Hij zeide dus naar waarheid: "Ik ben er kalmer onder, Rachel, dan ik

had kunnen denken."

Het was hare taak niet zijn last te verzwaren; zij antwoordde dus

met haar opbeurenden glimlach, en het drietal wandelde te zamen voort.

Oude lieden, vooral wanneer zij hun best doen om vroolijk te zijn

en anderen niet tot last te wezen, worden onder de armen algemeen

geacht en geëerd. De oude vrouw had zulk een fatsoenlijk voorkomen,

was zoo vergenoegd, en nam hare zwakheden, hoewel zij sedert haar vorig

onderhoud met Stephen waren toegenomen, zoo licht op, dat beiden eene

welwillende belangstelling voor haar begonnen te gevoelen. Zij was

te vlug om te willen toelaten, dat men om harentwil langzamer ging,

maar zij was zeer dankbaar dat men met haar praatte, en zelve zeer

genegen om te praten; zoodat zij, toen men aan dat gedeelte der stad

gekomen was, waar hare geleiders woonden, levendiger en luchtiger

was geworden dan ooit.

"Kom bij mij binnen, juffrouw," zeide Stephen, "en drink een kopje

thee. Rachel zal dan ook binnenkomen en u naderhand veilig naar uw

logement brengen. Het zal misschien lang duren, Rachel, eer ik weder

eens kans heb op uw gezelschap."

Men bewilligde, en de drie gingen verder naar het huis waar hij

woonde. Toen men de smalle straat insloeg, keek Stephen naar zijn

venster op met een angst, die hem altijd kwelde als hij naar huis ging;

maar het venster stond open gelijk hij het gelaten had, en niemand

was daar. De booze geest van zijn leven was maanden geleden weder

verdwenen; en hij had sedert niet meer van haar gehoord. De eenige

blijken harer laatste terugkomst waren thans het kariger huisraad in

zijne kamer en het grijzere haar op zijn hoofd.

Hij stak eene kaars aan, zette zijn theeblad gereed, haalde heet

water van beneden, en brood, boter en eene kleine portie thee en

suiker in den naasten winkel. Het brood was versch en bros van korst,

de boter niet lang geleden gemaakt en de suiker wit, natuurlijk--om

de standvastige getuigenis der magnaten van Coketown te bewaarheden,

dat die menschen leefden als prinsen, mijnheer. Rachel zette thee

(zulk een groot gezelschap maakte het noodzakelijk een kopje te

leenen), en de vreemde oude vrouw was machtig in haar schik. Het was

de eerste zweem van gezelligheid, dien de gastheer in vele dagen had

gehad. Ook hij, met de wereld als eene barre, uitgestrekte heide voor

zich, genoot dezen maaltijd--wederom ter bevestiging van de getuigenis

der magnaten--als een voorbeeld van het volslagen gebrek aan overleg

bij die menschen, mijnheer.

"Ik heb er nog niet aan gedacht om naar uw naam te vragen, juffrouw,"

zeide Stephen.

De oude vrouw maakte zich bekend als "juffrouw Pegler."

"Eene weduwe, denk ik?" zeide Stephen.

"O, vele jaren lang!"

Juffrouw Pegler's echtgenoot (een van de beste mannen, die er ooit

geweest waren) was, volgens hare berekening, reeds dood toen Stephen

geboren werd.

"Het was wel een ongeluk, zoo'n goed man te verliezen. En kinderen?"

Het kopje van juffrouw Pegler, dat tegen het schoteltje rinkelde,

duidde eenige zenuwachtigheid bij haar aan. "Neen," zeide zij. "Nu

niet, nu niet."

"Dood, Stephen," fluisterde Rachel hem zachtjes toe.

"Het spijt me dat ik er van gesproken heb," zeide Stephen. "Ik had

moeten bedenken, dat ik eene pijnlijke plek kon treffen. Ik--ik had

beter moeten weten."

