Harthouse pakte hem met vriendelijke overredingskracht bij zijn rok.

"Maar, beste Tom, als uwe zuster het nu niet heeft...."

"Het niet heeft, mijnheer Harthouse? Ik zeg niet dat zij het heeft. Ik

had misschien meer noodig dan zij waarschijnlijk had. Maar dan moest

zij maken dat zij het kreeg. Zij kan het wel krijgen. Ik behoef nu

geen geheim van de zaak meer te maken, na alles wat ik u al gezegd

hebt. Gij weet wel dat zij ouden Bounderby niet om harentwil heeft

getrouwd, noch om zijnentwil, maar om mijnentwil. Waarom maakt zij

dan niet om mijnentwil, dat zij van hem krijgt wat ik noodig heb? Zij

behoeft niet te zeggen wat zij er mee doen zal; zij is slim genoeg;

zij kon het wel met wat flikflooien van hem krijgen, als zij maar

wilde. Waarom wil zij dan niet, als ik haar zeg van hoeveel belang

het voor mij is? Maar neen. Daar zit zij bij hem als een stuk steen,

in plaats van zich aangenaam te maken en het zoo met gemak van hem

te krijgen. Ik weet niet hoe gij dit noemt, maar ik noem het een

onnatuurlijk gedrag."

Vlak aan den anderen kant der balustrade was eene diepe vijver,

en mijnheer James Harthouse had grooten lust om mijnheer Thomas

Gradgrind Junior daarin te smijten, gelijk de mishandelde fabrikanten

van Coketown dreigden hun eigendom in zee te zullen werpen. Maar hij

bewaarde zijne achtelooze houding, en er viel niets over de steenen

balustrade, dan nog een hoop rozeknoppen, die nu met de anderen een

drijvend eilandje vormden.

"Beste Tom," zeide Harthouse, "laat ik eens beproeven uw bankier

te zijn."

"Om 's Hemels wil," antwoordde Tom verschrikt, "spreek toch niet van

bankiers!" En in contrast met de rozen scheen hij geheel wit te worden.

Harthouse, als een welopgevoed man, aan beschaafden omgang gewoon, liet

zich niet verbazen--hij had zich evengoed kunnen laten ontroeren--maar

hij opende zijne oogen een weinigje meer, alsof de leden door een

flauwen zweem van verwondering werden opgetrokken, hoewel het evenzeer

tegen de regelen zijner school streed zich over iets te verwonderen,

als tegen de leer die Gradgrind predikte.

"Hoeveel komt er op het oogenblik te kort, Tom? Drie cijfers? Voor

den dag er mee! Zeg, hoe groot is de som?"

"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom nu werkelijk schreiende;

en welk eene jammerlijke figuur hij ook maakte, stonden zijne tranen

hem toch beter dan zijne norschheid; "het is te laat. Het geld kan

mij nu toch niet meer baten. Ik had het vroeger moeten hebben om mij

van nut te wezen. Maar ik ben u toch zeer verplicht. Gij zijt een

oprecht vriend."

Een oprecht vriend! "O, hondsvot!" dacht Harthouse, op zijne trage

en flauwe manier, "welk een ezel zijt ge toch!"

"En ik houd uw aanbod voor eene zeer groote vriendelijkheid," vervolgde

Tom, zijne hand vattende, "eene zeer groote vriendelijkheid."

"Wel," hervatte de ander, "het zal u later misschien van meer nut

kunnen zijn; en, mijn goede jongen, als ge mij uwe ongelegenheden wilt

openbaren, wanneer ze u beginnen te overstelpen, zal ik u misschien een

beter weg kunnen wijzen om er uit te komen dan gij zelf kunt vinden."

"Ik dank u," zeide Tom, naargeestig zijn hoofd schuddende en

rozeknopjes kauwende. "Ik wenschte wel, dat ik u vroeger had gekend,

mijnheer Harthouse."

