vroolijk,

mijnheer; ik ben hartelijk blijde dit te zien;" en het scheen dan,

dat zij het voor een soort van wonder hield dat mijnheer Bounderby zoo

gezond en welgemoed bleef. Eén zwak, waarvoor zij dikwijls verschooning

verzocht, vond zij bijzonder moeielijk te verwinnen. Zij had eene

zonderlinge neiging om mevrouw Bounderby Miss Gradgrind te noemen, en

liet zich vijftig- of zestigmaal op een avond daardoor verrassen. De

gedurige herhaling van dat verspreken overstelpte haar met verlegenheid

en schaamte; maar, zeide zij, het was haar zoo gewoon en natuurlijk,

Miss Gradgrind te zeggen, terwijl het haar bijna onmogelijk was zich

te overreden, dat de jongejuffer, die zij het geluk had gehad van

een kind af te kennen, nu waarlijk en werkelijk mevrouw Bounderby kon

wezen. Eene verdere bijzonderheid van dit opmerkelijk geval was, dat

het haar, hoe meer zij er over nadacht, des te onmogelijker voorkwam,

"want het verschil," zeide zij, "was toch zoo verbazend groot."

Na den maaltijd begon mijnheer Bounderby in het salon zelf aan het

proces over den diefstal, verhoorde de getuigen, vond de verdachte

personen schuldig, en veroordeelde hen tot de strengste straf welke

de wet toeliet. Dit gedaan zijnde, werd Bitzer naar de stad gezonden,

om Tom met den laatsten spoortrein naar huis te doen komen.

Toen er licht was binnengebracht, prevelde mevrouw Sparsit: "Wees nu

niet neerslachtig, mijnheer. Ik bid u, laat ik u weer zoo opgeruimd

zien als gij placht te zijn."

Mijnheer Bounderby, bij wien deze troostredenen teweegbrachten dat

hij op eene botte, stommelige manier sentimenteel begon te worden,

slaakte een zucht als een groot zeemonster.

"Ik kan u zoo niet zien, mijnheer," zeide mevrouw Sparsit. "Ga eens

een spelletje triktrak spelen, gelijk gij placht te doen toen ik de

eer had van onder uw dak te wonen."

"Ik heb sedert geen triktrak meer gespeeld, juffrouw," antwoordde

Bounderby.

"Neen, mijnheer, dat weet ik wel," hervatte mevrouw Sparsit

troostend. "Ik herinner mij, dat Miss Gradgrind geene liefhebberij

heeft in dat spel. Maar ik zou het zeer gaarne nog eens willen doen,

als gij zoo goed woudt zijn."

Zij zaten te spelen bij een venster, dat op den tuin uitzag. Het was

een heerlijke avond, wel zonder maneschijn, maar zoel en geurig. Louisa

en mijnheer Harthouse wandelden door den tuin, waar men in stilte

hunne stemmen kon hooren, hoewel niet verstaan wat zij zeiden. Mevrouw

Sparsit, voor het bord gezeten, spande gedurig hare oogen in om door

de duisternis daar buiten heen te boren.

"Wat is er, juffrouw?" zeide Bounderby. "Gij ziet toch geen brand?"

"O Heere neen, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit. "Ik dacht aan

den dauw."

"Wat hebt gij met den dauw te maken, juffrouw?" hervatte Bounderby.

"Het is niet voor mij zelve, mijnheer," was het antwoord, "maar ik

ben bang, dat Miss Gradgrind kou zal vatten."

"Zij vat nooit kou," zeide Bounderby.

"Inderdaad, mijnheer?" zeide mevrouw Sparsit hierop, en kreeg toen

een kuchje.

Toen het tijd werd om naar bed te gaan, nam mijnheer Bounderby een

glas water.

"O, mijnheer!" zeide mevrouw Sparsit, "niet uw warmen wijn met

citroenschillen en muskaat?"

"Och, dat ben ik tegenwoordig afgewend, juffrouw," antwoordde

Bounderby.

"Dat is wèl jammer, mijnheer," hervatte mevrouw Sparsit. "Gij verliest

al uwe goede oude gewoonten. Kom, beur u wat op, mijnheer! Als Miss

Gradgrind het mij vergunt, zal ik een glas voor u klaarmaken, zooals

ik dikwijls gedaan heb."