Terwijl hij zich zoo verontschuldigde, rinkelde het kopje der

oude vrouw al meer en meer. "Ik heb een zoon gehad," zeide zij met

eene zonderlinge aandoening, welke niets van de gewone teekenen van

droefheid had, "en het ging hem goed, verbazend goed. Maar laat er niet

meer van hem gesproken worden als het u belieft. Hij is,"--zij zette

haar kopje neer en maakte eene beweging met hare handen, alsof zij

er met dat gebaar wilde bijvoegen: "dood!" Daarna zeide zij overluid:

"Ik heb hem verloren."

Stephen was het onaangename gevoel nog niet te boven gekomen, dat

hij de oude vrouw leed had gedaan, toen zijne huiswaardin de smalle

trap kwam opstommelen, hem naar de deur riep en hem iets in het oor

fluisterde. Juffrouw Pegler was lang niet doof, want zij ving een

der zacht gesprokene woorden op.

"Bounderby!" riep zij met eene gesmoorde stem, van haar stoel bij de

tafel opspringende. "O, verberg mij! Laat ik toch om 's Hemels wil

niet gezien worden. Laat hij niet boven komen eer ik weg ben. Ik bid u,

ik bid u!"

Zij beefde van ontroering, kroop achter Rachel, toen deze haar poogde

gerust te stellen, en scheen niet te weten wat zij deed.

"Maar luister, juffrouw, luister toch!" zeide Stephen verbaasd. "Het

is mijnheer Bounderby niet; het is zijne vrouw. Gij zijt toch niet

bang voor haar. Nog geen uur geleden waart ge zoo machtig blij iets

van haar te hooren."

"Maar weet ge wel zeker, dat het mevrouw en niet mijnheer is?" vroeg

zij nog bevende.

"Zoo zeker als iets."

"Wel, als ik u bidden mag, spreek dan toch niet tegen mij, en let

maar geheel niet op mij," zeide de oude vrouw. "Laat ik maar stil in

dit hoekje blijven zitten."

Stephen knikte en zag Rachel aan alsof hij van haar eene opheldering

verlangde, die zij buiten staat was hem te geven. Hij nam vervolgens

de kaars, ging naar beneden, kwam weldra terug, en liet Louisa binnen,

die door haar broeder Tom gevolgd werd.

Rachel was opgestaan en stond met haar hoed en doek in de hand, toen

Stephen, zelf ten hoogste verbaasd over dit bezoek, de kaars weder

op tafel zette. Toen bleef hij ook staan, met zijne geslotene hand

op de tafel leunende, en wachtte tot men hem zou aanspreken.

Voor de eerste maal in haar leven was Louisa in de woning van een

fabriek-arbeider gekomen; voor de eerste maal in haar leven was

zij in iets getreden, dat naar persoonlijke betrekking met een

van die lieden zweemde. Zij wist van hun bestaan bij honderden en

duizenden. Zij wist welk eene hoeveelheid arbeids zeker getal van hen

in zekeren tijd kan voort brengen. Zij had hen bij troepen gelijk

mieren of wespen zien voorbijgaan, als zij hunne nesten verlieten

of daarheen terugkeerden. Maar zij wist door hare lectuur oneindig

meer van de levenswijs dier ijverige insecten, dan van deze nijvere

mannen en vrouwen.

Zij waren iets dat zóóveel moest werken en zóóveel loon krijgen,

en daarmede gedaan; iets dat onfeilbaar door dezelfde wetten

werd beheerscht, welke de aanvraag en den toevoer op elke markt

beheerschen; iets dat domme misslagen tegen die wetten maakte en

dan in moeielijkheden kwam; iets dat zich wat bekrimpen moest als

het koren duur was, en zich overat als het goedkoop was, en dat zich

in zekere evenredigheid vermenigvuldigde, dat zekere evenredigheid

van misdaden en zekere evenredigheid van pauperisme opleverde; iets

waarmede, als kapitaal gebruikt, groote fortuinen werden gemaakt;

iets dat somtijds in woeling kwam evenals de zee, en eenig kwaad deed

(voornamelijk zich zelven), en dan weder bedaarde. Dit wist zij van de

fabriek-arbeiders. Maar zij had er bijna evenmin aan gedacht om deze

massa in eenheden te verdeelen, als om de zee zelve in de droppels

af te zonderen, waaruit zij is samengesteld.

