Zoo gemakkelijk kwam Stephen Blackpool tot het eenzaamste leven dat

men bedenken kan, een leven van eenzaamheid onder eene menigte van

gemeenzame bekenden. De vreemdeling in het land, die onder tienduizend

gezichten naar een blik zoekt, welke den zijnen beantwoordt, en dien

niet vindt, is nog in vroolijk gezelschap, vergeleken bij hem, die

dagelijks tien afgewende gezichten voorbijgaat, welke voorheen de

gezichten van vrienden waren. Zoo iets ondervond Stephen nu in ieder

wakend oogenblik van zijn leven, aan zijn werk, op weg daarheen en

naar huis, aan zijne deur, voor zijn venster en overal. Bij algemeene

afspraak vermeed men zelfs dien kant der straat waarlangs hij gewoon

was te gaan, en liet dezen, voor zoover de werklieden betrof, voor

hem alleen over.

Hij was vele jaren lang een stil, eenzelvig mensch geweest, die

weinig met anderen verkeerde en gewoon was zijne eigene gedachten tot

gezelschap te hebben. Hij had nooit te voren geweten, welke sterke

behoefte er in zijn hart woonde aan het gedurig beantwoorden van een

hoofdknik, een blik, een enkel woord, of welk eene onberekenbare mate

van verademing door zulke geringe middelen hem droppel voor droppel in

de ziel was gestort. Het was zelfs moeielijker dan hij voor mogelijk

had gehouden, zijne verbanning van al zijne makkers, in zijn eigen

geweten, van een ongegrond gevoel van schande en schaamte afgezonderd

te houden.

De eerste vier dagen zijner volharding waren zoo lang en drukkend,

dat hij zich begon te ontzetten voor het uitzicht dat voor hem

lag. Niet alleen had hij Rachel in al dien tijd niet gezien, maar

hij had zelfs alle gelegenheid om haar te zien vermeden: want hoewel

hij wist, dat het verbod zich niet eigenlijk tot de vrouwen, die in

de fabrieken werkten, uitstrekte, bevond hij toch, dat sommige van

die, met welke hij bekend was, voor hem veranderd waren, en vreesde

hij met anderen de proef te nemen, terwijl hij beducht was, dat ook

Rachel door hare gezellinnen mocht worden uitgebannen, indien men

haar in zijn gezelschap zag. Zoo was hij dan die vier dagen lang

geheel alleen geweest en had hij met niemand een woord gewisseld,

toen hij des avonds, van zijn werk terugkomende, op straat door een

jonkman werd aangesproken, die zich door zijne bijzondere lichte

kleur onderscheidde.

"Gij heet Blackpool, niet waar?" zeide de jonkman.

Stephen kleurde toen hij er zich op betrapte, dat hij uit dankbaarheid

voor die toespraak, of uithoofde van het onverwachte daarvan, of wel

om beide redenen tegelijk, met zijn hoed in de hand stond. Hij hield

zich alsof hij iets aan de voering deed en antwoordde: "Ja."

"Gij zijt de werkman, dien zij in den ban gedaan hebben, naar ik

meen?" zeide Bitzer, de jonkman met de lichte kleur.

"Ja," antwoordde Stephen wederom.

"Dat dacht ik wel, omdat zij zich allen van u schijnen af te

houden. Mijnheer Bounderby wil u spreken. Gij weet zijn huis wel,

niet waar?"

"Ja," herhaalde Stephen.

"Ga dan dadelijk daarheen, zult ge?" zeide Bitzer. "Ge wordt gewacht,

en hebt de meid maar te zeggen, dat gij het zijt. Ik behoor tot het

kantoor; als ge dus dadelijk zonder mij daarheen gaat--ik ben gezonden

om u te halen--haalt gij mij eene wandeling uit."

Stephen, die den anderen kant opging, keerde om en begaf zich, gelijk

hem gelast was, naar het roode kasteel van den reus Bounderby.

XXI.

MANNEN EN MEESTERS.

"Wel, Stephen," zeide Bounderby op zijne winderige manier, "wat heb

ik gehoord? Wat hebben die pesten der maatschappij met u gedaan? Kom

binnen en spreek op."