"Gij moet weten, Tom," zeide Harthouse tot slot, zelf een paar rozen

over de balustrade werpende, als eene bijdrage tot het eilandje, dat

steeds naar den muur bleef drijven, alsof het zich aan het vasteland

wilde vasthechten: "alle menschen zijn zelfzuchtig in al wat zij doen,

en ik ben eveneens als de rest van mijne natuurgenooten. Ik ben er

razend op gesteld,"--de kwijnende flauwheid zijner razernij kon wel een

gevolg der groote hitte zijn--"dat gij vriendelijker voor uwe zuster

wordt--en dat zou u wel passen;--dat gij een beter en pleizieriger

soort van broeder wordt--en dat zou wel zoo behoorlijk zijn."

"Dat zal ik, mijnheer Harthouse."

"Geen tijd zoo goed als de tegenwoordige, Tom. Begin dus terstond."

"Dat zal ik zeker; en mijne zuster Louisa zal het u zeggen."

"En nu wij dit accoord hebben gemaakt, Tom," zeide Harthouse, hem

nogmaals op den schouder kloppende op eene manier, die hem volle

vrijheid liet te meenen--gelijk hij ook deed, arme dwaas--dat deze

voorwaarde hem slechts uit goedhartigheid werd opgelegd, om zijn

gevoel van verplichting te verminderen, "zullen wij ons tot etenstijd

van elkander losrukken."

Toen Tom aan tafel kwam, scheen zijn gemoed nog wel bezwaard, maar

zijn lichaam was toch vlugger, en hij kwam vóór mijnheer Bounderby.

"Ik meende het niet toen ik zoo stuursch was, Louisa," zeide hij,

haar de hand en een kus gevende. "Ik weet wel, dat gij veel van mij

houdt, en gij weet ook wel, dat ik veel van u houd."

Later op dien dag had Louisa's gezichtje een glimlach voor iemand

anders. Helaas, voor iemand anders!

"Des te minder is die hondsvot de eenige om wien zij iets geeft,"

zeide James Harthouse bij zich zelven, de gedachte omkeerende, die op

den eersten dag, toen hij met haar bevallig gezichtje kennis gemaakt

had, bij hem was opgekomen. "Des te minder, des te minder."

XXIV.

DE UITBARSTING.

De volgende morgen was te helder om te blijven slapen, en

James Harthouse stond dus vroeg op en zette zich voor het opene

uitstekvenster zijner kleedkamer met een dier fijne sigaren in den

mond, die zulk een heilzamen invloed op zijn jongen vriend hadden

gehad. In den zonneschijn rustende, terwijl de geur van het edele kruid

hem omhulde en de droomerige rookwolkjes in de lucht opstegen, reeds

vervuld met de welriekende uitwasemingen der zomerbloemen, telde hij

zijne reeds behaalde voordeelen op, gelijk een onverschillig speler

zijne winsten optelt. Voor het oogenblik was niemand hem lastig,

en kon hij zich ongestoord daarmede bezighouden.

Hij was tot eene vertrouwelijkheid met haar gekomen, waar haar

echtgenoot buitengesloten bleef. Hij was tot eene vertrouwelijkheid met

haar gekomen, die juist uit hare onverschilligheid voor haar man en

het gebrek aan overeenstemming tusschen dit paar was ontsproten. Hij

had haar op eene behendige manier, maar toch duidelijk, te verstaan

gegeven, dat hij haar hart tot in de geheimste schuilhoeken kende; hij

was juist door het teederste gevoel van dat hart haar nabijgekomen,

en de ijskorst, die het als een muur omringde, was gesmolten. Alles

zeer vreemd, en zeer streelend.

En toch had hij, zelf nu nog, geene ernstige slechte voornemens. In

het openbare en bijzondere leven zou het voor onze eeuw veel beter

zijn, dat hij en het legioen zijner gelijken opzettelijk slecht waren,

dan zoo onverschillig en doelloos. Het zijn de drijvende ijsbergen,

met elken stroom overal heen zwalkende, die de schepen doen vergaan.