Zij stond eene poos in de kamer rond te zien. Van de weinige stoelen,

de weinige boeken, de gemeene schilderijtjes en het bed liet zij haar

blik naar de twee vrouwen en naar Stephen dwalen.

"Ik ben hier gekomen om eens met u te spreken over wat daar straks

voorgevallen is. Ik zou u gaarne van dienst willen zijn, als ge mij

dat wilt toelaten. Is dit uwe vrouw?"

Rachel sloeg hare oogen op en liet ze weder neerzinken; die blik

zeide duidelijk genoeg: "Neen."

"Ik bedenk mij," zeide Louisa, blozende over hare vergissing. "Ik

herinner mij nu dat ik van uwe huiselijke rampen heb hooren spreken,

hoewel ik toen niet op de bijzonderheden lette. Het was mijne meening

niet eene vraag te doen, die hier iemand onaangenaam kon wezen. Als ik

weer eene vraag mocht doen, die dat gevolg kon hebben, verontschuldig

mij dan daarmede, verzoek ik u, dat ik niet recht weet hoe ik met u

behoor te spreken."

Gelijk Stephen zich eene poos geleden onwillekeurig tot haar gericht

had, zoo richtte zij zich nu onwillekeurig tot Rachel. Hare manier

van spreken was kort en stroef, en toch aarzelend en schroomvallig.

"Hij heeft u gezegd wat er tusschen hem en mijn man is

voorgevallen? Gij zult wel de eerste geweest zijn, bij wie hij troost

gezocht heeft, denk ik?"

"Ik heb het voornaamste er van gehoord, mevrouw," antwoordde Rachel.

"Heb ik het wel verstaan, dat hij, door één fabrikant afgedankt, nu

waarschijnlijk door allen zal worden afgewezen? Ik meende hem dit te

hooren zeggen."

"De kans is heel gering, mevrouw--bijna geheel geene kans meer--voor

iemand, die een slechten naam onder hen krijgt."

"Wat moet ik begrijpen, dat gij meent met een slechten naam?"

"De naam van lastig te wezen."

"Dus zou hij evenzeer door de vooroordeelen zijner eigene klasse als

die der andere in den ban gedaan worden? Zijn die twee in deze stad

door zulk een diepte gescheiden, dat er tusschen in geheel geene

plaats voor een eerlijk werkman is?"

Rachel schudde zwijgend haar hoofd.

"Hij kwam bij zijne makkers in verdenking," hervatte Louisa, "omdat

hij eene belofte gedaan had om niet met hen mede te doen. Ik denk dat

gij het moet geweest zijn aan wie hij die belofte had gedaan. Zou ik

u mogen vragen waarom hij die gedaan heeft?"

Rachel barstte in tranen uit.

"Ik heb het niet van hem gevergd, arme man! Ik heb hem gebeden tot zijn

eigen bestwil zich niet in moeite te steken, weinig denkende dat hij er

door mij in zou komen. Maar ik weet dat hij liever honderd dooden zou

willen sterven dan ooit zijn woord te breken. Dat weet ik wel van hem."

Stephen was stil en aandachtig blijven staan in zijne gewone peinzende

houding, met de hand aan zijne kin. Hij sprak nu met eene stem,

die eenigszins minder vast was dan gewoonlijk:

"Niemand, behalve ik zelf, kan weten hoeveel achting, liefde en eerbied

ik Rachel toedraag, of met hoeveel reden. Toen ik die belofte gaf,

heb ik met waarheid gezegd, dat zij de engel van mijn leven was. Het

was eene plechtige belofte. Ik heb haar gegeven voor altijd."

Louisa keerde zich naar hem om en boog haar hoofd voor hem met eene

eerbiedigheid, die bij haar geheel iets nieuws was. Zij zag van

hem naar Rachel, en hare trekken werden zachter. "Wat zult gij nu

doen?" vroeg zij hem; en hare stem was ook zachter geworden.

