"Welk een comisch schoonbroeder is oude Bounderby, meent gij, naar

ik denk," zeide Tom.

"Ge zijt bijtend scherp, Tom," liet mijnheer James Harthouse hierop

volgen.

Er lag iets zoo streelends in, zoo goede vrienden met zulk een vest

te wezen, door zulk eene stem Tom genoemd te worden, zoo spoedig op

zulk een familiaren voet met zulk een bakkebaard te zijn, dat Tom

ongemeen met zich zelven in zijn schik was.

"Och, ik geef niet om ouden Bounderby, als ge dat meent," zeide

hij. "Ik heb hem altijd ouden Bounderby genoemd als ik van hem sprak,

en ik heb altijd op dezelfde manier over hem gedacht. Ik zal nu niet

gaan beginnen met naar beleefde woorden te zoeken, als ik van ouden

Bounderby spreek. Dat zou nu wat laat wezen."

"Om mij behoeft ge niet te geven," hervatte James; "maar pas op als

zijne vrouw er bij is, weet ge."

"Zijne vrouw?" zeide Tom. "Mijne zuster Louisa? O ja!" Hij lachte en

nam nog een slok van den verkoelenden drank.

James Harthouse bleef op dezelfde plek en in dezelfde houding op zijn

gemak zijne sigaar staan rooken en zag den hondsvot genoeglijk aan,

alsof hij wist dat hij zelf een booze geest in de gedaante van een

innemend gentleman was, die slechts over hem behoefde te zweven om

hem te dwingen zijne geheele ziel aan hem over te geven. Het scheen

te blijken, dat de hondsvot voor dien invloed zwichtte. Hij zag zijn

makker eerst benepen, toen met bewondering, toen met onbeschaamde

stoutheid aan, en trok zijn eene been op de sofa.

"Mijne zuster Louisa?" zeide Tom. "Zij heeft nooit om Bounderby

gegeven."

"Dat is de verledene tijd, Tom," hervatte mijnheer James Harthouse,

en sloeg met zijn pink de asch van zijne sigaar. "Wij zijn in den

tegenwoordigen tijd."

"Onzijdig werkwoord: niet om geven. Aantoonende wijs, tegenwoordige

tijd. Eerste persoon enkelvoud, ik geef niet om hem; tweede persoon,

gij geeft niet om hem; derde persoon, zij geeft niet om hem,"

antwoordde Tom.

"Aardig! Heel aardig!" zeide zijn vriend. "Maar gij meent het toch

niet."

"Of ik het meen!" riep Tom uit. "Op mijne eer! Wel, gij wilt mij toch

niet zeggen, mijnheer Harthouse, dat gij werkelijk denkt, dat mijne

zuster om ouden Bounderby geeft."

"Lieve vriend," antwoordde James, "wat ben ik anders verplicht te

denken, als ik twee getrouwde lieden vind, die tevreden en vergenoegd

met elkander leven?"

Tom had nu zijne beide beenen op de sofa. Indien zijn tweede been niet

reeds daarop ware geweest, toen hij zoo "lieve vriend" genoemd werd,

zou hij het in dit gewichtig oogenblik van het gesprek er op hebben

getrokken. Daar hij het noodig gevoelde iets te doen, rekte hij zich

meer in de lengte uit, liet zijn achterhoofd op den kant der sofa

zinken, en zoo met eene matelooze affectatie van onbekommerdheid

voortrookende, keerde hij zijn gemeen gezicht en zijne twee niet al

te nuchtere oogen naar dat gelaat, dat zoo onverschillig en toch met

zulk een machtigen invloed op hem neerzag.

"Gij kent onzen oude, mijnheer Harthouse," zeide Tom, "en dus behoeft

het u niet te verwonderen, dat Louisa met ouden Bounderby trouwde. Zij

had nooit een vrijer gehad, en de oude stelde haar Bounderby voor,

en toen nam zij hem."

"Zeer gehoorzaam van uwe interessante zuster," zeide mijnheer James

Harthouse.

"Ja, maar zij zou zoo gehoorzaam niet zijn geweest, en het zou niet

zoo gemakkelijk gegaan zijn," antwoordde de hondsvot, "als het niet

om mij geweest ware."