Het was het salon, waar hij dus verzocht werd binnen te treden. De

theetafel stond gereed, en mijnheer Bounderby's jeugdige vrouw, en

haar broeder, en een groot heer uit Londen waren aanwezig. Voor al

deze personen maakte Stephen eene buiging, sloot de deur en bleef

met den hoed in de hand daarbij staan.

"Dit is de man, van wien ik u zoo even gesproken heb, Harthouse,"

zeide mijnheer Bounderby.

De heer, tot wien hij het woord richtte en die met mevrouw Bounderby

op de sofa zat te praten, stond op, zeide op een slependen toon:

"Ei zoo!" en kuierde onverschillig en dralend naar het haardkleedje,

waar mijnheer Bounderby stond.

"Komaan," zeide Bounderby, "spreek nu maar op."

Na de vier verloopene dagen klonk deze toespraak Stephen rauw en

wanluidend in de ooren. Behalve dat zijn gewond gemoed daardoor onzacht

werd aangetast, scheen men ook te onderstellen, dat hij werkelijk uit

eigenbelang zijne makkers had verlaten, gelijk men hem verweten had.

"Wat was het, mijnheer," zeide Stephen, "dat het u beliefde van mij

te willen hebben?"

"Wel, dat heb ik u gezegd," antwoordde Bounderby. "Spreek op als

een man, daar gij een man zijt, en vertel ons van u zelven en die

combinatie."

"Met uw believen, mijnheer," zeide Stephen Blackpool, "ik heb er

niets van te zeggen."

Mijnheer Bounderby, die altijd meer of min naar den wind geleek en

nu iets in zijn weg vond staan, begon er terstond tegen te blazen.

"Zie nu eens hier, Harthouse," zeide hij, "daar hebt gij nu een van

hen. Toen deze man vroeger eens hier was, heb ik hem gewaarschuwd

voor de kwaadwillige vreemdelingen, die altijd rondloopen--en die,

waar men ze vond, behoorden opgehangen te worden--en ik heb dien

man toen gezegd, dat hij een verkeerden weg opging. Zoudt gij het nu

gelooven, dat hij, hoewel zij hem zoo geteekend hebben, nog zulk een

slaaf van hen is, dat hij bang is om zijn mond over hen open te doen!"

"Ik heb gezegd, dat ik niets te zeggen had, mijnheer; niet dat ik

bang was om mijn mond open te doen."

"Zegt gij zoo? Ja, ik weet wel wat gij gezegd hebt, en nog meer; ik

weet ook wat gij meent, begrijpt ge! Dat is waarachtig niet altijd

hetzelfde. Dikwijls geheel iets anders. Gij moest ons liever maar

zeggen, dat die kerel, Slackbridge, niet in de stad is om het werkvolk

tot muiterij op te stoken; en dat hij geen volksleider van de echte

soort, dat wil zeggen een doortrapte schobbejak is. Gij moest ons dat

liever maar dadelijk zeggen; gij kunt mij toch niet bedriegen. Gij

wilt ons dat immers zeggen? Waarom doet gij het dan niet?"

"Het spijt mij evenzeer als u, mijnheer, als het volk slechte

leidslieden heeft," antwoordde Stephen, zijn hoofd schuddende. "Zij

nemen maar degenen, die zich voordoen. Misschien is het niet het

kleinste van hunne ongelukken, dat zij geen betere kunnen krijgen."

De wind begon onstuimig te worden.

"Gij vindt dit zeker al tamelijk wel, Harthouse," zeide mijnheer

Bounderby; "gij vindt dit zeker al vrij sterk. Gij zult wel zeggen,

bij mijne ziel, dat is een aardig staaltje van de soort van lieden

waarmede mijne vrienden moeten omspringen; maar dit is nog niemendal,

mijnheer. Gij zult mij dien man eene vraag hooren doen. Zeg eens,

mijnheer Blackpool,"--de wind stak al meer en meer op--"mag ik zoo

vrij zijn van u te vragen hoe het komt, dat gij geweigerd hebt tot

die combinatie toe te treden?"

"Hoe het komt?"

"Ja," zeide mijnheer Bounderby, met zijne duimen in de mouwen van zijn

rok, terwijl hij met zijn hoofd knikte en zijne oogen dichtkneep, als

ware het in vertrouwen tegen den muur aan den overkant, "hoe het komt."