Daar Miss Gradgrind bereid was om mevrouw Sparsit alles te vergunnen

wat haar maar beliefde, maakte die bedachtzame dame een glas van den

bedoelden smakelijken drank gereed en gaf het aan mijnheer Bounderby.

"Het zal u goeddoen, mijnheer. Het zal uw hart verwarmen," zeide

zij. "Het is juist wat gij noodig hebt en altijd moest gebruiken."

En toen mijnheer Bounderby zeide: "Uwe gezondheid, juffrouw,"

antwoordde zij met diep gevoel: "Dank u, mijnheer. Ik wensch u

hetzelfde, en ook dat gij gelukkig moogt zijn."

Eindelijk wenschte zij hem met buitengemeene aandoening goedennacht;

en mijnheer Bounderby ging naar bed met eene benevelde bewustheid,

dat hij in een of ander opzicht ongelukkig was, hoewel hij, al ware

het om zijn leven te doen geweest, niet had kunnen zeggen wat hem

eigenlijk scheelde.

Lang nadat Louisa zich had ontkleed en te bed begeven, bleef zij

wakend naar de thuiskomst van haar broeder liggen wachten. Hij kon

niet wel vroeger komen, dit wist zij, dan een uur na middernacht;

maar in de landelijke stilte, die het onrustige harer gedachten veeleer

vergrootte dan bedaarde, ging de tijd zeer langzaam om. Eindelijk toen

de duisternis en de stilte, die elkander wederkeerig nog drukkender

maakten, uren lang schenen geduurd te hebben, hoorde zij de schel

aan het hek. Het was haar of zij blijde zou zijn geweest, als die

schel tot aan den dageraad was blijven luiden; maar het hield op,

de kringen van den laatsten klank breidden zich al verder en flauwer

in de lucht uit, en alles was weder doodstil.

Zij wachtte nog een kwartier uurs naar hare gissing. Toen stond zij

op, trok een los kleed aan, en ging in het donker hare kamer uit en

de trap op naar haar broeders vertrek. Daar de deur gesloten was,

opende zij die en sprak om hem te waarschuwen dat zij het was,

terwijl zij op de teenen naar zijn bed kwam.

Zij knielde daarbij neer, sloeg haar arm om zijn hals en trok zijn

gezicht naar het hare toe. Zij wist wel, dat hij slechts veinsde te

slapen, maar zeide nog niets.

Weldra maakte hij eene beweging alsof hij toen pas ontwaakte, en

vroeg wie daar was en wat er te doen was.

"Tom," zeide zij, "hebt gij mij niet iets te zeggen? Als gij mij ooit

in uw leven liefgehad hebt, en iets hebt, dat gij voor alle andere

menschen verborgen houdt, zeg het mij dan."

"Ik weet niet wat gij meent, Louisa. Gij moet gedroomd hebben."

"Lieve broeder,"--zij liet haar hoofd op zijn kussen zinken, en

hare haren golfden over hem heen, alsof zij hem voor iedereen wilde

verbergen--"is er niets, dat gij mij te zeggen hebt? Is er niets,

dat ge mij zeggen kunt, als gij wilt? Gij kunt mij niets zeggen,

dat mij voor u zal doen veranderen. O Tom, zeg mij de waarheid."

"Ik weet niet wat gij meent, Louisa."

"Gelijk gij daar alleen ligt, lieve broeder, in den akeligen nacht,

zoo moet gij eens in een anderen nacht ergens liggen, wanneer zelfs

ik, als ik dan nog leef, u zal verlaten hebben. Gelijk ik hier naast

u ben, blootsvoets, ongekleed, onherkenbaar in de duisternis, zoo

moet ik liggen door den ganschen nacht mijner ontbinding, totdat ik

stof ben. In den naam van dien tijd, Tom, zeg mij nu de waarheid."

"Wat is het, dat gij weten wilt?"

"Gij kunt zeker zijn," en in het vuur harer liefde drukte zij hem

aan hare borst alsof hij een kind was, "dat ik u geen verwijt zal

doen. Gij kunt zeker zijn, dat ik medelijden met u zal hebben en u

trouw zal zijn. Gij kunt zeker zijn dat ik u zal redden, wat het ook

mag kosten. O Tom, hebt ge mij niets te zeggen? Fluister het maar

heel zacht. Zeg maar "ja," en ik zal u verstaan."

Zij keerde haar oor naar zijn mond, maar hij bleef stug stilzwijgen.

