zich van de tafel losrukkende, waaraan hij eerst scheen vastgeplakt,
"dat ik nooit in mijn leven zoo verbaasd ben geweest."
Het scheen waarlijk een geweldigen indruk op hem te maken. Hij zag
haar, die hem dit bericht had gegeven, ruim eene halve minuut lang aan,
en scheen al dien tijd die verrassing voor zijn geest te hebben.
"Ik verzeker u, mevrouw Powler," zeide hij toen zeer afgemat, "dat
de gezegden van haar vader mij eene gerimpelde, steenharde rijpheid
hadden doen verwachten. Ik ben u zeer verplicht, dat gij zulk eene
ongerijmde vergissing hebt terecht gebracht. Ik bid u, verschoon
mijne indringendheid. Duizendmaal dank. Goedenavond."
Hij ging buigende heen; en mevrouw Sparsit, achter het venstergordijn
verborgen, zag hem langzaam de straat aan den schaduwkant afkuieren,
door alle voorbijgangers opgemerkt.
"Wat denkt gij van dien heer, Bitzer?" zeide zij, toen de kantoorlooper
kwam om het theegoed weg te halen.
"Hij moet veel geld aan zijne kleeren besteden, juffrouw."
"Dat moet erkend worden," zeide mevrouw Sparsit, "maar hij is ook
keurig gekleed."
"Ja, juffrouw, als dat het geld waard is."
"Buitendien, juffrouw," hervatte Bitzer, terwijl hij de tafel wat
opwreef; "hij ziet er mij uit alsof hij speelde."
"Hazardspelen is onzedelijk," antwoordde mevrouw Sparsit.
"Het is belachelijk, juffrouw," antwoordde Bitzer, "want de kansen
zijn altijd ten nadeele der spelers."
Hetzij de warmte mevrouw Sparsit hinderde, of wat er anders de reden
van was, zij werkte dien avond niet. Zij zat nog voor het venster
toen de zon achter den rook begon weg te zinken; zij zat nog voor het
venster toen de rook gloeiend rood werd, toen hij zijne kleur weder
verloor, en toen de duisternis langzaam uit den grond scheen op te
rijzen en al hooger en hooger op te kruipen naar de daken der huizen,
naar de kerktorens, naar de toppen der fabriekschoorsteenen en zoo
tot aan de lucht. Zonder licht te laten brengen, bleef mevrouw Sparsit
voor het venster zitten, met de handen in den schoot, en zonder veel
op de geluiden van den avond te letten: het schreeuwen van jongens,
het blaffen van honden, het rammelen van wagens, de voetstappen en
stemmen van voorbijgangers, het schelle geroep van kooplieden op
straat, het kletteren van houten overschoenen, toen het tijd werd
dat deze voorbijkwamen, en eindelijk het opzetten der luiken voor de
winkelvensters. Niet voordat de kantoorlooper haar kwam waarschuwen,
dat haar eenvoudig avondmaal gereed stond, wekte mevrouw Sparsit zich
zelve uit haar gepeins, en bracht zij hare zwarte wenkbrauwen--zoo
gerimpeld alsof er een strijkijzer noodig zou zijn om ze weder glad
te krijgen--naar boven.
"O hoe zot!" zeide mevrouw Sparsit toen zij alleen aan haar soupertje
zat. Wat zij eigenlijk meende zeide zij niet; zij kan toch bezwaarlijk
hare bestellen gemeend hebben.
XVIII.
MIJNHEER JAMES HARTHOUSE.
De partij van Gradgrind had helpers noodig om de Gratiën te
vermoorden. Zij zocht overal recruten te werven; en waar kon
zij gemakkelijker recruten vinden dan onder die overbeschaafde
gentlemen, die, daar zij ontdekt hadden, dat alles even weinig--dat
is niets--waardig is, daarom voor alles gereed waren?
