gelooven zich zelven niet. Het eenige verschil tusschen ons en de
voorvechters van deugd, menschenliefde of philanthropie--de naam
komt er niet op aan--is, dat wij weten dat die dingen woorden zonder
beteekenis zijn, en dat wij dit zeggen; terwijl zij het evengoed weten,
maar het nooit willen zeggen."
Waarom zou zij zich aan zulke herhaalde verklaringen ergeren, of er
zich door laten waarschuwen? Deze leer verschilde niet zooveel van haar
vaders grondbeginselen, die haar als kind waren ingeprent, om er van
te moeten schrikken. Waarin bestond het groote onderscheid tusschen de
twee scholen, daar beide haar aan het stoffelijke en werkelijke boeiden
en haar geen geloof aan iets anders inboezemden? Was er iets in hare
ziel, in haar staat van onschuld, door Thomas Gradgrind aangekweekt,
dat James Harthouse nu had kunnen verwoesten?
Het was thans zelfs des te erger voor haar, dat in haar gemoed
eene worstelende neiging om aan eene grootere en hoogere bestemming
des menschen te gelooven--daarin geplant, voordat haar uitstekend
practische vader het begon te vormen--onophoudelijk met twijfeling
en wrevelige gedachten kampte: met twijfelingen, omdat die neiging
in hare jeugd zoo was gesmoord; met wrevelige gedachten, over het
onrecht dat men haar had aangedaan, indien die fluisterende stem
de waarheid sprak. Voor een gemoed, lang gewoon om zichzelf onder
pijnlijk bedwang te houden, en aldus verscheurd en verdeeld, bracht
de door Harthouse gepredikte philosophie eene verademing mede, dewijl
zij haar voor zichzelve leerde rechtvaardigen. Daar alles even ledig
en nietig was, had zij niets gemist en niets opgeofferd. Wat maakte
het uit? had zij tot haar vader gezegd, toen hij haar dat huwelijk
voorsloeg. Wat maakte het uit? zeide zij nog. Met alles verachtend
zelfvertrouwen vroeg zij zichzelve: Wat maakte iets op de wereld
uit?--en zoo ging zij al voort en voort.
Waarheen? Stap voor stap, al verder en verder, altijd benedenwaarts,
naar een zeker einde, maar toch zoo langzaam, dat zij zich verbeeldde
te blijven stilstaan. Wat mijnheer Harthouse aangaat, waarheen
hij zijne schreden richtte, had hij nooit bedacht en het was hem
ook geheel onverschillig. Hij had geen bijzonder plan of oogmerk;
geene krachtige opwelling van booze neigingen verstoorde ooit zijne
kwijnende flauwheid. Hij was voor het oogenblik zoozeer geamuseerd
en geïnteresseerd, als zulk een fijn beschaafd gentleman voegde,
misschien meer dan hij, voor zijne reputatie, had kunnen bekennen. Kort
na zijne aankomst schreef hij aan zijn broeder, het achtbare en luimige
Parlementslid, dat de Bounderby's heel amusant waren, en verder, dat de
vrouwelijke Bounderby, in plaats van eene Medusa, gelijk hij verwacht
had, jong en bijzonder mooi was. Naderhand schreef hij niet meer over
hen, en bracht toch het grootste gedeelte van zijn ledigen tijd in
hun huis door. Bij zijn omzwerven door het district van Coketown kwam
hij hen dikwijls bezoeken, en werd door mijnheer Bounderby zeer daarin
aangemoedigd. Het was geheel in mijnheer Bounderby's winderige manier,
er bij iedereen op te snoeven, dat hij niet om lieden van voorname
familie gaf, maar dat als zijne vrouw, Tom Gradgrind's dochter,
dit deed, zij vrij gezelschap met hem mocht houden.
Mijnheer James Harthouse begon te denken, dat het hem eene nieuwe
aandoening zou geven, indien het gezichtje, dat voor "dien hondsvot"
zoo treffend veranderde, eens voor hem wilde veranderen.