"Wel, mevrouw," antwoordde Stephen, met een glimlach om zich goed

te houden, "als ik mijn werk af heb, moet ik hier vandaan en het

ergens anders gaan probeeren. Gelukkig of ongelukkig, iemand moet

maar probeeren; er is niets te doen zonder probeeren--behalve te gaan

liggen en te sterven."

"Hoe zult gij reizen?"

"Te voet, lieve mevrouw, te voet."

Louisa kleurde, en eene beurs vertoonde zich in hare hand. Het

ritselen eener banknoot was hoorbaar, terwijl zij die openvouwde en

op de tafel legde.

"Rachel, wilt gij hem zeggen--want gij weet het best hoe dat te doen

zonder hem te beleedigen--dat dit hem volgaarne gegeven wordt om hem

voort te helpen? Wilt gij hem bidden om het aan te nemen?"

"Dat kan ik niet doen, mevrouw," antwoordde zij, haar hoofd

omkeerende. "God zegene u, dat gij zoo liefderijk over den armen man

denkt. Maar hij moet zelf zijn hart kennen, en weten of het hem zegt,

dat het recht is."

Louisa zag ten deele ongeloovig, ten deele verschrikt, ten deele

ontroerd door medelijdend gevoel, naar dien man, die eerst zooveel

zelfbeheersching bezat, die onder het jongste gesprek zoo kalm en

standvastig was gebleven, en die nu in een oogenblik zijne bedaardheid

verloor, en met zijne hand voor zijn gezicht voor haar stond. Zij

stak hare hand uit alsof zij hem wilde aanraken, maar bedwong zich

toen en hield zich stil.

"Zelfs Rachel," zeide Stephen nadat hij zijn gezicht weder ontbloot

had, "zou geene woorden kunnen bedenken om zulk een vriendelijk aanbod

vriendelijker te maken. Om te toonen, dat ik geen mensch zonder

verstand en dankbaarheid ben, zal ik twee pond aannemen. Ik zal ze

leenen om ze terug te geven. Het zal het pleizierigste werk zijn

dat ik ooit gedaan heb, als ik eens iets doen kan om mijne blijvende

dankbaarheid voor deze hulp te bewijzen."

Zij was genoodzaakt de banknoot terug te nemen en de veel kleinere

som, die hij genoemd had, daarvoor in de plaats te stellen. Hij was

in geenerlei opzicht een hoffelijk, behaaglijk of schilderachtig

personage, en toch had de houding, waarmede hij dit geld aannam en

zonder meer te spreken zijne dankbaarheid aanduidde, een gratie,

die Lord Chesterfield zijn zoon in geene eeuw had kunnen leeren.

Tom was op het bed blijven zitten, onverschillig met zijn eene been

heen en weer zwaaiende en aan zijn rottingknop zuigende, tot hij zijne

zuster gereed zag om weder te vertrekken. Toen stond hij eenigszins

haastig op en nam het woord.

"Wacht nog eventjes, Louisa. Eer wij weggaan, zou ik hem een oogenblik

willen spreken. Er valt mij daar iets in. Als gij even op het portaal

wilt komen, Blackpool, zal ik het u zeggen. Neem maar geen licht

mede." Tom werd bijzonder ongeduldig toen Stephen naar de kast ging

om eene kaars te krijgen. "Er is geen licht bij noodig."

Stephen volgde hem naar buiten. Tom sloot de kamerdeur en hield zijne

hand aan het slot.

"Zeg eens," fluisterde hij, "ik geloof dat ik u een goeden dienst kan

doen. Vraag mij niet wat het is, want het kan nog wel op niemendal

uitloopen. Maar het kan toch geen kwaad als ik het probeer."

Zijn adem sloeg als de vlam van een vuur tegen Stephen's oor aan,

zoo heet was hij.

"Dat was onze kantoorlooper," vervolgde Tom, "die u van avond de

boodschap bracht. Ik zeg onze kantoorlooper, omdat ik ook op het

kantoor ben."

"Wat heeft hij een haast!" dacht Stephen. Hij sprak zoo onduidelijk.

"Nu," zeide Tom, "wacht eens. Wanneer gaat gij heen?"