"Geen woord, Tom?"

"Hoe kan ik ja zeggen, of hoe kan ik neen zeggen, als ik niet weet

wat gij meent? Louisa, gij zijt eene goede, brave meid, en een beter

broeder waard dan ik ben, begin ik nu te denken. Maar ik heb niets

meer te zeggen. Ga naar bed, ga naar bed."

"Gij zijt vermoeid," fluisterde zij nu, meer op haar gewonen toon.

"Ja, ik ben geheel afgemat."

"Gij hebt vandaag zooveel onrust en gewoel gehad. Zijn er nog nieuwe

ontdekkingen gedaan?"

"Alleen die, waarvan gij gehoord hebt, van--hem."

"Tom, hebt gij iemand gezegd, dat wij die menschen hebben opgezocht,

en dat wij die drie bij elkander hebben gezien?"

"Neen. Hebt ge mij zelve niet uitdrukkelijk verzocht om het stil te

houden, toen ge mij vroegt om met u daarheen te gaan?"

"Ja. Maar ik wist toen niet wat er gebeuren zou."

"Ik ook niet. Hoe zou ik het geweten hebben?"

Hij gaf dit antwoord zeer snel en eenigszins bits.

"Zou ik, na hetgeen er gebeurd is, behooren te zeggen, dat ik daar

geweest ben?" zeide zijne zuster, bij het bed staande--zij had zich

langzamerhand teruggetrokken en was overeind gaan staan. "Zou ik het

zeggen? Moet ik het zeggen?"

"Goede Hemel, Louisa," antwoordde haar broeder, "ge zijt niet gewoon

mij om raad te vragen. Zeg wat gij wilt. Als gij het voor u zelve

houdt, zal ik het ook voor mij zelven houden. Als gij het openbaart,

is het mij ook wel."

Het was te donker dan dat zij elkanders gezicht konden zien; maar

beiden schenen zeer oplettend te zijn en zich te bedenken eer zij

spraken.

"Tom, gelooft gij, dat de man, aan wien ik dat geld gegeven heb,

werkelijk in deze misdaad betrokken is?"

"Dat weet ik niet. Ik zie niet in waarom niet."

"Hij kwam mij toen een eerlijk man voor."

"Iemand anders kan u oneerlijk voorkomen en het toch niet zijn."

Er volgde eene poos van stilte, want hij had gehaperd toen hij verder

wilde spreken, en daarna gezwegen.

"Kortom," hervatte hij, alsof hij zijn besluit had genomen, "als gij

daarop komt, was ik er misschien zoo ver van af om volkomen gunstig

over hem te denken, dat ik hem buiten de deur nam om hem in stilte

te zeggen, dat hij er, naar mijne gedachten, zeer wel afkwam met nog

zulk een buitenkansje van mijne zuster te krijgen, en dat ik hoopte,

dat hij er een goed gebruik van zou maken. Ik zeg evenwel niets tegen

den man. Hij mag een heel brave kerel zijn, voor zooveel ik weet. Ik

hoop, dat hij het is."

"Was hij beleedigd door dat zeggen van u?"

"Neen, hij nam het tamelijk wel op; hij was beleefd genoeg. Waar zijt

ge, Louisa?" Hij kwam in het bed overeind en kuste haar. "Goeden nacht,

lieve, goedenacht!"

"Gij hebt mij niets meer te zeggen?"

"Neen. Wat zou ik te zeggen hebben? Of zoudt ge willen, dat ik eene

leugen vertelde?"

"Van nacht vooral zou ik dat niet willen, Tom, onder al de nachten

van uw leven, hoevelen en hoeveel gelukkiger ik ook hoop dat zij

zijn zullen."

"Dank u, lieve Louisa. Ik ben zoo moe, dat ik mij haast verwonder

dat ik niet alles zeg wat gij wilt, om maar te kunnen gaan slapen. Ga

naar bed, ga naar bed."

Hij gaf haar nog een kus, keerde zich toen om, trok het dek over

zijn hoofd, en bleef zoo stil liggen alsof de tijd, waarbij zij hem

bezworen had, reeds gekomen was. Zij bleef nog eene poos bij het bed

staan, eer zij langzaam heenging. Bij de deur bleef zij weder staan,

keek nog eens om toen zij die reeds geopend had, en vroeg of hij haar

had geroepen. Maar hij bleef stil liggen, en zij sloot zachtjes de

deur en ging weder naar hare kamer.