Hij was vlug genoeg in het doen van waarnemingen; hij had een
uitmuntend geheugen en hij vergat geen woord van de openbaringen,
die haar broeder hem gedaan had. Hij bracht die in verband met alles
wat hij van de zuster zag, en nu begon hij haar te begrijpen. Wel
is waar lag het betere en diepere gedeelte van haar karakter niet
binnen den kring van zijn begrip; want in zielen, gelijk in zeeën,
roept de diepte tot de diepte; maar spoedig begon hij het overige
met vorschende oogen te lezen.
Mijnheer Bounderby was eigenaar van een landgoed geworden, dat omtrent
vijftien mijlen van de stad gelegen was, en tot een paar mijlen
afstands genaakbaar langs een spoorweg, die over vele bogen door eene
woeste streek lands liep, door verlatene kolengroeven ondermijnd en des
nachts met vuren en de zwarte gedaanten van machines overzaaid. Deze
streek, die bij het naderen van Bounderby's buitengoed langzamerhand
vriendelijker werd, ging daar in een bevallig landschap over, in de
lente verguld met heidebloesems en besneeuwd met bloeiende haagdoornen,
en den geheelen zomer door bedekt met trillend loover en schemerende
schaduwen. Het kantoor had op dit zoo vermakelijk gelegen buitengoed
eene hypotheek gehad, door een der magnaten van Coketown genomen, die,
verlangend om langs een korter weg dan den gewonen schatrijk te worden,
ongeveer tweemaal honderdduizend pond te hoog had gespeculeerd. Zulke
ongelukjes gebeurden somtijds in de deftigste en geregeldste familiën
van Coketown, hoewel de bankroetiers in geene de minste betrekking
stonden met die klasse, welker gebrek aan overleg en voorzichtigheid
zoo dikwijls ter sprake kwam.
Het was voor mijnheer Bounderby een uitstekend genoegen dit bekoorlijke
landgoedje in bezit te nemen en met pralende nederigheid den bloemtuin
met kool te laten beplanten. Het was een genot voor hem, onder de
elegante meubelen huis te houden alsof hij in eene kazerne was, en
zelfs de schilderijen moesten veracht worden om op zijne lage afkomst
te kunnen snoeven. "Ja, mijnheer," zeide hij zoo tegen een gast,
"ik heb gehoord, dat Nickits" (de vorige eigenaar) "zevenhonderd pond
voor dat zeestrand heeft gegeven. Nu, om rondborstig te zijn, als ik
er in geheel mijn leven zevenmaal naar kijk, tegen negenhonderd pond
voor iederen keer, zal het al wel zijn. Neen, waarachtig, ik vergeet
niet, dat ik Josiah Bounderby van Coketown ben. Jaar op jaar waren
de eenige schilderijen in mijn bezit, of die ik zonder te stelen in
mijn bezit had kunnen krijgen, de prentjes van een man, die zich in
eene laars den baard schoor, op de schoensmeerflesschen, waarmee ik
machtig blij was dat ik laarzen mocht poetsen, en die ik, als ze leeg
waren, voor een farthing het stuk verkocht; en dan was ik weer blij,
dat ik er nog zóóveel voor kreeg."
Tegen Harthouse zeide hij eens in denzelfden trant:
"Harthouse, gij hebt hier een paar paarden. Laat er nog een half
dozijn meer komen, als ge wilt, wij zullen er wel plaats voor
vinden. Er is hier stalling voor wel twaalf paarden, en als mij
Nickits niet beliegt, moet hij ook een vol dozijn hebben gehouden. Een
vol dozijn, mijnheer. Toen die man een jongen was, ging hij naar de
Westminster-school. Hij ging naar de Westminster-school, mijnheer,
terwijl ik voornamelijk van groentenafval leefde en op de markt in
eene ledige mand sliep. Wel, als ik twaalf paarden wilde houden--dat
ik niet doe, omdat één genoeg voor mij is--zou ik ze nooit op stal
kunnen zien staan, zonder er om te denken hoe ik zelf eens placht
te wonen. Ik zou ze niet onder mijne oogen kunnen velen, mijnheer,
maar ze moeten wegdoen. Maar zoo komen de dingen toch terecht. Gij
ziet dit buiten, gij weet wat voor een buiten het is; gij weet,
dat er voor zijne grootte geen completer buiten bestaat, hier in
het land of ergens op de wereld--het kan mij niet schelen waar--en
hier in het midden daarvan, gelijk een oorwurm in eene okkernoot, zit
Josiah Bounderby; terwijl Nickits (dit heeft mij iemand, die gisteren
op het kantoor kwam, verteld) Nickits, die op de Westminster-school
in Latijnsche komedies placht mee te spelen, waar de adel van het
land hem applaudisseerde tot ze bek af waren, op dit oogenblik half
gek--half gek, mijnheer--te Antwerpen in een donker achterstraatje
op de vijfde verdieping zit te mijmeren."