Bovendien hadden de edele geesten, die zich tot deze trotsche hoogte
hadden verheven, iets aantrekkelijks voor velen uit de school van
Gradgrind. Deze bewonderden die overbeschaafde gentlemen; zij hielden
zich alsof zij het niet deden, maar het was toch zoo. Om hen na te
bootsen, werden zij ook flauw en traag; zij kauwden hunne woorden
evenals zij, en dischten met hetzelfde voorkomen van lustelooze
onverschilligheid de beschimmelde portietjes staathuishoudkunde op,
waarop zij hunne leerlingen onthaalden. Nooit voorheen had men op
de wereld zulk een wonderlijk tweeslachtig ras gezien, als aldus
werd voortgebracht.
Onder de overbeschaafde gentlemen, die niet geheel tot de school
van Gradgrind behoorden, was er een van goede familie en nog beter
voorkomen, met een gelukkig talent voor het luimige, waarmede hij
eens een ontzaglijken indruk op het Huis der Gemeenten had gemaakt,
bij gelegenheid dat hij dit onthaalde op het verslag van een ongeluk
op een spoorweg, uit zijn oogpunt en dat van den Raad van Toezicht
beschouwd, waarbij de zorgvuldigste beambten, die men ooit gekend
had, aangesteld door de onbekrompenste directie, waarvan men ooit
had gehoord, geholpen door de fraaiste mechanische toestellen,
die hem ooit had uitgevonden, alles gebezigd op de beste baan,
die ooit was aangelegd, vijf menschen om hals geholpen en twee en
dertig gekwetst hadden, door eene toevalligheid zonder welke het
uitmuntende van het geheele stelsel eigenlijk incompleet zou zijn
geweest. Onder de verslagenen was eene koe en onder de gevondene en
ongeëigende voorwerpen eene weduwe-rouwmuts; en de achtingswaardige
volksvertegenwoordiger had, door deze muts aan de koe op te zetten,
den lachlust van het Huis (dat een fijn gevoel voor het luimige heeft)
zoodanig geprikkeld, dat het niet meer ernstig van de lijkschouwing
kon hooren spreken, en onder gelach en gejuich de spoorwegdirectie
van alle verantwoording vrijsprak.
Nu had deze heer een broeder van nog beter voorkomen dan hij, die eerst
een proefje van het leven had genomen als kornet bij de dragonders, en
het vervelend had gevonden, toen nog een proefje er van in het gevolg
van een Engelsch minister buitenslands, en het weder vervelend had
gevonden; toen naar Jeruzalem was gereisd en zich daar verveeld had;
en toen met een jacht door de wereld had omgedwaald en zich overal had
verveeld. Tegen dezen heer zeide het bovengemelde achtingswaardige
en luimige Parlements-lid eens op een broederlijken toon: "Jem, er
is goede kans onder de mannen van feiten en cijfers. Zij hebben nog
helpers noodig. Waarom zoudt gij u niet door de statistiek in het
Parlement laten brengen?" Jem, eenigszins ingenomen met het nieuwe
van dit denkbeeld en zeer verlegen om eene verandering, was evenzeer
gereed voor de statistiek als voor iets anders. Hij keek dus een paar
boeken door, en zijn broeder bazuinde het uit onder de mannen van
feiten en cijfers, en zeide: "Als gij voor de eene of andere plaats
een jongen in het Parlement wilt brengen, die er knap uitziet en eene
drommels mooie redevoering kan houden, neem dan mijn broeder Jem, want
hij is uw man." Na eenige proefnemingen in openbare vergaderingen,
werd Jem door mijnheer Gradgrind en een raad van politieke wijzen
goedgekeurd, en men besloot hem naar Coketown te zenden, om zich
daar en in den omtrek bekend te maken. Zoo kwam Jem aan den brief,
dien hij den vorigen avond aan mevrouw Sparsit had laten zien en dien
mevrouw Bounderby nu voor zich had, met het adres: "Josiah Bounderby,
Esquire, Bankier te Coketown. Tot bijzondere introductie van James
Harthouse, Esquire. Thomas Gradgrind."
Binnen een uur na het ontvangen dezer dépêche en het kaartje van
mijnheer James Harthouse, zette mijnheer Bounderby zijn hoed op en ging
naar het hotel. Daar vond hij mijnheer Harthouse, die uit het venster
stond te kijken, in zulk eene jammerlijk neerslachtige stemming,
dat hij reeds half genegen was om maar van de zaak af te zien.