"Ik had er liever niet van willen spreken, mijnheer; maar daar gij het

mij vraagt, en ik niet ongemanierd wil zijn, zal ik toch antwoorden:

ik had mijn woord gegeven."

"Niet aan mij, dat weet gij wel," zeide Bounderby. (Stormachtig weer,

met bedrieglijke tusschenpoozen van kalmte, waarvan er nu juist

een heerschte).

"O neen, mijnheer, niet aan u."

"Wat mij aangaat, alle betrekking tot mij heeft er volstrekt geen

deel aan," zeide Bounderby, nog in vertrouwen tegen den muur. "Als

het alleen om Josiah Bounderby van Coketown ware te doen geweest,

hadt gij zeker medegedaan en er geen been in gevonden?"

"Ja wel, mijnheer, dat is waar."

"Ofschoon hij weet," zeide mijnheer Bounderby, nu in eene stormvlaag

uitbarstende, "dat die kerels een troep rebellen en schelmen

zijn, voor wie het nog te weinig zou zijn als zij gedeporteerd

werden! Nu, mijnheer Harthouse, gij hebt eenigen tijd in de wereld

rondgezworven. Hebt gij buiten dit gezegende land ooit iets gevonden,

dat naar dien man geleek?" En mijnheer Bounderby wees naar hem met

een van gramschap trillenden vinger.

"Neen, mevrouw," zeide Stephen Blackpool, in manhaftig protest tegen

de gebezigde woorden, en zich onwillekeurig tot Louisa richtende,

nadat hij haar even in de oogen had gezien. "Geene rebellen of

schelmen. Niets van dien aard, mevrouw, niets van dien aard. Zij

hebben mij niet vriendelijk behandeld, mevrouw, dat weet en gevoel ik

wel. Maar er zijn er geen twaalf onder hen, mevrouw--geen twaalf?--geen

zes, of ieder gelooft dat hij zijn plicht heeft gedaan jegens de

anderen en zich zelven. God verhoede dat ik, die al mijn leven deze

menschen gekend heb en ondervinding van hen heb gehad--ik, die met

hen gegeten en gedronken heb, en bij hen gezeten en met hen gewerkt

en hen liefgehad heb, zou nalaten om de waarheid van hen te getuigen,

al hadden zij mij nog zooveel kwaad gedaan."

Hij sprak met den stroeven ernst van zijn stand en zijn karakter,

misschien nog verhoogd door de trotsche bewustheid, dat hij zijne

klasse, onder al haar wantrouwen, getrouw was gebleven; maar hij

herinnerde zich volkomen waar hij was en verhief zelfs zijne stem niet.

"Neen, mevrouw, neen. Zij zijn elkander trouw en zijn liefderijk

voor elkander, zelfs tot in den dood. Wees onder hen arm, wees onder

hen ziek, wees onder hen bedroefd, om een van de vele oorzaken, die

den armen man droefenis in huis brengen, en zij zullen goed voor u

zijn, zacht voor u zijn, troostrijk voor u zijn, christelijk voor u

zijn. Daarvan kunt gij zeker wezen, mevrouw. Zij zouden aan stukken

geplukt moeten worden, eer zij anders werden."

"Kortom," zeide mijnheer Bounderby, "het is zeker omdat zij zoo vol

deugden steken, dat zij u hebben weggejaagd. Ga er maar mede voort,

nu gij er toch aan begonnen zijt. Spreek maar op."

"Hoe het komt, mevrouw," hervatte Stephen, die nog zijne natuurlijke

toevlucht in Louisa's gezicht scheen te vinden, "dat juist datgene,

wat in onze lieden het beste is, het meest tot ons nadeel en ongeluk

schijnt uit te loopen en ons het meest op een dwaalweg schijnt te

brengen, weet ik niet. Maar het is zoo. Ik weet dat het zoo is,

evengoed als ik weet, dat er een hemel boven mij is achter den

rook. Wij zijn toch ook geduldig en willen over het geheel doen wat

recht is. Ik kan niet denken, dat de schuld geheel bij ons ligt."