Het was onder de looverschaduwen van dit buitengoed, in de lange,
zoele zomerdagen, dat mijnheer Harthouse begon te beproeven, of het
gezichtje, waarover hij zich, toen hij het voor de eerste maal zag,
zoozeer had verwonderd, ook voor hem zou willen veranderen.
"Mevrouw Bounderby, ik houd het voor een zeer gelukkig toeval, dat
ik u hier alleen vind. Ik heb reeds eenigen tijd bijzonder verlangd
om u eens te spreken."
Het was geen zeer zonderling toeval, dat hij haar vond, daar zij op
dien tijd van den dag altijd alleen, en dat plekje hare geliefkoosde
rustplaats was. Het was eene opening in een donker bosch, waar eenige
gevelde boomen lagen, en waar zij naar de afgevallen bladeren van het
vorige jaar zat te turen, gelijk zij thuis naar de vallende vonken
had getuurd.
Hij zette zich naast haar neer en zag haar zijdelings in het gezicht.
"Uw broeder, mijn jonge vriend Tom...,"
Hare kleur werd hooger en zij keerde zich met een blik vol
belangstelling naar hem om.
"Ik heb nooit in mijn leven," dacht hij, "iets zoo opmerkelijks en
bekoorlijks gezien als het ophelderen van die trekken."
Zijn gezicht verried zijne gedachten--misschien zonder hem te verraden,
want het kon wel met voordacht geschied zijn, dat het die uitdrukking
teekende.
"Excuseer mij. De uitdrukking uwer zusterlijke belangstelling is
zoo schoon--Tom moest er zoo trotsch op wezen--ik weet wel, dat het
onverschoonlijk is, maar mijne bewondering was onwillekeurig."
"Gij zijt altijd zoo naïef," zeide zij bedaard.
"Neen, mevrouw Bounderby, gij weet wel, dat ik voor u niet veinzen
wil. Ik weet wel, dat ik een alledaagsch, baatzuchtig mensch ben,
altijd gereed om mij zelve voor eene billijke som te verkoopen,
en geheel onvatbaar voor alle Arcadisch gevoel."
"Ik wacht," antwoordde zij, "wat gij verder van mijn broeder te
zeggen hebt."
"Gij zijt stug tegen mij, en ik verdien het. Ik ben zulk een
nietswaardig schepsel als er een op de wereld is, behalve dat ik
niet valsch ben. Maar gij hebt mij door verrassing van mijn onderwerp
afgebracht--uw broeder namelijk. Hij interesseert mij."
"Is er dan nog iets dat u interesseert, mijnheer Harthouse?" zeide zij,
half ongeloovig en half dankbaar.
"Als ge mij dat gevraagd hadt toen ik pas hier kwam, zou ik gezegd
hebben "neen." Nu moet ik "ja" antwoorden--zelfs op het gevaar af, dat
ge mij van veinzerij zult verdenken en mij niet zult willen gelooven."
Zij maakte eene geringe beweging, alsof zij wilde spreken, maar geene
stem had. Eindelijk zeide zij: "Mijnheer Harthouse, ik wil wel van
u gelooven, dat gij u voor mijn broeder interesseert."
"Ik dank u. Ik zal pogen dat vertrouwen te verdienen. Gij weet wel
op hoe weinig ik aanspraak maak, maar zoo ver wil ik toch gaan. Gij
hebt zooveel voor hem gedaan, gij zijt zoo liefderijk voor hem; in
geheel uw leven straalt zulk eene bekoorlijke zelfverloochening om
zijnentwil door--nog eens excuseer mij--ik dwaal weder ver van mijn
onderwerp af. Ik interesseer mij voor hem om zijn eigen wil."