De verzoeker trok slechts zijne wenkbrauwen op, maar de hondsvot was

genoodzaakt voort te gaan.

"Ik overreedde haar," zeide hij met een zeer stichtelijk voorkomen van

meerderheid. "Ik was bij ouden Bounderby op het kantoor geplakt--waar

ik nooit had willen wezen--en ik wist wel, dat ik daar in moeite zou

komen als zij ouden Bounderby den zak gaf; en zoo zeide ik haar wat

ik van haar wenschte, en zij deed het. Zij zou alles voor mij gedaan

hebben. Het was heel mooi van haar, niet waar?"

"Het was verrukkelijk, Tom!"

"Niet dat het voor haar van zooveel gewicht was als voor mij,"

vervolgde Tom koeltjes, "omdat mijne vrijheid, mijn pleizier en

misschien mijn vooruitkomen er van afhingen; zij had toch geen

anderen vrijer, en thuisblijven was zoo goed als in de gevangenis

zitten--vooral toen ik weg was. Het ware nog wat anders geweest als

zij een anderen vrijer voor ouden Bounderby had laten loopen; maar

het was toch goed van haar."

"Het was heerlijk gedaan. En nu leeft zij weltevreden voort."

"O," antwoordde Tom met eene mengeling van lof en minachting, "zij

is een meisje. Een meisje kan zich overal in schikken. Zij heeft nu

eene vaste positie en zij geeft er niet om. Dat leven is voor haar

evengoed als ieder ander leven. Bovendien, al is Louisa een meisje,

zij is toch geen gewoon meisje. Zij kan zich in zich zelve opsluiten

en een uur achtereen zitten denken, gelijk ik haar dikwijls naar het

vuur heb zien zitten kijken."

"Zoo, zoo? Zij weet zich zelve dus bezig te houden," zeide Harthouse

al rookende.

"Niet zooveel als gij wel denken zoudt," antwoordde Tom, "want onze

oude heeft haar met allerlei droge studiën laten volproppen. Dat is

zijn systeem."

"Hij heeft dus zijne dochter naar zijn eigen model gevormd," merkte

Harthouse aan.

"Zijne dochter? Ja, en iedereen dien hij maar kon. Hij heeft mij ook

op die manier gevormd," zeide Tom.

"Onmogelijk!"

"Ja zeker," zeide Tom en schudde zijn hoofd. "Ik kan u zeggen, mijnheer

Harthouse, dat ik, toen ik pas de deur uitkwam en naar ouden Bounderby

ging, zoo droog was als een stokvisch en niet meer van het leven wist

dan eene oester."

"Kom, kom, Tom! Dat kan ik haast niet gelooven. Gekheid is gekheid."

"Bij mijne ziel," zeide de hondsvot, "ik spreek in ernst. Dat doe ik

waarlijk." Hij rookte een poosje met groote deftigheid en vervolgde

toen met buitengemeene zelfvoldoening: "Ik heb sedert een beetje

geleerd, dat ontken ik niet. Maar daarvoor heb ik zelf gezorgd;

dat heb ik mijn vader niet te danken."

"En uwe schrandere zuster?"

"Mijne schrandere zuster is omtrent waar zij voorheen was. Zij placht

mij te klagen dat zij niets had om zich bezig te houden, gelijk de

andere meisjes hebben, en ik begrijp niet hoe zij dat sedert te boven

is gekomen. Maar zij geeft daar niet om," voegde hij er scherpzinnig

bij, en trok weder aan zijne sigaar. "Een meisje kan altijd haar tijd

klein krijgen."

"Toen ik gisteravond aan het kantoor aanging, om het adres van

mijnheer Bounderby te vragen, vond ik daar eene oude dame, die eene

bijzondere hoogachting voor uwe zuster scheen te koesteren," merkte

mijnheer James Harthouse aan, terwijl hij het stompje van de sigaar,

die hij opgerookt had, wegwierp.

"Moeder Sparsit?" zeide Tom. "Wat, hebt gij haar al gezien?"