"Vandaag is het maandag," antwoordde Stephen, zich bedenkende. "Wel,

mijnheer, zoo wat vrijdag of zaterdag."

"Vrijdag of zaterdag," zeide Tom. "Let nu eens op. Ik ben er niet

zeker van, of ik u den dienst kan doen, dien ik meen--dat is mijne

zuster, weet ge, daar in de kamer--maar misschien zal ik er toe in

staat zijn, en zoo niet, dan kan het toch geen kwaad. Ik zal u dus

eens wat zeggen. Gij zoudt onzen kantoorlooper wel weerom kennen?"

"O ja zeker," antwoordde Stephen.

"Heel goed," hervatte Tom. "Als gij tusschen vandaag en den dag

waarop ge heengaat, des avonds met werken uitscheidt, kuier dan een

uurtje of zoo voor het kantoor heen en weer. Doe niet alsof dat iets

beduidde, als hij u daar zien mocht, want ik zal hem niet zeggen u

aan te spreken, of ik moet begrijpen dat ik u den dienst kan doen,

dien ik meen. In dat geval zal hij een briefje of eene boodschap voor

u hebben, maar anders niet. Let wel daarop. Hebt ge mij goed begrepen?"

Hij had in het donker een vinger door een knoopsgat van Stephen's

rok gewrongen, en draaide nu die punt van dat kleedingstuk al om en

om en dicht in elkander, op eene zeer buitengewone manier.

"Ik heb het heel wel begrepen, mijnheer," antwoordde Stephen.

"Pas dan op dat gij het niet vergeet en u niet vergist," zeide Tom. "Ik

zal mijne zuster onder het naar huis gaan zeggen wat ik op het oog

heb, en ik weet zeker dat zij het zal goedkeuren. Pas op nu. Gij

hebt alles onthouden, niet waar? Gij hebt het wel begrepen? Heel goed

dan. Komaan, Louisa!"

Terwijl hij haar riep, stiet hij de deur open, maar hij kwam de kamer

niet weder binnen en wachtte ook niet tot men hem de smalle trap

aflichtte. Hij was al beneden toen zijne zuster pas de deur uitkwam,

en al op straat eer zij hem bereiken kon.

Juffrouw Pegler bleef in haar hoekje zitten tot broeder en zuster

vertrokken waren en Stephen met de kaars in de hand terugkwam. Zij was

onuitsprekelijk opgetogen over mevrouw Bounderby, en schreide--die

onbegrijpelijke oude vrouw!--"omdat zij zulk een lief hartje

was." En toch was juffrouw Pegler zoo angstig dat het voorwerp

harer bewondering bij toeval zou terugkomen, dat het voor dien avond

met hare vroolijkheid gedaan was. Het was ook laat voor menschen,

die vroeg opstonden en zwaar werkten. Het gezelschap scheidde dus,

en Stephen en Rachel brachten hunne geheimzinnige bekende tot aan de

deur van het Reizigers-Koffiehuis, waar zij afscheid van haar namen.

Zij gingen te zamen terug tot aan den hoek van de straat waar Rachel

woonde, en toen zij deze nader kwamen, werden zij al stiller en

stiller. Toen zij aan den donkeren hoek kwamen, waar hunne zeldzame

samenkomsten altijd afgebroken werden, bleven zij stilstaan en zwegen

geheel, alsof beiden bevreesd waren om te spreken.

"Ik zal mijn best doen om u nog eens te zien, Rachel, eer ik ga,

maar zoo niet..."

"Dat zult ge niet, Stephen, dat weet ik wel. Het is beter dat wij

maar besluiten om openhartig voor elkander te zijn."

"Ja, gij hebt altijd gelijk. Dat is moediger en beter. Ik heb

dus gedacht, Rachel, dat het, daar ik nog maar een paar dagen hier

blijf, beter voor u zou zijn, beste, dat ge niet meer met mij gezien

werdt. Het zou u in moeielijkheid kunnen brengen, zonder eenig nut."

"Het is niet daarom, Stephen, dat ik er tegen heb. Maar gij weet onze

oude afspraak. Het is om die reden."

"Ja," zeide hij. "Het is op alle manieren beter."