Toen keek de rampzalige voorzichtig op, en ziende dat zij weg was,

kroop hij zijn bed uit, draaide de deur op het nachtslot, en wierp

zich weder op zijn leger. Daar lag hij zijne haren uit te trekken,

schreiende van wrevelige spijt, vol wangunstige liefde voor haar,

zich zelven verwenschende en verachtende, met bitterheid, maar zonder

boetvaardig berouw, en vervuld van haat en wrok tegen al het goede

op de wereld, dat hij in zijne verblinding even nietswaardig noemde

als hij zelf was.

XXV.

DE LAATSTE WOORDEN.

Terwijl mevrouw Sparsit in de haar door mijnheer Bounderby verleende

schuilplaats voor anker bleef liggen, om de aan hare zenuwen geledene

schade te herstellen, hield zij onder hare zwarte wenkbrauwen dag

en nacht zulk eene scherpe wacht, dat hare oogen, gelijk een paar

vuurbakens op eene rotsige kust, alle voorzichtige zeelieden zouden

gewaarschuwd hebben om zich niet te dicht bij het steile voorgebergte

van haar Romeinschen neus en het nabijgelegene donkere en klippige

gewest te wagen, indien de zachtzinnigheid harer manieren daarentegen

niet zoo geruststellend ware geweest. Hoewel het moeielijk te gelooven

was, dat zij zich des avonds niet maar pro forma naar bed begaf, zoo

wakker bleven altijd hare klassieke oogen, en zoo onmogelijk scheen het

dat haar scherpe neus voor eenigen verzachtenden invloed kon zwichten,

was toch de manier, waarop zij hare ruige, om niet te zeggen raspige

mofjes (want zij schenen wel van ijzerdraad gebreid te zijn) gladstreek

of met haar voet in haar katoenen stijgbeugel naar onbekende plaatsen

van bestemming galoppeerde, zoo uitnemend vreedzaam en vriendelijk,

dat de meeste waarnemers haar voor eene duif moesten houden, die door

eene of andere luim der natuur in den aardschen tabernakel van een

vogel van het valkengeslacht was gehuisvest.

Het was verbazend, welk eene bijzondere gaaf zij bezat om overal in

huis rond te loeren. Hoe zij van de eene verdieping naar de andere

kwam, was een geheim dat niemand kon oplossen. Men kon niet wel

vermoeden, dat eene deftige dame, die zulke aanzienlijke betrekkingen

had, over de leuning van de trap zou naar beneden springen, of zich

daarlangs laten afglijden, en toch moest hare buitengemeene vlugheid

iemand op dat ongerijmde denkbeeld doen komen. Eene andere opmerkelijke

eigenschap van mevrouw Sparsit was, dat zij zich nooit haastte. Zij

vloog met de uiterste snelheid van de vliering naar het voorhuis,

en was toch op het oogenblik, dat zij dien tocht volbracht had,

in het volle bezit van haar adem en hare deftigheid. Ook zag nooit

eenig menschelijk oog haar hard loopen.

Zij hield zich voor mijnheer Harthouse zeer vriendelijk, en had

kort na hare aankomst een genoeglijk gesprek met hem. Op een ochtend

voor het ontbijt ontmoette zij hem in den tuin en zeide, statig voor

hem nijgende:

"Het is alsof het pas gisteren was, mijnheer, dat ik de eer had u aan

het kantoor te ontvangen, toen gij zoo goed waart om naar het adres

van mijnheer Bounderby te willen vernemen."

"Eene kennismaking, dit verzeker ik u, die ik zelf in geene eeuwen

zal vergeten," antwoordde mijnheer Harthouse, met eene buiging zoo

flauw en traag als men zich maar verbeelden kan.

"Wij leven in eene zonderlinge wereld, mijnheer," hervatte mevrouw

Sparsit.

"Ik heb eens de eer gehad, door eene toevalligheid, waarop ik bijna

trotsch ben, eene aanmerking van bijna denzelfden inhoud te maken,

hoewel niet met zulk eene puntige kortheid uitgedrukt."