Zijn vriend knikte. Tom nam zijne sigaar uit den mond, om zijn oog,

dat eenigszins weerbarstig begon te worden, te beter te kunnen

dichtknijpen, en eenige malen met zijn vinger tegen zijn neus te

tikken.

"Moeder Sparsit gevoelt voor Louisa veel meer dan achting, zou ik

denken," zeide Tom. "Zeg liever: liefde en dankbaarheid. Moeder

Sparsit heeft zelve nooit naar Bounderby gehengeld toen hij nog

vrijgezel was. Wel neen!"

Dit waren de laatste woorden, die de hondsvot sprak, eer hem eene

duizeligheid en slaperigheid overvielen, die door eene volkomene

vergetelheid werden gevolgd. Hij werd uit dezen laatsten toestand

opgewekt door te droomen van een onaangenaam gevoel, alsof hij met

eene laars werd geschopt, en tegelijk hoorde hij eene stem, die zeide:

"Kom, het wordt laat. Maak je nu weg!"

"Wel," zeide hij, van de sofa opkrabbelende, "dan zal ik afscheid

van u moeten nemen. Zeg eens. Gij hebt heel goede sigaren, maar ze

zijn wat al te licht."

"Ja, ze zijn al te licht," antwoordde zijn gastheer.

"Het is zot, zoo licht als ze zijn," zeide Tom. "Waar is de

deur? Goedennacht."

Hij had nog een zonderlingen droom van een knecht, die hem voorttrok

door een nevel, welke, nadat hij hem vrij wat moeite had veroorzaakt,

in zooverre optrok, dat hij de straat kon zien, waarop hij alleen was

blijven staan. Toen ging hij tamelijk gemakkelijk naar huis, hoewel

niet vrij van een gevoel, alsof zijn nieuwe vriend nog bij hem was

en invloed op hem uitoefende--alsof hij nog hier of daar in dezelfde

achtelooze houding stond te leunen en hem met denzelfden blik aanzag.

De hondsvot ging naar huis en naar bed. Indien hij er eenige bewustheid

van had gehad wat hij dien avond had gedaan, en wat minder van een

hondsvot en wat meer van een broeder had gehad, zou hij misschien

onderweg omgekeerd en naar de stinkende, zwart geverfde rivier geloopen

zijn, om daarin voorgoed ter ruste te gaan en zijn hoofd voor altijd

onder het gordijn van haar modderig water te verschuilen.

XX.

MANNEN EN BROEDERS.

"O, mijne vrienden, gij werklieden van Coketown, die in het stof

vertreden wordt! O, mijne vrienden en landgenooten, slaven eener

dwingelandij, die u met ijzeren vuist verplettert! O, mijne vrienden,

medemenschen, die met mij arbeidt en met mij lijdt! Ik zeg u, dat

het uur gekomen is, waarin wij met elkander moeten pal staan als eene

vereenigde macht, en de onderdrukkers tot stof vergruizen, die zich

maar al te lang hebben vetgemest met den roof onzer huisgezinnen,

met het zweet onzer aangezichten, met den arbeid onzer handen, met de

kracht onzer spieren, met de heerlijke, door God geschonkene rechten

der Menschheid en de heilige en eeuwige aanspraken der Broederschap!"

"Goed zoo! Hoort, hoort, hoort! Hoera!" en andere dergelijke

kreten rezen met luide stemmen op uit alle hoeken der volgepropte en

stinkend benauwde zaal, waarin de redenaar, op eene stellage staande,

zich van dezen en meer anderen wind en damp, dien hij in zich had,

ontlastte. Hij had zich met zijn declameeren tot eene geweldige hitte

gebracht, en was even schor als warm. Door onder eene flikkerende

gasvlam uit alle macht te staan schreeuwen, zijne vuisten dicht te

knijpen, zijn voorhoofd te fronsen, zijne tanden opeen te klemmen en

met zijne armen te schermen, had hij zijne krachten zoozeer uitgeput,

dat hij nu moest ophouden en om een glas water vragen.