"Nu, mijn vriend," zeide mijnheer Bounderby, wien Stephen niet méér

had kunnen vertoornen, hoewel hij daarvan geheel onbewust was, dan door

zich naar het scheen op iemand anders te beroepen, "als ge mij nu een

halve minuut uwe aandacht wilt verleenen, heb ik een paar woorden met

u te spreken. Gij hebt zoo even gezegd, dat gij ons niets over die zaak

te zeggen hadt. Zijt ge daarvan geheel zeker, eer wij verder gaan?"

"Ja, mijnheer, daarvan ben ik zeker."

"Hier is een heer uit Londen,"--mijnheer Bounderby wees achterwaarts

met zijn duim naar mijnheer James Harthouse--"een heer van het

Parlement. Ik zou gaarne hebben, dat hij een kort gesprek tusschen u

en mij aanhoorde, in plaats van den inhoud daarvan--ik weet al vooruit

wat die zijn zal; niemand weet dat beter dan ik, onthoud dat wel--op

goed vertrouwen uit mijn mond te moeten aannemen."

Stephen boog zijn hoofd voor den heer uit Londen en toonde zich

wat meer ontrust en verlegen dan gewoonlijk. Onwillekeurig zochten

zijne oogen zijne vorige toevlucht, maar op een wenk van dien kant

(nadrukkelijk, hoewel oogenblikkelijk) vestigde hij ze weder op

mijnheer Bounderby.

"Zeg nu eens, waarover klaagt gij?" vroeg mijnheer Bounderby.

"Ik ben niet hier gekomen om te klagen, mijnheer," antwoordde

Stephen. "Ik kom omdat ik geroepen ben."

"Wel," hervatte mijnheer Bounderby, zijne armen over elkander slaande,

"waarover klaagt gijlieden dan in het algemeen?"

Stephen zag een oogenblik eenigszins weifelend om zich heen en scheen

toen tot een besluit te komen.

"Mijnheer, ik ben nooit heel knap geweest om dat te zeggen, al

heb ik van het gevoel er van zoo goed mijn deel gehad als iemand

anders. Inderdaad, wij zitten in een warboel, mijnheer. Zie maar

eens rond in deze stad--zoo rijk als zij is--en zie dan de menigte

van menschen, die hier in de stad zijn gekomen om voor hun brood te

weven, te kaarden en zoo al meer, altijd eenerlei, van hunne wieg tot

aan het graf. Zie hoe wij leven en waar wij leven, en in welk eene

menigte, en hoe eentonig ons leven en hoe wisselvallig ons bestaan

is; en zie hoe de fabrieken altijd aan het werk blijven, en hoe

zij ons met dat werk nooit nader tot iets brengen--behalve alleen

aan den dood. Zie hoe gij over ons denkt, en over ons schrijft, en

over ons praat, en met uwe deputaties naar ministers over ons gaat,

en hoe gij altijd gelijk hebt en hoe wij altijd ongelijk hebben,

en er nooit iets redelijks en verstandigs in ons te vinden is. Zie

hoe dit is toegenomen, mijnheer, al grooter en grooter geworden,

al zwaarder en zwaarder, en al harder en harder, van jaar tot jaar,

van geslacht tot geslacht. Wie kan dat aanzien, mijnheer, en dan nog

goedsmoeds zeggen, dat dit geen warboel is?"

"Natuurlijk," zeide mijnheer Bounderby, "En nu zult gij misschien

dien heer ook wel laten weten, hoe gij dien warboel (gelijk gij het

zoo gaarne noemt) terecht zoudt willen brengen?"

"Dat weet ik niet, mijnheer. Dat is niet van mij te wachten. Ik ben

het niet, van wien dat gevergd moet worden. Dat zijn diegenen, die

over ons gesteld zijn en over al de rest van ons. Waarvoor zijn zij

anders, mijnheer, als zij dat niet doen?"

"Dan zal ik u iets zeggen, wat er ten minste aan te doen is,"

antwoordde mijnheer Bounderby. "Wij zullen een voorbeeld maken van

een half dozijn Slackbridge's. Wij zullen die schavuiten voor de

rechtbank brengen en naar de straf-koloniën zenden."

Stephen schudde ernstig zijn hoofd.

"Zeg mij niet van neen, man," vervolgde mijnheer Bounderby, en nu

waaide het een orkaan, "want dat zullen wij, zeg ik u."