Wanneer de duivel rondgaat gelijk een brullende leeuw, gaat hij

rond in eene gedaante, waardoor weinigen dan wilden en jagers zich

laten verlokken om hem te naderen. Maar wanneer hij naar de mode

is opgekleed en opgepolijst; wanneer deugd en ondeugd hem evenzeer

vervelen; wanneer hij den zwavelpoel en de zaligheid evenzeer moede

is, dan is hij eerst de echte duivel.

Zoo bleef James Harthouse voor het venster zitten, op zijn gemak

rookende en de schreden tellende, welke hij gedaan had op den weg,

dien hij toevallig had ingeslagen. Het einde, waartoe die weg voerde,

lag vrij duidelijk voor hem, maar daarom bekommerde hij zich niet

het minste. Wat gebeuren moet, moet gebeuren.

Daar hij dien dag een tamelijk verren weg te rijden had--want er zou

ergens eene openbare vergadering plaats hebben, die hem gelegenheid

zou geven om stemmen te winnen--kleedde hij zich vroeg en ging toen

naar beneden om te ontbijten. Hij was verlangend om te zien, of zij

sedert den vorigen avond weder verkoeld was. Neen. Hij kon weder

beginnen waar hij het gelaten had.

Er was weder een blik vol vriendelijke belangstelling voor hem gereed.

Hij kwam zoozeer (of zoo weinig), naar zijn genoegen door den dag heen,

als onder de omstandigheden, die zulk eene vermoeienis van hem vergden,

te wachten was, en kwam tegen zes ure terugrijden. De laan tusschen

de portierswoning en het huis, die eene sierlijke bocht maakte,

had eene tamelijke lengte, en hij reed stapvoets daarlangs voort,

toen mijnheer Bounderby op eens het heesterplantsoen uitkwam, zoo

driftig en onverwacht, dat het paard schichtig terugdeinsde.

"Harthouse!" riep mijnheer Bounderby luidkeels. "Hebt gij het gehoord?"

"Wat gehoord?" zeide Harthouse, zijn paard streelende om het te

bedaren, onder het heimelijk uiten van een wensch, die niet veel

goeds voor mijnheer Bounderby bevatte.

"Dus hebt gij niets gehoord?"

"Ik heb u gehoord, en dat heeft dit beest ook. Anders niets."

Mijnheer Bounderby, die gloeiend rood was, plaatste zich midden op

den weg, vlak voor het paard, om zijne bom met meer effect te laten

springen.

"Het kantoor is bestolen!"

"Dat meent ge toch niet in ernst!"

"Van nacht bestolen, mijnheer! Op een buitengewone manier bestolen! Met

een valschen sleutel bestolen!"

"Is het verlies groot?"

Het scheen Bounderby, bij zijn verlangen om zooveel mogelijk gerucht

van de zaak te maken, inderdaad te spijten, dat hij genoodzaakt was te

antwoorden: "Neen, niet heel groot. Maar dat had het wel kunnen zijn?"

"Hoe groot is het?"

"O, wat de som betreft--als gij bij de som blijft--niet meer dan

honderd vijftig pond," antwoordde Bounderby wrevelig. "Maar het is

de som niet; het is het feit. Het feit, dat het kantoor bestolen is,

dat is eigenlijk het gewichtige. Het verwondert mij, dat gij dit

niet begrijpt."

"Mijn beste Bounderby," zeide James, terwijl hij van zijn paard stapte

en de teugels aan zijn knecht overgaf, "dat begrijp ik zeer wel, en ik

ben zoo erg, als gij maar verlangen kunt, ontsteld van het schouwspel,

dat zich voor de oogen van mijn geest vertoont. Evenwel hoop ik,

u te mogen feliciteeren dat gij geen grooter verlies hebt geleden,

en ik verzeker u, dat doe ik met al mijn hart."