Terwijl hij daar stond en zijn vurig gezicht met eene teug water

poogde te blusschen, was de vergelijking tusschen den redenaar en

de menigte, die met aandachtige gezichten naar hem stond te turen,

geweldig in zijn nadeel. Op de getuigenis der natuur afgaande, was

hij door weinig meer, dan door de stellage, waarop hij stond, boven

de massa verheven. In vele opzichten was hij beneden de lieden, die

zijn gehoor uitmaakten. Hij was niet zoo eerlijk, niet zoo mannelijk,

niet zoo welgezind; slimheid verving bij hem hunne eenvoudigheid,

en hartstochtelijkheid hun degelijk gezond verstand. Met zijne bijna

mismaakte gestalte, zijne hooge schouders, zijn overhangend voorhoofd,

zijne trekken, waarin eene uitdrukking van wreveligheid tot eene

gewoonte was geworden, stak hij, zelfs met zijne zwierige kleeding,

ongunstig af bij de meerderheid zijner hoorders in hun eenvoudig

werkpak. Zoo vreemd als het altijd is eene vergadering zich lijdzaam

te zien onderwerpen aan de langdradigheid van een vervelenden en

verwaanden redenaar, hetzij een lord of een ongetiteld burger,

zóó diep beneden drie vierde zijner toehoorders in den poel zijner

geesteloosheid verzonken, dat zij hem door geene menschelijke middelen

tot hunne eigene intellectueele hoogte konden verheffen, was het zelfs

bijzonder treurig en treffend, die menigte van ernstige aangezichten

te zien, aan wier eerlijkheid over het geheel door geen bevoegd en

onbevooroordeeld waarnemer kon getwijfeld worden, en die door zulk

een leidsman tot zulk eene opgewondenheid werden gebracht.

"Goed zoo! Hoort, hoort! Hoera!" Het vuur zoowel van aandacht als

van wil, dat van al die aangezichten straalde, maakte ze tot een

zeer indrukwekkend schouwspel. Hier was geene verveling, geene

lusteloosheid, geene ijdele nieuwsgierigheid, geene van die vele

trappen van onverschilligheid, welke men in alle andere vergaderingen

ziet, voor een oogenblik zichtbaar. Dat ieder zijn toestand in

een of ander opzicht erger vond dan die zijn moest; dat ieder zich

verplicht achtte om zich met de anderen te vereenigen ten einde dien

toestand te verbeteren; dat ieder gevoelde dat zijne eenige hoop

daarin gelegen was, dat hij zich met de makkers, die hem omringden,

verbond; en dat in dit geloof, het mocht dan het ware of onware zijn

(ongelukkig was het toen het onware), die geheele menigte ernstig en

oprecht was, dit had iedereen, die zich daar bevond en maar verkoos te

zien wat er gebeurde, even duidelijk moeten wezen als de ongeverfde

balken van den zolder en de gewitte muren van het vertrek. Ook had

zulk een toeschouwer niet kunnen missen in zijn hart te gevoelen,

dat deze lieden zelf door hunne dwalingen toonden, dat zij groote

eigenschappen bezaten, vatbaar om tot het beste en gelukkigste doel

te worden aangewend; en dat het voorgeven (op grond van algemeene

beweringen, hoe stout en meesterachtig ook geuit), alsof zij geheel

zonder reden en alleen uit hun eigen onredelijken wil dien dwaalweg

opgingen, hetzelfde was, als te beweren dat er rook kon zijn zonder

vuur, dood zonder geboorte, oogst zonder zaad, of iets wat het ook

wezen mocht, dat uit niets voortkwam.

Toen de redenaar zich verfrischt had, veegde hij zijn gerimpeld

voorhoofd af, door er verscheidene malen van den linker- naar den

rechterkant met zijn tot een kussentje opgevouwen zakdoek overheen

te strijken, en spande toen al zijne verlevendigde krachten in om

een hoonenden glimlach vol smaad en bitterheid voort te brengen.