"Eene zonderlinge wereld, wilde ik zeggen, mijnheer," vervolgde

mevrouw Sparsit, nadat zij voor het compliment had bedankt door

hare zwarte wenkbrauwen te laten zakken, die niet geheel zulk eene

vriendelijke uitdrukking hadden als de fleemende tonen harer stem, "wat

de gemeenzame betrekkingen aangaat, die wij op den eenen tijd vormen

met lieden, welke wij op een anderen tijd nog geheel niet kenden. Ik

herinner mij, mijnheer, dat gij bij die gelegenheid zelfs zoover zijt

gegaan om te zeggen, dat gij werkelijk bang waart voor Miss Gradgrind."

"Uw geheugen bewijst mij meer eer dan mijne onbeduidendheid

verdient. Ik heb van uwe vriendelijke wenken partij getrokken om mijne

schroomvalligheid te boven te komen, en het is noodeloos te zeggen, dat

gij volkomen gelijk hadt. Uw talent, mevrouw Sparsit, voor--voor alles,

kortom, waarbij het op nauwkeurige waarneming aankomt--natuurlijk

vereenigd met uwe kracht van geest--en uwe aanzienlijke afkomst--blinkt

altijd te duidelijk uit om ooit betwijfeld te kunnen worden." Hij

viel bijna in slaap onder dit compliment, zoolang duurde het eer hij

er doorheen kwam, en zoozeer dwaalden zijne gedachten af terwijl hij

het uitbracht.

"Gij hebt zeker gevonden, dat Miss Gradgrind--het is een zonderling

zwak van mij, maar ik kan haar onmogelijk mevrouw Bounderby noemen--zoo

jeugdig is als ik haar beschreven had?" zeide mevrouw Sparsit met

zoetsappige vriendelijkheid.

"Gij hebt een volmaakt portret van haar geschilderd," antwoordde

Harthouse; "een trouw beeld van haar gegeven."

"Zeer innemend, niet waar, mijnheer?" hervatte mevrouw Sparsit,

terwijl zij hare mofjes om elkander liet ronddraaien.

"Buitengemeen."

"Men placht het er voor te houden, dat Miss Gradgrind niet levendig

genoeg was," zeide mevrouw Sparsit, "maar ik moet bekennen, dat het

mij voorkomt alsof zij in dat opzicht aanmerkelijk verbeterd is. O,

daar is waarlijk mijnheer Bounderby!" riep zij uit, verscheidene

malen knikkende alsof zij aan niemand anders gedacht en van niemand

anders gesproken had. "Hoe bevindt gij u van morgen, mijnheer? O,

laten wij u toch eens weer vroolijk zien, mijnheer."

Deze aanhoudende pogingen om zijne ellende te verzachten en zijn

last te verlichten begonnen reeds ten gevolge te hebben, dat mijnheer

Bounderby vriendelijker dan gewoonlijk voor alle andere menschen werd,

zoowel voor zijne vrouw als voor ieder ander. Toen dus mevrouw Sparsit

met zichtbaar gedwongene luchthartigheid zeide: "Gij zult wel naar uw

ontbijt verlangen, mijnheer; maar ik denk ook wel, dat Miss Gradgrind

spoedig hier zal zijn om zich aan het hoofd van de tafel te plaatsen,"

antwoordde Bounderby: "Als ik wilde wachten tot mijne vrouw voor mij

zorgde, juffrouw, geloof ik, zooals gij tamelijk wel weet, dat ik tot

den jongsten dag zou kunnen wachten, en dus zal ik u lastig vallen om

den post aan den trekpot waar te nemen." Mevrouw Sparsit gehoorzaamde

en hernam hare oude plaats aan de tafel.

Dit deed de uitmuntende vrouw wederom zeer sentimenteel worden;

maar zij bleef met dat al toch zoo nederig, dat zij, zoodra Louisa

verscheen, opstond en betuigde, dat zij er niet aan denken kon om

onder deze omstandigheden daar te blijven zitten, hoe dikwijls zij

ook de eer had gehad van mijnheer Bounderby's ontbijt gereed te

maken, eer Miss Bounderby--zij verzocht wel verschooning, zij wilde

zeggen mevrouw Gradgrind--zij hoopte, dat men haar zou excuseeren,

maar zij kon waarlijk nog niet met den naam terecht, hoewel zij

vertrouwde, dat zij er zich door den tijd wel aan zou gewennen--hare

tegenwoordige positie had verkregen. Het was alleen, merkte zij aan,

omdat Miss Gradgrind toevallig een weinigje laat kwam, en mijnheer

Bounderby's tijd zoo kostbaar was, en zij vanouds wist van hoeveel

belang het voor hem was, dat hij op de minuut af kon ontbijten,

dat zij de vrijheid had genomen van aan zijn verzoek te voldoen;

zoo lang toch was zijn wil haar eene wet geweest.