Zij had de geringst mogelijke beweging gemaakt alsof zij haastig
wilde opstaan en heengaan. Op hetzelfde oogenblik had hij echter zijn
gezegde eene andere wending gegeven en zij bleef zitten.
"Mevrouw Bounderby," hervatte hij op een luchtiger toon, maar tegelijk
liet hij duidelijk de inspanning zien, die het hem kostte om dien toon
aan te nemen, en versterkte daardoor den gemaakten indruk; "het is
geen onherstelbaar misdrijf bij een jongmensch van uw broeders jaren,
als hij zorgeloos en onbedacht is, wat veel geld verteert--kortom,
met de gewone uitdrukking, een weinigje losbandig is. Is hij dat niet?"
"Ja."
"Veroorloof mij eens rondborstig te zijn. Denkt gij dat hij speelt?"
"Ik geloof, dat hij wedt," en daar Harthouse bleef wachten, alsof
dit nog niet haar geheele antwoord was, voegde zij er bij: "Ik weet,
dat hij dat doet."
"Natuurlijk verliest hij?"
"Ja."
"Iedereen, die wedt, verliest. Mag ik de waarschijnlijkheid wel
aanroeren, dat gij hem somtijds voor die liefhebberijen van geld
voorziet?"
Zij had voor zich neergezien; maar bij deze vraag sloeg zij hare
oogen op en zag hem uitvorschend en met eenige verstoordheid aan.
"Ik hoop, dat ge mij van alle onbescheidene nieuwsgierigheid
zult vrijspreken, lieve mevrouw Bounderby. Ik geloof, dat Tom zich
langzamerhand in moeielijkheden wikkelt, en ik wensch hem uit de diepte
mijner ondeugende ervaring eene helpende hand toe te reiken. Zal ik
nog eens zeggen, om zijnentwil? Is dat noodig?"
Zij scheen te willen antwoorden, maar er kwam niets van.
"Om u openhartig alles te bekennen wat mij wel eens in het hoofd
is gekomen," vervolgde Harthouse, wederom met dezelfde zichtbare
inspanning zijn luchtigen toon aannemende, "wil ik u zeggen, dat ik
er zeer aan twijfel of hij wel veel in zijn voordeel heeft gehad, of
het--verschoon mijne lompheid--wel waarschijnlijk is, dat er groote
vertrouwelijkheid tusschen hem en zijn waardigen vader kan bestaan."
"Dat houd ik niet voor waarschijnlijk," zeide Louisa, blozende bij
hare eigene gewichtige herinnering in dit opzicht.
"Of tusschen hem--ik vertrouw, dat gij mijne meening volkomen zult
begrijpen--of tusschen hem en zijn hooggeachten schoonbroeder."
Zij bloosde al hooger en hooger, en was gloeiend rood toen zij met
eene flauwe stem antwoordde: "Dat acht ik ook niet waarschijnlijk."
"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, na eene korte poos van stilte,
"zou er niet meer vertrouwelijkheid tusschen u en mij kunnen zijn? Tom
heeft eene aanmerkelijke som van u geleend, niet waar?"
"Gij moet wel begrijpen, mijnheer Harthouse," antwoordde zij, na een
oogenblik van besluiteloosheid--zij was gedurende dit geheele gesprek
min of meer onrustig en verlegen geweest, maar had toch over het
geheel hare zelfbeheersching bewaard--"gij moet wel begrijpen, dat,
als ik u zeggen zal wat gij mij dringt te zeggen, het niet bij wijze
van klacht of uitdrukking van spijt is. Ik zou nooit over iets willen
klagen, en van hetgeen ik gedaan heb, heb ik geen de minste spijt."
"Hoe fier ook!" dacht James Harthouse.
"Toen ik trouwde, bevond ik dat mijn broeder toen reeds zwaar in
schulden zat. Zwaar voor zijn doen, meen ik. Zwaar genoeg om mij
tot het verkoopen van eenige sieraden te noodzaken. Dit was geene
opoffering. Ik verkocht ze zeer gewillig. Ik hechtte er geene waarde
aan. Voor mij waren zij niets waard."