"Mijn naam, mijnheer," zeide de binnenkomende, "is Josiah Bounderby
van Coketown."
Mijnheer James Harthouse was zeer verheugd (hoewel men het hem niet
kon aanzien) over een genoegen, dat hij zoolang had verwacht.
"Coketown, mijnheer," zeide Bounderby, zich stevig op een stoel
zettende, "is de soort van plaats niet waaraan gij gewoon zijt. Als gij
het mij dus wilt veroorloven--of hetzij gij wilt of niet, want ik ben
een rondborstig man--zal ik er u iets van zeggen eer wij verder gaan."
Mijnheer Harthouse zou verrukt wezen.
"Houd u daar niet al te zeker van," zeide Bounderby. "Ik beloof het
u niet. Vooreerst, gij ziet onzen rook. Die is eten en drinken voor
ons. Hij is het gezondste ding op de wereld in alle opzichten en vooral
voor de long. Als gij een van hen zijt, die willen dat wij hem zullen
laten verteren, ben ik uw tegenstander. Wij zullen de bodems onzer
stoomketels niet sneller gaan verslijten dan wij nu doen, voor alle
sentimenteele kwezelpraat in Groot-Brittannië en Ierland."
"Mijnheer Bounderby," antwoordde mijnheer Harthouse, "ik verzeker u,
dat ik geheel en volkomen van uwe gedachten ben--volgens overtuiging."
"Ik ben blij dit te hooren," zeide Bounderby. "Nu hebt gij ook zonder
twijfel een boel hooren praten over het werk in onze fabrieken, niet
waar? Heel goed! Ik zal u de zaak doen kennen gelijk zij is. Het is
het pleizierigste werk, en het lichtste werk, en het best betaalde
werk dat er bestaat. Nog meer dan dat; wij zouden de fabrieken zelven
niet meer kunnen verbeteren, of wij zouden Smirnasche tapijten op
den grond moeten leggen--en zóó ver zullen wij niet gaan."
"Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Bounderby."
"Ten laatste," zeide Bounderby, "wat onze arbeiders betreft. Er is
geen hand in deze stad, mijnheer, man, vrouw of kind, of hij heeft
maar één voornaam doel in het leven. Dat doel is, schildpadsoep, en
wildbraad te eten en met een gouden lepel gevoerd te worden--maar geen
van allen zullen zij ooit schildpadsoep en wildbraad eten of met een
gouden lepel gevoerd worden, dat beloof ik u. En nu kent gij de stad."
Mijnheer Harthouse betuigde, dat hij dit kort begrip der geheele
quaestie van Coketown uiterst leerzaam had gevonden en er geheel door
opgebeurd was.
"Ja, ziet gij," hervatte Bounderby, "het ligt in mijn karakter, dat ik
tot volle verstandhouding met iemand wil komen, vooral met een publiek
persoon, als ik met hem kennis maak. Nu heb ik u nog maar één ding meer
te zeggen, mijnheer Harthouse, eer ik u verzeker, van het genoegen,
waarmede ik aan den aanbevelingsbrief van mijn vriend, Tom Gradgrind,
zal beantwoorden. Gij moet u zelven niet bedriegen door u een oogenblik
te verbeelden, dat ik een man van afkomst ben. Ik ben eene echte
spruit van het janhagel, van het uitvaagsel der maatschappij."
Indien iets nog Jem's belangstelling in mijnheer Bounderby had kunnen
verhoogen, zou het dit zijn geweest--zoo zeide hij tenminste.
"Zoo geven wij elkander dus op gelijken voet de hand," zeide
Bounderby. "Ik zeg op gelijken voet, omdat ik, hoewel ik weet wat
ik ben, en beter dan iemand zeggen kan hoe diep de modderpoel was
waaruit ik mij heb omhoog gewerkt, even trotsch ben als gij. Ik
ben even trotsch als gij. En nu ik mijne onafhankelijkheid op eene
behoorlijke manier heb doen gelden, mag ik er toe overgaan om te
vragen, hoe gij vaart, en ik hoop, dat ge tamelijk wel zijt."