"Mijnheer," antwoordde Stephen, met de kalme vastheid eener

onwankelbare overtuiging, "al zoudt ge honderd Slackbridge's

nemen--allen die er maar zijn, zelfs tienmaal zooveel--en ze ieder in

een zak naaien, en in de diepste zee laten zinken, die er ooit geweest

is eer er nog droog land was, dan zoudt gij toch den warboel eveneens

laten als hij is. Opruiende vreemdelingen!" vervolgde Stephen met een

glimlach, "wanneer, zoolang wij ons kunnen herinneren, hebben wij

niet van opruiende vreemdelingen gehoord! Het is niet door hen dat

er onrust komt, mijnheer. Het is niet bij hen dat het begint. Ik ben

geen vriend van hen--ik heb geen reden om hun vriend te zijn--maar

het is hopeloos en nutteloos, die lieden voor hun handwerk te willen

straffen, in plaats van dat handwerk zelf te beletten. Allen die nu

hier in de kamer om mij heen zijn, waren hier eer ik kwam, en zullen

nog hier zijn als ik weg ben. Breng die klok aan boord van een schip

en zend ze weg naar het eiland Norfolk, en de tijd zal toch eveneens

voortgaan. Zoo is het ook met Slackbridge."

Zich voor een oogenblik naar zijne vorige toevlucht keerende,

nam hij eene waarschuwende beweging harer oogen naar de deur

waar. Terugtredende sloeg hij zijne hand aan de kruk. Maar hij had

niet uit eigen wil en verlangen gesproken, en hij gevoelde in zijn

hart, dat het eene edele vergelding van het geledene onrecht zou

zijn, indien hij hun, die hem zoo verzaakt hadden, tot het laatste

toe getrouw bleef. Hij bleef dus staan om geheel te zeggen wat hij

nog op het gemoed had.

"Mijnheer, ik kan met mijn beetje kennis en mijne gemeene manier

van spreken dezen heer niet zeggen, wat dit alles zou kunnen

verbeteren,--hoewel sommige werklieden hier in de stad het wel konden

doen, veel beter dan ik; maar ik kan hem toch wel zeggen wat ik weet

dat nooit baten zal. De sterke hand zal het nooit doen. Overwinning

en zegepraal zullen het nooit doen. Eene afspraak om den eenen kant op

eene onnatuurlijke manier altijd gelijk te geven, en den anderen kant

altijd ongelijk, zal het nooit, nooit doen. En ze zoo maar hun gang

te laten gaan, zal het ook nooit doen. Laat duizenden bij duizenden

zoo maar hun gang gaan, allen hetzelfde leven leiden en altijd in

denzelfden warboel blijven, en zij zullen aan den éénen kant blijven

staan, en gij aan den anderen, met eene zwarte, onoverkomelijke

diepte tusschen u, juist zoo lang en zoo kort als zulk eene ellende

kan duren. Nooit met die menschen meer eigen te willen worden, door

goedheid en geduld en opbeurende manieren, die hen zoo aan elkander

hechten onder hunne vele bezwaren en elkander zoo doen bijstaan in

hun nood met wat zij zelven wel konden gebruiken--gelijk ik nederig

geloof dat door geen volk, dat die heer op zijne reizen gezien heeft,

ooit kan overtroffen worden--ook dat zal het nooit doen, voordat de

zon in ijs verandert. En voor het laatst, hen maar in rekening te

brengen als zooveel stoomkracht, en te behandelen alsof zij cijfers

van eene som of doode machines waren, zonder liefde of voorkeur,

zonder geheugen of neigingen, zonder zielen, die moede kunnen worden

en zielen die kunnen hopen; als alles rustig is, hen maar te laten

voortzwoegen alsof zij niets van dien aard bezaten, en als alles

onrustig is, hun te verwijten, dat zij in hunne betrekking tot u

geen menschelijk gevoel toonen,--dat zal het nooit doen, mijnheer,

eer de menschen geheel anders worden dan God hen geschapen heeft."

Stephen stond met de hand aan de opene deur te wachten of er nog iets

meer van hem verlangd werd.