"Maar, mijne vrienden en broeders! Mannen en Engelschen, vertrapte

werklieden van Coketown! Wat zullen wij zeggen van dien man, dien

werkman--dat ik het noodig moet bevinden om dien roemrijken naam

zoodanig te verguizen!--die, bij ondervinding bekend met het onrecht

en het leed, dat gij te lijden hebt, gij, hoe ook miskend, de kracht

en het merg van dit eiland, en die gehoord heeft hoe gij met eene

edele en grootsche eenstemmigheid die dwingelanden zult doen beven,

besloten hebt tot de fondsen van het Vereenigd Gezamenlijk Tribunaal

bij te dragen, en u te houden aan de voorschriften, welke zij ook

mogen zijn, door dat lichaam tot uw welzijn uitgevaardigd--wat,

vraag ik u, zult gij zeggen van dien werkman, wien ik tot mijne

spijt als zoodanig moet erkennen, die op zulk een tijd zijn post

verlaat en zijne vlag verkoopt; die op zulk een tijd een verrader,

een lafhartige en een afvallige wordt; die op zulk een tijd zich

niet schaamt u de schandelijke en vernederende bekentenis te doen,

dat hij op zichzelf wil blijven en niet een van de vereenigden zijn,

die dapper voor de Vrijheid en het Recht pal staan?"

De vergadering was op dit punt verdeeld. Er werd wel gebromd en

gefloten, maar het algemeen gevoel van eer was veel te sterk om

iemand ongehoord te veroordeelen. "Pas op, dat gij het recht

hebt, Slackbridge."--"Laat hij voor den dag komen."--"Laten

wij hem hooren!"--Zulke dingen werden van verschillende kanten

geroepen. Eindelijk riep eene krachtige stem: "Is de man hier? Als de

man hier is, Slackbridge, laten wij dan den man zelf hooren, in plaats

van u," en dit voorstel werd met algemeene toejuiching ontvangen.

Slackbridge, de redenaar, zag met een verdelgenden glimlach om zich

heen, en zijne rechterhand op armslengte uitstekende (gelijk de

manier van alle Slackbridge's is), om de bulderende zee te stillen,

wachtte hij tot er eene diepe stilte was ontstaan.

"O, mijne vrienden en medemenschen!" zeide Slackbridge toen, met

geweldige verontwaardiging zijn hoofd schuddende, "ik verwonder mij

niet, dat gij, de mishandelde zonen des arbeids, ongeloovig zijt aan

het bestaan van zulk een man. Maar hij, die zijn geboorterecht voor een

schotel moes verkocht, heeft bestaan, Judas Iscarioth heeft bestaan,

Castlereagh heeft bestaan, en die man bestaat!"

Nu volgde eene korte verwarring en een gedrang naar de stellage,

daarmede eindigende, dat de man zelf naast den redenaar voor de

vergadering stond. Hij was bleek en zijn gezicht duidde eenige

ontroering aan, die vooral aan zijne lippen zichtbaar was; maar hij

stond daar rustig, met de linkerhand aan de kin, wachtende om gehoord

te worden. Er was een voorzitter om de handelingen der vergadering

te besturen, en deze persoon nam nu de zaak in handen.

"Mijne vrienden," zeide hij, "uit kracht van mijn post als uw

president, verzoek ik onzen vriend Slackbridge, die in deze zaak

misschien een weinigje al te ver gaat, om te gaan zitten, terwijl

deze man, Stephen Blackpool, gehoord wordt. Gij allen kent dezen man,

Stephen Blackpool. Gij kent hem sedert lang door zijne ongelukken en

zijn goeden naam."

Daarmede drukte de president hem hartelijk de hand en ging weder

zitten. Slackbridge zette zich insgelijks en veegde zijn gloeiend

voorhoofd af, altijd van den linker- naar den rechterkant en nooit

andersom.

"Mijne vrienden," begon Stephen, te midden eener doodsche stilte,

"ik heb gehoord wat er van mij gezegd is, en het is waarschijnlijk,

dat ik het niet verbeteren zal. Maar ik heb liever, dat gij de waarheid

over mij zelven uit mijn eigen mond hoort, dan uit die van een ander,

hoewel ik nooit voor zoovelen kon spreken zonder in de war te raken

en verlegen te worden."

Slackbridge schudde in zijne bitterheid zijn hoofd alsof hij het

wilde afschudden.