"Nog beter dan anders," gaf mijnheer Harthouse te verstaan, "door de
gezonde lucht van Coketown," en mijnheer Bounderby nam dit antwoord
zeer gunstig op.
"Misschien weet gij," zeide hij, "of misschien weet gij niet, dat ik
met Tom Gradgrind's dochter getrouwd ben. Indien gij niets beters te
doen hebt dan eens met mij door de stad te wandelen, zal ik u gaarne
bij Tom Gradgrind's dochter introduceeren."
"Mijnheer Bounderby," antwoordde Jem, "gij voorkomt mijne dierbaarste
wenschen."
Zij gingen zonder meer te spreken op weg en mijnheer Bounderby
geleidde zijn nieuwen bekende, die zoo sterk bij hem afstak, naar
het huis van rooden baksteen, met de zwarte luiken van buiten, de
groene rolgordijnen van binnen en de zwarte deur boven de witte
stoep van twee treden; en in de voorkamer van dat huis trad hun
weldra het zonderlingste vrouwelijk wezen te gemoet, dat mijnheer
James Harthouse nog ooit gezien had. Zij was zoo gedwongen en toch
zoo achteloos, zoo stroef en toch zoo wakker, zoo koel en trotsch en
toch zoo pijnlijk beschaamd over de snoevende nederigheid van haar
echtgenoot--waarvan zij huiverde alsof ieder blijk daarvan een slag
of een dolksteek was--dat het waarnemen van zulk eene vrouw hem een
geheel nieuwe aandoening gaf. Haar gezicht was niet minder opmerkelijk
dan hare manieren. Hare trekken waren bevallig, maar hun natuurlijk
spel werd onder zulk een strakheid bedwongen, dat het onmogelijk
was de ware uitdrukking daarvan te raden. Volkomen onverschillig,
geheel zeker van zich zelve, nooit verlegen, en toch nooit op haar
gemak, naar het lichaam in gezelschap met hen, terwijl haar geest
blijkbaar geheel alleen was, kon het hem vooralsnog niet baten,
dat hij zijne scherpzinnigheid inspande om deze vrouw te begrijpen,
want zij stelde alle scherpzinnigheid teleur.
Van de vrouw des huizes wierp de vreemdeling een blik op het huis
zelf. Geen stilzwijgend blijk van de aanwezigheid eener vrouw was in
de kamer te bespeuren. Geen klein maar bevallig sieraad, geen aardig
uitgedacht voorwerp tot gebruik of gemak duidde ergens haar invloed
aan. Met brallenden rijkdom, maar zonder smaak gemeubileerd, evenmin
vroolijk als gemakkelijk, staarde de kamer de aanwezigen aan, zonder
door het minste spoor van eenige vrouwelijke bezigheid verlevendigd
of verzacht te worden. Gelijk mijnheer Bounderby te midden zijner
huisgoden stond, zoo besloegen die ongenadige godheden hare plaatsen
om mijnheer Bounderby heen; zij waren elkander waardig en wel gepaard.
"Dit, mijnheer," zeide Bounderby, "is mijne vrouw, mevrouw
Bounderby. Tom Gradgrind's oudste dochter. Louisa, mijnheer James
Harthouse. Mijnheer Harthouse heeft zich op de monsterrol van uw
vader laten zetten. Als hij niet eerlang Tom Gradgrind's collega is,
geloof ik dat wij toch weldra uit een van onze naburige steden van
hem zullen hooren. Gij merkt wel op, mijnheer Harthouse, dat mijne
vrouw jonger is dan ik. Ik weet niet wat zij bijzonders in mij gezien
heeft om mij te trouwen; maar zij moet toch iets in mij gezien hebben,
denk ik, of zij zou mij niet getrouwd hebben. Zij heeft een hoop
kostbare kundigheden verzameld, mijnheer, politieke en andere. Als
gij u spoedig in het een of ander op de hoogte wilt brengen, kan ik
u geene betere raadgeefster aanraden dan Louisa Bounderby."
Mijnheer Harthouse was overtuigd, dat hem geene meer beminnelijke
raadgeefster kon worden aanbevolen, of eene waarvan hij zooveel kans
had om te leeren.