"Gij zult aan mij schrijven, Stephen, en mij alles zeggen wat er met

u gebeurt?"

"Ja. Wat kan ik nu anders zeggen dan: de Hemel zij met u, de Hemel

zegene u, de Hemel danke u en beloone u!"

"Moge Hij u ook zegenen, Stephen, in al uw zwerven, en u eindelijk

rust en vrede zenden!"

"Ik heb u gezegd, beste," zeide Stephen Blackpool, "ik heb u dien

nacht gezegd, dat ik nooit iets zien of aan iets denken zou dat

mij driftig maakte, of gij, die zooveel beter zijt dan ik, zoudt

daarnaast staan. Gij staat nu daarnaast. Gij doet het mij met betere

oogen zien. God zegene u! Goedennacht en vaarwel!"

Het was maar een haastig afscheid op den hoek eener gemeene straat,

maar het bleef eene heilige herinnering voor die twee gemeene

lieden. Gij bekrompene staathuishoudkundigen, gij geraamten

van schoolmeesters, gij mannen van feiten en cijfers, gij fijn

beschaafde, geblazeerde ongeloovigen, gij kakelende predikers van

allerlei kleingeestige stelsels, de armen zult gij altijd met u

hebben. Kweekt bij hen, terwijl het nog tijd is, alle schoonheden

van gevoel en verbeelding aan, om hun leven, dat dit zoo grootelijks

behoeft, tot sieraad te strekken; of in het oogenblik uwer zegepraal,

wanneer al het romaneske geheel uit hunne ziel verdreven is, en zij

en de prozaïsche werkelijkheid elkander recht in de oogen zien, zal

de werkelijkheid een wolvenaard aannemen, zich tegen u omkeeren en

een eind aan u maken.

Stephen werkte de twee volgende dagen zonder ooit door iemand met een

enkel woord te worden opgebeurd; bij zijn komen en gaan ontweek men

hem gelijk te voren. Aan den avond van den tweeden dag zag hij land;

aan den avond van den derden stond zijn weefgetouw ledig.

Op de twee vorige avonden was hij langer dan een uur op de straat voor

het kantoor blijven heen en weer dwalen, en er was niets gebeurd,

goed noch kwaad. Om van zijn kant niets te verzuimen, besloot hij

dezen derden en laatsten avond twee uren lang te blijven wachten.

Hij zag de dame, die eens bij mijnheer Bounderby had huisgehouden,

voor het venster eener bovenkamer zitten gelijk hij haar te voren

had gezien; en hij zag den kantoorlooper, die somtijds daar met haar

praatte en somtijds beneden over het horretje keek waarop het woord

"kantoor" te lezen stond en somtijds naar de deur kwam en op de stoep

een luchtje bleef staan scheppen. Toen hij het eerst buiten kwam,

dacht Stephen dat hij misschien naar hem zocht en ging hem dicht

voorbij; maar de kantoorlooper zag hem met zijne lichte, knippende

oogen slechts even aan en zeide niets.

Twee uren waren een lange tijd om zoo rond te drentelen na een lang

dagwerk. Stephen ging eens op eene stoep zitten, of tegen een muur

of onder eene poort staan leunen, wandelde een eind heen en weder,

luisterde naar het slaan der klok, en bleef dan weder staan om

naar de op straat spelende kinderen te kijken. Een of ander doel

te hebben is voor iedereen iets zoo natuurlijks, dat iemand, die

ergens doelloos ronddwaalt, altijd iets opmerkelijks heeft en dit

zelf gevoelt. Toen het eerste uur om was, begon Stephen zelfs eene

onaangename gewaarwording te krijgen, alsof hij voor het oogenblik

een verdacht persoon was.