"Dank je," antwoordde Bounderby op een stroeven toon. "Maar laat ik

u eens wat zeggen. Het had ook twintig duizend pond kunnen zijn."

"Wel te denken."

"Wel te denken? Het is waarachtig wel te denken," zeide Bounderby,

gramstorig knikkende. "Het had tweemaal twintig kunnen zijn. Het

is niet te zeggen hoeveel het had kunnen zijn, of niet kunnen zijn,

als de kerels niet gestoord waren."

Louisa was nu aangekomen, tegelijk met mevrouw Sparsit en Bitzer.

"Daar is Tom Gradgrind's dochter, die tamelijk wel weet hoeveel het

had kunnen zijn, als gij het niet weet," hervatte Bounderby op zijn

winderigsten toon. "Zij viel neer, alsof ze doodgeschoten was, toen

zij het hoorde. Ik heb nooit te voren zoo iets van haar gezien. Het

strekt haar onder deze omstandigheden tot eer, naar mijne gedachten."

Zij zag er nog bleek en ontsteld uit. James Harthouse bood haar zijn

arm aan, en terwijl zij zeer langzaam voortwandelden, vroeg hij,

hoe de diefstal gepleegd was.

"Wel, dat wilde ik u juist vertellen," zeide Bounderby, korzelig zijn

arm aan mevrouw Sparsit gevende. "Als ge niet zoo machtig precies op

de som waart geweest, zou ik daarmee begonnen zijn. Gij kent deze dame

(want zij is eene geboren dame), mevrouw Sparsit?"

"Ik heb reeds de eer gehad..."

"Heel goed. En dit jonge mensch, Bitzer, hebt gij ook bij dezelfde

gelegenheid gezien?"

Mijnheer Harthouse knikte toestemmend, en Bitzer duwde zijne kneukels

tegen zijn voorhoofd.

"Heel goed. Zij wonen aan het kantoor. Gij weet misschien al, dat zij

daar wonen? Heel goed. Gisteravond na den kantoortijd werd alles naar

gewoonte geborgen en gesloten. In de ijzeren kamer, waarvoor die jongen

slaapt, was--het doet er niet toe hoeveel. In het ijzeren kistje in

de kamer van Tom, het kistje dat voor kleine sommen wordt gebruikt,

was honderdvijftig pond of wat meer."

"Honderd vier en vijftig, zeven en een," zeide Bitzer.

"Pas op!" voer Bounderby uit, stilstaande om zich naar hem toe te

keeren. "Val gij mij niet in de rede. Het is al genoeg bestolen te

worden terwijl gij ligt te snorken, omdat gij het al te goed hebt,

zonder dat gij mij in de rede behoeft te vallen om mij in een beuzeling

terecht te zetten. Ik snorkte niet, toen ik zoo oud was als gij,

laat ik u dat zeggen. Ik kreeg geen eten genoeg om te snorken. En ik

viel iemand niet met beuzelingen in de rede, al wist ik er van."

Bitzer duwde op eene kruiperige manier zijne kneukels tegen zijn

voorhoofd en scheen vooral door het laatste gezegde van zijn patroon

zeer getroffen en verslagen.

"Honderd vijftig pond ongeveer," hervatte mijnheer Bounderby. "Die som

had Tom in zijne geldkist gesloten; geen heel sterke kist, maar dat

doet er nu niet toe. Alles was in orde toen men heenging. Op zekeren

tijd van den nacht, toen die knaap lag te snorken--mevrouw Sparsit,

gij zegt immers, dat gij hem hebt hooren snorken?"

"Mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "ik kan niet zeggen, dat

ik hem eigenlijk heb hooren snorken, en daarom mag ik zoo iets niet

verklaren. Maar 's avonds, in den winter, als hij op zijn stoel in

slaap viel, heb ik hem wel eens een geluid hooren maken, om zoo te

zeggen alsof hij half geworgd werd--het was omtrent hetzelfde geluid

dat men somtijds in eene houten klok hoort. Niet," vervolgde zij,

met de verhevene bewustheid dat zij de waarheid huldigde door eene

streng onpartijdige getuigenis te geven, "dat ik eenige blaam op

zijn zedelijk karakter zou willen werpen. Ver van daar. Ik heb Bitzer

altijd voor een jongmensch van de standvastigste beginselen gehouden,

dat verzoek ik te mogen zeggen."

"Welnu," hernam de vergramde Bounderby, "terwijl hij dan snorkte,

of half geworgd werd, of een geluid maakte als eene houten klok,

of iets van dien aard--terwijl hij lag te slapen, kortom--zijn

eenige kerels--of zij te voren in huis verscholen waren of niet,

staat nog te bezien--op eene of andere manier bij het geldkistje van

Tom gekomen, hebben het opengebroken en weggepakt wat er in was. Toen

gestoord wordende, hebben zij zich voortgemaakt, zich zelven de deur

uitgelaten, en die weer op het nachtslot gedraaid--zij was op het

nachtslot, en mevrouw Sparsit had den sleutel onder haar kussen--met

een valschen sleutel, dien men vandaag tegen twaalf uur op straat,

dicht bij het kantoor, heeft opgeraapt. Er werd geen alarm gemaakt,

voordat deze knaap, Bitzer, des morgens opstond en de kamer in orde

ging brengen. Toen ziet hij de deur van Tom's kamer aanstaan, vindt

het kistje opengebroken en het geld weg."

"A propos, waar is Tom?" vroeg Harthouse, in het rond kijkende.

"Hij heeft de politie geholpen," antwoordde Bounderby, "en is nog

aan het kantoor. Ik wou, dat die kerels geprobeerd hadden om mij te

bestelen toen ik zoo oud was als hij. Zij zouden er bij verloren

hebben, al hadden zij maar achttien stuivers onkosten voor het

karreweitje gemaakt, dat kan ik hun zeggen."

"Wordt er niemand verdacht?"

"Verdacht? Dat zou ik denken!" antwoordde Bounderby, den arm

van mevrouw Sparsit loslatende om zijn gloeiend voorhoofd af te

vegen. "Waarachtig, Josiah Bounderby van Coketown zal niet bestolen

worden, zonder dat er iemand verdacht werdt. Neen, wel verplicht!"

Mocht mijnheer Harthouse vragen wie er verdacht werd?

"Wel, dat zal ik u zeggen," antwoordde Bounderby, stilstaande en zich

omdraaiende om al de anderen aan te zien. "Maar het moet niet verder

verteld worden. Niemand moet er iets van hooren, om de schelmen, die er

in betrokken zijn--het is eene geheele bende--niet te waarschuwen. Dit

dus in vertrouwen. Wat zoudt gij zeggen," barstte hij geweldig uit,

"als er een van mijne werklieden in betrokken was?"

"Ik hoop niet onze vriend Blackpot?" zeide Harthouse op een

onverschilligen, slependen toon.

"Zeg Pool in plaats van Pot, mijnheer," antwoordde Bounderby,

"en het is de man."

Louisa liet een flauwen uitroep van verwondering en ongeloof hooren.

"O ja, dat weet ik wel," zeide Bounderby, hierop terstond vuur

vattende. "Daaraan ben ik gewend. Dat ken ik alles van buiten. Zij zijn

de braafste menschen van de wereld, dat volk. Zij kunnen machtig mooi

praten. Zij willen maar hebben dat men hun verklaart welke rechten

zij hebben. Maar ik zal u eens wat zeggen. Wijs mij een onvergenoegd

werkman, en ik zal u iemand wijzen, die tot alle slechtheid in staat

is, onverschillig welke."

Dit was weder een der algemeenheden van Coketown, welke men met

tamelijk veel moeite had verspreid, waaraan sommige menschen werkelijk

geloofden.