"Komaan," zeide zijn gastheer. "Als gij hier in complimenten wilt gaan
handelen, zult ge wel voortkomen, want gij zult geene concurrentie
vinden. Ik heb nooit gelegenheid gehad om complimenten te leeren,
en ik versta de kunst niet om ze te maken. Om de waarheid te zeggen,
ik veracht ze. Maar uwe opvoeding is geheel anders geweest dan de
mijne; de mijne was er eene van stavast, dat zeg ik u. Gij zijt
een gentleman, en ik wil mij daarvoor niet uitgeven. Ik ben Josiah
Bounderby van Coketown, en dat is genoeg voor mij. Evenwel, schoon
manieren en stand op mij geen indruk maken, mogen zij dat wel op Louisa
Bounderby doen. Zij heeft mijne voordeelen niet gehad--nadeelen zoudt
gij ze noemen, maar ik noem ze voordeelen--en dus zult gij uw kruit
niet verspillen, dat durf ik wel zeggen."
"Mijnheer Bounderby," zeide Jem, zich met een glimlach naar Louisa
keerende, "is een edel ros in den natuurstaat, geheel vrij van het
tuig der maatschappelijke vooroordeelen, waarin een knol gelijk ik
moet loopen."
"Gij hebt zeer veel achting voor mijnheer Bounderby," antwoordde zij
koel, "en dat is niet meer dan natuurlijk."
Voor iemand die zooveel van de wereld gezien had, was hij schandelijk
uit het veld geslagen en dacht: "Hoe moet ik dat opvatten?"
"Gij zult u, naar ik begrijp uit hetgeen mijnheer Bounderby gezegd
heeft, aan den dienst van uw vaderland toewijden," zeide Louisa,
nog voor hem staande waar zij het eerst was blijven staan--terwijl
hare zelfbeheersching zonderling in strijd was met hare duidelijk
zichtbare onrustigheid. "Gij hebt u voorgenomen om de natie den weg
uit al hare moeielijkheden te wijzen."
"Neen, mevrouw Bounderby, op mijne eer, dat niet," antwoordde hij
lachende. "Ik wil bij u zoo iets niet voorwenden. Ik heb hier en daar
het een en ander gezien, en ik heb bevonden dat alles even nietig is,
gelijk iedereen gedaan heeft, hoewel sommigen het bekennen en anderen
niet; ik zal nu in het Parlement pogen te komen als voorstander der
meeningen van uw geachten vader, omdat ik inderdaad geene keus van
meeningen heb, en deze dus even goed kan voorstaan als iets anders."
"Hebt gij dan geene eigene meeningen?" zeide Louisa.
"Ik heb zelfs de geringste voorkeur niet meer over. Ik verzeker u, dat
ik aan geene meeningen hoegenaamd eenig gewicht hecht. Het gevolg der
verscheidenheden der verveling, die ik ondergaan heb, is de overtuiging
(of overtuiging moest een te krachtig woord zijn voor het flauwe
gevoel dat de zaak mij inboezemt), dat het eene systeem van begrippen
evenveel goed en evenveel kwaad zal doen als het andere. Er is eene
Engelsche familie met een fraai Italiaansch motto; "Wat gebeuren moet
zal gebeuren." Dat is de eenige waarheid, die nog leeft."
Deze huichelachtige vertooning van eerlijkheid bij oneerlijkheid--eene
zoo gevaarlijke, zoo doodelijke en zoo gewone ondeugd--scheen, naar hij
opmerkte, een weinig gunstiger voor hem te stemmen. Hij vervolgde zijn
voordeel door op zijn luchtigsten toon--een toon waaraan zij zooveel
of zoo weinig beteekenis kon hechten als zij verkoos--te zeggen:
"De partij, die alles, wat het ook zijn mag, met eene rij cijfers
kan bewijzen, mevrouw Bounderby, komt mij voor de meeste grappen te
beloven en iemand de meeste kans te geven. Ik ben er evenzeer aan
gehecht alsof ik er aan geloofde. En wat zou ik met mogelijkheid meer
kunnen doen, als ik er aan geloofde!"