"Ik ben de eenige werkman in de fabriek van Bounderby, van al de

werklieden daar, die niet tot de voorgestelde bepalingen toetreed. Ik

kan er niet in toetreden. Mijne vrienden, ik twijfel of zij u eenig

goed zullen doen. Denkelijk zullen zij u kwaaddoen."

Slackbridge lachte, sloeg zijne armen over elkaar en zette met een

gefronst voorhoofd een spottend gezicht.

"Maar het is niet zoozeer daarom, dat ik er buiten blijf. Als dat

alles was, zou ik wel met de anderen meedoen. Maar ik heb mijne

redenen--mijne eigene redenen, ziet ge--die mij verhinderen; niet

alleen nu, maar altijd--altijd--mijn leven lang."

Slackbridge stond op, knarste op zijne tanden en plaatste zich met

woeste gebaren naast hem.

"O, mijne vrienden," riep hij uit, "wat anders dan dit heb ik u

gezegd? O, mijne landgenooten, welke andere waarschuwing dan deze

heb ik u gegeven? En hoe staat zulk eene lafhartigheid aan een man,

op wien men weet dat ongelijke wetten zoo zwaar hebben gedrukt? O,

gij Engelschen, ik vraag u, hoe staat zulk een verraad aan een van

uw eigen volk, die aldus bewilligt in zijn eigen verderf en het uwe,

en in dat van uwe kinderen en kindskinderen?"

Sommigen applaudisseerden, anderen riepen "foei!" en "schande!" maar

de meesten van het gehoor hielden zich stil. Zij zagen naar Stephen's

uitgeteerd gelaat, nog roerender door de oprechte aandoening, die

het vertoonde, en in de goedheid van hun hart waren zij meer bedroefd

dan verontwaardigd.

"Het ambacht van dezen afgevaardigde is het spreken," zeide

Stephen. "Hij wordt er voor betaald en hij verstaat zijn werk. Laat

hij er zich maar bij houden. Laat hij niet letten op alles wat ik te

dragen heb gehad. Dat gaat hem niet aan. Dat gaat niemand aan dan mij."

Er lag eene gepastheid, om niet te zeggen eene deftigheid in

deze woorden, die zijne hoorders nog stiller en aandachtiger deed

worden. Dezelfde krachtige stem riep: "Slackbridge, laat de man

gehoord worden en houd je bek!" Toen werd alles verwonderlijk stil.

"Mijne broeders," zeide Stephen, wiens zachte stem men duidelijk

hoorde, "mijne medearbeiders--want dat zijt ge van mij, hoewel niet,

zoover ik weet, van dezen afgevaardigde hier,--ik heb maar één woord

te zeggen, en ik zou niet meer kunnen zeggen, al mocht ik spreken tot

den jongsten dag. Ik weet wel wat ik voor mij heb. Ik weet wel, dat

gij allen besloten hebt om niets meer te doen te hebben met iemand,

die in deze zaak niet met u meedoet. Ik weet wel, als ik stervende aan

den weg lag, zoudt gij het voor recht houden om mij als een vreemdeling

voorbij te gaan. Maar ik moet er mij in schikken zooals het is."

"Stephen Blackpool," zeide de president opstaande, "denk er nog eens

over. Bedenk het nog eens, jongen, eer gij door alle oude vrienden

wordt gemeden."

Er volgde een algemeen gebrom, dat dezelfde beteekenis had, hoewel

niemand een woord sprak. Aller oogen waren op Stephen gevestigd. Als

hij van zijn besluit terugkwam, zou ieder een pak van het hart worden

genomen. Hij zag om zich heen en gevoelde dat het zoo was. Geen zweem

van gramschap tegen hen kwam in hem op; hij kende hen en doorzag hen,

ver beneden hunne oppervlakkige zwakheden en wanbegrippen, gelijk

niemand dan een makker kon doen.

"Ik heb er over gedacht, meer dan een beetje, mijnheer. Ik kan

eenvoudig niet toetreden. Ik moet den weg gaan, die voor mij ligt. Ik

moet van allen hier afscheid nemen."