Zij zag aan zijn gezicht, of haar geweten deed het haar vreezen, dat
hij begreep dat zij van geschenken sprak, die haar man haar gegeven
had. Indien hij dit nog niet begrepen had, zou hij het nu hebben
gedaan, al was hij veel dommer geweest dan hij was.
"Sedert heb ik mijn broeder van tijd tot tijd zooveel geld gegeven
als ik missen kon, kortom zooveel geld als ik had. Als ik u vertrouw,
omdat ik geloof aan de belangstelling, die gij voor hem betoont,
wil ik het niet ten halve doen. Sedert gij gewoon zijt hier te komen,
heeft hij in eens om eene som van honderd pond gevraagd. Ik was niet
in staat om hem die te geven. Ik ben wel ongerust geweest over de
gevolgen, die het hebben kon, als hij om dat geld verlegen bleef,
maar ik heb het geheim bewaard tot op dit oogenblik, nu ik het aan uwe
eer toevertrouw. Ik heb niemand in mijn vertrouwen genomen, omdat--gij
hebt zoo even zelf de reden aangeduid." En hier brak zij eensklaps af.
Het ontbrak hem niet aan gevatheid, en hij nam terstond de gelegenheid
waar om haar, onder den schijn van over haar broeder te spreken,
haar eigen beeld voor te houden.
"Mevrouw Bounderby, hoewel ik een man van de wereld en volstrekt niet
sentimenteel ben, kan ik u toch verzekeren, dat het mij aandoet wat
gij daar zegt. Het is mij niet mogelijk uw broeder hard te vallen. Ik
begrijp de verstandige inschikkelijkheid, waarmede gij zijne dwalingen
beschouwt, en stem geheel daarmede in. Met alle mogelijke hoogachting,
zoowel voor mijnheer Gradgrind als mijnheer Bounderby, meen ik te
bespeuren, dat zijne opleiding niet gelukkig is geweest. Door zijne
opvoeding onbekend gebleven met de samenleving, waarin hij toch eene
rol moest spelen, stort hij zich nu moedwillig in die uitersten, omdat
de tegenovergestelde uitersten hem--zonder twijfel met de allerbeste
oogmerken--zijn opgedwongen. Mijnheer Bounderby's rondborstige, echt
Engelsche onafhankelijkheid, hoewel een allerinnemendste karaktertrek
van hem, lokt toch--daarover zijn wij het eens geworden--niet tot
vertrouwen uit. Als ik het durfde zeggen, zou ik meenen, dat het hem,
naar het mij voorkomt, wel zeer weinig, maar toch eenigermate ontbreekt
aan die kieschheid, tot welke een jongmensch, die op een dwaalspoor is
geraakt, wiens karakter men van zijne kindsheid af niet heeft begrepen,
en wiens talenten daardoor eene verkeerde richting hebben genomen,
zich zou willen wenden om hulp en bestuur te zoeken."
Terwijl zij recht voor zich uit zat te staren naar de afwisselende
lichtspelingen op het gras en in de duisternis van het bosch, las hij
in hare trekken de toepassing zijner woorden, die hij met de meest
mogelijke duidelijkheid uitsprak.
"Men moet hem veel toegeven," vervolgde hij. "Maar ik vind in Tom
toch één groot gebrek, dat ik hem niet vergeven kan, en hem als eene
zware schuld aanreken."
Louisa sloeg hare oogen op en vroeg hem welk gebrek dit was.
"Misschien heb ik genoeg gezegd," antwoordde hij. "Misschien zou
het over het geheel beter zijn geweest als er mij geen woord van
ware ontsnapt."
"Gij maakt mij ongerust, mijnheer Harthouse. Zeg mij toch wat het is."