"Blijf maar zitten waar gij zit, juffrouw," zeide Bounderby, "blijf

gerust zitten. Mevrouw Bounderby zal heel blij wezen, geloof ik,

als gij haar van dien last ontheft."

"Zeg dat niet, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, bijna met

strengheid, "want dat is heel onvriendelijk voor mevrouw Bounderby,

en onvriendelijkheid ben ik niet van u gewend, mijnheer."

"Wees maar gerust, juffrouw.--Gij kunt het heel bedaard opnemen,

niet waar, Louisa?" zeide Bounderby op zijn winderigsten toon tot

zijne vrouw.

"O ja, natuurlijk. Het is van geen belang. Waarom zou het van eenig

gewicht voor mij zijn?"

"Waarom zou het van eenig gewicht voor iemand zijn, mevrouw

Sparsit?" zeide Bounderby, eene hooge borst zettende met het gevoel

van gekrenkte waardigheid. "Gij hecht veel te veel gewicht aan die

dingen, juffrouw. Waarachtig, sommige begrippen van u zullen hier

wel terechtgebracht worden. Gij zijt nog ouderwetsch, juffrouw. Bij

de kinderen van Tom Gradgrind zijt ge heel ver ten achteren."

"Wat scheelt u?" vroeg Louisa met koele verwondering. "Wat heeft u

aanstoot gegeven?"

"Aanstoot!" herhaalde Bounderby. "Denkt gij, als iets mij aanstoot

gaf, dat ik het niet zou zeggen en verzoeken het te veranderen? Ik

ben een rondborstig man, geloof ik. Ik wind nergens doekjes om."

"Ik geloof, dat niemand ooit gelegenheid heeft gehad om u voor al te

bedeesd of al te kiesch te houden," antwoordde Louisa zeer bedaard. "Ik

heb u dat nooit ten laste gelegd, noch als kind noch als vrouw. Ik

begrijp niet wat gij hebben wilt."

"Hebben wilt?" hervatte Bounderby. "Niets. Weet gij anders niet heel

goed, Louisa Bounderby, dat ik, Josiah Bounderby van Coketown, het

ook hebben zou?"

Met deze woorden gaf hij een slag op de tafel, die de kopjes deed

rinkelen. Zij zag hem aan met eene trotsche kleur in haar gezicht,

die, gelijk mijnheer Harthouse dacht, eene nieuwe verandering was.

"Gij zijt van morgen onbegrijpelijk," zeide Louisa. "Maar geef u geene

verdere moeite om u te verklaren; ik ben volstrekt niets nieuwsgierig

naar uwe meening. Wat maakt het uit!"

Er werd niets meer over de zaak gesproken, en mijnheer Harthouse

was weldra met luchtige vroolijkheid over onverschillige onderwerpen

aan het praten. Maar van dien dag af bracht de invloed van mevrouw

Sparsit op mijnheer Bounderby Louisa en James Harthouse meer bij

elkander en vergrootte zoowel hare gevaarlijke verwijdering van haar

man als hare vertrouwelijkheid met een ander, waartoe zij met zoo

geringe schreden gekomen was, dat zij die, al had zij het beproefd,

niet weder had kunnen herdoen. Maar of zij dit ooit beproefde of niet,

lag in haar eigen gesloten hart verborgen.

Mevrouw Sparsit was bij het zoo even verhaalde voorval zoodanig

ontroerd, dat zij, toen zij mijnheer Bounderby na het ontbijt zijn hoed

aangaf en toen juist met hem alleen in het voorhuis was, een kuischen

kus op zijne hand drukte, de woorden, "mijn weldoener!" prevelde,

en zich overstelpt van smart verwijderde. Evenwel is het een

ontwijfelbaar feit, waarvan deze geschiedenis melding moet maken,

dat vijf minuten nadat hij met denzelfden hoed het huis had verlaten,

dezelfde afstammelinge der Scadgers' en aanverwante der Powler's haar

rechtermofje dreigend tegen zijn portret ophief, eene verachtelijke

grimas tegen dat kunstwerk maakte en daarbij zeide: "Het is uw

verdiende loon, gij domkop, en ik ben er blij om."