"Maar ik ken die knapen," hervatte Bounderby. "Ik kan hen lezen als een

boek. Mevrouw Sparsit, ik beroep mij op u. Welke waarschuwing heb ik

dien kerel gegeven, de eerste maal toen hij een voet bij mij in huis

zette, en zijn uitdrukkelijk oogmerk was te komen vragen, hoe hij de

godsdienst en de gevestigde Kerk zou kunnen overhoop smijten? Mevrouw

Sparsit, wat aanzienlijkheid van betrekkingen aangaat, staat gij

gelijk met de aristocratie--heb ik toen niet tegen dien kerel gezegd:

"Gij kunt de waarheid niet voor mij verbergen; gij zijt geen man die

mij bevalt en het zal niet goed met u afloopen?"

"Zeer zeker, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit, "gij hebt hem op

eene zeer nadrukkelijke manier eene vermaning van dien aard gegeven."

"Toen hij u zoo geërgerd en uw gevoel zoo gekwetst had,

juffrouw?" zeide Bounderby.

"Ja, mijnheer," antwoordde mevrouw Sparsit en schudde met zachtaardige

treurigheid haar hoofd, "dat had hij wèl gedaan. Hoewel ik niet wil

tegenspreken, dat mijn gevoel op zulke punten teerder is--overdrevener,

als men die uitdrukking beter vindt--dan het wezen zou, indien ik

altijd mijne tegenwoordige betrekking had bekleed."

Bijna barstende van hoogmoed, staarde Bounderby zijn vriend aan, als

wilde hij zeggen: "ik ben de eigenaar van die vrouw, en zij is uwe

aandacht wel waardig, zou ik denken?" Daarop hervatte hij zijne rede.

"Gij zult u wel herinneren, Harthouse, wat ik tegen hem zeide

toen gij hem zaagt. Ik wond er volstrekt geen doekjes om. Ik ben

nooit zoetsappig met hen. Ik ken ze. Heel goed, mijnheer. Drie dagen

naderhand liep hij weg--ging voort, niemand weet waarheen--gelijk mijne

moeder gedaan heeft toen ik een kind was, alleen met dit verschil,

dat hij zoo mogelijk nog slechter was dan mijne moeder. En wat heeft

hij nu gedaan eer hij heenging? Wat zegt gij er van,"--met zijn hoed

in de hand, gaf de spreker bij elke afdeeling zijner rede een tik op

den bol, alsof het eene tamboerijn was--"dat men hem avond op avond

bij het kantoor op de wacht heeft gezien--dat hij na den donker daar

bleef loeren--dat het mevrouw Sparsit dadelijk inviel, dat hij met

geen goed oogmerk zoo loeren kon--dat zij Bitzer opmerkzaam op hem

maakte en zij hem alle twee in het oog hielden--en dat het vandaag

door navraag gebleken is, dat ook de buren op hem gelet hebben?" Tot

dit toppunt zijner welsprekendheid gekomen, zette Bounderby, gelijk

een Oostersche danser, zijne tamboerijn op het hoofd.

"Dat luidt zeker verdacht," zeide James Harthouse.

"Dat dunkt mij ook, mijnheer," hervatte Bounderby, met een uitdagend

knikje. "Dat dunkt mij ook. Maar er zijn er nog meer in betrokken. Er

is eene oude vrouw. Men hoort nooit van die dingen eer het kwaad

gebeurd is; men vindt allerlei gebreken aan de staldeur als het paard

gestolen is. Nu komt er een oud wijf voor den dag, een oud wijf, dat

naar het schijnt, van tijd tot tijd op een bezemstok naar de stad is

komen vliegen. Zij houdt een geheelen dag de wacht voor het kantoor

eer die kerel begint, en op den avond toen gij hem gezien hebt,

sluipt zij met hem heen om overleg met hem te houden--denkelijk om

rapport te doen eer zij haar post verliet--dat duivelsche wijf."

Er was dien avond zulk eene vrouw in de kamer, en zij scheen zich te

willen schuilhouden, dacht Louisa.