"Welnu, om u van noodelooze bezorgdheid te ontheffen--en daar wij,
wat uw broeder aangaat, tot eene vertrouwelijkheid zijn gekomen,
waarop ik boven alles prijs stel--zal ik u gehoorzamen. Ik kan het
hem niet vergeven, dat hij zich in al wat hij zegt of doet niet
meer gevoelig toont voor de genegenheid zijner beste vriendin--voor
hare onbaatzuchtigheid, hare zelfopoffering en zelfverloochening. De
belooning, welke hij haar daarvoor geeft, is, zooveel ik heb opgemerkt,
al zeer gering. Wat zij voor hem gedaan heeft, moest met standvastige
liefde en dankbaarheid, niet met opvliegendheid en kwade luimen
vergolden worden. Welk een loszinnig schepsel ik ook wezen moge, ik
ben niet zoo onverschillig, mevrouw Bounderby, dat ik deze ondeugd
in uw broeder over het hoofd kan zien of genegen ben die voor een
verschoonlijken misstap te houden."
Het bosch werd in een schemerenden nevel gehuld, want hare oogen
stonden vol tranen. Zij ontsprongen uit eene diepe, lang verborgene
bron, maar de kwellende smart, die haar hart vervulde, vond geene
verlichting daarin.
"Kortom, het zou mijn hoogste wensch zijn, mevrouw Bounderby, dat ik
uw broeder in dit opzicht kon verbeteren. Mijne meerdere bekendheid
met zijne omstandigheden, en mijn raad en bijstand om hem daaruit te
redden--van eenige waarde, hoop ik, daar zij van iemand komen, die
een deugniet op veel grootere schaal is geweest--zullen mij eenigen
invloed op hem geven, en allen invloed, dien ik op hem verkrijg,
zal ik zekerlijk tot dat oogmerk aanwenden. Ik heb genoeg gezegd, en
meer dan genoeg. Het zou kunnen schijnen, dat ik mij wilde voordoen
als een goedhartig mensch, terwijl ik, op mijne eer, geen het minste
voornemen daartoe heb en openlijk verklaar, dat ik niets van dien aard
ben. Daar onder de boomen," vervolgde hij, nadat hij had opgekeken
en rondgezien, want tot nog toe had hij scherp op haar gelet, "is uw
broeder zelf, die zeker zoo pas is hier gekomen. Daar hij dezen kant
schijnt heen te dwalen, zal het misschien niet kwaad zijn als wij naar
hem toe wandelden en hem in den weg zochten te komen. Hij is sedert
eenigen tijd zeer stil en verdrietig. Misschien is zijn broederlijk
geweten getroffen--als er zulk een ding als een geweten is; want,
op mijne eer, ik hoor er veel te dikwijls van om er aan te gelooven."
Hij hielp haar opstaan, zij nam zijn arm, en zij gingen den hondsvot te
gemoet. Tom sloeg al voortslenterende met zijn rotting tegen de takken,
en bleef tusschenbeide stilstaan om met zekere kwaadaardigheid het
mos van de boomen te schrappen. Hij schrikte en verschoot van kleur,
toen zij hem onder dit laatste tijdverdrijf onverwacht nabij kwamen.
"Holla ho!" zeide hij stotterend. "Ik wist niet, dat gij hier waart."
"Wiens naam, Tom," zeide Harthouse, hem de hand op den schouder
leggende en hem zoodanig omdraaiende, dat zij nu alle drie naar het
huis wandelden, "hebt gij daar op de boomen gesneden?"
"Wiens naam?" antwoordde Tom. "O, gij meent welken meisjesnaam?"
"Uw voorkomen brengt u onder sterke verdenking, Tom, dat ge juist
bezig waart met den naam eener schoone op de schors te schrijven."
"Wel neen, mijnheer Harthouse, of eene schoone met een goed fortuin
tot hare vrije beschikking moest eens zin in mij krijgen. Zij mocht
zoo leelijk zijn als zij rijk ware, zij zou toch niet bang behoeven
te wezen om mij te verliezen. Ik zou haar naam schrijven zoo dikwijls
als zij maar wilde."
"Ik vrees dat gij zeer zelfzuchtig zijt, Tom."
"Zelfzuchtig," herhaalde Tom. "Wie is niet zelfzuchtig. Vraag mijne
zuster maar."