Mijnheer Bounderby was nog niet lang vertrokken, toen Bitzer

verscheen. Met den spoortrein, die gillend en ratelend over de

bogen vloog door de woeste landstreek van gewezene en tegenwoordige

kolenmijnen, was Bitzer met eene haastige boodschap van Stone Lodge

gekomen met een briefje namelijk, om Louisa te berichten dat hare

moeder zeer ziek lag. Zij was, zoolang hare dochter heugde, nooit

recht gezond geweest; maar in de laatste dagen was zij zeer verzwakt

en in dien nacht zoo verminderd, dat zij thans werkelijk zoo nabij

den dood scheen te zijn als zij zich dit zoovele jaren lang dagelijks

had verbeeld.

Vergezeld door den kleurloozen kantoorlooper, door zijne bleekheid

wel geschikt voor de rol van bode des doods, snorde Louisa naar

Coketown. Binnen de berookte stad gekomen, liet zij haar bode

vrijheid om zijn eigen weg te gaan en nam een rijtuig om haar naar

haar ouderlijk huis te brengen.

Zij was sedert haar huwelijk zelden daar geweest. Haar vader was

doorgaans in Londen aan het ziften van zijn parlementairen aschhoop

(zonder dat men ooit vernam dat hij veel kostbaars daarin vond)

en nu nog druk met dien arbeid bezig. Hare moeder had het altijd

eenigszins als eene lastige stoornis opgenomen, wanneer hare dochter

haar, terwijl zij op de sofa lag, kwam bezoeken; voor den omgang met

kinderen gevoelde Louisa zich geheel ongeschikt; voor Sissy was zij

nooit weder vriendelijk geworden sedert dien avond toen het kind van

den armen kunstenmaker hare oogen had opgeslagen om de aanstaande vrouw

van mijnheer Bounderby aan te zien. Er was niets dat haar uitlokte

om het ouderlijke huis te bezoeken, en zij deed dit dus zelden.

Thans, nu zij het naderde, ontwaarde zij ook niets van dien

gezegenden invloed, welken het ouderlijke huis in latere jaren

nog kan blijven uitoefenen. De droomen der kindsheid met hunne

hersenschimmen en fabelen, die de nog vergelegene wereld met zoovele

schoone onmogelijkheden versieren--zoo heilzaam, dat men ze zich nog

herinnert als men ze ontwassen is, want dan openen zij het hart weder

voor zachte aandoeningen bij de gedachte, hoe kleine kinderen met

reine handjes een bloemenhof planten in het midden der steenachtige

wereld, waarin het voor alle kinderen van Adam goed zou zijn zich

nog dikwijls, met eenvoudig geloof en zonder wereldsche wijsheid, te

komen verlustigen--wat had zij met die droomen te doen? Herinneringen,

hoe zij langs de betooverde paden eener hoop en verbeelding, die

duizend onschuldige kleinen met haar deelden, tot het weinige dat zij

wist gekomen was; hoe zij, door het zachte licht der fantasie tot

het verstand gevoerd, dit eene weldadige godheid had bevonden, die

andere even machtige goden naast zich plaats gunde, geen gruwelijken

afgod, wreed en koud, die zijne slachtoffers aan handen en voeten

laat boeien, en wiens reusachtige stomme gedaante, altijd voor zich

starende zonder ooit iets te zien, nooit door iets te bewegen is dan

door een hefboom van welberekende materieele kracht--wat had zij met

zulke herinneringen te doen? Wat zij zich van het ouderlijke huis en

hare kindsheid herinnerde, was het opdrogen van alle springbronnen

en fonteinen, die in haar jeugdig hart opwelden. De levende wateren

vloeiden daar niet meer. Zij vloeiden ter bevochtiging van het land,

waar men druiven van doornen en vijgen van distelen plukt.

Zij ging met eene doffe smart in het hart, die haar veeleer verhardde

dan verteederde, het huis en de kamer harer moeder binnen. Sedert

haar vertrek had Sissy met de overigen van het gezin op gelijken voet

geleefd. Sissy was bij hare moeder, en Jane, hare zuster, nu tien of

twaalf jaren oud, was insgelijks in de kamer.

Slechte Tijden · 第 17 / 27 段