Toen kwam de lantaarnaansteker en zag men langs het geheele

verschiet der straat twee lange lichtstrepen flikkeren, tot zij

zich in de verte met elkander vereenigden. Mevrouw Sparsit sloot het

venster, liet het gordijn zakken en ging de trap op, eene verdieping

hooger. Weldra ging een licht haar na naar boven; het scheen eerst

door het halfronde venster boven de deur en vervolgens door de twee

trapvenstertjes. Spoedig werd van het gordijn voor een venster op de

bovenste verdieping een hoekje opgetild, alsof mevrouw Sparsit daar

haar oog hield, en ook aan den anderen kant, alsof de kantoorlooper

daar zijn oog hield. Maar nog ontving Stephen taal noch teeken. Hij

was blijde toen de twee uren eindelijk om waren, en ging met snelle

schreden heen om zich zelven zulk een langen tijd van drentelen

te vergoeden.

Hij had nog maar van zijne huiswaardin afscheid te nemen en zich

dan neer te leggen op een op den vloer gespreid kermisbed; want hij

had zijn goed reeds gepakt en alles voor zijn vertrek in gereedheid

gebracht. Hij wilde den volgenden ochtend zeer vroeg de stad uit zijn,

eer de fabriek-arbeiders op straat waren.

De dag begon pas aan te breken, toen hij, een afscheidsblik in zijne

kamer om zich heen werpende, en treurig bij zich zelven denkende, of

hij die ooit zou wederzien, naar buiten ging. De stad was zoo stil,

alsof al de inwoners haar verlaten hadden, uit vrees van gemeenschap

met hem te houden. Alles zag er op dat uur even bleek en ziekelijk

uit. Zelfs de rijzende zon maakte slechts eene bleeke plek in de lucht,

gelijk eene treurig stille zee.

Voorbij het huis waar Rachel woonde, hoewel die straat niet in

zijn weg lag; langs de met roode steenen bezoomde straten; langs

de groote stille fabriekgebouwen, die nog niet trilden en dreunden;

langs den spoorweg, waar de seinlichten voor het toenemende daglicht

verbleekten; langs de woestenij om den spoorweg, met half afgebrokene

en half opgebouwde huizen; langs verspreide roode buitentjes, waar

de berookte heesters met vuil poeier waren bestrooid, gelijk morsige

snuivers; langs paden van kolenstof en allerlei verscheidenheden van

leelijkheid, kwam Stephen op den top van den heuvel en keek toen om.

Het daglicht bescheen nu de stad met heldere stralen en de klokken

luidden voor het ochtendwerk. De keukenvuren waren nog niet aangelegd,

en de hooge schoorsteenen hadden de lucht alleen. Het zou niet lang

duren, of zij zouden haar door het uitblazen hunner giftige rookwolken

verbergen; maar voor een half uur flikkerden sommige der talrijke

vensters, welke de lieden van Coketown, door de berookte glazen heen,

de zon lieten zien, alsof zij in eene eeuwigdurende eclips verkeerde.

Hoe vreemd was het, zich van de schoorsteenen naar de vogelen te

wenden! Hoe vreemd het stof van den buitenweg in plaats van het

kolengruis op zijne schoenen te zien! Hoe vreemd, zoo oud te zijn

geworden en toch dien zomerochtend te beginnen alsof hij nog een knaap

was. Met zulke gepeinzen in zijn gemoed en zijn pak onder den arm,

stapte Stephen met zijn oplettend gezicht langs den buitenweg voort:

en de boomen welfden zich over hem en fluisterden, dat hij een trouw

en liefderijk hart achterliet.

XXIII.

BUSKRUIT.

Mijnheer James Harthouse begon bij zijne aangenomene partij spoedig

opgang te maken. Met nog wat meer van buiten leeren voor de politieke

wijshoofden, nog wat meer gepolijste flauwheid en lusteloosheid voor

beschaafde gezelschappen, en een tamelijk behendig gebruik van de

geveinsde eerlijkheid der oneerlijkheid--de schitterendste en meest

gevierde der beschaafde doodzonden--kwam hij weldra zoo ver, dat

men hem voor iemand hield van wien veel te verwachten was. Dat hij

bijna niets in de wereld ernstig opnam, was zeer in zijn voordeel,

want daardoor was hij in staat om zich zoo gemakkelijk met de mannen

van feiten te verbroederen, alsof hij onder hunne partij geboren was,

en alle andere partijen voor opzettelijke bedriegers uit te maken.

Slechte Tijden · 第 14 / 27 段