"Hebt gij zoo ondervonden, Tom, dat dit een gebrek van mij was?" zeide
Louisa, zonder op andere wijze hare gevoeligheid over zijne norschheid
en wreveligheid te toonen.
"Gij moet zelf maar weten of de schoen u past, Louisa," antwoordde
haar broeder stuursch. "Zoo ja, trek hem dan maar aan."
"Tom is vandaag misanthropisch, gelijk alle menschen, die zich
vervelen, nu en dan zijn," liet Harthouse hierop volgen. "Geloof hem
maar niet, mevrouw Bounderby; hij weet wel beter. Als hij niet wat
vriendelijker wordt, zal ik u laten hooren, hoe hij mij eens heimelijk
heeft gezegd, wat hij eigenlijk denkt."
"In allen gevalle, mijnheer Harthouse," zeide Tom, door de schertsende
gemeenzaamheid van zijn voornamen vriend eenigszins verzacht, maar
toch nog wrevelig zijn hoofd schuddende, "kunt gij haar niet zeggen,
dat ik haar ooit geprezen heb omdat zij zelfzuchtig was. Misschien heb
ik haar wel eens voor het tegendeel geprezen, en dat zou ik weder doen,
als ik er evengoede reden toe had. Maar dat komt er nu niet op aan:
het is voor u niet zeer belangrijk, en mij verveelt de zaak al lang."
Zij wandelden voor naar het huis, waar Louisa den arm van haar
geleider losliet en binnenging. Hij stond haar na te kijken terwijl
zij de stoep opwipte en in de schaduw van het portaal verdween; daarna
legde hij zijne hand weder op haar broeders schouder en noodigde hem
met een gemeenzaam, hoofdknikje tot eene wandeling in den tuin.
"Tom, mijn beste jongen, ik heb een woordje met u te spreken."
Zij bleven staan tusschen een warboel van rozen--het behoorde tot
mijnheer Bounderby's nederigheid om de rozen van Nickits in het wild
te laten groeien--en Tom zette zich op de balustrade van een terras,
en begon de knoppen af te plukken en in stukjes te trekken; terwijl
zijn geleigeest bij hem stond, met zijn eenen voet op de balustrade
en het overgebogene bovenlijf rustende op den arm, welke door die knie
werd ondersteund. Zij waren uit haar venster juist zichtbaar. Misschien
zag zij hen.
"Tom, wat scheelt er aan?"
"Och, mijnheer Harthouse," antwoordde Tom met een zucht, "ik zit er
zoo in; ik word half doodgeplaagd."
"Ik ook, mijn beste jongen."
"Gij?" hervatte Tom. "Gij zijt zoo onafhankelijk als iemand wezen
kan. Ik zit schrikkelijk in het nauw, mijnheer Harthouse. Gij kunt
u niet verbeelden, in welk een toestand ik mij gebracht heb--een
toestand, waaruit mijne zuster mij had kunnen redden, als zij maar
gewild had."
Hij begon nu de rozeknoppen aan stukken te bijten, en scheurde ze
tusschen zijne tanden uit, met eene hand, welke beefde als die van
een afgeleefd oud man. Na hem eerst met een zeer opmerkzamen blik te
hebben aangezien, nam zijn makker zijn luchtigsten toon aan.
"Maar, Tom, ge zijt onredelijk. Ge wilt al te veel van uw zuster
hebben. Gij hebt immers reeds geld van haar gehad, gij, rekel--dat
weet ik."
"Ja, mijnheer Harthouse, dat weet ik ook wel. Hoe zou ik er anders
aan komen? Daar is oude Bounderby, die er altijd op snoeft dat hij,
toen hij zoo oud was als ik, van een dubbeltje 's maands leefde,
of zoo iets van dien aard. Daar is mijn vader, die eene lijn trekt,
zooals hij zegt, en mij van een kind af met handen en voeten daaraan
vastbindt. Daar is mijne moeder, die nooit iets te veel heeft,
behalve klachten. Wat zal iemand dan doen om aan geld te komen,
en van wie heb ik iets te wachten, als het niet van mijne zuster is?"
Hij huilde bijna en strooide de rozeknoppen bij dozijnen om zich heen.