Hij maakte een soort van afscheidsgebaar, door zijne armen op te

houden, en bleef een oogenblik in die houding staan, niet sprekende

voordat zij langzaam weder neerzakten.

"Menig pleizierig woord hebben sommigen hier met mij gesproken;

menig gezicht zie ik hier, dat ik het eerst gezien heb toen ik nog

jong was en een lichter hart had dan nu. Ik heb nog nooit zoolang

ik leef ongenoegen gehad met iemand van mijns gelijken; en God weet,

het ongenoegen dat ik nu heb is mijne schuld niet. Gij hebt mij een

verrader en zoo al meer genoemd--gij, wil ik zeggen," hierbij keerde

hij zich naar Slackbridge, "maar het is gemakkelijker zoo iets ze

zeggen, dan het te bewijzen. Laat het dus maar blijven."

Hij had een paar schreden gedaan om zich van de stellage te

verwijderen, toen hij zich iets herinnerde dat hij nog niet gezegd had,

en daarom terugkwam.

"Misschien," zeide hij, zijn gerimpeld gezicht langzaam heen en weder

keerende, als wilde hij zijn geheel gehoor hoofd voor hoofd aanspreken;

"misschien, als er over mijn geval gehandeld is, zal er een dreigement

komen om het werk te staken, als men mij onder u laat werken. Ik hoop,

dat ik sterven zal eer dat gebeurt, maar zoolang het niet gebeurt,

zal ik in eenzaamheid onder u blijven werken--want waarlijk, ik moet

dat doen, mijne vrienden, niet om u te sarren, maar om te leven. Ik

heb niets dan mijn werk om van te leven; en waar kan ik heengaan, ik,

die van klein kind af hier in Coketown heb gewerkt? Ik klaag er niet

over, dat ik van nu af in den ban gedaan en niet meer aangezien word,

maar ik hoop, dat men mij zal laten werken. Als er iets is, waarop

ik recht heb, mijne vrienden, dan is het, geloof ik, dat."

Er werd geen woord gesproken. Geen geluid werd in het geheele

gebouw gehoord, behalve een zacht geschoffel langs het midden der

zaal, waar de toehoorders een weinig opschoven, om een vrij pad te

laten voor den man, met wien zij voortaan alle gemeenschap zouden

verzaken. Niemand aanziende en langzaam voortstappende, met eene

mengeling van nederigheid en standvastigheid, evenmin smeekend als

uitdagend, ging oude Stephen, met al zijne rampen en bezwaren beladen,

zijns weegs.

Slackbridge, die, terwijl Stephen heenging, zijn oratorischen arm

uitgestrekt had gehouden, alsof hij met oneindige bekommering en door

een wonderbaar zedelijk vermogen de geweldige hartstochten der menigte

in bedwang hield, aanvaardde nu de taak om de vergadering weder op te

beuren. "Heeft niet de Romeinsche Brutus, mijne Britsche landgenooten,

zijn zoon ter dood veroordeeld; en hebben niet de Spartaansche moeders,

o mijne weldra zegevierende vrienden, hare vluchtende kinderen in de

spitsen der vijandelijke zwaarden gedreven? Is het dan niet de heilige

plicht der mannen van Coketown, met hunne voorvaderen voor zich, met

eene bewonderende wereld in hun gezelschap en een nakomelingschap,

die achter hen zal komen, de verraders uit de tenten te slingeren,

die zij in eene heilige en Godgewijde zaak hebben opgeslagen? De winden

des hemels antwoorden ja, en voeren dat ja naar het oosten en westen,

het noorden en zuiden. En daarom driemaal hoera voor het Vereenigd

Gemeenschappelijk Tribunaal!"

Slackbridge speelde voor voorzanger en gaf de maat aan. De menigte

van twijfelachtige gezichten (wier geweten eenigszins knaagde)

verhelderde op dat geluid en stemde er mede in. Ieders bijzonder

gevoel moest voor de algemeene zaak zwichten. Hoera! De zoldering

dreunde nog van het gejuich toen de vergadering uiteenging.

Slechte Tijden · 第 12 / 27 段