"Gij zijt al zeer zonderling in uwe politiek," zeide Louisa.
"Ik verzoek wel verschooning; ik heb zelfs die verdienste niet. Wij
zouden de grootste partij in den staat uitmaken, mevrouw Bounderby,
dat verzeker ik u, als wij allen uit de door ons gekozene gelederen
stapten en te zamen gemonsterd werden."
Mijnheer Bounderby, die gevaar had geloopen door zijn stilzwijgen te
barsten, viel er nu op in met een voorstel om het diner tot halfzeven
uit te stellen en mijnheer James Harthouse intusschen eenige bezoeken
te laten afleggen bij de notabiliteiten van Coketown en den omtrek. De
bezoeken werden afgelegd, en door een voorzichtig gebruik van zijne
in den laatsten tijd van buiten geleerde kundigheden kwam mijnheer
James Harthouse er zegepralend doorheen, hoewel met een aanmerkelijken
aanwas van verveling.
Des avonds vond hij de tafel voor vier gedekt, hoewel zij slechts
met hun drieën plaats namen. Dit was eene geschikte gelegenheid voor
mijnheer Bounderby om uit te weiden over den smaak van den halven
stuiver gestoofde paling, die hij, toen hij acht jaren oud was,
op straat had gekocht, en ook over het slechte water, meer in 't
bijzonder bestemd om de straat te begieten, waarmede hij dien maaltijd
naar beneden had gespoeld. Onder de soep en de visch onthaalde hij
zijn gast insgelijks op de berekening, dat hij, Bounderby, in zijne
jeugd ten minste drie paarden, als rookworst of andere dingen vermomd,
had opgegeten. Deze verhalen beantwoordde Jem nu en dan met een flauw
"verrukkelijk!" en waarschijnlijk hadden zij hem doen besluiten om
den volgenden ochtend weder naar Jeruzalem te gaan, indien hij minder
nieuwsgierig ten opzichte van Louisa ware geweest.
"Is er dan niets," dacht hij, haar aanziende, terwijl zij aan het
hoofd der tafel zat, waar hare jeugdige gestalte, klein en tenger,
maar gracieus, zich even bevallig als misplaatst vertoonde; "is er
dan niets, dat eenige beweging in dat gezichtje kan brengen?"
Ja, er was iets; daar kwam het, in eene onverwachte gedaante! Tom
verscheen. Hare trekken veranderden toen de deur openging, en een
heldere glimlach blonk op haar gelaat.
Een schoone glimlach. Maar mijnheer James Harthouse zou er toch niet
zooveel in gevonden hebben, als hij zich niet zoolang over haar
strak gezicht had verwonderd. Zij stak hare hand uit--een fraai,
zacht handje; en hare vingers sloten zich om die van haar broeder,
alsof zij ze aan hare lippen had willen brengen.
"Ha, ha!" dacht de gast. "Die hondsvot is het eenige schepsel waarom
zij iets geeft. Zoo, zoo!"
De hondsvot werd gepresenteerd en nam plaats. De benaming was hard,
maar niet onverdiend.
"Toen ik zoo oud was als gij, Tom," zeide Bounderby, "paste ik op
mijn tijd, of ik kreeg geen eten."
"Toen gij zoo oud waart als ik," antwoordde Tom, "hadt gij geene
verwarde rekening terecht te brengen en u dan naderhand nog te
kleeden."
"Zwijg daar nu maar van," zeide Bounderby.
"Wel, begin dan ook niet met mij," bromde Tom.
"Mevrouw Bounderby," zeide Harthouse, die dit gemompel duidelijk
hoorde, "uw broeders gezicht komt mij zeer bekend voor. Kan ik hem
buitenslands hebben gezien? of aan eene openbare school misschien?"
"Neen," antwoordde zij met zeer veel belangstelling, "hij is
nooit buitenslands geweest, en hij is hier thuis opgevoed. Tom,
lieve broeder, ik zeg daar aan mijnheer Harthouse, dat hij u niet
buitenslands kan gezien hebben."
"Nooit zulk een fortuintje gehad, mijnheer," zeide Tom.