"Dit zijn ze nog niet eens allen, zooveel wij nu reeds weten," zeide

Bounderby, verscheidene malen geheimzinnig knikkende. "Maar ik heb voor

het oogenblik genoegd gezegd. Gij zult wel zoo goed zijn om het stil te

houden en er niemand over te spreken. Het zal misschien tijd kosten,

maar wij zullen hen wel krijgen. Het is voorzichtig hen niet ongerust

te maken, en het kan geen kwaad, dat zij vrij spel schijnen te hebben."

"Natuurlijk zullen zij met de grootste strengheid der wet gestraft

worden, gelijk de publicaties zeggen," antwoordde James Harthouse,

"en dat is goed ook. Kerels, die kantoren bestelen, moeten de gevolgen

maar ondervinden. Als er geene gevolgen waren zou iedereen kantoren

gaan bestelen."

Hij had Louisa zacht hare parasol uit de hand genomen en voor haar

opgezet; en zij wandelden onder dier schaduw, hoewel de zon daar

niet scheen.

"Vooreerst, Louisa Bounderby," zeide haar echtgenoot, "moet er om

mevrouw Sparsit gedacht worden. Hare zenuwen hebben door die historie

een schok gekregen, en zij zal een paar dagen hier blijven. Maak dus,

dat zij het hier naar haar genoegen heeft."

"Ik dank u wel zeer, mijnheer," zeide deze bescheidene dame hierop,

"maar ik bid u, laat mijn genoegen niemand bekommeren. Voor mij is

alles goed genoeg."

Het bleek spoedig, dat, indien mevrouw Sparsit in het huiselijke

verkeer één gebrek had, het dit was, dat zij buitengemeen weinig

werk van zich zelve en zooveel van anderen maakte, dat zij daardoor

zeer onaangenaam en lastig werd. Toen men haar hare kamer wees,

was zij zoo schrikkelijk gevoelig voor het comfortable daarvan,

dat zij niet nalaten kon te zeggen, dat zij liever op den mangel

in de strijkkamer den nacht had willen doorbrengen. 't Was waar,

de Powler's en de Scadgers' waren aan weelde gewoon; "maar het is

mijn plicht te onthouden," merkte mevrouw Sparsit gaarne met deftige

minzaamheid aan, inzonderheid als er dienstboden bij waren, "dat ik

niet meer ben wat ik was. Inderdaad," zeide zij, "als ik geheel en al

de herinnering kon uitwisschen, dat mijnheer Sparsit een Powler was,

en dat ik zelf met de familie Scadgers vermaagschapt ben; of als ik

zelf dat feit kon herroepen en mij zelve tot een persoon van gemeene

afkomst en burgerlijke betrekkingen maken, zou ik het zeer gaarne

doen. Ik zou onder de bestaande omstandigheden denken, dat ik daaraan

wèl zou doen." Dezelfde ootmoedige nederigheid deed haar aan tafel

alle kunstmatig toebereide schotels afwijzen en voor wijn bedanken,

totdat mijnheer Bounderby haar ronduit gebood om er van te gebruiken;

waarna zij zeide: "Gij zijt waarlijk wel goed, mijnheer," en daarmede

haar openlijk met vrij veel deftigheid aangekondigd besluit verzaakte

"om op den eenvoudigen schapebout te wachten." Zij verzocht ook met

diepe nederigheid verschooning als zij het zout verlangde; en zich

verplicht achtende, om de getuigenis, die mijnheer Bounderby van hare

zenuwen had gegeven, ten volle te bekrachtigen, liet zij zich nu en

dan op haar stoel achteroverzakken om stil te schreien, en dan kon

men (of liever moest men, want de zaak drong zich met geweld aan de

aandacht op) een traan, zoo groot als eene kristallen oorbel, langs

haar Romeinschen neus zien afrollen.

Slechte Tijden · 第 16 / 27 段