"Blijf nog een oogenblikje," zeide mijnheer Bounderby met een bloedrood

gezicht. "Ik heb u gezegd, toen gij de laatste maal met eene klacht

hier kwaamt, dat gij liever moest omkeeren en u daarvan afhouden. En

ik heb u ook gezegd, als gij het nog weet, dat ik het wel begreep

als men den gouden lepel in het oog had."

"Ik zelf heb nooit zoo iets in het oog gehad, mijnheer, dat verzeker

ik u."

"Nu is het mij duidelijk geworden," vervolgde mijnheer Bounderby,

"dat gij een van die snaken zijt, die altijd grieven hebben, en dat

gij rondloopt om die grieven uit te zaaien en voort te planten. Dit

is het werk van uw leven, mijn vriend."

Stephen schudde zijn hoofd,--een zwijgende betuiging dat hij wel

ander werk had.

"Gij zijt zulk een netelige, hatelijke, onverdraaglijke kerel,"

vervolgde mijnheer Bounderby, "dat zelfs uwe eigene vereeniging, de

menschen die u het best kennen, niets met u te doen willen hebben. Ik

had nooit gedacht dat die knapen in iets gelijk konden hebben. Maar

ik zal u eens wat zeggen. Voor de aardigheid zal ik hen nu eens zoo

ver gelijk geven, dat ik ook niets meer met u te doen wil hebben."

Stephen sloeg snel zijne oogen op om hem aan te zien.

"Gij kunt afmaken waaraan gij bezig zijt," zeide mijnheer Bounderby

met een veelbeduidend knikje, "en dan ergens anders heen gaan."

"Mijnheer, gij weet wel," zeide Stephen met nadruk, "dat ik, als ik

bij u geen werk kan krijgen, het ook nergens anders krijgen kan."

"Wat ik weet, dat weet ik," luidde het antwoord, "en wat gij weet,

dat weet gij. Ik heb er niets meer over te zeggen."

Stephen zag nog eens naar Louisa om, maar hare oogen waren niet meer

naar de zijne opgeslagen; hij slaakte dus een zucht, en met de woorden:

"De Hemel helpe ons allen in deze wereld," die hij maar weinig harder

dan fluisterend uitsprak, ging hij heen.

XXII.

STEPHEN BLACKPOOL VERDWIJNT.

Het was tusschen licht en donker toen Stephen bij mijnheer Bounderby

de deur uitkwam. De nachtelijke schaduw was zoo snel neergedaald,

dat hij, toen hij de deur had toegetrokken, niet eens om zich heen

zag, maar met loomen tred rechtuit de straat langs ging. Niets was

verder uit zijne gedachten dan de zonderlinge oude vrouw, die hij

bij zijn vorig bezoek aan hetzelfde huis had ontmoet, toen hij een

voetstap achter zich hoorde dien hij kende, en zich omkeerende,

die vrouw wederzag, thans in gezelschap van Rachel.

Hij zag Rachel het eerst, gelijk hij haar alleen had gehoord.

"Ha, Rachel, mijn beste! Gij bij haar, juffrouw!"

"Ja, gij zijt zeker wel verwonderd, en dat met reden, moet ik zeggen,"

antwoordde de oude vrouw. "Daar ben ik alweer, ziet ge."

"Maar hoe zoo met Rachel?" zeide Stephen, terwijl hij zijn stap naar

dien der vrouwen schikte en tusschen de twee in ging, nu naar de eene

en dan naar de andere omkijkende.

"Wel, ik ben omtrent eveneens aan dit goede meisje gekomen als ik

aan u gekomen ben," antwoordde de oude vrouw, op vroolijken toon het

woord opvattende. "Ik kom hier dit jaar wat later dan gewoonlijk,

want ik ben eenigszins met kortademigheid gekweld, en heb dus mijne

reis uitgesteld tot wij warm en mooi weer hadden. Om dezelfde reden

doe ik nu mijne reis niet geheel op één dag, maar neem er twee dagen

toe, en slaap van nacht in het Reizigers-Koffiehuis bij den spoorweg

(een knap, zindelijk huis) en ga morgenochtend om zes uur met den

eersten trein weer heen. Maar wat heeft dat met dit goede meisje te

doen, zult gij zeggen. Dat zal ik u vertellen. Ik heb gehoord, dat

mijnheer Bounderby getrouwd is. Ik heb het in de courant gelezen,

waar het wat heerlijk in stond--machtig mooi!" De oude vrouw zeide

dit met eene zonderlinge opgetogenheid. "En nu wilde ik zijne vrouw

zien. Ik heb haar nog nooit gezien. Zoudt ge nu gelooven, zij is

sedert van middag twaalf uur de deur niet uitgekomen. Om het dus nu

niet te licht op te geven, bleef ik voor het laatst nog een beetje

wachten, en toen ging ik dit goede meisje twee- of driemaal voorbij;