Er was weinig genoeg aan hem te zien om haar gezicht te doen
ophelderen, want hij was lomp, stug en onvriendelijk in zijne manieren,
zelfs voor haar. Des te grooter moest de eenzaamheid van haar hart
zijn geweest, en hare behoefte om het aan iemand weg te schenken. "Des
te meer is die hondsvot het eenige schepsel, waarom zij ooit gegeven
heeft," dacht mijnheer James Harthouse, al mijmerende, "des te meer,
des te meer."
Zoowel in het bijzijn zijner zuster, als nadat zij de kamer verlaten
had, gaf de hondsvot zich geene moeite om zijne minachting voor
mijnheer Bounderby te verbergen, wanneer hij die, zonder dat dit
onafhankelijk personage het opmerkte, kon aan den dag leggen door
een scheef gezicht te trekken of met een oog te knippen. Zonder
deze telegrafische mededeelingen te beantwoorden, moedigde mijnheer
Harthouse hem echter in den loop van den avond zooveel mogelijk aan
en toonde eene bijzondere ingenomenheid met hem.--Toen hij eindelijk
opstond om weder naar zijn hotel te gaan en eenigen twijfel te kennen
gaf, of hij bij den avond den weg wel zou weten te vinden, bood de
hondsvot dadelijk zijn dienst als gids aan en ging met hem de straat
op om hem daarheen te geleiden.
XIX.
DE HONDSVOT.
Het was zeker opmerkelijk, dat een jong heer, die onder zulk een
stelsel van onnatuurlijk bedwang was opgevoed, juist een huichelaar
zou worden; maar toch was dit het geval met Tom. Het was zeker
vreemd, dat een jong heer, die nooit vijf minuten lang aan zijn eigen
bestuur was overgelaten, eindelijk geheel buiten staat zou zijn om
zich zelven te besturen, maar zoo was het evenwel met Tom. Het was
geheel onverklaarbaar, dat een jong heer, wiens verbeelding in de
wieg was gesmoord, nog door het spook daarvan, in de gedaante eener
grove zinnelijkheid zou worden lastig gevallen; maar zulk een monster
was toch Tom.
"Rookt gij?" zeide mijnheer James Harthouse, toen zij aan het hotel
kwamen.
"Dat zou ik denken," antwoordde Tom.
Hij kon niet minder doen dan Tom boven verzoeken; en Tom kon niet
minder doen dan met hem naar boven gaan. Onder den invloed van een
verkoelenden drank, geschikt voor zulk een weder, maar niet zoo flauw
als koel, en van fijner sigaren dan daar in de stad te koop waren,
zat Tom spoedig en op zijn gemak aan zijn kant van de sofa, meer dan
ooit genegen om zijn nieuwen vriend aan den anderen kant te bewonderen.
Na een poosje gerookt te hebben, blies Tom den rook op zijde, om zijn
vriend eens op te nemen.
"Hij schijnt zich niets om zijne kleeren te bekreunen," dacht Tom,
"en hoe heerlijk kleedt hij zich toch. Wat een gepoetste klant is hij!"
Mijnheer James Harthouse, die toevallig den blik van Tom opving,
merkte nu aan, dat hij niet dronk, en schonk zijn glas met achtelooze
hand opnieuw vol.
"Wel bedankt," zeide Tom. "Wel bedankt! Nu, mijnheer Harthouse, hoop
ik, dat ge van avond omtrent uw bekomst van ouden Bounderby hebt
gekregen." Terwijl Tom dit zeide, kneep hij zijn eene oog dicht en
keek met het andere schalkachtig over den rand van zijn glas heen.
"Een heel goede kerel, inderdaad," antwoordde mijnheer James Harthouse.
"Ei zoo, vindt ge dat?" zeide Tom en kneep weder zijn oog dicht.
Mijnheer James Harthouse glimlachte, stond van de sofa op, kuierde
naar den schoorsteen en bleef met zijn rug tegen den mantel staan
rooken. Zoo vlak voor Tom staande en op dezen neerziende, merkte
hij aan:
"Welk een comisch schoonbroeder zijt gij toch!"