en daar zij zulk een vriendelijk gezichtje had, sprak ik haar aan,

en zij bleef met mij aan de praat. Daar," zeide de oude vrouw tot

Stephen, "nu kunt ge al de rest wel zelf raden, veel korter dan ik

het vertellen kan, mag ik wel zeggen."

Wederom had Stephen moeite om een onwillekeurigen afkeer van die oude

vrouw te overwinnen, hoewel haar uitzicht en toon zoo eerlijk en

eenvoudig waren als zij maar konden zijn. Met eene goedwilligheid,

welke hem even natuurlijk was als hij wist dat zij dit Rachel was,

bleef hij bij het onderwerp, dat haar in haar ouderdom nog zooveel

belang inboezemde.

"Wel, juffrouw," zeide hij, "ik heb die dame gezien, en zij was jong

en mooi. Met heerlijke, donkere, peinzende oogen, en zulk eene stille

manier, Rachel, als ik nog nooit iemand anders gezien heb."

"Jong en mooi. Zoo zoo!" riep de oude vrouw vol blijdschap

uit. "Bloeiend als eene roos! En zeker eene gelukkige vrouw!"

"O ja, juffrouw, dat zou ik wel denken," zeide Stephen, maar met een

twijfelachtigen blik naar Rachel.

"Zoudt gij denken? Dat moet zij wel wezen. Zij is immers uw meesters

vrouw?" hervatte de oude vrouw.

Stephen knikte toestemmend. "Hoewel wat dat meester aangaat," zeide

hij, wederom met een blik naar Rachel, "hij is nu mijn meester niet

meer. Het is alles gedaan tusschen hem en mij."

"Hebt gij voor zijn werk bedankt, Stephen?" vroeg Rachel angstig

en snel.

"Wel, Rachel," antwoordde hij, "of ik voor zijn werk heb bedankt,

of hij mij afdankte, komt op hetzelfde neer. Zijn werk en ik zijn

gescheiden. Het is ook al goed zoo--het beste misschien, dacht ik,

juist toen ik u mij achterop hoorde komen. Het zou maar allerlei

moeite veroorzaakt hebben als ik daar gebleven was. Misschien is het

een geluk voor velen, dat ik heenga, misschien een geluk voor mij

zelven; in allen gevalle het moet nu zoo wezen. Ik moet Coketown den

rug toekeeren en mijn fortuin zoeken, beste, met opnieuw te beginnen."

"Waar zult ge naar toe gaan, Stephen?"

"Dat weet ik van avond nog niet," zeide hij, zijn hoed afnemend en

zijne dunne haren met de vlakke hand gladstrijkende. "Maar ik ga

van avond nog niet, Rachel, en morgen ook nog niet. Het is niet heel

gemakkelijk te verzinnen waar ik naar toe zal gaan; maar ik zal wel

moed houden."

In dit opzicht hielp hem de bewustheid, dat hij niet slechts

onbaatzuchtig handelde, maar zelfs onbaatzuchtig dacht. Eer hij nog

mijnheer Bounderby's deur had toegetrokken, had hij overwogen, dat

het ten minste voor haar goed was, dat hij genoodzaakt was om heen

te gaan, dewijl zij dan geen gevaar meer zou loopen van insgelijks

verdacht te worden, omdat zij zich niet van hem afzonderde. Hoewel

het hem veel kosten zou haar te verlaten, en hoewel hij geene stad

bedenken kon waar zijn vonnis hem niet volgen zou, was het misschien

toch eene verademing voor hem, dat hij met geweld van het leed der

vier laatste dagen werd ontheven al was het zelf om onbekende rampen

en bezwaren tegemoet te gaan.

Slechte Tijden · 第 13 / 27 段